Werkelijkheid: beeld – Les 04 – Wederkerige beïnvloeding

image_pdf

januari 1963

Wederkerige beïnvloeding

Zoals wij in de vorige les reeds duidelijk hebben gemaakt, zal een bepaalde gedachte of handeling op aarde een invloed kunnen vormen in de sferen; terwijl omgekeerd ook bepaalde krachten uit de sferen kunnen optreden, die het gebeuren op aarde en ook de daar ontstane toestanden kunnen beïnvloeden. Wij hebben verder erbij opgemerkt dat de geest niet in staat is om niet op de gedachte of de handeling te reageren. En het is dit punt, dat wij toch wel even goed moeten onthouden.

De geest kan niet anders dan reageren wanneer een trilling haar bereikt die harmonisch is met haar eigen sfeer en geaardheid, onverschillig waar die vandaan komt. Zij kan zich voor die trilling afsluiten en bewust zeggen: “Ik wil daaraan geen deel hebben” of ze kan daarop antwoorden, maar ze kan niet zeggen: “Ik heb niets gemerkt.” U zult wel begrijpen dat de doorsnee‑geest zeer snel zal reageren op datgene wat haar uit een andere sfeer (dus ook uit de stoffelijke wereld) kan bereiken.

Wanneer wij de wisselwerkingen mens – geest of omgekeerd moeten bezien, dan lijkt het mij wel verstandig allereerst eens na te gaan, hoe dat o.m. in het verleden is geweest.

Wij zien dan dat elke religie in de oudheid is opgebouwd uit een beïnvloeden van de geest, en wel door handelingen, rituelen, gebeden, concentratie, bezweringen en daden, die eigenlijk geheel waren gericht op zuiver materiële belangen. Om u voorbeelden te geven: Wij kennen de vruchtbaarheidsdienst o.m. tot uiting komend in de stieroffers. We kennen de vereniging van hemel en aarde, zoals die in bepaalde staten – o.m. door de als afstammelingen der goden beschouwde vorsten – werd voltrokken, meestal in een geheime tempel of een ziggoerat, waar dan een priesteres de godin der vruchtbaarheid verbeeldde. Ook daar werden er dus handelingen gesteld, die niet – zoals men tegenwoordig misschien al heel gauw zou denken – een profaan karakter hadden, maar die een volledige beleving waren van hetgeen men wilde tot stand brengen: de band als het ware tussen de vruchtbare natuur en de beheersende wil van de mens en de hoogste Godheid.

Deze dingen klinken tegenwoordig kinderachtig. Men zal zich afvragen of dat ooit wel zin kan hebben. Ik kan er alleen dit op antwoorden: Wanneer deze mensen hun stieroffers brachten en deze eigenaardige rituelen voltrokken, dan deden zij dat met inzet van geheel hun wezen en zonder enig voorbehoud. Hun gedachten waren uitermate sterk geconcentreerd, niet alleen op de situatie, op de rituelen en op de daad, maar ook op datgene wat ermee zou worden bereikt. Er was dus een zeer sterke gedachtenuitstraling. En vergeet niet dat zo’n vorst, wanneer hij de tempel betrad, het middelpunt van de verwachting en van de belangstelling van het gehele volk was. Een volk dat hoopte, verlangde, dat dacht aan een rijke oogst, aan welvaart, aan water op de juiste tijd, aan een zon die niet onbarmhartig de oogst zou verschroeien Al die gedachten werden uitgestraald, ook naar de sferen. En in die sferen waren er ongetwijfeld krachten, die daarvoor begrip hadden. Deze geestelijke krachten op hun beurt konden invloed uitoefenen op bepaalde natuurverschijnselen en op de mens. Het is dus niet zo vreemd aan te nemen dat er hier inderdaad iets werd bereikt. Het ritueel was magisch, maar dat magische ritueel betekende een direct oproepen van andere werelden, die voor een deel in staat waren te reageren. Ik zal u een voorbeeld geven.

De regens zullen wat vroeger komen dan normaal. Dan kan de geest daarop reageren door de mens de prikkel te geven om wat vroeger dan normaal te zaaien. Of: de zomer zal droog worden Dan kan de mens gestimuleerd worden om voorzieningen te treffen voor een periode van honger. Denk maar aan de Farao en Jozef (de 7 vette en de 7 magere jaren, uitgedrukt in de koeien). Hier heeft u dus een beeld van een voorspellende droom. Nu kunnen wij wel zeggen dat God dat heeft gedaan, maar het is eigenlijk toch redelijker om aan te nemen dat dit zuiver het antwoord is op bepaalde spanningen en bepaalde verwachtingen.

Indien wij de analen der oude beschavingen konden nagaan, dan zouden wij steeds weer worden getroffen door dergelijke orakeldromen, door voortekenen, door plotselinge veranderingen van omstandigheden, van weer, zelfs van krijgsgeluk. En dan zal je je toch moeten afvragen, of daar nu werkelijk geen regel achter schuilgaat. Ik meen dat op dit terrein kan worden gezegd dat de mensen in de vroegere beschavingen in feite contact maakten met sferen en in die sferen overgeganen maar ook meer lichtende entiteiten wisten te bereiken en te beroeren (in andere gevallen ook duistere sferen en duistere entiteiten) en uit dezen dus de kracht verwierven die zijzelf niet hadden, of het inzicht, het doorzicht konden verwerven, dat hun ontbrak.

Helaas vinden wij wat later de orakels als een soort ziekte. Als een soort huiduitslag, een soort acne van het geloof, breiden zich de orakels overal uit. En 9 van de 10 orakels zijn bedrog. Toch zijn er orakels die wel in staat zijn contact op te nemen met de geestenwereld en uit die geestenwereld antwoord te krijgen.

Wanneer wij ons echter bezighouden met de voorschriften, die bv. de Pythia van Delphi had, dan vinden wij ook dat het niet alleen maar een kwestie van “u vraagt en wij antwoorden” kon zijn. Daar staat letterlijk in de voorschriften dat de profetes zich heeft voor te bereiden gedurende tenminste 1 zonnetijd (dat is dus 1 dag) en dat degene die de vraag moet stellen, de nacht moet doorbrengen met een overwegen van die vraag. (Een soort wacht van edelen dus, zoals de adel dat later in de christelijke tijd had) De wacht voor het altaar, dus ook een verblijf in de nabijheid van het beeld, een je concentreren daarop; met andere woorden: het uitzenden van de prikkel. Dan komt men in de grot, waar de Pythia zit en zich door dampen in een soort trance brengt, en ze geeft antwoord. Wanneer de concentratie scherp is geweest (niet gericht op een uitkomst maar zuiver op het probleem), geeft inderdaad de Pythia het goede antwoord, ze voorspelt juist. Zo is er ook een beroemd orakel te Ephesus geweest, dat ook op dezelfde manier werkte. Altijd weer concentratie. Altijd weer activiteit van de mens uitgaande en als resultaat een antwoord uit de sferen.

U zult begrijpen dat het niet een eenzijdige kwestie kan zijn. We kunnen nu wel stellen dat de mens in de oudheid gewend was zijn gedachten te projecteren naar een bepaalde sfeer, maar dat verklaart nog niet dat hij altijd antwoord kreeg. Om te begrijpen hoe dat in elkaar zit, moeten wij dan ook beseffen hoe de verhouding stof – geest is; en daarover hebben wij ook in de vorige les al veel gesproken.

Wanneer een mens denkt, veroorzaakt hij als het ware een verandering in de atmosfeer van de geest. Als bij u een wind opsteekt, kunt u zich, als u in de openlucht loopt aan die wind niet onttrekken, u kunt zich ervoor verschuilen, maar zolang u in de openlucht bent, zal elke verandering van weer, van klimaat, van atmosferische conditie, u beroeren. Zo is het nu ook wanneer de mens de geest oproept: het klimaat verandert. Want het klimaat in een sfeer is een aantal trillingen. Die trillingen zijn op zichzelf niet altijd hoog of laag te noemen. Het zijn eerder variaties, een soort melodie. Wanneer de mens ingrijpt, ontstaat er een soort dissonant. Nu kun je voor die dissonant je oren dichtstoppen, maar in 9 van de 10 gevallen zal je proberen de melodie over te zetten, zodat de dissonant verdwijnt. Dat vinden wij in de moderne muziekleer ook wel weer, waar men bewust bepaalde dissonanten als het ware kweekt en dan ineens het hele akkoord verandert, waardoor de dissonant toch weer een mineur of een majeur akkoord gaat vormen met de overige melodie. Op die manier zullen wij dus in de sferen geneigd zijn te reageren op wat mensen doen en denken. Wij proberen dan te corrigeren, niet alleen om die mens te helpen, dat komt er wel bij, maar ook en vooral om die voor ons onaangename of niet harmonische storing op te heffen.

Nu geldt dat niet alleen voor het ogenblik dat een mens bewust iets uitzendt naar de sferen. Een mens kan heel rustig met haat geladen aan een ander staan denken en daardoor bewust of onbewust afgestemd raken op een bepaalde sfeer. Dan is diezelfde dissonant dezelfde verstoring van de daar heersende verhoudingen en is daar dan dus ook dezelfde reactie.

Als u dit nu begrijpt, zult u ook gaan inzien dat vanuit de sferen dus heel vaak op aarde wordt ingegrepen, terwijl de mens het eigenlijk helemaal niet wil hebben. Wij reageren dus op elke invloed die onze wereld beroert. Dan volgt hieruit dat wij elkander beïnvloeden en dat op een gegeven ogenblik de vraag rijst: wie eigenlijk de oorzaak is? Is het de geest, die het eerst reageert op een menselijke gedachte en daardoor de situatie in de wereld zo verandert dat daaruit weer een verlangen of een vraag voortkomt, waarop dan weer een antwoord volgt? Of is het misschien de mens, die voor het eerst de geest betrekt in zijn leven en dan die geest niet meer kwijt kan? Het is moeilijk hierop een definitief antwoord te geven. Zeker is, dat wij elkaar voortdurend beïnvloeden.

De beïnvloeding kan natuurlijk een heel oppervlakkig karakter hebben. Zij kan ook betrekkelijk ver ingrijpen in wat de mens natuurlijke omgeving en natuurlijke wetten noemt. De voorbeelden die ik daarvan kan geven zijn helaas niet voor iedereen even aanvaardbaar, maar als illustratiemateriaal kunt u ze misschien gebruiken.

De geest leeft in het duister. In het duister is het bestaan voor die geest in zekere mate disharmonisch. Er komt nu een invloed bij die met één van de factoren van haar wereld een harmonie vormt. Op dat ogenblik zal de geest trachten dit enig harmonisch verschijnsel in haar eigen bestaan, in haar eigen wereld te continueren. Zij zal haar totale kracht inzetten om dit ogenblikje van vreugde, van verlichting als het ware te handhaven. Dientengevolge zal zij trachten de oorzaak van deze harmonische toon in stand te houden.

Een mens zint op wraak. Hij bedoelt het helemaal niet kwaad, hij wil alleen maar iemand een pak slaag geven, maar zijn gedachten zijn doordesemd met dood en verderf. De geest ontdekt dit. Zij leeft ook in een wereld van haat. Er is een sympathisch element opgetreden. Die geest heeft helemaal niet de bedoeling op aarde iemand te vermoorden, maar zij wil zo sterk mogelijk deze harmonie beleven en dat kan zij nooit, als met een paar slagen de zaak wordt afgereageerd. Dientengevolge versterkt deze geest alle onredelijke invloeden. In de mens welt een drift op. Hij heeft plotseling geen beheersing meer over zichzelf en in plaats van de enkele slag in het gelaat die hij wil geven, grijpt hij een mes en steekt de ander neer.

Hier hebben wij dus een zeer typisch verschijnsel waarbij de geest die doodslag, die moord eigenlijk niet begeert, want daardoor houdt de harmonie op te bestaan. Ook degene die het op aarde moet volbrengen, die de daad zelf begaat – tegen wil en dank haast – wenst deze daad in feite niet. Maar ze kunnen zich niet onttrekken aan het voltooien van een geschapen harmonische factor.

Wij kunnen het ook omkeren. Wij kunnen te maken hebben met mensen die op zichzelf slecht zijn. En nu bedoel ik niet slecht volgens menselijke wetten, want dat is zo moeilijk om daar nu iemand werkelijk slecht te vinden. Je zou haast zeggen: de beste mensen op aarde leven goed dankzij het feit dat zij de wetten van andere mensen op een redelijke wijze weten te overtreden, zonder daarbij gevat te worden. Maar ik zou dus werkelijk kwaad zijn, ik haat eigenlijk de wereld. Nu komt er een ogenblik dat het voor mij noodzakelijk is iets goeds te doen. Dan kan dat goed voor mij – al speel ik eigenlijk een rol – op een gegeven moment zo belangrijk, zo voornaam worden, dat ik mij daaraan niet kan onttrekken. Ik word tegen wil en dank goed. Innerlijk ben ik het er eigenlijk niet mee eens, maar ik ben het.

Een voorbeeld hiervan is de kwestie van iemand, die zich uitgaf voor dominee in de streek van de Mississippi. Er was daar een ontzettende overstroming. Deze man was eigenlijk een oplichter. Hij verkocht tegen veel te hoge prijzen allerhand bijbeltjes en dergelijke dingen. Hij hield lezingen, hij zamelde geld in voor de zending die niet bestond enz. Nu komt de overstroming. Er is grote nood. En wat zien we? Deze man, die zich steeds had opgewerkt tot dit uitstralen van goedheid, die had geprobeerd al zijn hebzucht te verbergen achter een masker, had daarvoor ergens een harmonie tot stand gebracht met een geestelijke kracht die in de christelijke zin lering, hulp en naastenliefde wilde brengen. Ondanks zichzelf (hij heeft later nooit begrepen, waarom hij het heeft gedaan) heeft deze man ruim twee weken gewerkt, geploeterd, mensen met eigen levensgevaar gered, zieken verpleegd, doden begraven, zonder dat hij er iets voor verdiende. Hij heeft zelfs alles wat hij bezat weggegeven. En toen het was afgelopen, vroeg hij zich af, waarom hij zo dom was geweest, want het lag helemaal niet in zijn geaardheid. Die man had een harmonisch aspect beroerd. Hij wilde dat helemaal niet, eigenlijk had hij er tussenuit willen knijpen, maar op dat ogenblik werd hij beheerst door een harmonie die hij had geschapen. Dit is een typisch voorbeeld van wat er kan gebeuren. Iemand kan even goed door een dergelijke harmonie tot amok worden gebracht, tot een absolute berserker razernij, waarin hij niets meer ziet, als tot een schijn van heiligheid, een heldendom, die hij evenmin bezit.

Voor de mens is dit dus een zeer eigenaardig iets. Je bent niet altijd jezelf. Want de snaren, die je aanslaat, kunnen in een sfeer een zodanige kracht wekken, dat die kracht je tijdelijk beheerst en wel zolang de situatie deze kracht vereist.

En nu het omgekeerde. In een lichte wereld hebben wij helemaal geen lust mensen te veroordelen. Wij zouden ze allemaal gelukkig willen maken. Nu is er een mens, die zich wel op die lichte wereld afstemt, maar die in ons iets van zijn idee van “ik heb gelijk, er moet geoordeeld worden” en “er is een rechtvaardige God” gaat projecteren. Er komt dan een ogenblik dat wij onder die invloed vergeten onze uitingen te temperen en wij zullen dan niet meer in staat zijn om alleen aan naastenliefde te denken. Dan zullen wij onwillekeurig de goddelijke rechtvaardigheid, die wij toch ook kennen en de kosmische wetten toepassen. En die toepassing – of wij het nu willen of niet – wordt kenbaar via die andere mens. Dan zal zo’n mens die op zichzelf heel goed is, alleen bekrompen, door die bekrompen gedachten en de zo ontstane harmonieën soms allerhand belevingen in het leven moeten doormaken, die niet prettig zijn.

Hieraan mag ik dan nog een conclusie verbinden en dat is deze: Hoe meer de mens een vooropgezette mening heeft en deze hanteert als een soort rechterlijk gezag, hoe meer die mens zelf onderworpen zal zijn aan de beoordelingen en veroordelingen daaruit voortvloeiend en hij zal de gevolgen ondergaan in een zo strenge mate als een ander ze nooit kan ervaren.

Op het gevaar af te wijken, wil ik hier wijzen op het feit dat heel veel mensen, die altijd zo goed zijn en het zo goed bedoelen, zo vaak tegenslagen hebben en dat het hun eigenlijk vaak minder goed gaat, terwijl een ander, die het helemaal niet goed bedoelt, voortdurend harmonie, welvaart en geluk kent. Dan zegt mens: “Dat is een onrechtvaardigheid.” Of: “Dat zijn de wonderlijke wegen Gods.” Maar is dat wel zo? Degene, die zo oppervlakkig, lichtzinnig en zelfzuchtig leeft, heeft daarover geen strijd. Hij werkt niet met een veroordelen of met een oordeel, dus zal hij ook geen krachten wekken, die hem als het ware dwingen een kosmische wet te ondergaan. Hij leeft alleen maar in het gehele kader van het goddelijk Licht, maar nergens wordt er een bijzonder deel van het Licht op zijn persoonlijkheid in focus gebracht. Die mens kan verder in zichzelf een bepaalde mate van geluk kennen. Zakendoen bv. is voor hem geluk, dat is prettig. Wanneer hij dus dat geluk uitstraalt, krijgt hij haast een antwoord. En de vrede, de vriendschap, de naastenliefde misschien, die hij eigenlijk niet bezit, worden in zijn contact met anderen ingevlochten. Hij krijgt veel meer hulp en veel meer trouw van anderen dan hij ooit zou mogen verwachten.

Maar omgekeerd: de rechtvaardige is voortdurend bezig de fouten te zien. Dus wekt hij de disharmonie van die fouten, maar zelf staat hij in het brandpunt. Elke fout bij hem wordt dus 10‑voudig, 100‑voudig bestraft. De ander ziet die fouten niet eens. Hij weet het wel, hij geloof het wel, maar voor hem hebben die fouten geen betekenis, voor de rechtvaardige wel.

Zo ontstaat dus die eigenaardige wisselwerking, waarbij schijnbaar onrecht wordt gedaan. Het is toch eigenlijk volgens menselijk oordeel heel vreemd dat de misdadiger het goed kan hebben en dat hij altijd weer geluk heeft en dat iemand die het o zo goed bedoelt, altijd weer net zijn neus stoot. Hier heeft u de verklaring.

En dat is misschien voor uw eigen leven ook van belang. Want wanneer u zich dus te sterk bezighoudt met het scheppen van onderscheid, zult u ook ergens harmonie wekken. U bedoelt het helemaal niet zo, en u weet niet dat u ergens in de sferen iemand hebt wakker gemaakt, of u wordt – wat omgekeerd ook mogelijk is – door een gelijkgerichte geest beroerd en u gaat veel verder in uw rechtzinnigheid en rechtlijnigheid, dan u ooit had willen doen, met als gevolg de daaruit voortvloeiende spanningen, het leed, de disharmonie op aarde. Wees dus erg voorzichtig met de manier waarop u denkt en oordeelt. Hoe scherper u bent tegenover anderen, hoe groter de kans is dat die scherpte ook in uw leven wordt toegepast, niet omdat u dat verlangt of begeert of omdat de geest u dat wil aandoen, maar omdat voor de geest een antwoord op die invloed vanuit uw wezen de enige mogelijkheid is om in haar eigen wereld de harmonie te herwinnen.

Dan zullen we nu weer moeten terugkeren naar de geschiedenis. We ontdekken nl. dat er ogenblikken zijn, waarin een mens in vervoering komt en dan plotseling over zeer grote wijsheid beschikt, soms ook leviteert. Van vele later heiligverklaarde personen wordt verteld, dat zij – in meditatie voor het altaar zijnde – zich verhieven. Vooral de vroege middeleeuwen waren doortrokken van dit miraculeuze.

Nu lijkt het of dat allemaal alleen van God komt, want die mensen dachten alleen aan God. Maar wat zij deden was slechts het erkennen van een persoonlijke God. Het was niet de kosmische God, die zij erkenden of aanvaardden. Neen, het was hun beeld. En dat beeld ging weer vergezeld van het uitzenden van zeer bepaalde, gerichte gedachten. Die gedachten vonden ergens in een sfeer weer weerklank en daardoor kon het wonderbaarlijke geschieden. Het is een reactie die je wekt. Vandaar dat het zo belangrijk is voor de mens dat hij beseft wat hij eigenlijk gelooft. Maar dat is voor ons verder van minder belang.

Nu komen we aan een periode in de historie, waar wij plotseling ontdekken dat het demonische, het helse optreedt, tenminste vanuit christelijk standpunt. U kent allen de historie van de heksenvervolgingen en wat ermee gepaard gaat. Waren deze heksen nu zwart magisch? Neen, dat is helemaal niet zeker. Waren zij in vele gevallen verbonden met bovennatuurlijke krachten? Net zo goed als andere mensen, alleen op een andere manier. En nu het vreemde: er zijn gevallen bekend, waarbij heksen buitengewoon veel goed hebben gedaan. Zelfs in Frankrijk waren er een paar heksen die eigenlijk vrijgesproken werden met een geringe kerk boete, zoals dat heette, omdat zij eigenlijk iets anders hadden gedaan dan zieken genezen, de oogst goed laten lukken voor de streek waarin ze leefden, enz. Men kon deze mensen eenvoudig niet veroordelen en verbranden, want anders zou de inquisitie met een opstand te maken hebben gekregen. En toch kenden zij dezelfde heksengebruiken als de anderen. Ze kwamen dus ook in bepaalde groepen bijeen, ze hanteerden de heidense rituelen, ze doen allerhand dingen die volgens de kerk te verdoemen waren.

Maar is het belangrijk wat je doet? Ik geloof het niet. Wanneer het gaat om het wekken van een contact met een geestelijke wereld (een sfeer) dan gaat het erom dat je zelf het goede wilt. En die zgn. orgieën van de heksen (die in feite natuurvereerders waren), waarbij geslachtelijk verkeer een hoofdrol speelde, verder gezamenlijke maaltijden, dansen en allerhand lichtzinnige dingen, zoals men zei, konden voor die mensen wel degelijk een uitdrukking zijn van hun verbondenheid met de kosmos, en zij waren daarin vaak sterker dan de kerkelijken. Want in hun verbondenheid met het levende, met de kosmos, gaven zij werkelijk zichzelf. Niet in een theorie en niet in een voorbehoud, maar in een ondergaan als het ware van alles wat er in de natuur leefde en met het vrome en innerlijke besef dat dit een kracht was, die uit het Hogere voor hen bevestigd zou worden.

Misschien mag ik hier dan weer even een parallel trekken. We vinden nl. in de oudheid heel vaak het symbool van de horens of van de rijzende maan. Wij vinden het bij Isis, we vinden het bij Astaroth, we vinden het in de Minoïsche cultus, wij vinden het terug in de Wodancultus (de Germanen) kortom overal komt men dit gehoornd‑zijn tegen. Bij de heksen vinden wij de Bok van Mendes één van de dingen, die later in de alchemistische magie een heel grote rol speelt, ook weer de Gehoornde

Men heeft dat wel geassocieerd met de duivel, maar op zichzelf is het klaarblijkelijk een beeld van de wassende vruchtbaarheid, de wassende invloed van licht en van kracht in de natuur. Als zodanig vinden wij het in elke oude godsdienst en gelijktijdig blijkt dit dus met fertiliteit gepaard te gaan, de gedachte aan vruchtbaarheid. En dan kunnen wij gaan kijken in de Indische cultuur en beschaving, we kunnen kijken in Tibet of bij de verschillende negerstammen, zelfs betrekkelijk laat – in 1700 – vinden we dat vooral verschillende Bantoe stammen nog een maanverering kennen. En uit vroeger tijden kennen we o.m. de maantempels van Zimbabwe, waar allemaal precies hetzelfde gebeurt. De mens erkent de vruchtbaarheid die in de natuur ligt. Hij brengt haar uit zichzelf voort en omdat hij daarmee alleen het goede verwacht en zoekt, krijgt hij het goede.

Hier hebben we nu de verklaring van de tegenstrijdigheden uit de heksenvervolging, want er zijn inderdaad onverklaarbare verschijnselen. Het zijn er niet veel en de meeste zijn vervalst door verhoren, die aan de hand van de heksenkamer zoveel mogelijk gelijkluidend zijn gemaakt, omdat men een bepaald resultaat wenst. Maar als ik dezelfde kracht en dezelfde handeling zie als iets anders, dan wordt deze emotie voor mij een sterk gerichte gedachte, die een heel andere sfeer beroert. Zo kan dus in een gelijk ritueel een groot aantal verschillende sferen worden beroerd en de reacties van die sferen zullen dan ook geheel different zijn.

Dit is niet alleen historisch interessant, maar het geeft ons ook weer een beeld van de wisselwerking, zoals die altijd heeft bestaan. Want u kunt in deze dagen nu wel zeggen, dat het geen zin heeft om bv. het communisme goed te heten, maar vroeger zei men dat het heksendom kwaad was. Wanneer echter dat communisme in feite wordt gemotiveerd door een gedachte van naastenliefde, dan wordt er niet geëist dat men aan een God gelooft. Dan is het mirakel mogelijk door de resonantie die er tussen een bepaalde sfeer en het communisme ontstaat en kan deze eveneens vooruitzien, worden geleid, gesteund en gesterkt en dan kan ook deze het goede als het ware bereiken buiten de natuurlijke normen en de waarschijnlijkheid om. Een Christen die over naastenliefde spreekt, maar aan zichzelf denkt, zal het tegendeel bereiken. Hij vindt juist het demonische steeds sterker terug in zijn wereld.

Ik geloof dat dit ook een verklaring is voor de vreemde situatie die wij op het ogenblik in de wereld zien, waar goed en kwaad zo ongelooflijk dicht naast elkaar liggen en het soms heel moeilijk is je af te vragen: Is iets nu eigenlijk wel werkelijk goed of is het kwaad? We zien geen onderscheid meer. Want vanuit eenzelfde oorzaak wordt een totaal verschillend gevolg geboren. Maar als wij ons nu realiseren dat hier de resonantie met de sferen belangrijk is, dan zullen wij ook beseffen dat twee mensen, die hetzelfde doen, een totaal andere kracht kunnen wekken, dat twee mensen die een gelijke formule spreken, een gelijk ritueel vervullen, een geheel ander resultaat kunnen bereiken. En dat is één van de belangrijke punten van ons huidig betoog.

Nu heb ik de historie zo’n beetje gevolgd om een paar voorbeelden te vinden. Maar hoe staat het nu in onze wereld? Wanneer ik in mijn wereld leef en denk, kan er voor mij een situatie ontstaan of een probleem, waardoor ik behoefte heb aan een demonstratie. Ik moet het gaan uitdrukken in beelden en dat wil zeggen dat ik dus een zeker vormbewustzijn heb. Naarmate ik in een hogere sfeer leef, zal dat vormbewustzijn meeromvattend zijn er daardoor in hoofdzaak dus volkeren of zeer grote groepen betreffen. En naargelang ik dichter bij de wereld sta, zal mijn voorstelling meer gebaseerd zijn op wat een eenling, een enkele mens doet.

Nu moet u zich de zaak eens zo indenken: Ik leef in een sfeer. Ik heb onderzoekingen gedaan ten aanzien van het leven en heb daarbij een en ander over cellen, hormonen, woekeringen enz. ontdekt. Gelijktijdig is er een mens op aarde bezig. Die mens houdt zich helemaal niet bezig met het onderzoek van het leven, maar hij is om industriële redenen bezig met het onderzoek van bepaald eiwitten, dus half-leven. Nu is zijn onderzoek en het mijne op een gegeven moment praktisch identiek. Ons denken is harmonisch. Wat gebeurt er nu? Niet alleen dat ik iets van de details die hij op het ogenblik behandelt, aflees, maar hij zal mijn denken – dat over het algemeen scherper is geformuleerd – gaan volgen. Er komt een afwijking in zijn reeks proefnemingen en hij ontdekt iets dat hij helemaal niet zoekt. Hij komt tot een totaal ander wetenschappelijk resultaat dan hij verwacht.

Maar dit niet alleen, het betreft zelfs een heel ander terrein. Nu zegt hij dat het toeval is. Neen. Het feit dat ik bezig was met hetzelfde probleem als hij, maakte het mogelijk dat hij van mijn conclusies voor een deel kon aflezen. Door de conclusies die in hem opkwamen als een spontane inspiratie plus misschien mijn bekwaamheid (aangenomen dat ik die bezit), die de zijne aanvullen, presteerde hij iets dat nooit tevoren werd verricht. En het is goed. Zo kan de man, die eiwitten onderzoekt, ineens een middel vinden waarmee hij kanker bestrijdt of waarmee hij cellen kunstmatig kan creëren en een lange tijd een kunstmatig leven verschaffen.

Hier ziet u dus alweer dat de werkzaamheden in een sfeer, de taken die er in een sfeer bestaan, de lessen die men in de geest kan absorberen, vaak een zekere verbinding hebben met de stoffelijke wereld of althans met vormkennende werelden. Op het ogenblik dat die associatie bestaat, zullen wij – al willen wij dit niet – alles wat met ons harmonisch is, ook weer beïnvloeden. Daardoor kan de eenling in zijn leven soms heel wonderlijke ervaringen opdoen en in heel veel gevallen – en dat is wel het meest typische – zichzelf eigenlijk voortdurend corrigeren. Want hij wekt steeds weer een resonantie met een bepaalde sfeer en zal daardoor zijn eigen bedoelingen frustreren, maar gelijktijdig iets omtrent zichzelf kunnen leren. Voor de eenling kan dat aangenaam of onaangenaam zijn.

Voor volkeren ligt dat weer anders. Natuurlijk, op een gegeven ogenblik zal de geest met volle intensiteit beginnen te werken, omdat zij zegt: “Het bewustzijn op de wereld moet groter worden.” Zij gaat dan bewust grotere groepen beïnvloeden en proberen het gemiddelde van het gemeenschappelijk denken te veranderen. Maar het is ook heel goed mogelijk dat een groep, zonder dat een hoge geest dit wenst, ergens harmonisch wordt en daardoor totaal anders gaat reageren dan zij eigenlijk wil. Dan zien wij plotseling massa‑uitbarstingen, waarbij de meest onvoorstelbare veranderingen, die niemand heeft zien aankomen, ineens plaatsvinden; een land ziet er anders uit, denkt anders, reageert anders.

Heel vaak ontdekken wij dan nog iets: Een groepsbeïnvloeding gaat altijd uit van een hogere, een sterke geest en altijd vanuit een sfeer die – vergelijkenderwijs gesproken – als de aarde een decimeter hoog is, dan 10 kilometer hoog is. Dus het geweld van iets dat uit die sfeer de aarde treft, is veel groter dan van iets dat vanuit de aarde lagere werelden kan beroeren. Er is dan een enorm arbeidsvermogen, een enorme energie en die blijft op de aarde bestaan, ook als de geest zich terugtrekt. Juist deze niet‑bedoelde uitwisseling van impulsen tussen een groep en een hoge entiteit of enkele hoge entiteiten heeft dan ook vaak ten gevolge dat een op zichzelf goede zaak een onverwacht snelle ontwikkeling doormaakt, maar dan ad absurdum verdergaat als het ware zonder besturing: een voertuig dat door 100 bochten goed is heen geloodst en met dezelfde vaart verder rijdt. De energie der beweging is er, maar de chauffeur niet meer. Dat ding moet toch te pletter rijden.

De geest die dat erkent, zal ingrijpen. Maar als de mensheid denkt dat het juist zo goed is, dan is er niets dat die geest kan waarschuwen dat er iets niet in orde is. Wanneer een dergelijke invloed zich niet direct met de wereld bezighoudt, kan zij dus onbewust ontwikkelingen veroorzaken die niet wenselijk zijn. En de mensheid die roept: “Dit is goed en dit is het enig juiste,” zal daarbij vaak door haar niet verder nadenken, door haar kritiekloos verdergaan in een gegeven richting haar eigen ondergang, haar eigen doem kunnen bezegelen.

De kwestie van wederkerige beïnvloeding houdt niet slechts in het vanaf de aarde bewust roepen van de geest of het uit de geest bewust helpen van de mens. Was dit alleen het geval, dan zouden wij misschien veel meer kunnen doen. Maar wij begrijpen elkaar niet. De mens kan zich niet voorstellen, hoe een enkele gedachte van ergernis of haat een reactie wekt, die misschien tien weken in zijn eigen leven doorwerkt. En hij begrijpt niet waarom. Het lijkt hem onlogisch. Hij is het toch allang vergeten: Ja, maar er is steeds een factor, die het meer versterkt van uit de geest, waarmee hij die harmonie heeft gevonden.

En omgekeerd kan een geest zich vaak niet voorstellen dat zij door die ene flits van goedbedoelde energie aan een mens te geven, die mens ertoe kan brengen iets door te zetten tot in het onredelijke. En nu bedoel ik dus niet meer het onredelijke, gezien vanuit de menselijke beredenering, maar zelfs in strijd met zijn eigen wezen. Het is heel belangrijk dat we dit beseffen. Wij in de sferen, wij leren dit. En hoe meer u in een lichte wereld komt, hoe sterker de nadruk bij alle onderricht en zelfs bij de onderlinge bezigheden wordt gelegd op het feit: Denk er om, er kan een harmonie ontstaan in een lagere wereld, houd er rekening mee. Kijk zo nu en dan, of het geen reactie heeft gewekt, dan kun je die eventueel herstellen. Maar juist de lagere werelden weten vaak niet eens wat er gebeurt. En als ze het weten, vinden ze het alleen maar heerlijk als dat blijft voortbestaan. De lagere of de duistere werelden hebben in dit geval dus vaak een meer blijvend contact dan de hogere werelden.

Hiermee heb ik dan het niet‑gewilde wederkerige contact uitgedrukt. Er blijft mij nog over tot slot van deze les te spreken over

De bewuste wisselwerking

Nu gaan we niet meer uit van de historie of van wat eens was, maar wij nemen de mens, zoals hij nu is, zoals hij nu leeft.

Deze mens erkent in zichzelf bepaalde waarden. Hij associeert ze. Er bestaat iets voor hem dat stoffelijk buitengewoon goed is en dat de uitdrukking is van iets dat geestelijk buitengewoon goed is. Op het ogenblik dat de mens dus op die manier leeft, handelt en werkt, zal hij automatisch een resonans wekken. Al hetgeen wij uit eigen erkenning aan goed creëren op aarde – bewust en goedbedoeld – zal een versterking van invloed betekenen uit de hogere krachten. Naarmate wij meer bewust te werk gaan (ik zeg niet verstandelijk, maar meer bewust), zullen wij dus op aarde grotere reacties kunnen zien uit de geest en zullen onze vermogens voortdurend worden aangevuld, onze bereikingsmogelijkheden worden groter. Hoe minder beperkingen wij ons opleggen in de zin van dogmatische beperkingen, bezitsbeperkingen enz., hoe groter de mogelijkheid dat wij ook blijvende, vrije en onbeperkte krachten uit een andere sfeer op aarde kunnen zien als stuwkracht van ons eigen leven en hoe meer wij daarmee kunnen bereiken.

Vanuit de geest beschouwd, ligt het in deze tijd ongeveer als volgt: naarmate wij ons in de geest meer interesseren voor de stoffelijke wereld, zullen wij meer moeten deelnemen aan die stoffelijke wereld. Wij moeten de problemen van de mensen ook voor onszelf oplossen en in vele gevallen zullen wij – juist om de mensheid te kunnen helpen, om onze kracht en invloed te kunnen geven aan de mensheid – daarbij dingen moeten doen, onszelf beperkingen moeten opleggen, die eigenlijk niet eens meer in onze wereld passen. Juist door die beperkingen bereiken wij het brandpunt in de mensheid. Alleen door een zelfbeperking kun je vaak iets bereiken. En altijd weer is daarbij voor ons de inzet van de gehele persoonlijkheid noodzakelijk.

Wanneer ik vanuit de sfeer tot u wil spreken, is het voor mij theoretisch mogelijk om met het grootste gedeelte van mijn bewustzijn in die sfeer te blijven en een enkele golf als code uit te zenden, waarmee ik een medium of inspiratief spreker beroer. Dat is theorie. En dan spreek ik vanuit mijn eigen wereld. Ik zal dus niet de zekerheid hebben dat u mij begrijpt. Een wisselwerking is haast niet mogelijk. Ik zal dus meer van mijn eigen wezen moeten projecteren. Op het ogenblik echter dat ik – al is het maar tijdelijk – afstand doe van mijn werkelijke wereld en de stoffelijke beperking aanvaard, sta ik tegenover u als mens tegenover mens en juist daardoor wordt mij het menselijk denken en reageren duidelijk. Juist daardoor kan ik de problemen van de mens beseffen en daar ik in mij nog de wetenschap van mijn eigen wereld heb, kan ik ze vaak oplossen, al is het niet volkomen.

Vanuit de geest is er dus vaak een remming of een beperking die de mens als halfheid of halfslachtigheid zal beschouwen. Ze is dat niet. Ik kan echter niet mijn totale wereld beleven, erkennen en van daaruit als het ware zonder meer alles wat ik weet, wat ik ken in de mens projecteren. Ik zal altijd eerst tenminste een groot gedeelte van de menselijke beperkingen moeten aanvaarden, voordat ik die mens als mens kan benaderen en zijn problemen niet alleen meer kan beschouwen vanuit een geestelijk standpunt (dus met geheel verschillende waarderingen dan een normaal mens heeft, maar ze ook enigszins kan zien vanuit een menselijk begrip en daardoor dus werkelijk een inzicht of een raad kan geven die zin heeft.

Belangrijk is voor ons ook nog dat wij de mens er als het ware toe brengen zelf te reageren of te denken. Wanneer u denkt en uw gedachteproces bezig is met een probleem, kunnen wij u helpen de oplossing te vinden en dan is die oplossing perfect, zij is juist. Maar denkt u zelf niet, dan gaan wij dat probleem bezien van uit onze wereld. Het contact met uw denkwereld, met uw leven is er niet meer. Of we moeten het zoeken via een andere mens. De oplossing wordt onvollediger en onjuist. Ze is schijnbaar feitelijk, omdat ze meer feiten doneert en minder de verschillende onevenwichtige of net in balans zijnde krachten en mogelijkheden in uw eigen wezen beschouwt. Maar eigenlijk is ze minder juist, ze is gevaarlijker.

Ik hoop dat u hieruit voor uzelf de nodige conclusies zult willen trekken, want u heeft nu iets geleerd over de sferen, zoals ze reageren op de mens en ook hoe de mens in de sferen reacties wekt. Vanuit ons standpunt is er niets belangrijker dan een voortdurende samenwerking tussen mens en geest. Maar deze kan alleen optreden indien wij elkaar eerst begrijpen, wanneer wij als geest weten: ik moet de menselijke beperking aanvaarden, voordat ik de mens als mens verder kan helpen. Ik kan niet eisen dat een kind in een kleuterklas de geleerde taal van een professor verstaat. Ik mag ook niet verwachten dat een kind dat net één jaar rekenen heeft gehad, even een belastingaanslag invult, nietwaar? Dat is dwaas. Zo mag ik ook niet verwachten dat mijn visie, zoals ik die heb in een geestelijke wereld, aanvaardbaar en begrijpelijk zal zijn voor een mens. Nu is het maar de vraag: Hoe ver kan ik mijzelf beperken?

Voor de mens is het omgekeerde waar. Kan die mens de bekrompenheid van zijn maatschappelijke verhoudingen, van het dogmatische denken dat niet in hem leeft, misschien terzijde stellen en kan hij daarvoor in de plaats zetten, zijn werkelijk levende “ik” met zijn werkelijk goede bedoelingen, dan heeft hij ongetwijfeld een zeer grote invloed in onze wereld. Dan kan hij in onze wereld niet alleen maar een storende factor zijn, maar hij kan er één zijn, die bewust hulp biedt, die bewust een sfeer wakker maakt en doet ingrijpen op aarde en dan is er samenwerking mogelijk.

Zolang echter de geest probeert alleen haar hoog geestelijk standpunt te handhaven en de mens tracht alleen uit zijn menselijk denken of zelfs uit de irreële gedachten die hij misschien mooi of geestelijk hoog vindt, met de geest in contact te komen, zullen wij altijd verwarring scheppen en geen klaarheid.

Een volgende keer zullen wij nog ingaan op de verschillende sferen, zoals zij bestaan en ik hoop dan uit de beschrijving van die werelden voor u een nog beter beeld te kunnen opbouwen – als ikzelf tenminste aanwezig mag zijn – van de samenwerking die wenselijk is. Want wij moeten goed begrijpen: de geest kan misschien desnoods een heel eind verder gaan zonder de mens, maar de mens kan vaak maar heel langzaam vooruitkomen, wanneer hij geen contact heeft met de geest. Maar eerst in perfecte samenwerking – onze wederkerige beïnvloeding beseffende en bewust gebruikende – kunnen wij de goddelijke Waarheid en het werkelijke Licht, kunnen wij de Al-kracht die in ons bestaat levend maken, reëel en werkelijk. En aangezien dat ons doel is, hoop ik dan ook dat deze lezingen daartoe zullen bijdragen.

De motieven van eigen handelen

Elke mens heeft een groet aantal motieven voor zijn handelingen die hijzelf niet of maar ten dele beseft. Wanneer wij proberen deze motieven te ontleden, zullen wij in de eerste plaats stuiten op de weigering van de mens zichzelf eerlijk te zien. In de tweede plaats ontdekken wij vaak dat het voor de mens onmogelijk is bepaalde drijfveren en motiveringen ook redelijk te aanvaarden. Het is betrekkelijk eenvoudig nu alleen de motieven op te sommen en daarbij uit te gaan van de verschillende ervaringen uit het verleden, de ervaringen misschien ook, die u geestelijk hebt doorgemaakt. Maar ik geloof dat wij verstandig doen in dit geval allereerst uit te gaan van voorgaande trappen van ontwikkeling.

Wanneer u leeft, dan leeft u niet slechts één keer. Elke keer als u sterft, wordt u herboren hetzij in een andere wereld, hetzij na een zekere rustperiode op uw eigen wereld. In elk leven nu maakt u een bepaald proces door en dat proces kunnen wij misschien het eenvoudigst met een citaat omschrijven: Wanneer je uitgaat, zegt God bv. tot je: “Leer barmhartig zijn.” Die barmhartigheid leer je dan wel, maar gelijktijdig ga je toch weer in de barmhartigheid verwaand worden: of je gaat stelen. Dan kom je terug en God zegt tegen je: “Barmhartigheid heb je geleerd. Ga nu weer uit en leer barmhartig te zijn zonder te stelen, zonder zelfverheffing.” Dan doek je weer een andere fout op en je leert weer iets. Zo wordt dus de geest en daarmee ook het bewustzijn voor een zeer groot gedeelte gevormd.

Ik weet dat een psycholoog mij hier zal aanvallen en zeggen: “Wij kunnen dit alles eenvoudiger verklaren. Het is niet noodzakelijk een reïncarnatie aan te nemen.” Inderdaad, hij heeft vanuit zijn standpunt daarin gelijk, maar zelfs wanneer wij de richting van Jung en zijn volgelingen uitgaan, stuiten wij ergens op een onbekend deel van de persoonlijkheid, dat zeer bepaalde eigenschappen schijnt te bezitten, maar waarvan wij de zetel, de oorzaak, de bron niet kunnen vinden. Het is dat deel van het “ik”, van de persoonlijkheid, dat de eerste drangverschijnselen tot stand brengt.

Wanneer je bent tekortgeschoten in liefde voor je medemensen en daardoor veel treurige ervaringen hebt opgedaan, kan dus in een bepaalde incarnatie de mens in zich de drijfveer hebben de medemens lief te hebben. Maar nu is de vraag: hoe? Want hij kan dit op een zuiver materiële wijze doen. Wanneer hij in zijn stoffelijke omgeving niet gelooft aan een voortbestaan, wanneer zijn scholing en zijn ervaringen niet op het Hogere zijn georiënteerd, zal hij zoeken naar de uitdrukking van deze genegenheid, deze liefde op een wat wij noemen zeer laag stoffelijk vlak. Die mens zal zichzelf niet toegeven dat het de behoefte is om een groter geheel te kennen. Dat kan hij niet. Hij zal dus bepaalde facetten uitzoeken en dan wordt het bv. een geschiedenis à la Don Juan: een soort herhaling van het amoureuze avontuur. Die mens zegt dan tegen zichzelf: “Het is aangenaam, je moet toch in het leven durven nemen, wat het leven biedt.” Die motivering is niet juist. Hij neemt niet wat het leven biedt, hij zoekt juist iets, wat het leven hem schijnbaar niet kan bieden, althans niet op die manier, want anders blijft hij niet doorzoeken.

Je kunt dus zeggen: Er ligt ergens een verborgen drijfveer die de grondslag is voor elk streven in de wereld. En deze grondslag is altijd eenvoudig. De menselijke psyche op zich is complex. Er zitten heel veel verschillende factoren en werkingen in en heel veel tegenstrijdigheden, maar dit deel van het “ik” is altijd eenvoudig. Het is zeer belangrijk, dat wij dit beseffen. We hebben in ons een behoefte om aanvaarding te vinden en om de wereld iets te geven. We hebben de behoefte iets te betekenen of we hebben een angst om verantwoordelijkheid te dragen. We hebben de behoefte bezit te verwerven of anderen rijkdom te geven. Zo eenvoudig is dat. En dat is altijd maar één punt. Want uit de vorige incarnaties vloeit altijd één hoofdmotief voort dat het huidige leven regeert, alle andere facetten van je bestaan zijn daarmee wel verknoopt en wanneer wij ze herleiden tot hun werkelijke oorzaak, vinden we weer deze ene typische eigenschap, die niet uit erfelijkheid, uit milieu, uit opvoeding e.d. kan worden verklaard op de achtergrond. Maar zoals ik reeds opmerkten de manier waarop wij hieraan uiting geven, zal steeds voortvloeien uit wat wij op aarde zijn en uit de banden die wij hebben met de geest.

Dan kom ik hier tot een tweede punt dat ik – persoonlijk althans – altijd wonderlijk belangwekkend vind. Ik ontdek nl. maar al te vaak, dat een mens in een bepaald leven onbewust tracht de situaties uit een vorig leven opnieuw te scheppen en gelijktijdig deze te wijzigen naar zijn eigen inzicht en behoefte. Misschien moet ik hier voorbeelden geven.

Er is een mens die in het verleden onnoemelijk veel heeft genomen van anderen. Hij heeft dit ten onrechte gedaan en beseft dit innerlijk wel. Nu komt deze mens weer op aarde En wat is nu typisch? Deze mens blijkt de neiging te hebben om redeloos weg te geven. Onbewust kiest hij daarvoor meestal mensen die hij in een vroegere incarnatie heeft getroffen en in enkele gevallen zelfs personen van wie hij heeft genomen in het verleden. Hij weet dat zelf niet, maar hij wordt getrokken door een zekere sympathie. Ergens erkent hij gelijke waarden, maar kan daaraan geen verdere uitdrukking geven. De gelijkheid van waarden nu wordt heel eenvoudig beschouwd als attractie (animaal of iets dergelijks). En als een mens een motief moet hebben voor het geven aan een ander, zegt hij: “Nu ja, ik heb het idee dat die ander dat wel kan gebruiken”. Of: “Ik vind het prettig wat te geven”; of: “Je moet wat voor je medemens doen.” In feite echter bedoelt hij: ik wil in mij een gevoel van in‑gebreke‑zijn verdrijven door te geven; en dat geven doe ik juist aan diegenen, bij wie ik dit in gebreke blijven weer sterk ervaar. Een heel typisch aspect. Hier gaat men dus onbewust een deel van een vroeger leven hercreëren. De opvoeding en de erfelijkheid spelen daarbij een grote rol.

De mens wordt geboren met een bepaald karakter. Nu kunnen we dat astrologisch gaan aflezen en wij kunnen het door middel van de psychoanalyse voor een groot gedeelte vaststellen. Het feit is en blijft echter dat de mens grondeigenschappen heeft die zuiver lichamelijk zijn. De één is erg lethargisch, een ander is altijd bijzonder opgewonden. De één is buitengewoon driftig, de ander buitengewoon beperkt en voorzichtig. Deze grondeigenschappen zijn ook weer motieven, zij zijn nl. de voortzetting van de grondwaarden uit het vroegere leven. Dus wat ik in een vroeger leven eventueel zou hebben gedaan of misdaan en wat ik nu continueer, zal ik continueren volgens de erfelijke grondeigenschappen die het lichaam heeft. Hier komt de geest nog niet aan te pas. En wanneer hierbij dus drift, heerszucht of iets anders een rol speelt, zal de uiting van mijn behoefte tot herstel – want dat is het tenslotte – driftig of lethargisch zijn of op welke andere manier u het zich maar kan voorstellen.

Nu komt er bij de erfelijkheid bovendien nog een begrip van tekorten en een begrip van bezit. Het is heel vreemd dat de mens deze begripswaarden vaak al heel vroeg heeft. We treffen kinderen aan van ternauwernood een jaar oud, die zich reeds kennelijk de mindere voelen van een ander of kennelijk bv. trots op hun schoonheid zijn. Dit zet zich ook in het verdere leven voort, maar natuurlijk gewijzigd door de ervaring. Het kind dat zich steeds op zijn schoonheid liet voorstaan en dat daarvoor steeds afkeuring kreeg, zal op den duur een schijn van nederigheid en van zelfmisachting aankweken en zal zijn eigen goede punten niet meer naar voren durven brengen, al worden die wel degelijk beseft. De achtergrond blijft echter. Dan zal zelfs achter de schijn van nederigheid de motivering dus zijn: mijn eerste doel in de incarnatie is naastenliefde, verder: de drift. Laten we dus aannemen dat het driftige, het opbruisende temperament de grondslag is en de gedachte: “ik ben mooi”. Wat is dan het resultaat? Dat deze mens geneigd is zijn schoonheid plotseling aan anderen te manifesteren in een absolute gulheid, zonder er even over na te denken, maar dat hij later altijd weer zegt: “Wat heb ik gedaan, want ik ben toch niet mooi, ik ben lelijk.” En daardoor ontstaat dan weer, wat wij noemen, een schuldgevoel.

Die schuldgevoelens zijn erg gevaarlijk. Hoe meer schuldgevoelens wij in ons dragen die niet zijn gebaseerd op feitelijke waarden, maar op ons innerlijk begrip, onze voorstelling eigenlijk, hoe meer wij zullen proberen de innerlijke drijfveren weg te praten. Wij gaan dan voor onszelf condities en omstandigheden scheppen, die niet meer in overeenstemming zijn met ons ware leven, met onze werkelijke mogelijkheid, ons waar begeren. En dan kom je door die verkeerde verklaringen ook tot een aantal verkeerde handelingen, welke gevolgen brengen die voor het “ik” niet aanvaardbaar zijn. Ze moeten weer worden weggepraat. Zo vervreemdt men zichzelf vaak van het leven, dat men feitelijk moet leven.

Het is misschien aardig om daar even de geest bij te halen, de invloed die de geest heeft. Zo-even heeft u – als ik mij niet vergis – het een en ander gehoord over het wekken van wederkerige invloeden. U zult dus ook begrepen hebben dat een gedachte of een beleving van een mens in een sfeer een geest kan wekken, die dan haar kracht en beleven weer naar die mens projecteert. Als je nu zelf niet evenwichtig bent en dus niet precies weet wat je wel en wat je niet wilt of als je eisen stelt die in strijd zijn met de werkelijkheid (wat soms ook gebeurt), dan zal je op een gegeven ogenblik geestelijke invloeden wekken, die in strijd zijn met het werkelijke doel van je leven en die een vervulling of een beleving in de stof of een verwerkelijking van het innerlijk noodzakelijke eenvoudig onmogelijk maken. De mens wordt in feite dus voor een groot gedeelte geleefd door het niet erkennen van zijn innerlijke werkelijkheid, het afwijzen van hetgeen in hem feitelijk bestaat of het vervalsen van zijn motieven voor handelen, voor niet‑handelen enz. Hier heeft de doorsneemens nu wel een gevoel van noodzaak. Hij weet heel goed wat eigenlijk zou moeten zijn. Hij weet heel goed wat er feitelijk zou moeten gebeuren en in zijn dromen zal hij het soms ook zo beleven, maar hij wordt geremd. Hij wordt dus als het ware teruggedrukt door zijn angsten, zijn stoffelijke bewustzijn, het verloochenen van zijn persoonlijkheid.

En nu ontstaat er de meest eigenaardige situatie: Zolang die mens harmonisch en natuurlijk zichzelf uit en hij de in hem of haar bestaande noodzaak weet te verwezenlijken, is hij sterk en rustig. Hij kent dan ook geen problemen en complexen, het is geen verwrongen persoonlijkheid. Integendeel, zo iemand groeit dan naar een steeds grotere eenheid van denken en streven, zonder daarbij ook tevens eenzijdig te zijn. Maar degenen die dat niet doen, moeten proberen toch op de een of andere manier hun wezen, hun werkelijkheid te uiten en zij doen dat door ontwijking.

Laten we het heel eenvoudig zeggen: Men voelt zich eigenlijk priester of priesteres, maar men heeft niet de moed naar een altaar te gaan en daar een offer op te dragen. Dan ga ik het anders doen: Ik ga een klein offertje brengen. Maar ja, niet te ver, want dat kan ik eigenlijk toch ook weer niet doen. Ik verwacht een gunst van God en daarom stel ik dat ik recht heb op sommige dingen, al weet ik dat het eigenlijk nog niet waar is. Zo verdeelt zich dat ene motief in 10, 20, in 100 verschillende reacties, die meestal tegenstrijdig zijn. Zo’n mens is net een duizendpoot: hij zou aan 2 voeten genoeg hebben, maar hij heeft er 1000. Men zou kunnen zeggen: aan elke teen heeft hij eksterogen, daardoor loopt hij buitengewoon pijnlijk. Nu moet die mens dus voor zichzelf verklaren dat hij goed is. Hij erkent nu niet meer het hoofdmotief (de zelfverwerkelijking) dat voor elk leven van de grootste betekenis is en dat voortvloeit uit de hele reeks vorige incarnaties, uit het hele bestaan en dat het doel is van zijn leven. Hij ontwerpt dus een God, een wereld en mensen die falen. Zij falen, denk erom, nooit ik. Ik erken voor mijzelf wel dat ik het misschien anders had moeten doen, maar dat mag men toch niet van mij verwachten, die eisen kan men aan mij toch niet stellen. Men kan toch niet denken dat ik dat ga uiten, enz. Ik kan toch de verantwoordelijkheid voor die ander niet op mij nemen. Of: Ik wil dat wel doen, maar dan moet eerst dat en dat veranderen. Kortom, men ontwijkt de werkelijkheid door het stellen van voorwaarden, begrijp dat goed. Nu heeft men daardoor dus de eigenlijke werkelijkheid van zijn leven helemaal verwrongen. Ik weet niet of u wel eens hebt geprobeerd te lopen terwijl de ene voet naar achter staat en de andere naar voor? U loopt dan in cirkels, u kunt zich niet rechtlijnig voortbewegen.

Zo gaat het met de mens geestelijk ook. Hij komt dan aan wat men noemt zijn afwijkingen, zijn complexen, de vervulling van zijn persoonlijk leven is onmogelijk geworden. Zijn conflicten met de wereld heeft hij gemotiveerd, zodat hijzelf gerechtvaardigd is. Hij leeft niet meer in een werkelijke wereld. Zijn kunstwerk is onbetekenend en dat weet hij, maar dit kunstwerk is zijn reden om te leven, want aan dat andere kan hij zich niet geven. Hij streeft dus verkeerd; hij maakt het onbelangrijke tot het belangrijke en aan het belangrijke gaat hij voorbij. Is het een wonder dat een mens dan psychologisch gezien een warboel wordt? Dat hij bang wordt voor het leven, voor aansprakelijkheid en voor zelfstandigheid? Dat hij zelf het initiatief niet meer durft nemen, maar dat hij Gods water over Gods akker laat lopen? Het is heel begrijpelijk. Die mens beantwoordt niet meer aan zichzelf, maar aan het beeld dat de wereld zich – volgens zijn idee – van hem heeft gevormd. En dit is de grootste fout die wij kunnen maken: het beantwoorden aan het beeld dat de wereld zich van ons vormt.

Nu kom ik tot een paar uitspraken die misschien een tikje aan de gewaagde kant zijn.

De mens heeft een groot aantal lichamelijk drijfveren. Daaronder kennen wij de behoefte om te eten, de seksuele drang, de slaapbehoefte en de behoefte tot communicatie. Deze vier behoeften zijn voor de mens levensnoodzaken. Wanneer hij één van deze aspecten ontwijkt, is zijn leven niet volledig en wordt hij innerlijk ziek, zijn geest kan dan in het leven niet meer normaal reageren.

Nu leeft de mens in een wereld, waarin eten in overdaad wordt beschouwd als een zonde van gulzigheid, waarin het gewoon erkennen van een niet‑gebonden of ‑gerichte seksualiteit onzedig, onkuis en verderfelijk is, waarin communicatiedrang alleen dan aanvaardbaar is, indien men eerst aan elkaar is voorgesteld en deze communicatie blijft dan binnen het gangbare patroon. In Nederland wil dat meestal zeggen dat je praat over het weer of over het laatste Kabinet.

De mens wordt dus door zijn maatschappelijke samenhangen uit zijn natuurlijke beleving gedrongen. Maar wat is voor hem lichamelijk belangrijk? Dat hij evenwichtig en dus met een redelijke mate van verzadiging leeft. Zijn lichaam is onderworpen aan de natuur, aan de natuurkrachten en de natuurwet van zijn eigen wereld. Zolang hij in zichzelf dus deze redelijke evenwichtigheid en verzadiging niet vindt, kan hij met de krachten van de natuur niet harmonisch zijn. Indirect kan hij dan ook niet harmonisch zijn met zijn God.

Dit is misschien een moeilijk punt voor velen. Men denkt God te bereiken door de problemen van eigen persoon en wereld te ontwijken of ze weg te praten. Maar dat kan niet. De verhouding van een wezen dat in de stof leeft tot de Oneindigheid wordt bepaald door de manier waarop de stof in verband met de wetten der Oneindigheid wordt beleefd. En dat wil zeggen dat een groot gedeelte van de sociale gebruiken en structuren psychologisch en wat dat betreft magisch en zelfs esoterisch niet verantwoord zijn. Dat wil zeggen dat de mens zich van zichzelf vervreemd en gelijktijdig door een verkeerd besef van wereldwaarden en werkingen het zich vaak onmogelijk maakt het element van ontmoeting met God, het priesterlijke te beleven. En dat die mens zich gaat concentreren op enkele punten in de materie, omdat deze een verzadigingselement betekenen, maar gelijktijdig alle andere mogelijkheden van zich afzet. Zoals een ezel die in een weide staat vol met gras, distels en alles wat voor de ezel heerlijk zou zijn en die niet eet omdat hij vroeger altijd bloemkoolstronken heeft gehad en dan verhongerende zegt dat de wereld wreed is.

God en de krachten Gods zijn overal. Het contact met die krachten wordt gewonnen door de motivering van het geestelijk “ik” – zoals die in vele incarnaties zijn ontstaan – in elk leven, in elke sfeer of wereld tot uitdrukking te brengen en wel binnen het kader van de middelen en methoden die de wereld kent. Het is het doel van het leven om een persoonlijke evenwichtigheid, maar ook een kosmische evenwichtigheid te bereiken.

Vergeet één ding niet: Toen de mens wandelde met God, was hij zonder schaamte. Dat heeft iets te zeggen. De mens die beschaamd is voor zichzelf, voor zijn werkelijke persoonlijkheid en zijn dromen, kan zijn God, kan de kosmische Kracht niet ontmoeten. Hij kan de werkelijke krachten van de hogere sferen, van de goddelijke krachten, ja, zelfs de wetmatigheid en de harmonie met de natuurkrachten rond hem niet tot uiting brengen. Hij is wat dit betreft, verlaten. Daarom moet de mens terugkeren tot de evenwichtigheid, waardoor hij zijn motief durft erkennen. Durf zeggen: “Dit is mijn begeren. Dit is mijn nood, mijn honger, mijn verlangen.” En daarom moet de mens terugkeren tot die natuurlijke staat van zijn, waarin zijn God voor hem niet is een abstractie of een aantal stellingen of zelfs een aantal wetten maar een kracht, waaruit en waarin hij leeft. Dan pas kan de mens gezond zijn. Of om het zeer eenvoudig uit te drukken: De motieven in het leven moeten zijn: de uiting van de persoonlijkheid en de daarin levende aspecten in overeenstemming met de innerlijke krachten die men aanvaardt en erkent. En dit zonder voorbehoud en te allen tijde.

De motivering van de mens is dus verkeerd, zodra hij het essentiële van zijn bestaan ontkent ofwel als voorwaarde stelt dat zijn wereld zich eerst aan dit essentiële volgens zijn besef zal aanpassen. Want dan zal zijn motivering er een zijn, die in feite wordt geboren uit angst, uit onevenwichtigheid en zelfmisleiding. Tot mijn spijt moet ik zeggen dat zelfmisleiding en angst de meest schijnbaar edele motieven van de mens tot stand brengen. Want de eerlijkheid die noodzakelijk is om als evenwichtig mens met een evenwichtige geest te leven, vervullende de baan van het eigen bestaan, vinden we zelden.

Ik hoop dat in dit korte betoog – waarop wij desnoods later weer eens kunnen voortgaan – u iets duidelijk is geworden. Het motief dat de mens heeft voor zijn daden, de motieven die hij zoekt achter de geest, achter God of achter zijn medemensen, zijn niet altijd in overeenstemming met de werkelijkheid. Maar de werkelijkheid alleen telt en daarom is de mens zo vaak verdeeld tegen zichzelf.

Bliksemflits

Uit de somber dreigende stapelkoppen in de luchten

is een vlucht van licht geboren.

Een ogenblik verblindende luister,

die opspringt uit de aarde of neerdaalt uit het hemelruim.

Dan klinkt een stem, die donderend door de ruimten zweeft

en aan de aarde een echo als antwoord geeft

op lichtende bliksemflits.

Een duister zwerk, een somber zwijgen,

een aarde die loodzwaar wacht,

een enkele lichtflits, die de luchten scheurt …

Het is gebeurd,

Open breken donkere wolken

en zware druppels zonder tal

vallen sneller, sneller, sneller.

Dan voelt reeds iedereen de koelte,

de nieuwe dag, het nieuwe licht,

de vrijheid, die er komen zal.

Soms is het zwerk van ’s mensen leven

zo zwaar, zo somber en zo traag,

dat in het “ik” met sidderend beven

alleen nog maar bestaat de vraag:

Zullen wij nog morgen leven?

En als je dan ten hemel kijkt,

is soms het wonder reeds gebeurd:

een bliksemschicht van goddelijke licht,

die donkere wolken scheurt.

En uit de dreiging, stil gedragen

en in jezelf zo lang verzwegen,

vallen dan de nieuwe daden

als genaden op de wereld neer.

Is er dreiging nog aanwezig

en dreigt de bliksem soms nog weer,

toch weet je ’t reeds: Uit dit gebeuren

brengt het licht een nieuwe tijd;

uit de oude somberheid

wordt nieuw een lichte dag geboren.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf