Werkelijkheid: beeld – Les 03 – Het werk in de sfeer

image_pdf

december 1962

Het werk in de sfeer

Wanneer de mensen over de sferen praten, dan heb je zo het idee, dat ze ergens naar een reisbureau zijn geweest met allerhand plaatjes van: zie de pittoreske sferen van Zomerland! Bezoek de glorieuze zomer van de sferen des lichts. En daarmee maken ze een heel grote vergissing, want een sfeer is een gedachtewereld. Wanneer u met elkaar tot een gezamenlijk begrip komt, is er dus sprake van een zekere sfeer. Laten we daarbij de stoffelijke aspecten weg, dan kun je zeggen dat als 100 man, die elkander begrijpen, samen denken zij gezamenlijk al een sfeer vormen. In elke sfeer, dat wil zeggen in elke groep, bestaan bepaalde ideeën. Een groot gedeelte van die ideeën hebben een vorm nodig.

Er zijn mensen die denken dat Onze Lieve Heer op een troon zit. Dan gaan ze zitten kijken bij een troon totdat Onze Lieve Heer komt, en als Hij niet komt, zeggen zei: “Wat een nep.” Er zijn anderen die zeggen: “Wij moeten rusten in Abrahams schoot.” En dan vinden ze het heel gek dat Abrahams schoot niet groot genoeg is. Ieder heeft zo zijn eigen idee. Maar als je een klein tikkeltje begint bij te komen, zodat je tegen jezelf kunt zeggen: Nu weet ik eindelijk dat ik leef en dat ik ook wat moet doen, dan ga je dus vanuit die sferen proberen met de mensheid en met andere sferen contact te krijgen. Dit contact op zichzelf is al een vorm van werken.

Zoals een mens een vreemde taal moet leren als hij naar een vreemd land gaat, zo zal men – als men in een andere sfeer werkzaam wil zijn – eerst de begrippen die daar bestaan, moeten leren verstaan. Een zeer belangrijk deel van het werk van een geest die naar de aarde gaat en met de mensheid contact zoekt, zal dan ook bestaan in het onderzoeken van alle mogelijkheden die in die mens liggen en om diens begrippen te leren kennen. Want woorden van duizend jaar geleden hebben nu een andere term gekregen; ze hebben een heel ander timbre en een andere betekenis, soms zelfs het tegenovergestelde. Begrippen die eens zuiver goddelijk waren, zijn nu technisch geworden en dingen die wij eens zagen als een normaal deel van het stoffelijk bestaan zijn tegenwoordig religieus of goddelijk. Dus je moet je eerst in een wereld inleven en daar schuilt nu eigenlijk het gevaar voor de geest.

Een mens heeft een persoonlijkheid. Maar in die persoonlijkheid zit ergens een kern die je zou kunnen vergelijken met een ontzettend grote en diepe draaikolk. Dat is het verborgen “ik”, dat hij voor een ander verbergt. Wanneer je nu als geest niet bekwaam bent en je gaat naar de wereld toe, dan word je in zo’n draaikolk meegezogen. En kan dan een arme geest zich niet losmaken, dan blijft hij gebonden aan alle reacties en gedachten van zo’n mens. Men spreekt dan over een aanhechting. En om zo’n geest los te krijgen is er dan weer een hulpactie nodig.

U zult begrijpen dat – gezien het groot aantal geesten dat bv. op uw wereld werkt – er behoefte bestaat aan een tamelijk uitgebreid hulpcorps. Een soort vrijwillige reddingsbrigade die alle vastgelopen geesten probeert los te maken. En zelfs dat is erg moeilijk. Dit is werken, ook al zou u het alleen maar zien als het verkennen van een andere wereld. Want voordat een geest iets tot een mens of tot een andere geest kan zeggen, moet hij hem begrijpen, maar gelijktijdig moet dit begrip zodanig zijn, dat hij zich niet geheel met die ander vereenzelvigt.

Stel je voor dat er ergens een wereld is waar ze eeuwig wasdag houden. Je hebt geen zin in wassen, in voortdurende loutering en reiniging volgens de begrippen van die mensen. En in jezelf leeft het ook niet. Maar je weet: ik kan ze een handje helpen, ze kunnen hogerop komen. Nu kom ik in zo’n wereld, maar ik laat mij aantrekken door de kern van een persoonlijkheid. Dan is mijn goedbedoeld contact ineens weg. Integendeel, de ander domineert mij. Hij is mijn meester en of ik wil of niet, ik was, ik schrob en ik louter. En kom uit die ene vrij en wil ik wegvluchten naar mijn eigen sfeer, dan zit ik voor ik het weet in de gedachte van een ander vast. Ik ben dan zwak, ik ben verward, ik ken mijn richting niet meer. Zo kun je je soms identificeren met 10, 12 personen, voordat je vrijkomt. En elke beleving op zich is – dat kan ik u wel verzekeren – een onaangename.

Er is dus een gevaar aan verbonden. En te leren dat gevaar te beheersen, is wel allereerst noodzakelijk. We hebben geen behoefte aan iemand die de mensheid of wie dan ook gaat helpen, wanneer de zekerheid bestaat dat we hem na een zekere tijd zelf eruit moeten halen. U verwacht ook niet van iemand dat hij anderen uit het water gaat redden, als hij zelf niet kan zwemmen. Daarom is er dus bij ons allereerst scholing. Is die scholing nu goed geslaagd en heeft iemand geleerd om de eigenaardige kern van de persoonlijkheid zo te vermijden, dat hij toch aan een zo groot mogelijk deel van het bewustzijn van een ander zijn aandacht kan geven en eventueel contact kan opnemen, dan gaat hij dus uit om een aantal taken te vervullen.

Er zijn mensen die denken: Een geest gaat naar de wereld voor één taak. Nebbish, niets van waar: Je gaat naar de wereld toe met een bepaalde hoofdtaak, dat is waar. Maar daarnaast komen er altijd weer kleine karweitjes bij, die je ook moet opknappen.

Wanneer je naar een sfeer gaat om één geest te bevrijden en er zijn drie anderen, die eigenlijk alleen maar een kleine handreiking nodig hebben om hen te bevrijden uit de inkapseling van hun gedachten, dan ben je verplicht ook die anderen te helpen. Je gaat dus voor een aantal taken.

Dan is het heel vaak ook nog noodzakelijk dat je leert. Want wanneer ik als geest (ik ben nu al een tijd wat u noemt: over) op uw wereld kom, dan moet ik proberen met de mensen te spreken en moet ik hun raad geven. Maar ik moet ook hun problemen begrijpen en die zijn soms van een aard die ik normaal niet zou kennen. Nu kan ik wel zo links en rechts informaties inwinnen. Maar als ik bv. steeds in aanraking kom met zieken, dan zal ik iets moeten weten van het menselijk organisme. Ik zal een kleine hoeveelheid medische kennis moeten verzamelen, want zonder dat kom ik er niet. Probeer ik het zonder dit, dan maak ik ongelukken. Wil ik mensen helpen met andere kennis (bv. historische kennis), dan moet ik iets weten van de menselijke historie; niet alleen zoals ze was, maar ook zoals de mensen haar zien. Ik moet mij daarin bekwamen.

Zo is dus voor het uitvoeren van een taak heel vaak ook een verdere oriëntatie nodig. Die oriëntatie kan gaan van een studie van zuiver menselijke wetenschappen af tot een onderzoek van de innerlijke krachten van het wezen, ja, zelfs een poging om die geheimzinnige draaikolk, die men de kern van het “ik” noemt en de werkingen, die zich daarin afspelen, te begrijpen om zo verder in het menselijk leven te kunnen doordringen, zonder daarbij zelf het slachtoffer te worden.

Nu ik u over de gevaren en de methoden vertel, is het natuurlijk ook nodig u iets te vertellen over het werk dat in een sfeer zelf wordt gedaan. Want de mens heeft heel vaak de opvatting dat je in een sfeer alleen maar stil zit. Nu ja, ze hebben niets te doen, zo denkt hij, dan gezamenlijk lofliederen tot de Heer te zingen, vroom te bidden en te wandelen in de tuinen van een eeuwige zomer. Nou, dat zal je gedacht zijn: Je moet samenwerken. Samenwerken is harmonie. Deze drukt zich in een sfeer op een andere manier uit dan op aarde, dat is logisch.

Maar harmonie betekent ook het wegcijferen van een deel van jezelf. Het betekent het zoeken naar die punten, waarin je gemeenschappelijk iets kunt doen, waarin je gemeenschappelijk iets kunt bereiken. Het betekent niet het omvormen van je persoonlijkheid, maar wel een aanpassen ervan.

Als u bv. in de Zomerland‑sferen zou komen, waar dus ook de Orde werkzaam is, dan zou u tot uw verbazing ontdekken dat de Orde een heel eigenaardig allegaartje is: hier vinden we priesters van een oude eredienst en ginds is een doodgewone jongen van de Nieuwezijds Voorburgwal of zo, en die zitten er allemaal samen. Zij hebben iets gemeen en dat kun je dan niet begrijpen. Dus moet je ook weer gaan leren: wat is eigenlijk een sfeer? Je moet afstand doen van je eigen stellingen, ideeën en gedachten, opdat­ je eerst eens de ander kunt ondergaan en kunt begrijpen. En dan hebben je eigen ideeën van rechtvaardigheid, oprechtheid en naastenliefde opeens veel minder betekenis: Het gaat om het gemeenschappelijke. Daarom zal men eigenlijk een groot gedeelte van zijn tijd eerst weer aan een soort studie besteden. Men gaat nl. proberen om met iedereen in contact te komen en van eenieder iets te begrijpen. Zo ontstaan er dan groeperingen (zoals de Orde en vele andere), die dus onderling een behoorlijk begrip hebben bereikt. Ze hebben een zekere harmonie.

Nu kan zo’n groep met haar beginsel naar een andere sfeer gaan. Degene, die dan als vertegenwoordiger optreedt, beschikt over een deel of over het geheel van de kracht van de groep. De anderen steunen die mens. Het is een soort bank met geestelijk kapitaal. Iedereen legt naar zijn beste vermogen in en degene, die uitgezonden wordt, kan met dat kapitaal dus als het ware speculeren, hij kan ermee handelen.

Er zijn heel veel groepen. Maar niet alle groepen kunnen elkaar helemaal begrijpen. Stel bv. dat wij in contact komen met een zeer christelijk georiënteerde groepering. Een groepering, die niets wil weten van magie en die esoterie eigenlijk maar onzin vindt. Dan is er voor ons niet direct harmonie en begrip mogelijk. Maar nu kunnen wel de wijzen onder ons begrijpen wat die anderen bedoelen. Zij gaan dus alweer het essentiële zoeken in zichzelf en in die anderen. En dan kan een groep, die – laten we zeggen – alleen maar preekt, samenwerking verkrijgen met de Orde. En dan kunnen die weer samenwerken met de Rozenkruisers, de Theosofen, de Katholieken, de Protestanten, de Joden, de Islamieten, allemaal. Want dat gaat.

Die samenwerking bestaat dus altijd op een hoger niveau. Een onderlinge hulp kan alleen worden verleend, wanneer de groepen een doel hebben dat ze beide kunnen aanvaarden. Wanneer een christelijke groep nu bv. denkt aan: “Jezus openbaren aan de mens” en wij denken aan “het geven van een nieuwe mogelijkheid tot inwijding”, dan kunnen wij daarin harmonisch zijn, onze kracht wordt groter.

Zo werkt men in de sferen en bestudeert men zelfs ook op zijn manier de hogere kracht. Men probeert te begrijpen hoe eigenlijk degenen die in een grotere, een meer vormloze wereld leven, bestaan. Men probeert te begrijpen hoe zij de kern der dingen zien. Niet onze ideeën en de vormen, maar datgene wat erboven ligt. En zo ga je langzaam maar zeker ook meer kracht krijgen, meer begrip, meer harmonie met een groter deel van de geest en zo een groter vermogen om de mens of een geest in een lagere sfeer werkelijk te helpen.

Het werken in de sferen heeft natuurlijk zin voor persoonlijke ontwikkeling. Het werken vanuit de sferen echter is belangrijk als persoonlijke ervaring. Wanneer ik vanuit een sfeer (een geestelijke wereld, die abstract is) werk in een menselijke wereld (die althans voor de mens reëel is), dan krijg ik als geest te maken met zijn stoffelijke realiteit en met zijn ideologische realiteit (zijn gedachtewereld, die ook voor hem werkelijkheid is, plus nog eens de geestelijke realiteit die wij erin zien. Het is noodzakelijk om dit alles tot een synthese te brengen en dus ben je voortdurend bezig datgene wat een mens denkt en wat hij kan aanvaarden samen te voegen met de werkelijkheid van zijn wereld en de werkelijkheid van onze wereld. Het samenvloeien van dit geheel maakt het ons dan mogelijk invloeden op aarde te scheppen. Nu komen we aan wat moeilijker materie.

Werken op de wereld

Als geest benader je de mens. Je kunt de mens benaderen als groep of als individu. Een gewone hulp aan de mensheid bestaat in het begin meestal uit het zoeken naar contact met een enkeling. En in die richting zie je alleen de persoon. Je probeert de persoon te helpen, je geeft de oplossing voor zijn persoonlijke problemen, terwijl je minder let op de werkelijkheid van de wereld daarbuiten.

Wanneer iemand behoefte heeft aan geld, dan geef je hem eenvoudig een tip, hoe hij aan geld kan komen. En heeft hij behoefte aan gezondheid, dan zeg je hem, hoe hij die gezondheid kan krijgen. Maar je vergeet meestal erbij te zeggen, hoe hij dat met de wereld in overeenstemming moet brengen en dat is de moeilijkheid. Zo wordt de zuiver persoonlijke leiding al heel gauw vanuit het standpunt van een wat meergevorderde geest een poging om door predicties of door kleine inspiraties een mens in een zekere richting te drijven en daarbij zal je geneigd zijn je eigen karakter aan die ander op te leggen.

Wanneer ik altijd heb gehouden van spruitjes en de ander houdt van spek (wat ik iets afschuwelijks vind), dan probeer ik hem zover te krijgen dat hij in plaats van spek spruitjes eet. Maar ik vergeet mij af te vragen of dat mogelijk, gezond en noodzakelijk is. Omgekeerd kan het ook voorkomen dat degene die ik beïnvloed, spek in zijn gedachten zo heerlijk kan vinden, dat ik onder de bekoring ervan kan komen, zodat ik mijn houding tegenover spek ga wijzigen en de lucht van spruitjes niet meer kan uitstaan. Het is een voorbeeld. U begrijpt dit gaat hoofdzakelijk over denkbeelden.

Ga je als leider van een mens leven, dan zal je door diens gedachten ook heel vaak je eigen wereldbeeld zien veranderen. Dit heeft voordelen, want je blijft dus bij, je bent in staat meer moderne situaties en mogelijkheden goed te begrijpen. Aan de andere kant heeft het een groot nadeel: je zult naar je eigen sfeer heel vaak onnodige materiële ballast meenemen en daarom moeten wij zegen dat hulp, de persoonlijke leiding of hulp over het algemeen, het werk is van de beginnelingen, degenen die nog ervaringen moeten opdoen en die met het helpen en leiden van één persoon niet zo heel veel kwaad kunnen doen, vooral omdat ze toch onder controle plegen te staan.

Nu kan ik echter ook een bepaalde groep willen leiden en dan wordt het moeilijker. Want nu heb ik niet meer te maken met één mens, maar later we zeggen met tien of honderd mensen. Die honderd mensen hebben ook een doel. Ergens is er iets dat voor hen gemeenschappelijk goed is. Daarnaast zijn er aan alle kanten aspecten die voor hen niet goed zijn of die zij niet aanvaardbaar achten. Nu moet ik een weg vinden waarmee ik, netjes manoeuvrerende, hun gevoeligheden niet te zeer kwets en aan de andere kant hen de waarheid duidelijk maak. Dit vergt bovendien nog een begrip voor de persoonlijke omstandigheden van elk lid. Want ik kan een gemeenschap niet groot maken als ik – om de gemeenschap iets te laten bereiken – de helft van de gemeenschap als persoonlijkheden opoffer. Ik moet allen tezamen op de juiste manier richten. En daarmee komen we dus tot het grotere werk.

U zult begrijpen dat de geest, de mensheid als geheel ook kent als een groep. En de inzichten van de mensheid als geheel of van een volk als geheel brengen georganiseerde arbeid met zich mee. We gaan niet meer als enkeling proberen iets te doen of leiding te geven, maar wij kiezen een geestelijk brandpunt uit. Dat kan één persoon zijn, dat kan ook een groep of een raad zijn.

Deze raad of groep observeert. Zij neemt waar en geeft ons de opdracht, de taak, waarmee wij dan – in kleinere groepen misschien of zelfs alleen door wijzigingen van causaal verband – kunnen proberen in te grijpen. Hierbij zijn wij natuurlijk weer afhankelijk van de mentaliteit van de mens. Kunnen wij op grote schaal iets bereiken, dan zal de mensheid als geheel daarvan minder merken dan wanneer een individu persoonlijke leiding krijgt. Onze invloed op de mens is groter, omdat wij geleidelijk zijn gehele wereld veranderen. Er is niet de tegenstelling tussen de wereld en het “ik”. De langzame en geleidelijke groei valt niet op. En zo kan juist de grote arbeid voor de mens meer het idee hebben van een natuurlijke ontwikkeling. En deze natuurlijke ontwikkelingen zijn van uit ons standpunt vaak erg begeerlijk.

Als je daarmee bezig bent, kun je natuurlijk in conflict komen met een andere geestelijke groepering, want niet alle sferen zien iets precies hetzelfde. En er zijn er heel veel bij die de mens in een keurslijf geperst willen hebben, wat voor de mensheid als geheel absoluut fout is. Dan ontstaat er dus een strijd die wordt uitgevochten met geestelijke wapens. Dat is een deel van het werk. Je kunt strijden in de eerste plaats tegen de beïnvloeding van mensen, maar daarvan worden die mensen het slachtoffer. En daarom bestaat er een soort strategie.

Als je bepaalde groepen die op aarde invloed willen uitoefenen, gaat bestrijden, dan begin je eerst hun aanvoerwegen af te snijden. Zij hebben bv. behoefte aan een schuldcomplex. Een schuldcomplex is voor duistere geesten het meest ideale voedsel, waaruit ze hun kracht en mogelijkheden op aarde vergroten. We gaan dus proberen om het schuldcomplex te veranderen.

We zien bv. mensen die erg trots zijn op hun persoonlijk inzicht en zeer op eigen wezen zijn ingesteld. Die mensen veroorzaken conflicten met anderen, terwijl ze het zo goed bedoelen. Kijk, dat conflict is voedingsstof voor een geest die ruzie wil hebben, die de mensheid als het ware wil terugdringen naar een dierlijk peil in plaats van haar geestelijk te laten rijzen. Wij moeten dus zo’n mens of enkele van die mensen desnoods isoleren; we moeten het hun onmogelijk maken daarmee verder te gaan, want zouden ze in staat zijn die sfeer uit te dragen, dan zou de mensheid zichzelf kunnen vernietigen.

Nu maakt vooral de duistere geest heel veel gebruik van astrale voertuigen. Dat zijn gedachtenvormen, die in een astraal‑gebied zijn opgebouwd en die als een soort basis voor hun operaties kunnen dienen. Ze hebben daar bv. een begrip voor een bepaalde deugd, eer, trouw, liefde, kuisheid, godsdienstigheid, neem maar een begrip. Wanneer ze daarvan een gestalte vinden, die desnoods door de mens nog wordt versterkt, kunnen ze van daar uit een veel groter gebied aanvallen dan door de vorm alleen wordt weergegeven. En dan kun je van uit de lichte werelden niets anders doen dan proberen die vorm uit elkaar te doen vallen. Dat doe je dan weer door allereerst het die geest onmogelijk te maken direct daarin te werken. Dan zal die geest toch altijd die vorm behouden. En als je even in je afscherming verzwakt, dan keert ze terug en neemt die vorm weer. Zou die vorm nu niet door mensen in stand worden gehouden, maar alleen vanuit bv. een duistere sfeer, dan is het eenvoudig, want dan zal een afwezigheid van directe bezieling het mogelijk maken om die gestalte in korte tijd als het ware te veranderen, om te schakelen. Het is niet bruikbaar meer. Maar zijn het mensen die het met die begrippen in stand houden, dan zijn het eigenlijk machtige demonen geworden. Ze, zijn een schuiloord voor eenieder, die iets op aarde tot stand wil brengen, dat voor de mensheid niet goed is, maar waaraan de mensen heel vaak hun hart hebben verpand.

Deze strijd vraagt bekwamere helpers dan bv. geleidegeesten. Een geleidegeest op aarde zal niet altijd in staat zijn aan een astrale strijd goed deel te nemen. Daarvoor is een zekere training nodig. De getrainde geesten houden zich in de eerste plaats altijd bezig met het schoonhouden van de astrale sfeer en daarbij voor zover mogelijk van de gedachtensfeer van de mensen. Men probeert daarin de zaak helderder, luchtiger reiner te maken. Want hoe reiner de sfeer, des te gemakkelijker harmonie met de mens tot stand wordt gebracht.

Nu heb ik geprobeerd u duidelijk te maken wat dit werken vanuit de sferen en in zekere zin in die sferen allemaal betekent. Maar daarmee hebben wij nog niets gezegd over de werkelijke invloed van de geest op de mens of omgekeerd. Er zijn daaraan natuurlijk heel veel verschillende aspecten verbonden die wij niet alle in één les kunnen belichten. Maar de meest opvallende zijn wel de volgende:

De geest zal heel vaak de werkelijke regels en wetten van de natuur gemakkelijker, zuiverder en beter kennen dan de mens. Zij is daarbij verder minder beperkt, doordat het menselijk vooroordeel, het voorbehoud, het groepsprestige enz. geen rol speelt. Het kennen van de wetten en regels van de natuur maakt het de geest mogelijk iemand, die – al is het voor een ogenblik – deze dingen kan aanvaarden, in staat te stellen voor de mensheid ongelooflijke dingen te volbrengen. Dat gaat van het wegnemen van een hoofdpijntje tot een volslagen mirakel. Al die dingen zijn weliswaar natuurlijk, maar de mensheid wist niet dat dit op natuurlijke wijze tot stand kon worden gebracht.

Dan heeft de geest verder een buitengewoon grote capaciteit om levenskracht af te tappen. Wanneer wij water moeten tappen, dan kunnen wij dat niet doen, al hebben wij duizend kranen. Het hoort niet in onze wereld. Wanneer u levenskracht moet aftappen, dan kunt u dat alleen doen voor zover u bewust bent. Dat wil zeggen voor zover u van geestelijke en mentale bronnen kunt gebruikmaken en dat is meestal ook beperkt. Maar wat water is in uw wereld is levenskracht in de onze. Wij beschikken in verhouding over grotere hoeveelheden levenskracht en zullen die – als wij maar over de middelen beschikken – in veel ruimere mate ook op aarde tot uiting kunnen brengen, ja, zelfs kunnen overdragen aan mensen, wanneer het noodzakelijk is

Kijk, dit is één van de dingen, waarmee wij dus ontzettend veel kunnen doen door een mens, die normalerwijze eigenlijk slap of misschien zelfs bijna dood zou moeten zijn, extra energie te geven als een soort transfusie; tot het ogenblik dat zo iemand zijn taak voldoende heeft volbracht. Daarbij moeten wij niet worden gestoord door anderen, dat is waar. Maar wij kunnen dat doen. Onze invloed kan op aarde dus tot uitging komen bv. in het laten verder leven van mensen die menselijk gezien allang dood hadden moeten zijn.

Omgekeerd weten wij meer van levenskracht dan de mens en zouden wij ook het toevoeren van elke extra levensenergie aan bepaalde mensen kunnen voorkomen. Het is geen moord of doodslag; het is alleen hen te verhinderen om te reageren buiten datgene wat ze zijn.

Daarmee kun je dus mensen uitschakelen. U begrijpt dat dat laatste altijd slechts onder groot voorbehoud wordt gedaan, want je mag een mens toch eigenlijk niet in zijn leven aantasten. Maar het is soms een mogelijkheid om te helpen de massa te richten en te bestemmen. Wanneer een staatsman op het juiste ogenblik ziek kan worden, dan zal misschien de hele politiek anders lopen, maar daarmee het lot van ongetelde mensen en ook misschien hun eigen denken. Daar hebben we dus een zeer belangrijke factor voor de geest, wanneer ze op aarde iets tot stand moet brengen.

Verder heeft de geest de mogelijkheid om gedachten te neutraliseren zodra ze buiten hun bron bestaan. Wat u van binnen denkt, kunnen wij niet veranderen, maar wel de uitstraling van uw gedachten. In sommige gevallen is het een stoorzender‑techniek, het doen wegvallen van de betekenis, waardoor de kracht dus niet door anderen harmonisch wordt opgenomen. In andere gevallen is het het ombuigen van een enkel woord of misschien een enkele zin daarin. Een kleine wijziging in betekenis kan soms een grote verandering betekenen aan gedachtenkracht en invloed. Dit kunnen we nu doen, omdat de gedachtentrillingen van de mens in de buurt liggen van ons eigen levensgebied. De verhouding is ongeveer: Een mens heeft een kachel. Hij kan vuur stoken, hij kan het doven. Stel u nu voor dat het vuur in trilling beneden ons ligt, omdat het een gedachte is, maar dat we nog dicht genoeg erbij staan om de kachel af of open te zetten. Op die manier kan dus het menselijk gemeenschappelijk denken vaak worden gereinigd.

Zo kennen de mensen ook hartstochten die nu niet direct prettig aandoen. Hartstocht op zichzelf is een normaal deel van het menselijk leven, vergeet dat niet. Maar zodra het egoïstisch wordt en het ten koste van anderen gaat, is het bovendien een zelfzuchtigheid, waarmee grote negatieve gevoelens worden uitgestraald.

Wanneer je een grote stad vanuit onze sferen ziet, dan lijkt het soms, alsof er een soort mistwolk boven hangt: geestelijke smog, maar dan zoals in Londen. En dan kun je zeggen: Nu ga ik dat allemaal wegnemen. Maar dat gaat niet. Je kunt het echter filtreren. Je kunt bepaalde bestanddelen eruit halen. Je kunt het als het ware negatief maken of opheffen door er een tegenovergestelde gedachte op te laten inwerken.

Wanneer ik bv. te maken heb met stoffelijke hartstocht, die door de mens toch ook op de een of andere manier met liefde wordt verknoopt en ik zie daar de egoïstische uitstraling, dan kan ik van mijn kant mijn mensenliefde inzetten; dan wordt de werking van het egoïsme opgeheven en de sfeer wordt zuiverder. Op deze manier kan dus ook weer de sfeer wat zuiverder, wat helderder zijn en kan de mens daarin dus geestelijk wat gezonder leven.

Zo heeft de geest verder de mogelijkheid om de ware beweegredenen van de mens gemakkelijker te kennen dan hijzelf. En dat betekent dat we soms een mens – wanneer hij het verdragen kan en dat is maar zelden. Helemaal verdragen doet haast geen mens de waarheid; maar wel grotendeels – de waarheid of een deel ervan omtrent zichzelf te tonen en zo die mens als het ware ertoe te brengen meer te leven volgens zijn werkelijk wezen en daardoor automatisch ook beter en niet meer met dat zelfbedrog, wat erbij behoort.

Hier hebt u een paar kleine indrukken van de manier, waarop de geest de mens beïnvloedt. Maar ook de mens beïnvloedt de geest. Wanneer u denkt, zal uw denken voor een deel bepalen of wij met u harmonisch zijn of niet, dus of wij met u iets kunnen beginnen of niet. Uw denken zal verder voor een deel uitmaken of wij bij u een taak kunnen vervullen of niet. Er moet een aanrakingspunt, zijn, inderdaad. Maar er moet ook nog de mogelijkheid zijn iets tot stand te brengen. En wanneer in een mens die mogelijkheid niet bestaat en wij moeten met alle geweld wat doen, dan zullen wij ons aan die mens moeten aanpassen. Het resultaat is heel vaak, dat we zelf verward worden. Wij zeggen dan: We worden zwak. En na verloop van tijd moeten we dan met een soort shellshock terug naar de sferen om bij te komen. Want we hebben dan zoveel voor ons niet meer aanvaardbare werkingen en ideeën tijdelijk moeten aannemen dat wij vermoeid zijn.

Zouden voldoende mensen zoiets tot stand brengen, dan bestaat er nog een ander gevaar, dat we gaan reageren, zoals de mens. Wij kunnen onszelf dan haast niet meer helpen en zijn dan als het ware geestelijk een ogenblik niet gezond. Zouden er dan geen helpers zijn die ons onmiddellijk terugvoeren naar onze eigen wereld, hogere krachten die ons afschermen en soms ook tijdelijk immuun weten te maken tegen het menselijk denken, dan zou het er voor ons heel slecht uitzien. Zo kan ik u met een voorbeeld misschien aantonen dat menselijke gedachten en geestelijk bestaan verwarring kunnen wekken.

Wij zien dat een mens in het “Wein, Weib und Gesang” nastreeft. Dan kan er een ogenblik komen dat wij erkennen: Ja, die dingen zijn voor de mens buitengewoon belangrijk. En wij zien niet in waarom de mens zich bepaalde beperkingen oplegt, waar ze niet nodig zijn en aan de andere kant, waar het wel nodig is, zich geen remmen oplegt. Begrijpt u wat ik bedoel? Dan gaan we zeggen: Hé, zouden wij nu niet die remmen kunnen weghalen? Maar als we dan erg onvoorzichtig zijn, vergeten wij gelijktijdig de noodzakelijke grenzen aan te duiden, dat gebeurt wel eens. Dan ontstaat er bij ons een schuldbewustzijn en daardoor zijn wij aan een bepaalde taak gebonden. Deze taak is één van de pijnlijkste die er bestaat. We hebben iets zelf geschapen en wij moeten dat zelf proberen in orde te brengen. En al zouden wij duizendmaal in onze sfeer terugkomen, wij kunnen van dit ene probleem niet meer af. Zo kunnen dus bepaalde entiteiten voor langere tijd als het ware uitgeschakeld zijn voor werkzaamheden voor de gemeenschap. En dat brengt ons ertoe soms erg voorzichtig te zijn, als het erom gaat in te grijpen in menselijke gebruiken en opvattingen.

Een andere factor, die eigenlijk niet helemaal menselijk is, maar uit de mens voortkomt, is de geest van de mens, die overgaat in een onjuiste gesteldheid. Een mens zal bv. – en wij nemen nu even het ergste aan – zelfmoord plegen. Hij kan niet loskomen van zijn wereld, hij blijft eraan gebonden. Zijn denkbeelden zijn als S.O.S‑signalen, die ons voortdurend beroeren, maar wij kunnen hem niet vrij krijgen. Hij keert telkenmale terug en blijft aan astrale vormen leven geven, welke die oude ramptoestand, dat oude huis en al wat ermee verbonden is, steeds maar weer leven geeft. Zouden de mensen er nu ongevoelig voor zijn, dan zouden wij het misschien klaarspelen. Maar de meeste mensen zijn er wel gevoelig voor. Ze zien zo’n manifestatie, ze beleven het, ze denken eraan en ze houden zich ermee bezig. Het resultaat is, dat zo iemand aan de aarde gebonden blijft en daar een zeer bepaalde, meestal niet opwekkende invloed uitoefent. Zolang die invloed wordt uitgeoefend, is een deel van de sfeer als het ware vergiftigd; een soort slangenkuil. Je moet die geest vrijmaken. Je moet het verschijnsel (de manifestatie) als het ware ongevaarlijk maken, want ze mag de mensheid geen kwaad doen, ze mag van de mensheid geen oplossing van haar problemen verwachten.

Andere voorbeelden: Mensen, die overgaan met de behoefte een bepaalde taak te vervullen in de stof. Bv. een soldaat valt op het slagveld. Hij haat de vijand zozeer dat hij alleen nog verder wil gaan om als soldaat de vijand aan te vallen. Wat moeten wij dan doen? Dan moeten wij proberen die mens duidelijk te maken dat hij is overgegaan. Maar hij weet het zelf niet. Hij bindt ons en wat meer is: wij moeten die gedachten delen.

Onthoudt u, dat er geen enkele beïnvloeding kan bestaan waar geen harmonie is. Dientengevolge zal geen enkele inwerking van onze lichtende sferen op een dolende geest of op een mens mogelijk zijn, zonder dat we eerst harmonie tot stand brengen. Maar harmonie betekent aanvaarding. Ook aanvaarding van de op zich misschien minder sympathieke eigenschappen en aspecten van die persoon of van die geest. En dat is moeilijk, want door de aanvaarding wordt voor ons een ander deel van de wereld geopend. Een deel van de wereld dat wij eigenlijk niet kennen. Wij worden meegesleept in stoffelijke denkwijzen en begeerten, die we zelf niet kennen. En wanneer wij niet heel voorzichtig zijn, worden we in die eigenaardige draaikolk van die persoonlijkheid meegezogen en dan zijn wij ermee verbonden. Hier is dus de invloed van de wereld op de geest, zelfs de hogere lichtende geest, soms zeer ernstig. En daarmee heb ik het eerste en naar ik aanneem eenvoudig gesteld algemeen beeld beëindigd.

Op het ogenblik dat een geest een zodanige invloed heeft op een mens of op een aantal mensen, dat die mensen de geest zonder meer aanvaarden, is de geest tegenover die mens een godheid. Zijn krachten, zijn mogelijkheden kan hij op aarde manifesteren. Hij kan de mens ertoe brengen zijn inzichten omtrent juiste leefwijze, juiste denkwijze en juist geloof te aanvaarden. In een primitieve gemeenschap zal dan ook de geest heel vaak optreden als godheid. Deze godheid echter wordt door de verering van de mensen, die daarin toch weer zichzelf zoeken, ook wederkerig beïnvloed.

Deze zgn. goden zijn niet slechts geestelijke krachten die mensen leiden, maar ook krachten in de geest die sterk worden beïnvloed door menselijk geloof en denken in hun wijze van optreden. Wij zien dan ook steeds weer het verschijnsel dat een zgn. godheid uit het verleden als geest in de wereld leiding geeft. Hij profeteert, hij doet wonderen, hij heeft zijn offers, zijn priesters, hij geeft zijn wet. Maar naarmate de tijd verdergaat, blijkt de god meer mens te worden. En zodra de godheid het evenbeeld is geworden van een mens, maar met meer mogelijkheden dan de mens, is hij geen god meer. Dan kan hij wegvluchten, hij kan de lege schil van de godheid die hij astraal heeft gebruikt, achterlaten, of hij zal meer mens worden en alleen door een menselijke incarnatie zich kunnen bevrijden van hetgeen zijn volgelingen hem hebben opgelegd. Daarom zijn er zeer vele geesten geweest, lichte en duistere, die hebben geprobeerd om hun persoonlijkheid en hun naam eigenlijk buiten de openbaarheid te houden. Ik zeg “naam”, maar daarmede bedoel ik wezensaanduiding. Het is dus niet alleen een kwestie van klank. Het kan elk ander symbool ook omvatten.

Waar kennis van een bepaalde geest bestaat en in de mens de mogelijkheid is daarmee harmonie te wekken, kan die geest de gemeenschap met die mens niet ontkennen. Zolang er een harmonie bestaat in het streven tussen de mens en de geest, kan de mens zijn bestrevingen in de geest vastleggen als een taak en een verplichting. En die taak of verplichting zal de mens dan in de geest zo vastleggen dat de geest zich alleen na de vervulling van deze voor hem obsederende opdracht kan bevrijden. Dus de geest kan soms worden gedwongen te doen wat een mens wil. Een hogere geest kan alleen worden gedwongen in de richting van het goede, van het lichtende. En dat begeert hij zelf ook, dus daar is het niet ernstig. Maar als een geest meer stof gebonden is of zelfs uit het duister komt met al zijn machten, dan zal die band voor hem een zeer pijnlijke zijn.

Hier vinden wij de magische bezwering waarmee de mens van uit zijn wereld een geest zodanig obsedeert dat hij alleen aan deze obsessie kan ontkomen door de wil te doen van hem die deze obsessie heeft geschapen. Deze magische invloed is van zo groot belang, dat ik hoop in één van de volgende lessen daaraan nog een aparte lezing te besteden.

Wanneer ik nu weer wat verder ga in de geschiedenis, dan ontdek ik dat men ertoe komt om overgeganen als helden (de heros) of als heiligen te vereren. Maar ook deze verering omvat een persoonlijk element. Zolang dat persoonlijk element past bij degene die is overgegaan, zal deze die beïnvloeding niet kunnen ontkennen. Hij zal erop moeten reageren en hij zal moeten presteren en voortbrengen. En ook hier kan de mensheid zover gaan, dat ze obsedeert of afdwingt. Naarmate de mens in zijn gedachteleven intenser met die geest bezig is, zal de mens die geest dus meer bevelen. Hij zal in die geest als het ware een dwang leggen. Dit geldt voor lichtende en duistere geesten. En daarmee vinden wij een ander verschijnsel, dat eveneens interessant is.

In de mens op aarde bestaan er bepaalde fysieke en psychische toestanden, die voor de geest begeerlijk zijn. Zij geven een grotere mogelijkheid tot harmonie en ook een mogelijkheid om te beïnvloeden in een juiste richting wat tot stand te brengen. Ja, zelfs om bepaalde gedachten of krachten op aarde eenvoudig uit te zenden en uit te stralen. En zo ontstaat bij de godenleer, zowel als bij de heiligenverering en de latere godsdiensten steeds weer de behoefte gebruik te maken van menselijke handelwijzen of van menselijke gedachten enz. om daardoor het goede te bewerkstelligen of – in andere gevallen – het kwade.

Wanneer u daarover eens nadenkt, zal het u opvallen dat in vele godsdiensten en bij vele godsdienstige gebruiken, muziek, beweging licht of gekleurd licht een rol spelen, waardoor men de mens door suggestie, soms door een halve hypnose mentaal (dus in zijn denken) dwingt in een bepaalde richting te gaan. En daarnaast – vooral wanneer wij te maken hebben met een bepaald geloof of met een groepering, die zich bezighoudt met de magische aspecten, dus het verwerkelijken van geestelijke krachten op aarde – de zgn. seksuele ritualen of – indirecte tegenstelling daarmee – de absolute onthouding, die een ontspoord begeerteleven tot stand brengt, hetwelk weer in bepaalde mentaal veroorzaakte orgasmen enz. ook soortgelijke werkingen kan hebben. Hier hebben wij te maken met het gebruik van stoffelijke krachten en het beïnvloeden van stoffelijke handelwijzen vanuit de geest.

Zo wordt de menselijke wereld eveneens vaak magisch gericht en zal veel van hetgeen zij alleen ziet als haar eigen begeren of haar eigen onbeheerstheid worden geleid door entiteiten van lichte of duistere kracht, die daarmede voor zichzelf de basis willen scheppen voor de inwerking op de wereld. Ook hier speelt de harmonie weer een grote rol. Wij kunnen in het algemeen zeggen, dat eenieder die voornamelijk egoïstisch is en voor zichzelf verlangt, ten hoogste met duistere krachten kan samenwerken. Degene, die geeft zonder daarvoor direct iets terug te verlangen, die dus op de kosmos of op de wereld is ingesteld, zal altijd harmonisch zijn met lichte krachten. Hier blijkt dat alleen de geestesgesteldheid de betekenis van een ritueel, van een stoffelijke handeling dus, van een meditatie, totaal kan wijzigen. Wilt u iets voor uzelf, u bent harmonisch met het duister. Een ander die uiterlijk precies gelijk is, maar dit niet voor zichzelf doet, doch met het gevoel te behoren tot de wereld, zal daarentegen met de lichte kracht harmonisch zijn. Dit betekent voor de doorsneemens dat hij voorzichtig moet zijn met beïnvloedingen van uit de geest en dat hij zich vooral eerst moet realiseren wat hij wenst, of hij iets alleen voor zichzelf wenst of dat hij het wenst voor allen, voor de gemeenschap. Hier ligt de kern van de wederkerige beïnvloeding.

Er zijn altijd bepaalde delen van het menselijk denken en leven, die harmonisch zijn met een sfeer: en die sfeer zal dit dan onmiddellijk erkennen. Wanneer een mens op aarde bidt, dan zal de sfeer dat niet geïnstigeerd hebben. Maar als in dat gebed (dat meestal een meditatieve vorm op de achtergrond heeft de juiste gesteldheid ontstaat, is het alsof iemand in die wereld zegt: “Hier moet wat gebeuren.” Die wereld moet antwoorden. De geest kan niet zeggen: “Ik antwoord niet.” Er is een contact. Zij kan dat contact spontaan beantwoorden of zij kan proberen dat contact af te snijden, maar reageren moet zij. En omgekeerd: wanneer de geest zich op de mens concentreert en probeert in deze iets vast te leggen, dan zal die mens moeten reageren. Hij kan dit doen door zijn gedachten met moeite te overwinnen, door afleidingsmanoeuvres, door het stellen van een vervanging, maar hij zal iets moeten doen. Zo sterk zijn de werelden van stof en geest met elkaar verbonden.

Het zal u duidelijk zijn dat de bijzondere aspecten van deze wederkerige beïnvloeding en ook de banden met sferen die daarbij kunnen bestaan, voor de eenling zowel als voor de gemeenschap, in volgende lessen dienen te worden toegelicht. Ik hoop echter met deze eenvoudig gehouden eerste beschouwing reeds duidelijk te hebben gemaakt, dat men ook in de wereldgeschiedenis, ook in het heden met al zijn politieke en economische verwikkelingen en zijn menselijke denkwijzen en reacties, zich niet gescheiden moet achten van de geest en een beïnvloeding door de geest niet moet zien als iets dat als exceptie optreedt, het is in feite een regel.

Moderne mystiek (2)

Wanneer wij in de moderne mystiek zoeken naar de oplossing van de innerlijke en eigenlijke geheimen, dan worden wij altijd weer geconfronteerd met het weten van de mens. Je moet tenslotte een basis vinden. En een basis voor het innerlijk beleven kan alleen worden gevonden van uit het eigen begrips- en denkvermogen. Het is niet mogelijk dat de mens zijn God innerlijk ontmoet, dat hij de mystieke verrukking ondergaat, terwijl hij gelijktijdig eigenlijk in strijd is met het wereldbegrip dat hij met zijn denken kan omvatten.

Daarom ontdekken wij dan ook bij de moderne mysticus zo menige vaagheid. Hij is haast opzettelijk vaag, omdat hij bang is te definiëren wat hij denkt en wat hij beleeft. De mogelijkheid om het innerlijke beleven te omschrijven bestaat wel, maar het is vooral vanuit stoffelijk verstandelijk standpunt onaanvaardbaar. Laat ons nu trachten in dit tweede gedeelte nog eens enkele stellingen onder de loep te nemen en daarbij ook de praktijk – door haar zoveel mogelijk te omschrijven – weer te geven.

In de eerste plaats: God openbaart Zich. Maar de openbaring kan door de mens slechts gedeeltelijk tot uiting komen en nimmer geheel. De mysticus beseft dit. Hij tracht dan ook tot de Mystieke Unie te komen, waarin hij de eenheid met het Goddelijke bereikt en de volledigheid van zijn eigen wezen ervaart. Hij zoekt dit langs vele wegen en geeft daaraan de meest verschillende verklaringen. Hij spreekt bv. over het ondergaan van de invloed van de Heilige Geest, over het ritueel opgaan in de gemeenschapsgeest, in het kosmisch beleven. Hij spreekt over de innerlijke ontmoeting met het Licht en het opgaan naar een andere sfeer of wereld. Ontleed in de praktijk, blijkt echter dat zijn mystiek altijd weer vasthoudt – evenals het oude geloof en de oude mystiek – aan het begrip “man-vrouw”. Zo zal ongetwijfeld voor de doorsnee‑vrouw God in het mystiek beleven altijd een mannelijke figuur zijn, terwijl voor de man de kosmos als een vrouwelijke entiteit of figuur wordt voorgesteld. Men moet zich immers met hart en ziel kunnen overgeven aan datgene wat men beleeft en dat kan alleen, als men zich een samenwerking, een samengaan ermee kan voorstellen.

Zo vinden wij dan in vele van de moderne mystici verborgen een contact met het Hogere, gebaseerd op de innerlijke driften en begrippen, die samenvallen met het stoffelijk begrip seksualiteit. Men gaat dan verder uit van de gedachte dat God Zich altijd zonder meer openbaart. Men neemt aan dat God altijd klaar is om Zich als het ware te openbaren. De gedachte “God is er altijd. En als ik mij juist instel en voor mij het juiste beleven vind, zal Hij Zich in mij openbaren” overheerst in vele gevallen. In 9 van de 10 gevallen gaat dit gepaard met vormen van meditatie of overweging, met het bespreken van onderwerpen van meer filosofische of mystieke geaardheid.

De mens begrijpt heel wel dat er toch ergens een uiting zijnerzijds nodig is, voordat hij God ontmoet. Hij begrijpt bovendien niet – en dat is heel typisch – dat hij God nooit in werkelijkheid ontmoet. De mens ontmoet altijd maar een deel van het Goddelijke, dat deel dat hij kan ontvangen en kan begrijpen. Hij kan de eenheid met de kosmos niet bereiken, voordat hij eerst de eenheid met zichzelf en met de mensheid heeft verworven. Daarom zal de mystieke denker wel spreken over God en over andere werelden, maar in zichzelf vaak beseffen dat de mensheid voor hem eigenlijk het meest juiste en beste vervangende begrip voor God is.

In de tweede plaats ontdekken wij bij de moderne mystiek de neiging om in de vaagheid van woorden de werkelijke betekenis te verhullen. “Wij gaan in” zo spreekt men dan “tot het innerlijk van de ziel, waarin de kathedraal der gevoelens is opgebouwd om het goddelijk Wezen te ontvangen, dat wij met geheel ons wezen en onze krachten willen ontvangen en dat wij verwachten en in de stille verwachting alleen reeds spreekt ons het Goddelijke.” Dat is allemaal mooi gezegd, maar wat betekent het eigenlijk? Het betekent dat ik inkeer tot mijzelf. Waarom keer ik in tot mijzelf? Elke inkeer tot het “ik” is – en zeker in deze moderne tijd – allereerst gebaseerd op de behoefte zich van het uiterlijke af te zonderen. Het uiterlijke dat niet aanvaardbaar is, het uiterlijke waarvan men te veel beseft dat het waan is, dat het illusie is.

Hier zou ik misschien even mogen invoegen dat een groot gedeelte van de mensheid en van de menselijke wereld tegenwoordig illusie is. Men leeft niet meer met werkelijke begrippen. Men leeft niet meer met werkelijke producten. Men leeft met leuzen. Men geeft u het beste brood, waaruit alle voedzame bestanddelen zijn gehaald om u daarna het beste aanvullende preparaat te geven dat die aanvullende bestanddelen, maar zonder de voeding, bevat. Met andere woorden: alles is verdeeld. En als je die dingen bekijkt, is de realiteit weg. Je weet dat, als er politiek wordt bedreven, men je vele dingen zegt als absolute waarheid, terwijl een groot gedeelte daarvan alleen maar leugen is. Maar je moet dat accepteren, anders kun je niet bestaan. Je weet dat er in de maatschappij wetten gelden en krachten regeren die bij hun ware naam genoemd niet erg vriendelijk en prettig zijn. En daarom spreek je over de maatschappij alsof zij de volmaaktheid nabij zou komen en steeds verder naar volmaaktheid streeft. Daarom spreek je over de wetten en over de werkelijkheid alsof zij zouden beantwoorden aan je eigen dromen, aan de leuzen die je in jezelf veracht.

De afzondering die de mysticus in zichzelf zoekt, de inkeer tot het werkelijke “ik”, is in de eerste plaats een behoefte om aan deze toestand van erkende, maar door het “ik” noodgedwongen aanvaarde waan te ontsnappen. In het “ik” God ontmoeten is dan ook heel vaak allereerst een contact met de waarheid. Als je je bezighoudt met beschouwingen over andere werelden en over al wat ermee samenhangt met de mogelijkheid om krachten in jezelf te transmuteren, als je uitgaat van de mogelijkheid om het Goddelijke als het ware in jezelf te doen spreken – mits je tot jezelf bent ingekeerd en de buitenwereld tijdelijk niet erkent – dan geef je toe dat er alleen in jezelf nog een plek is, waarin je misschien zoveel waan terzijde kunt stellen, dat je de waarheid kunt aanvaarden, de waarheid omtrent jezelf en niet de waarheid omtrent God. Maar dat durf je niet zeggen.

We vinden dan degenen die zich bezighouden met de stellingen, welke ontwikkeld zijn uit het menselijk weten. Ik denk hier bv. aan de Antroposofie en – zij het beperkter en op de oudheid gebaseerd – de Theosofie. Ook hierin vinden wij de mystici. De mensen die zoeken naar de eeuwigheid, die het contact zoeken met hetzij Nirwana of alleen maar met een toestand van werkelijkheid. Maar zij doen dit aan de hand van het dogma. Het dogma is in deze gevallen niet, zoals men vaak denkt, in de eerste plaats bestemd om een waarheid te fixeren, het is bestemd om de lijnen te trekken binnen welke je je veilig durft en kunt bewegen. Het verwerpen van de onaanvaardbaarheid door middel van het dogma geeft de mens in vele gevallen de mogelijkheid om met de gedachte voor zichzelf gerechtvaardigd te zijn en wederom binnen te dringen in de innerlijke wereld.

Vroeger was mystiek gelijk aan een wonderbaarlijk beleven. Je verloor jezelf in God en je werd als het ware ontrukt aan de zwaartekracht. Je zweefde voor het altaar, waar je mediteerde. Je was in één ogenblik verplaatst over delen van de wereld, want in het innerlijk beleven van het Goddelijke was je één met alle dingen en uit alle dingen beleefde je de werkelijkheid. Maar tegenwoordig kun je je dat niet voorstellen. De mens kan zich niet voorstellen dat hij zich zou verheffen. Neen, in de mystiek moet men de werkelijkheid verliezen. En daar vinden we het derde punt van de moderne mysticus.

Hij probeert een overeenkomst te sluiten met het leven, waardoor het leven aanvaardbaar wordt. En deze aanvaardbaarheid verkrijgt hij door het ontkennen van veel, dat voor hem toch eigenlijk belangrijk is. Wanneer ik u vertel dat mensen die het bestaan zelf zoeken, eigenlijk mystici zijn, dan zult u misschien lachen. U zult zeggen: “Is Sartre dan een mysticus?” Het antwoord is: Ja. Wanneer Sartre in zijn “Huis Clos” de mens met de menselijke hel confronteert, wanneer hij in zijn gedachte van “men moet leven” alle wetten van het leven soms terzijde stelt en zegt: “Vrijheid is de eerste behoefte en de eerste noodzaak,” dan is hij wel degelijk een mysticus. Want kan een mens zijn God ontmoeten, als hij is gebonden aan dingen die niet goddelijk zijn? Kun je de werkelijkheid beleven, zo vraagt de moderne mysticus zich af, als je jezelf kluistert aan opvattingen? Ben je soms dichter bij God, als je Herr Ministerialrat bent of lid van de Kamer of van de Academie Française? Neen, hij geeft onmiddellijk toe: dit kan niet. Leven, beleven, je uiten is een noodzaak. Maar die uiting, zo voegt hij eraan toe, moet in overeenstemming zijn met wat in mij leeft.

En dan geef ik graag toe dat vele existentialisten tenslotte de gedachte aan een leven alleen hier zo suprême hebben gesteld, dat de werkelijke mystiek van het God beleven, van de werkelijkheid ervan daarin verloren is gegaan. Maar toch zoeken zij in feite naar het leven. Het leven dat God is. Zij zoeken naar dat contact, de beroering met het Oneindige, waardoor het leven de moeite waard wordt. Zij zoeken naar het verbreken van de banden, die hen terughouden. En ook hier moeten wij zeggen: De mens zoekt de kosmos; maar hij zoekt haar in een vorm van vrijheid, die helaas weer wordt geboren uit het menselijk denken.

De mystiek vinden wij ook in de wetenschap terug. Wanneer wij ons bezighouden met de moderne wiskundigen, die naar de vierde dimensie zoeken, die zich bezighouden met de kleinste werelden of trachten de geheimen van de macrokosmos te ontsluiten en ze in enkele formules uit te drukken, dan ontmoeten wij eveneens mensen, die op hun manier naar God zoeken. Ook hier wordt de werkelijkheid gemaakt tot een basis, een noodzaak, een theorie, het begrip en daardoor ontsnapt dat ene vluchtige element van werkelijkheid.

God leeft niet werkelijk en toch vinden ze ergens in een formule een nieuwe wereld en dan zijn ze dichter bij de werkelijkheid dan ze zelf vermoeden. Dan kennen ze de ogenblikken van ontruktheid, van inspiratie. De ogenblikken dat zij boven zichzelf uit geheven zijn.

Overal vinden wij de moderne mystici terug. Denkt u niet dat ze alleen maar bestaan ergens in kloostertuinen of in geheime genootschappen. Denk niet dat zij alleen deel uitmaken van esoterische groeperingen of Loges. We vinden de mysticus eveneens in de politiek. De mens die droomt van een ideaal. Een ideaal dat alleen maar op schrift bestaat, maar dat nooit kan worden verwerkelijkt. Een overtuigd communist die droomt van een wereld van volmaaktheid, van gelijkheid en van broederschap. Hij droomt tenslotte ook van het begrip “eenheid”, dat voor de mensheid God is. En wanneer hij opgaat in deze dromen en gedachten, dan is hij evenzeer ontrukt aan de werkelijkheid en wordt hij evenzeer bezield door een hogere kracht als de mens, die voor een altaar knielt en zich bezighoudt met religieuze stellingen.

Laten we goed begrijpen dat de moderne mysticus niet meer in de eerste plaats de mens is die zich alleen maar met God in het verborgene bezighoudt. Neen, de moderne mysticus is de mens, die uitgaat in de wereld en dan meestal, helaas, via zijn dromen, uit die wereld de ontmoeting met Het Leven, met God tracht te construeren.

Nu ik dit heb gezegd, is het ook noodzakelijk geworden om een stelling te geven die voor de moderne mysticus zou kunnen gelden. Wanneer ik dit doe, gebruik ik natuurlijk vormen en termen die sommigen zullen verwerpen. Wanneer ik spreek over God, zal een ander spreken over het systeem. Wanneer ik spreek over een sfeer, zal een ander spreken over een hemel of over de uitblussing na de dood, waarin je alleen voort bestaat door de daden die je op de wereld hebt gesteld. Maar dat is van geen belang. De termen kunt u zelf vervangen, zo u wilt. Dit is dan m.i. de stelling van de moderne mystiek:

In alle leven is er een leegte, een ontberen van zin en van betekenis. Je kunt voor je medemensen, zelfs voor hen die je het meest na staan, niet alles zijn. En je zou alles willen zijn. Je vindt in anderen niet alles terug en je zou toch alles willen ontvangen. En daarom wend je je tot het vreemde, tot het verborgene en dat noem je God. Je weet dat die God niet te vinden is in een wereld van strijd en tegenstellingen, dat je uit je daden en gedachten datgene geboren moet laten worden, waarin die God kan spreken. Zo bouw je voor jezelf een gebied op van vrede, van rust en meestal bouw je dat op in je gedachten, want de werkelijkheid schuw je. Soms bouw je het alleen op in daden. Als je het in daden opbouwt, dan vergeet je meestal om erbij te denken, maar je bouwt ergens aan een wereld van vrede en rust. Want slechts daar, waar je innerlijk evenwichtig en rustig bent, kun je spreken met God, kun je jezelf ontmoeten.

De mens, die tegenwoordig in het mystiek beleven tracht de eeuwigheid te kennen, ontmoet daarin dan ook niet een God, overweldigend en sterk. Hij ontmoet steeds weer zichzelf, maar reiner, edeler, humaner en gelijktijdig meer ontrukt aan de menselijke werkelijkheid.

Je leeft met je God en je zoekt naar vrede. En als je die vrede in jezelf kent, moet je haar tot uitdrukking brengen: Want vrede is een kracht; vrede is een macht, zolang je haar niet wilt zien als een kracht en een macht, maar haar slechts in je wilt dragen. Vrede is de strijd van de moderne mysticus, die enerzijds de macht zo graag zou bezitten en de kracht zo graag zou uitstuwen in de wereld, anderzijds het leed dat hij juist alleen door de ontkenning van deze dingen kan beseffen. Daarom de theorieën over de vele sferen die torenend worden opgebouwd en waardoor de menselijke ziel moet gaan: de hemelwereld, waarin je nog niet bewust bent en de hellewerelden, waarin je soms sluimert en soms kwellingen ondergaat. Daarom de theorieën over een leven dat alleen zin heeft wanneer het gewijd is aan de gemeenschap. En de theorieën over een leven dat alleen zin heeft, wanneer je ondanks de gemeenschap jezelf bent. De moderne mysticus zoekt naar vrede. Hij zoekt naar rust. Dat is juist en dat is goed. Want slechts in rust en vrede vindt de mens zichzelf. Maar hoe kunt je tevreden zijn als de wereld je voortdurend belaagt met haar problemen? Hoe kun je tevreden zijn, als je wezen voortdurend hongert en schreeuwt? Hoe kun je tevreden zijn als de wereld geen antwoord geeft? En daarom grijpt de moderne mysticus onbewust naar de wereld, niet meer als een werkelijk wezen en een werkelijk bestaan maar als een droom. Hij bouwt zich een fata morgana op van een wereld, waarin alle dingen zin hebben volgens eigen begrip. Hij bouwt zich een wereld op, waarin alle dingen bewust worden beleefd en begrijpt niet hoe juist het onbewust stuwende in het leven meer de uiting is van God en daardoor meer de kracht der mystieke beleving duidelijk maakt dan elk gezocht openbaren. Wanneer ik de moderne mystiek dan in enkele woorden moet samenvatten, zou ik het zo willen doen: Men zoekt God. Men tracht vrede te vinden. En om die vrede te vinden sluit men een compromis met zichzelf. In dit compromis ontkent men echter dat men zich niet volledig leeft, erkent en geeft, zoals men moet zijn. En in het symbool wordt dan een verwarde en vage verbondenheid met het Eeuwige gevonden, waaruit je voor een kort ogenblik alle realiteit kunt laten wegvlieden, waarin God onmiddellijk naast je staat, waarin God Zich kan openbaren in een stukje brood, in een glas wijn, in een druppel water of Zich onmiddellijk kan openbaren hier in de kamer of in de klank van een woord of alleen maar in een opengeslagen boek of een lichtstraal. Men weet dat dit niet werkelijk is. En dit is de vloek van de moderne mysticus. Wat zouden wij de moderne mysticus dan moeten voorleggen als antwoord op zijn zoeken en zijn vragen, waarmee hij het onwerkelijke wil verzoenen met de werkelijkheid? Waarmee hij de innerlijke wereld in overeenstemming wil brengen met een uiterlijke wereld, ondanks de strijd die hij zelf heeft veroorzaakt?

  1. Wanneer je zoekt naar de verbondenheid met de eeuwigheid of met de mensheid, matig je dan geen bezit en geen rechten aan. Want eenieder die rechten denkt te hebben en die bezit meent te moeten verdedigen, zondert zich af van het Grote en van het Eeuwige. Elke hartstocht, elke bezitszucht die persoonlijk is en alléén persoonlijk, is een grens tussen mens en God.
  2. Er bestaan geen boeken, geen systemen en geen woorden waarin je God werkelijk kunt vinden. Er bestaat alleen je eigen wezen. En je moet in je eigen wezen, zonder compromis komen tot het juiste handelen, het juiste denken.
  3. Je kunt van de wereld niet verwachten dat ze je de stilte en de rust geven die je verlangt. Daarom moet je de wereld zo aanvaarden dat zij in jou stil en rustig wordt. Een mens die de krachten van de gehele wereld in zich kan ontvangen, die alle tegenstellingen in zich kan laten bestaan en desondanks zeggen: “Ik ken vrede. Beseffen doe ik het niet, maar ik erken het doel van alle dingen. Het is goed, want ik beantwoord aan mijn eigen zijn en wezen,” die vindt in zichzelf een diepe verbondenheid. Een verbondenheid die hij misschien God noemt, ofschoon ze eerder zal zijn met één van de lagere geesten, die zijn ontwikkeling op het ogenblik leidt, maar van daaruit misschien verder naar een grotere heerschappij, naar een groter licht.
  4. Wanneer u de moderne mystiek gebruikt, bedenk dan wel dat heel de wereld, alles wat u bent en kunt zijn, u gegeven is, niet om meer te zijn dan een ander of dan anders te zijn dan een ander, maar om innerlijk uzelf te zijn, zodat ge uw eigen wezen kunt aanvaarden. Slechts de mens die zichzelf kan aanvaarden, zoals hij is, kan God aanvaarden als God in hem spreekt. Vertrouw niet op letters, systemen en woorden. Houdt u niet bezig met filosofieën die verward zijn en vreemd. Leef uzelf innerlijk en erken in uzelf God. Dat is de oplossing.

Nu een ogenblik over de wereld zelf, omdat daar in deze dagende mystiek zo sterk opkomt. Want de behoefte aan het mystiek beleven, wordt groter en blijkt zich dan ook overal te openbaren. Gelijktijdig ontdekken wij dat vele krachten op deze wereld inwerken, die deze behoefte aan het mystieke en deze neiging tot het mystieke ongetwijfeld bevorderen.

Wanneer wij over moderne mystiek spreken, kunnen we dat niet doen zonder ook met deze factoren rekening te houden. Ik stel kort de omstandigheden van deze tijd.

Inwerking van lichtende kracht. Inwerking van Aquarius.

Lichtende krachten op zichzelf zijn slechts een zoeken naar harmonie een zekere behoefte om één te zijn met anderen. Een geven dat gelijktijdig toch ook weer een vreugde, een rijkdom is. Aquarius betekent eveneens: schenken of geven, maar paart daaraan o.m. het technisch begrip, het begrip voor onderwerpen die een redelijke samenhang vertonen, voor magisch werk, ja zelfs voor geestelijke gaven. Deze dingen tezamen vormen het beeld, waarin de mysticus werkt. Hij werkt niet in een wereld waarin men zonder enig systeem, maar slechts door overgave en geloof kan komen tot een Godsbeleving. Hij werkt in een wereld waarin hij voor zichzelf een bepaalde methodologie moet vinden. Hij moet voor zichzelf een systeem vinden, waarin voor hem of voor haar God kenbaar is. Hoe hij dit systeem vormt, schijnt onbelangrijk te zijn. Wel is belangrijk dat hij daarin beantwoordt aan de lichtende kracht en aan de Aquarius tendensen. En deze zijn – zoals u bekend is – voornamelijk gelegen in het schenken, het geven, het openstaan voor de wereld.

Nu blijkt verder dat in de wereld zelf grote verdeeldheid is en dat men overal tracht een eenheid te bereiken, maar die niet kan vinden zonder daarbij meer van zichzelf of van zijn stellingen prijs te geven dan men wenst te doen. Ook dit is belangrijk, want de mens denkt in feite wereldomvattend. Hij kan denken aan de mensheid en denkt niet alleen maar aan een bepaalde groep of een bepaald volk. In de mystiek moet de gehele mensheid dan ook geconcipieerd worden. Maar een concipiëren van die mensheid vanuit een bepaald standpunt bezien, betekent tevens het niet kunnen realiseren van de gehele mensheid. Dit bezwaar zal in deze dagen overwonnen moeten worden.

We hebben dan verder te maken met de zgn. lichtkracht ofwel de trillingen die de aarde bereiken. We vinden op het ogenblik daarbij heel sterk stralingen van violet en blauw en daarnaast het zgn. gouden licht en het witte licht. Wanneer ik nu deze kleuren omzet volgens de betekenis van hun trillingen dan kom ik tot de conclusie dat mystiek beleven in deze dagen mogelijk is en dat men zelfs zeer grote en zeer intense bereikingen daarin kan vinden, mits men gelijktijdig rekening houdt met het begrip “wijsheid” (dus het zoeken van begrip, het verstaan van de wereld en anderen), rekening houdt met het begrip “kosmische liefde” (dat wil zeggen het erkennen van gelijkwaardigheid en het zorgen voor anderen als voor zichzelf) en daarnaast het witte licht (dus het aanvaarden van het Onbekende), het verblindende, waarachter zich de werkelijkheid verschuilt, datgene, waarin alle dingen bevat zijn.

Dit brengt als conclusie met zich, dat de mysticus van vandaag uitgaande van het punt “geloof”, dat voor hem nog steeds onontbeerlijk is, dit geloof moet paren aan zijn wijsheid, zijn begrip voor de mensen. Geen begrip voor hun fouten in de eerste plaats, maar vooral voor datgene wat hen vereent: een zoeken naar de harmonie, een zoeken naar de eenheid zoals ze als geheel in de mensheid bestaat. Daarnaast een erkennen van eenheid met anderen, zo goed en zo intens als hem dit mogelijk is, in samenwerking, in godsdienstige bijeenkomsten enz.

Dan heeft hij nodig het begrip “liefde”. Hij moet afstand doen van alle haat en alle vooroordeel. Hij moet zichzelf niet meer maar ook niet minder achten dan anderen en indien deze gesteldheid is bereikt, dan zal hij het onbekende moeten accepteren als de werkelijke drijfveer van zijn leven. Dan kun je zeggen dat voor deze dagen de moderne mysticus ervaart:

In mijzelf is een licht, waarvan ik de bron en de oorsprong niet ken.

In mij is een vreugde, die tegen alle menselijke regels ingaat.

In mij is een liefde voor de mensheid die ik niet eens kan of durf uiten, zoals ik misschien zou willen, maar die mij ertoe brengt de mensheid steeds meer geluk te geven en die mij ertoe brengt mijzelf te beperken.

Ik heb wijsheid; dus ik begrijp, waarom anderen zijn zoals ze zijn. Ik probeer ze steeds meer te begrijpen. Ik begrijp waarom op de wereld bepaalde situaties ontstaan. Ik kan ze niet goedkeuren, maar ik begrijp ze en daarom kan ik ze compenseren met mijn liefde. En diep in mijzelf vind ik hierdoor een vrede en een rust. In mijzelf vind ik de mystieke geborgenheid waardoor ik als sluimerend in de wereld soms opga tot een begrip van licht, van bevrijding en van vreugde.

En dan moet hij daaraan onmiddellijk toevoegen:

Want in mij spreken vele stemmen. Steeds duidelijker woorden zoals in het ruisen van mijn bloed en in het suizelen van de wind, kenbaar de stemmen van de wereld.

Ik hoor enkele stemmen spreken of vragen.

Ik spreek met anderen; en ik weet niet, of het waar is.

Ik droom van anderen; en ik weet niets of mijn droom werkelijkheid is, maar ik ontmoet steeds meer entiteiten, steeds meer wezens, steeds meer erken ik gebondenheden van mijzelf met anderen en van mijzelf met mijzelf.

En in deze gebondenheid die ik aanvaard en erken, zoek ik dan boven al het suizelen uit naar de synthese, naar datgene wat die eenheid woordloos maakt; datgene waarin de stemmen en de gesprekken verstommen en waarin alleen nog overblijft de aanvaarding van het Hoogste, de aanvaarding van De Werkelijkheid.

Dit is voor de moderne mysticus dan die vreemde toestand, waarin je jezelf schijnt prijs te geven, levend in Nirwana en gelijktijdig tredend op de aarde, verbonden met de hemelen dragend in je de krachten van engelen en de wijsheid van engelen misschien en toch zijnde de nederige dienaar van eenieder.

Dit is de mystiek van de gemeenschap, de broederschap die alles omringt. Dit is de verbondenheid met allen die God beseffen en de uitstorting van de goddelijke krachten in zich beleven als een stortvloed van licht, als een ogenblik van diepe vrede en stilte, waaruit men stralend en als herboren een wereld binnentreedt, die dan zo duf en doods lijkt.

Moderne mystiek is niet meer het zoeken van de oude filosofen en denkers. Het is niet meer het studiesysteem van de mystici met hun mathematische voorstellingen en symboliek van geheel de wereld, van geheel de mensheid en God zelf. Het is geworden tot het actief en positief beleven van de krachten van deze tijd, waarin geen enkel systeem en geen enkele vorm meer bruikbaar blijkt en waarin de ene leidsnoer blijft: de vrede in jezelf, de liefde voor al het leven, zonder eisen. De aanvaarding van alle krachten, zonder kritiek, jezelf gevend in het beste dat je bent, in het beste dat je bezit. Zo voltooiend van uit jezelf de mystieke eenheid van het Al, waarin de Godsopenbaring in deze dagen als enige mogelijkheid volledig bestaat voor eenieder.

Noot

Het is duidelijk dat een aanvaarding van het leven, zoals vooromschreven, niet alleen de aanvaarding kan zijn van het goede, van het prettige of het Goddelijke. Wij kunnen niet één ding aanvaarden. We moeten licht en duister accepteren. Wij moeten zowel onze innerlijke noodzaak en behoefte accepteren als de consequenties daaruit voortkomend. Wij moeten de strijd van het leven accepteren, evengoed als onze vredigheid, die deze strijd over ons heen laat gaan en ons schijnbaar doet overwinnen, maar ons de innerlijke kracht laat om verder te gaan.

Er is geen mogelijkheid om te zeggen: “Ik aanvaard alleen het goede en toch vind ik de mystieke eenheid met God,” want God is in alle dingen. Er is niets dat tot de kosmos behoort, dat wij uit ons eigen leven kunnen werpen. We moeten alle dingen erkennen en aanvaarden: de aangename en onaangename. En juist door alle dingen tezamen, in de perfectie liefde voor de gehele mensheid te zien en niet geconcentreerd op een enkeling of op onze taak als het dienen van geheel de mensheid maar desnoods door het dienen van een enkeling, kunnen wij komen tot de volmaaktheid, waarin wij onszelf ontmoeten, waarin wij de waarheid zien omtrent ons wezen en de band beseffen die tussen ons wezen en de kosmos bestaat.

Kosmos

Alle dingen zijn. Het grote is in het kleine en het kleine in het grote. In de mens leeft het Al. Maar in het Al leert de mens eerst zichzelf kennen.

God is in het kleinste deel dat er ooit heeft bestaan of is erkend in de schepping. En de gehele schepping is in God geborgen.

Kosmos is de schijnbare tegenspraak van waarden, waarin alle dingen gezamenlijk zichzelf zijnde het geheel vormen. Wanneer wij spreken over God, is dit een woord. En als wij spreken over kosmos, dan is het een begrip dat een menselijk denken niet kan omvamen. Maar alles van ruimte, van tijd en van leven vormen tezamen dat ene beeld dat de ware kosmos, de ware wereld is. En deze waarheid te ontmoeten – zelfs al kunnen wij er nog niet volledig deel van zijn, deze waarheid in onszelf na te streven – is het zoeken naar kosmisch begrip.

God, de bezielende kracht van het leven, is ons eigen leven en alle leven rond ons. Het leven dat wij kennen en niet beseffen. Alle dingen.

Dit te begrijpen is voor de mens moeilijk. Want een kosmos wil je altijd graag beperken. Je wilt zeggen: Dit is alleen maar waan en dat alleen maar werkelijkheid. Maar er kan niets bestaan in het menselijk denken of ergens in het bewustzijn, zelfs van de Hoogste Geest, dat niet deel is van de kosmos en niet ergens bestaat. Alle dingen zijn. En ons leven in de kosmos, ons zoeken naar harmonie met de kosmos moet uitgaan van deze erkenning.

De kosmos omvat al het denkbare en voorstelbare, alle tijd en ruimte. En in deze kosmos ben ik mijzelf. En mijzelf zijnde en uitende, erkennend zoals ik ben geschapen, zoals ik leef, mezelf als het ware voortbrengend uit mezelf in een steeds grotere eenheid met alle dingen; dat is mijzelf kennen, mijzelf scheppen als het ware tot wat ik reeds ben in het ware bestel van een kosmische volmaaktheid. En wanneer ik mijzelf ken, zal ik in mijzelf de kosmos erkennen met al haar geheimen. Ik zal weten dat mijn leven en God identiek zijn. Ik zal weten dat het licht van mijn gedachten en het licht der eeuwigheid identiek zijn, want er is tussen deze dingen geen verschil.

Ieder van ons is een aspect van het Grootse, waaruit wij zijn voortgekomen. Allen tezamen vormen wij dit Grootse. Allen tezamen zijn wij God; niet de gedachte, maar het beeld. En in onszelf zijn wij voor onze wereld, ons eigen zijn, God. Want wij scheppen dit zijn in al zijn vormen, in af zijn complexen en daaruit vinden wij dan de kosmos die is: de eeuwige harmonie en eenheid van alle dingen, waarin ik mijzelf versmeltend met Al‑zijnde, het Al-zijnde in ons kennen.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf