Werkelijkheid: beeld – Les 05 – Inwerking – De menselijke magie

image_pdf

februari 1963

Inwerking

Op het ogenblik dat de mens de geest bereikt of de geest de mens bereikt, ontstaat er een wisselwerking, waarbij beider werelden tijdelijk verbonden zin. Een dergelijke binding kan alleen die waarden betreffen, die in beide werelden aanwezig zin. Het is dus niet mogelijk om van de aarde uit te reiken naar de geest en een kracht uit de geest kenbaar te maken die op aarde niet bestaat. Omgekeerd zal het voor de geest onmogelijk zijn de aarde te benaderen en op de aarde iets tot stand te brengen, waarvoor de krachten of de mogelijkheden in haar eigen wereld niet eveneens bestaan. Het is zeer belangrijk dat wij deze stelregel altijd voor ogen houden.

De mens is al heel snel geneigd aan te nemen dat je in een sfeer levende op aarde gemakkelijk alles kunt doen zoals je dat wilt. Dit is toch werkelijk niet waar. Je bent gebonden aan de beperkingen van je eigen wereld. Omgekeerd meent menigeen dat je met magie bv. alle natuurwetten zonder meer kunt uitschakelen. Ook dit is niet waar. Je kunt alleen datgene uitschakelen, wat in de eigen wereld plus de wereld die je aanboort, kan worden beheerst en verder niets.

Nu blijkt dat – ongeacht de wederkerige beïnvloeding, die altijd bestaat – er op aarde een aantal wetenschappen zijn gevormd (meestal occulte wetenschappen genoemd), waarmee contact met andere werelden wordt gezocht en het contact met die andere werelden tot resultaten op eigen wereld leidt. Hierbij ontmoeten wij niet alleen mensen en rituelen maar evenzeer plaatsen, een gewone boom, een houten beeld, een eenvoudige tekening en al deze dingen blijken onder zekere condities te werken.

De grote vraag is nu: Hoe kunnen wij ons voorstellen dat een magische invloed kan zijn gebonden aan bv. een berg, een boom, een beeld? Daarvoor moeten wij – naar mijn idee – allereerst begrijpen wat het contact is tussen mens en geest.

Mens en geest zijn met elkaar verbonden door wat men noemt vibraties. In feite is het een straling. En deze straling wordt in het menselijk wezen omgezet in een zekere vibratie. Wordt deze in de mens gewekt, dan kan de mens bewust daaruit weer een zekere straling veroorzaken, waarbij hij andere levensgebieden aanboort. Die straling kan nu ook als het ware remanent worden vastgelegd in dode stoffen. Een aardig voorbeeld van de wijze, waarop dit gebeurt, kan ik u geven aan de hand van oude, middeleeuwse, magische recepten.

Men nam een magneetnaald. Deze werd in een mengsel van etherische oliën gelegd. Bij het geheel werd verder metaal gevoegd (o.m. ijzer en zilver), er werden enkele tekens bij aangebracht en het typische was dat men als reagens potassium cyanide gebruikte. Deze samenstelling werd met grote zorgvuldigheid in een doop gedaan die zo goed mogelijk van de buitenlucht werd afgesloten. Wat gebeurde er nu? Men had in de magneet een zeker veld, een natuurlijk stralingsveld (magneetstraling, magneetwerking). Tevens had men etherische olie dat wil zeggen zeer fijnverdeelde stof die zich gemakkelijk door bepaalde stralingen laat beïnvloeden. Verder had men bepaalde, ten dele ook vluchtige stoffen, die een bijzondere mogelijkheid gaven om te bundelen en te projecteren. Nu gaf de magiër aan die etherische oliën (want dat was het wat hij eigenlijk bewerkte) zijn eigen instelling mee. Er was dus een voorafgaande afstemming op dit ene beeld. Wanneer dit was gebeurd, werd de magneetnaald erin gelegd, het bakje werd neergezet, de groepering eromheen gelegd, op het laatste ogenblik werd heel voorzichtig de droge vorm van potassium-cyanide erbij gevoegd en het geheel werd afgesloten. Zo’n doosje kon door zijn straling en dus ook door zijn ontvangstmogelijkheden een magisch brandpunt blijven gedurende enkele eeuwen. Hierdoor was het mogelijk om bepaalde plaatsen een zekere sfeer of invloed op te leggen.

Dit recept is natuurlijk onbeholpen en ingewikkeld, maar het illustreert wat ik u duidelijk wil maken: In de eerste plaats: er moet iets zijn, bij voorkeur een bewustzijn dat ergens een kracht in legt. In de tweede plaats moet die stof in staat zijn de kracht vast te houden, dus zij moet erin worden gegrift. In de derde plaats moet er een medium zijn (in dit geval waren dat de etherische oliën; een luchtgesteldheid zou dus ook mogelijk zijn, bv. een hoeveelheid waterdamp enz.), waarin de straling zich kan uitwerken. In de vierde plaats: er moet iets of iemand in de buurt zijn, die als medium, als brandpunt voor weer uit te zenden krachten kan fungeren.

Op deze wijze zijn nu op aarde zeer vele plaatsen geladen. U hebt allen weleens gehoord van de grote Piramide van Cheops of Chefren. Deze is ook een brandpunt voor zekere magische machten. Minder vaak zult u horen van bepaalde bergen (vooral bergtoppen), waaraan ook een dergelijke eigenaardige invloed wordt toegeschreven. In alle gevallen is er een bewustzijn dat hier de afstemming heeft doen geschieden. Het is alsof men twee afzonderlijke ruimten heeft. Iemand maakt een verbinding, als de persoon weggaat, blijft de verbinding bestaan. Zo is het ook hier.

Een berg zal maar zelden door een mens of zelfs een ingewijde worden gebruikt als een poort naar een andere wereld of om krachten naar een andere wereld te zenden. Maar er zijn, voordat de mensen op aarde zover bewust waren, andere entiteiten geweest, die met een geheel ras verbonden waren, die verbonden waren met een totale ontwikkeling en dezen hebben hun gedachten en gedachtenbeelden op bepaalde plaatsen vastgelegd. Zo is het mogelijk dat er bv. in Afrika enkele bergen zijn, die nu nog reageren als levende wezens, ofschoon ze niet bezield zijn. Die met steenlawines niet‑harmonische personen trachten te verdrijven, die een mens die daar rust en ermee harmonisch is, zeer eigenaardige visioenen geven. Er is een verbinding. Deze verbinding is dus gebaseerd op een afstemming plus de mogelijkheid om die kracht weer uit te stralen. Alles wat op aarde magie heet en het merendeel van de occulte wetenschappen is direct of indirect op dergelijke stralingswaarden afgestemd.

Nu zult u begrijpen dat een mens die naar de geest uitzendt, daarmee altijd een bepaald doel heeft. Dit doel kan vaag zijn en dan is de reactie niet buitengewoon werkzaam. Hij kan bv. zeggen: Dat er vrede zij op de wereld. Maar er is iemand die een erge hekel heeft aan een ander en die zegt: Mijn vrede is eerst getekend, wanneer mijn tegenstander dood is en omgekeerd. De ene tegenstander tegenover de andere. Dan kun je daar geen vrede brengen. Er is dus een meer specifiek beeld nodig om daar de harmonie te herstellen. Hoe sterker je je echter richt op één bepaald punt, hoe gemakkelijker en ook hoe eenvoudiger die werking op dat bepaalde punt tot stand wordt gebracht. Alleen, we kunnen niets doen met de kracht die uit een andere wereld komt, tenzij ook daar iets bestaat, dat gelijk is aan onze waarde. Iemand die uit een duistere sfeer vrede tracht te putten, zal in feite dood uitstralen, want dood is de enige vorm van vrede die daar kan bestaan. Wij moeten daarmee dus wel voorzichtig zijn.

Wanneer er een brandpunt is, zal de geest van uit haar wereld zoeken naar datgene wat voor haar juist is. Zij werkt zoals iemand (een insectenkundige bv.) zich kan bezighouden met een mierennest. Hij brengt daarin wijzigingen aan en vraagt niet of de mieren dat goed vinden. Voor zijn experiment of voor zijn doeleinden is dit juist. Punt. De enige noodzaak is: hij moet toegang hebben tot het mierennest en hij moet voldoende inzicht hebben om zijn verandering te kunnen aanbrengen.

De geest die naar de aarde toewerkt, zal andere doeleinden nastreven dan een onderzoeker die eens wil zien hoe intelligent een mier is. Maar ook de geest zal moeten gebruik maken van een contactpunt, of dat een mens is of materie, is voor haar onbelangrijk. Belangrijk is slechts dat zij zich kan uiten. Die uiting wordt gebaseerd op een beeld dat zij in haar eigen wereld opbouwt. Ik geef u een voorbeeld:

In de Zomerlandsferen vinden wij bepaalde rustpunten, zekere ideeën van vrede bijzonder sterk bij vergaderingen, die u kunt vergelijken met community singing. Men is daar gezamenlijk aanwezig en men ondergaat de vrede van die gemeenschap. Wanneer deze krachten op aarde die vrede willen uitstralen, dan zullen zij onbewust dit zoeken in gemeenschappelijke zang, gemeenschappelijke activiteit. Zij zullen dus nooit vrede kunnen geven aan een kluizenaar, die in afzondering leeft of aan een mens, die zich van de wereld afsluit. Zij kunnen dan alleen degene bereiken, die zich in een massa bevindt en binnen het bereik is van de stralingswerking van deze sfeer.

Het gevolg is natuurlijk dat elke sfeer haar eigen vorm van harmonie op aarde kan openbaren en dat sferen die het dichtst bij de wereld staan, in feite meer op die wereld doen dan hogere sferen. Hoe verder men verwijderd is van het zuiver stoffelijk bewustzijn, hoe moeilijker het wordt om stoffelijke omstandigheden aan te treffen die nog ergens worden gereflecteerd in je eigen bestaan. Je kunt dan wel enorm grote krachten geven, maar je kunt die kracht niet meer onmiddellijk ontladen.

Dit wettigt overigens nog een andere conclusie: hoe hoger de sfeer is die een wereld tracht te bereiken, hoe groter de noodzaak om een bemiddelaar te vinden in een lagere wereld die innerlijk voldoende verwant is met de hogere sfeer en gelijktijdig in die lagere wereld of sfeer voldoende beelden en voorstellingen heeft. Er vindt dus vaak een trap ontwikkeling plaats, zoals bij een waterval die niet één rechte val maakt, maar laat ons zeggen 20 keer van de ene rotswand op de andere springt en tenslotte als cascade naar beneden komt. Hierin is de verklaring te vinden voor het feit dat de hoge geest zo weinig direct kenbare uitingsmogelijkheden vindt op aarde. Ik mag hieraan misschien nog iets toevoegen:

Alle handelingen die een hogere sfeer verricht, zijn in overeenstemming met de maatstaven van die sfeer. Ze zijn niet in overeenstemming met de stoffelijke maatstaven. Op het ogenblik dat de openbaring van een hogere sfeer geschiedt door een mens, zal echter de mogelijkheid tot uiting beperkter worden naarmate het voorstellingsvermogen en het aanvaardingsvermogen van die mens kleiner, beperkter is.

Hieraan ontbreekt natuurlijk nog het een en ander. Want wanneer een geest inwerkt bv. via een berg, dan is de vraag: wat bereikt hij? Wanneer er bv. in Kenia een berg is, die nog als brandpunt geschikt is en men werkt in op alles wat daar in de omgeving is: primitieve mensen, dieren, verder de atmosfeer, de wateren, dan is het mogelijk daar iets te laden. Zoals men bv. trekvogels merkt, zo merkt men alles wat daar in de buurt komt met een bepaalde kracht. Komt die kracht elders tot uiting, dan kan men misschien doordat die kracht in een ander voorwerp reflecteert, minder belangrijke en minder grote contactpunten vinden, waardoor men een meer bewoonde wereld kan bereiken. Op deze wijze worden hele systemen opgebouwd. Dan gaan we nu over tot:

De menselijke magie

De zgn. magiër is in de ogen van de mens altijd iemand die het wonderbaarlijke doet. In feite is hij dit niet. Hij is slechts de mens die de omstandigheden van zijn eigen wereld plus de krachten die daarin tot uiting kunnen komen, zo combineert dat het onverwachte resultaat, het schijnbaar niet wetmatige resultaat wordt bereikt. Met andere woorden: hij hanteert niet het ongewone, maar hij hanteert het gewone op zodanige wijze dat het resultaat ongewoon wordt. Ook hier speelt de innerlijke afstemming en de contacten met de geest een zeer grote rol.

Ten eerste moeten we dan stellen: Geen enkele magiër kan werken met krachten, waarmee hijzelf innerlijk niet verwant is.

Ten tweede: De kracht die een magiër kan opvangen en uitzenden, is afhankelijk van de wijze waarop hij openstaat voor de kracht die hij aanroept. Hierin zit geloof, maar ook zelfvertrouwen verwerkt. Men moet zeker zijn van de kracht die men ontvangt en van het resultaat dat men kan behalen.

Ten derde: Alle krachten die de magiër uit de geest voortbrengt, zijn gebaseerd op zijn zeer persoonlijke ervaring. Hij kan daarmee resultaten tot stand brengen, die voor eenieder kenbaar zijn. De wijze van verwerkelijking is echter grotendeels afhankelijk van zijn eigen voorstellingsvermogen.

Hier werkt de geest dus wel degelijk in de sfeer in. Maar waarom? Dit waarom moet ook weer worden beantwoord.

Alles wat wij magie of occult mogen noemen en berust op een samenwerking tussen verscheidene werelden, is afhankelijk van één en hetzelfde kosmische patroon. Er is nl. één kosmische structuur die de grondwaarde is van elk structureel beeld dat in onverschillig welke wereld tot stand kan komen. Hierin zijn alle geestelijke werkingen, maar ook alle materiële werkingen en vormen en mogelijkheden volledig bevat. De patronen die wij daarvan zien, zijn niet zuiver. Wanneer het werkelijke patroon kan worden voorgesteld als een achttal lijnen die elkaar kruisen en zo een soort ster vormen, dan mogen wij stellen dat de mens daarvan maximaal slechts vier lijnen ziet, die elkaar kruisen, maar dan de andere lijnen waarneemt als een onregelmatige versiering, zodat het geheel een vorm kan krijgen van bv. een boomblad of van een ijskristal met onregelmatige versiering die in zichzelf wel symmetrisch zijn.

Het resultaat van dit alles is dus dat ergens het grondpatroon moet worden beroerd. Op het ogenblik, dat mijn bestreving niets te maken heeft met de grondwaarden van de natuur en van de eeuwigheid, zal ik geen contact met een andere wereld tot stand kunnen brengen. Wanneer ik uit de sferen tot u spreek, dan moet er in mijn wereld een kennen zijn, dat als grondwaarde in de kosmos bestaat en die grondwaarde moet dan door mij weer herkend kunnen worden in uw wereld, anders beroeren wij elkander niet.

Wij ontdekken nu dan verder: er is een kosmisch patroon. Dit kosmisch patroon is in alle werelden gelijk aanwezig, maar niet op gelijke wijze kenbaar. Wanneer de magiër met een geestelijke kracht werkt, dan zal hij alleen met die krachten kunnen werken, welke hij innerlijk erkent, dus met dat deel van het kosmisch patroon dat in hem – al behoeft dat niet redelijk bewust te zijn – bestaat. Alle lijnen daarvan die op dezelfde wijze in een andere wereld bestaan, kan hij onmiddellijk bereiken. Vanuit de sfeer kan men eveneens elke mens – ook al is deze niet‑bewust of zelfs een bewuste magiër – bereiken, die in zich dezelfde lijnen van het grondpatroon heeft en in dezelfde verhouding, zoals die in de sferen bestaan. Het resultaat is dat de grondregel, zoals wij die toepassen voor onze benadering van de mensheid is geworden: daar waar een congruentie bestaat tussen een in ons bestaand kosmisch beeld en een kracht, werking of structuur op aarde, zullen wij dit deel van ons wezen volledig tot uitdrukking brengen, met dien verstande dat de uitwerkingen worden geïnterpreteerd. Dus de kracht die bij ons bestaat, kan op dezelfde wijze op aarde kenbaar worden gemaakt, maar de manier waarop men reageert is een andere. De interpretatie kan dus geheel verschillen.

Nu weer een ogenblik terug naar de magie zelf. De magie baseert zich voor een groot gedeelte op kennis van hemel- en hellewerelden. Dat is iets dat overal op aarde bestaat: Daarbij wordt voor de mens de kosmische wereld verdeeld in licht en duister. U kunt hier misschien het best aan het Yang‑en‑Yin‑principe denken. Nu is echter niet voor iedereen de verhouding licht – duister gelijk. Wanneer ik betrekkelijk laag sta in mijn bewustzijn van het Goddelijke, dan zijn sommige krachten voor mij absoluut duister. De meeste krachten zijn echter voor mij licht. Ik kan er iets van verwachten. Dan kan de eenvoudige mens met een minder groot Godsbewustzijn dus gunstiger contacten leggen en daarmee gunstiger resultaten behalen op magisch terrein dan de mens die dichter bij het Goddelijke staat. Hij heeft een groter aantal werelden en mogelijkheden tot zijn beschikking.

De mens die dichter bij het Goddelijke staat daarentegen baseert zich niet meer op de verdeling licht en duister alleen. Hij baseert zich op de kern, het middelpunt, waar licht en duister elkaar ontmoeten: het Goddelijke. Wat hij daaruit ontwikkelt, is een enorme kracht. Kan hij die kracht in zichzelf verwerken, dan zal hij alle sferen plus zijn eigen wereld daarmee kunnen beroeren en zelfs dwingen. Maar hij kan één ding niet. Hij kan niet de resultaten bereiken die hij zich voorstelt, want hij is sterk afhankelijk van de grondpatronen die hij rond zich vindt.

Wanneer de Boeddha bv. in contact komt met Mara de Bittere, dan zal hij deze niet tegemoet treden. Hij kan deze alleen negeren. En hetzelfde zien wij als Jezus – volgens de overleveringen – vast in de woestijn. Ook daar: Jezus negeert de duivel. Hij aanvaardt niet, hij wijst niet af, hij negeert. En dit is nu de grote kunst. Wanneer ik werk met de hogere krachten, dan zal ik met alle werelden en sferen in contact komen. Ik zal echter neutraal moeten zijn. Dus geen “ja” en geen “neen” mogen zeggen tegen werelden die mij persoonlijk niet beroeren, waarmee ik niets kan bereiken.

Wanneer de Boeddha in de tijd dat hij prins was een wonder wil volbrengen, dan schiet hij een pijl af en de afstand is drie dagen gaan. Hij kan dit, omdat hij in harmonie is met de pijl en met de boog. Later verzoekt men hem een lans te werpen. De lans kan hij niet verder werpen dan de meesten van zijn gezellen, maar wel weer de werpschijf. Dat heeft een symboliek. De werpschijf en de pijl zijn aan hem verwant. Ze worden door zijn kracht gedragen. De lans is niet met hem harmonisch, als zodanig kan hij daarmee niet meer volbrengen dan een gewoon mens.

Jezus geneest mensen, maar sommigen geneest hij niet. Wij horen daar weinig van, maar hij geneest niet iedereen. Hij geneest alleen degenen die hij kan beroeren, dus weer degenen die met hem harmonisch zijn. Deze harmonie moeten wij goed in het oog houden. Want het beeld dat men zich van de sferen en de werelden maakt, is er heel vaak één van: men is er demonisch. Het zijn alleen maar duivelen, ze zijn alleen maar sinister, ze willen de wereld kwaad doen. De anderen zijn alleen maar lichtend, vrolijk, prettig en gezellig en die kunnen dan wel alles doen.

Men begrijpt niet hoezeer juist een hogere wereld, een hogere sfeer gebonden is aan bepaalde patronen, aan bepaalde mogelijkheden en uitwerkingen. Dat dit zo is, is te betreuren, want de doorsneemens heeft behoefte aan wat men noemt: magie. Hij heeft behoefte aan het bovennatuurlijke en probeert die contacten te leggen via zijn godsdienst of via bijgelovigheden. Hij wil graag de steun hebben van een hogere kracht, maar hij kan niet beseffen hoe hij deze steun kan krijgen. En toch is die steun betrekkelijk eenvoudig te verwerven.

Voor de magiër geldt nl. dit: Al datgene waarmee ik persoonlijk verwant ben, wat ik in mijzelf ken als een drang, als een waarheid, kan ik gebruiken op al die punten in de wereld, waarin diezelfde kracht, diezelfde drang, diezelfde waarheid bestaat. Het resultaat zal zijn een overdragen van al wat in mij leeft plus een overdragen van alle krachten die ik uit een sfeer waarin het gelijke bestaat tot mij kan trekken.

U ziet, er zijn dus grote beperkingen aan verbonden. Een inwerking is daarom ook niet een zonder keuze en zonder voorbehoud overal bestaand iets. Er zijn mensen die absoluut ongevoelig zijn voor bepaalde inwerkingen uit de geest, uit de sferen of uit hun medemensen en uit hun omgeving, die door anderen wel zullen worden opgenomen.

Ik hoop dat u nu zult hebben begrepen dat hiervoor de harmonie, de congruentie ook met het kosmisch grondpatroon, noodzakelijk is.

Sferen

Inwerkingen vanuit de sfeer, ofschoon reeds met u besproken, hebben een eigenaardige karakteristiek. Zij verlopen alle, voor zover men dit op aarde kan constateren, als volgt:

Er is een korter of langer moment van beeld, van gedachte. Deze wordt plotseling vervangen door een situatie of een noodzaak. Er is plotseling een ontwikkeling die handelen noodzakelijk maakt. Bij het handelen zelf wordt een top bereikt. Men heeft het idee dat men alles kan verwerken, maar men kan niet op gelijke hoogte verdergaan. Er volgt een betrekkelijk snelle daling die meestal in drie achtereenvolgende fasen een steeds lagere herhaling laat zien en daarna vinden wij weer de norm. Dit komt omdat men in de sferen de voorbereiding baseert op harmonie. Er moet dus voor het beeld dat in de sfeer bestaat, een gedachtenwerking zijn op aarde. Nu kan dus door die gedachtenwerkingen een ogenblik van absolute congruentie ontstaan. Dan wordt met grote intensiteit ingewerkt. De mens of het deel der materie dat hierdoor is getroffen, wordt tijdelijk haast aan zijn eigen beheersing onttrokken. Het wordt gestuwd door deze geestelijke kracht waarmee het verwant is, het bereikt daardoor een grote hoogte, maar kan deze uit zichzelf niet handhaven. Het doel dat de sfeer zich stelt is in eerste instantie bereikt.

Het resultaat is, dat de mens of het deel der materie niet meer kan beantwoorden aan het bereikte peil. Er is een terugval. Die terugval echter is meestal iets te snel. Daardoor ontdekt de geest dat een voleinding nog niet is bereikt en zij tracht het contact te herstellen. Maar de mens aanvaardt niet meer volledig met zijn bewustzijn. Er komt een kleinere top en daarna weer dezelfde daling. Dat dit zich meestal herhaalt, totdat er drie toppen zijn; dat ligt nu eenmaal aan een bepaald ritme dat op het ogenblik geldt, maar dat in het verleden anders lag en ook in de toekomst anders kan liggen. Wij hebben in het verleden fasen gekend, waarin maar één top werd bereikt, maar ook fasen, waarin zeven achtereenvolgende toppen werden bereikt, die eveneens traag afliepen.

De geest in de sfeer realiseert zich over het algemeen slechts onvolkomen de beperkingen waaraan de mens onderhevig is. Dat is begrijpelijk. Zij hanteert immers de krachten van haar wereld, de maatstaven van haar eigen bestaan en tracht deze toe te passen op een andere wereld.

Zelfs wij, die voortdurend contact hebben met uw wereld, zijn niet altijd in staat de juiste conclusies te trekken. Wij kunnen een benadering vinden van het juiste, maar wij kunnen nooit het volledig juiste vinden. Wij staan alweer te ver af van de regels die uw maatschappij, uw samenleving, uw persoonlijkheid nu beheersen. Daarom moet men dus begrijpen dat elke sfeer inwerkt van uit haar eigen maatstaf en dat dus voor de inwerking alleen reeds een groot aantal verschillende maatstaven kan worden gegeven.

Een inwerking van uit het hoogste licht ontstaat meestal in een periode dat men niet meer weet wat men moet doen. Een soort duister. Het werkt in als een bliksemflits. Het onthult snel en volledig alles wat in het leven mogelijk is en wat er bestaat, maar laat het onmiddellijk door het duister volgen. De top die bereikt is, is enorm hoog, maar maakt de daling daarna zo snel dat het menselijk bewustzijn deze bijna niet kan bijhouden. De nieuwe toppen zijn voor de mens eerder een herinnering, een heel vaag zich herinneren wat was, dan een direct herbeleven van dit contact.

Vanuit de goddelijke kracht is het alleen een herhalen op ogenblikken dat de juiste harmonie weer bestaat. Maar de mens kan dit niet meer aanvaarden. Dit is een wereld van het witte of verblindende licht.

Wanneer wij echter uit een wereld, waarin de kleur al domineert een dergelijke inwerking krijgen, dan kan het verschijnsel zich geheel anders voordoen. Laat ons zeggen dat de eerste top wordt bereikt na een periode van denken. Hier is meestal een betrekkelijk vaag beeld aanwezig dat heel vaak eerder door emoties dan door het directe bewustzijn wordt gedragen. Dit vage beeld wordt plotseling concreet. Het vindt ineens zijn vorm. Gelijktijdig is er weer die stuwing van kracht. Vanuit de geest gezien, kan dit een bepaalde tint zijn, bv. blauw of licht rood of geel. Wanneer de eerste inwerking plaatsvindt, dan zouden wij zeggen: Nu moet alles wat volgt dus in dezelfde kleur liggen, van dezelfde tendens zijn. Maar dat is niet waar. Wanneer die eerste flits – laat ons zeggen – violetblauw is geweest, lichtend en intens, dan heeft de mens daarin een zekere esoterische bewustwording doorgemaakt. Zijn denkbeeld is ten dele geconcretiseerd, hij heeft kracht ontvangen en misschien ook iets wonderbaarlijke tot stand gebracht. Nu volgt echter de tweede top niet meer in ditzelfde licht, maar kan bv. in geel of groengeel liggen. Het geloof neemt de realisatie over. De consequentie van het eerste beeld is te groot geweest, de mens kan het niet verwerken, het bestaat dus als zodanig niet meer in hem. De benadering ligt nu op geloofsgebied. Wij kregen de mystieke verrukking. Maar de mystieke verrukking op zichzelf neemt ook af en de kracht werkt nog door. Het contact is nog mogelijk en wordt nu misschien uitgedrukt in een meer stoffelijke vorm. Zo lopen de toppen achter elkaar af onder verschillende invloeden, die toch alle dezelfde bron hebben, want de trilling, waarvoor de mens gevoelig is, blijft gelijk. Zijn vermogen echter tot besef van de interpreterende werkingen, dus de realisatie daarvan wordt gevarieerd en daardoor stelt hij zich onbewust op een andere kleur in die sfeer af.

Het is in deze zin mogelijk dat uit één der hogere sferen drie of vier groepen verschillende Meesters via één mens achtereenvolgens werken. Wel mag als regel gelden dat de eerste groep die de volledige inwerking heeft, de top is, het hoogste bereiken van die mens en daarmee tevens het patroon heeft vastgelegd voor alle verdere bereikingen en mogelijkheden.

Wanneer we nu weer wat lager gaan, dan vinden wij daar trillingen die wel geen vorm meer kennen, maar door ons wel eens worden vergeleken met geluid ten opzichte van licht zelfs. In een dergelijke trillingswereld is het aantal variaties veel groter. Het resultaat is dat het ook dichter bij de mens ligt. Er is hier niet meer sprake, zoals in het voorgaande, van een top die in een beleving alleen is gelegen, neen, er is een denkbeeld bij. Hier krijgt dus de kracht in het bewustzijn ook een vorm en die vorm kan reeds de eerste maal worden beseft. Het resultaat zal zijn, dat hier de toppen vaak meer op elkaar gelijken, er is weinig verschil in helling, indien wij het grafisch willen uitbeelden. Er is dus een zekere gelijkheid. Verder blijkt dat hier dezelfde kracht zich meestal herhaalt, maar de gewoonte heeft om vanaf het eerste concrete, maar simpele beeld in de mens tot een steeds complexer maar minder krachtig beeld te worden.

Een Zomerland‑beleving is weer minder hoog, de steilte is minder sterk, maar hier is de contactmogelijkheid veel groter. Het resultaat is, dat ook hier wel één top wordt bereikt, bv. voor sommige mensen het persoonlijk contact met een overgegane, waardoor zij zich realiseren dat dit leven, dat deze wereld bestaat en zij daar een zekere taak zoeken. Maar nu gebeurt er dit: die top wordt herhaald, maar heel vaak als een zaagtanding, steeds kleiner; een uitstervende trilling die echter door de totale bewustwording, daaruit verworven, daarna weer op een ander terrein een nieuwe piek vertoont. Hier zijn de mogelijkheden dus wel zeer groot.

Alles wat wij aan krachten uit een andere sfeer ontvangen wanneer wij op aarde zijn, is echter tevens merkbaar in het verwante gebied van de mens, de astrale wereld. Voor alles wat aan hogere kracht naar de mens wordt gezonden, zal – of men dit wenst of niet – een astraal spiegelbeeld ontstaan. Is de kracht zeer intens geweest, dan zal dit astrale spiegelbeeld een lange tijd blijven bestaan en het kan dan tot een haast permanente gezel worden van de mens, die eens werd beroerd.

Omdat het astrale beeld geen eigen intentie kent (dus een kunstmatige vorm is), zal het de oorspronkelijke tendens behouden zolang het niet door een andere bezieling wordt overschaduwd. En daarmee zal vanuit de astrale sfeer het oorspronkelijke als werking, maar niet meer als bewuste beleving in die mens voortbestaan.

Nu hebt u hier dus gezien hoe de inwerking vanuit de sferen ongeveer verloopt. De motivering van de inwerking wil ik ook nogmaals kort omschrijven.

Wanneer u op aarde leeft, dan hebt u geen bepaald hoofdstreven of een bepaald verlangen. U wordt door een groot gedeelte van de activiteiten van het leven overspoeld. Het is maar een enkele keer dat u waarlijk uzelf bent of durft en kunt zijn. Maar toch blijft dit zo uw leven lang. Het is als het ware het patroon van uw bestaan, voortdurende variaties op één thema.

Zo zal ook de geest die het menselijke verlaat, een hoofdthema hebben. Dit hoofdthema echter wordt ontdaan van de aardse bijkomstigheden en teruggebracht tot het essentiële. Dat is de zgn. overgangs‑ of rustperiode die de meesten in de lagere werelden van Zomerland doorbrengen. Daarna gaat men in de eigenlijke Zomerlandwereld actief worden. Men herneemt daarbij de vroegere fasen van ontwikkeling, die oorzakelijk waren voor het leven dat men in de stof heeft doorgebracht en de belevingen daarvan.

Men heeft dus kennelijk een persoonlijk patroon. Hoe vaak men ook naar een hogere wereld overgaat en hoe vaak bijkomstigheden wegvallen, altijd blijft dit patroon bestaan Er is één bepaald motief dat in je leven voortdurend blijft klinken, waar je ook bent en hoe je ook bent. De manier waarop je het openbaart, kan van sfeer tot sfeer verschillen, het motief blijft hetzelfde. Als u dit begrijpt dan zal het niet verwonderlijk zijn te horen dat deze taak of dit grondbestanddeel van het ego bepalend is voor alles wat je in elke wereld doet, maar ook voor de contacten die je zoekt met andere werelden. Wanneer mijn groot ideaal bv. is een genegenheid, een liefde te scheppen, die alle mensen kan omvamen, dan kan ik dit doen van uit een hoog kosmisch standpunt en ik kan dit doen van uit een veel lager standpunt. Maar mijn beweegreden blijft steeds het scheppen van diezelfde kracht die in mij leeft. Is mijn motief schoonheid, dan zal ik trachten overal schoonheid te creëren en elk reageren op een roep van de aarde of het mij wenden tot de wereld zal niet meer een poging zijn om ergens aan te beantwoorden, maar het is zuiver een zoeken naar schoonheid. En ik zal misschien als geest van een bepaald ras tientallen eeuwen besteden om steeds maar weer nieuwe variaties te doen ontstaan, steeds maar weer nieuwe mutatievormen te beproeven, totdat ik er één heb, die in zijn symmetrie beantwoordt aan mijn begrip van schoonheid.

Zo kan men dus zeggen: Het motief van de geest is in zekere zin het reproduceren van zichzelf of van eigen beweegredenen en kracht in andere werelden. Men tracht overal waar men kan kenbaar te maken wat men in wezen is. Men kan God daarin beleven en die Godsbeleving is in zekere zin een bevestiging van jezelf. Het is dus daarom dat wij worden gedreven door die grondreden van het bestaan.

Het zal u duidelijk zijn dat een lagere sfeer (bv. een duistere sfeer) die grondreden wel bezit, maar haar vaak bestrijdt. Haar verdeeldheid zal ze dus proberen ook op aarde uit te werken. Zij tracht de bevestiging te krijgen dat deze grondreden op aarde of in een andere wereld kan worden ontkend.

Een mens die pas is overgegaan, zal zich ook tot zijn eigen wereld wenden, maar voor hem kan bv. het idee van geluk nog steeds zijn gebaseerd op rijkdom. Hij gaat dan proberen om degenen tot wie hij zich richt, te vertellen op welke wijze zij rijk kunnen worden. Of hij denkt dat het stoffelijk leven het meest belangrijke is en dan zal hij proberen die mensen te behoeden voor ongeval of voor ziekte en hen helpen. Hij kan ook zover komen dat hij begrijpt dat die dingen op zichzelf niet belangrijk zijn, maar dat een zekere bevrediging, een tevredenheid van meer belang is. En dan zal hij trachten aan de hand van zijn eigen wereldmaatstaf die bevrediging uit te drukken. Zo werkt de sfeer dus naar de aarde toe.

Ik hoop dat ik uw aandacht nog kan krijgen voor het laatste deel van mijn betoog. Ik moet u nl. nog vertellen, hoe het staat met de aardse magiër, de occultist.

Iedereen die contact heeft met een andere wereld, moet ofwel in staat zijn dit contact van uit zichzelf op te nemen, dan wel ontvankelijk zijn voor een contact van andere zijde, dat staat wel vast. Nu moet u begrijpen dat een mens hetzelfde grondmotief heeft als een geest. Er is geen verschil. Uw leven wordt ook beheerst door één bepaalde tendens, die in duizend variaties wordt uitgedrukt en die uw geluk of ongeluk kan betekenen, die uw daadloosheid of uw handelen kan bepalen en waarvan u misschien helemaal niets weet. Het is echter de kern van uw bestaan. Die kern van uw bestaan bepaalt tenslotte ook voor een deel uw trillingsgetal. U zou het kunnen vergelijken met een noot in een scala (toonladder). Je kunt dus zeggen: Ik ben G. Wanneer ik G ben, kan ik minder in waarde worden (ik ben duister), maar dan ben ik nog steeds G, alleen een octaaf lager. Ik kan ook 1 of 2 octaven hoger liggen, maar ik blijf G. In de scala van tonen blijf ik G en niets anders. Wanneer er ergens een G wordt aangeslagen – hoog of laag – kan ik daarop reageren. Er zijn andere tonen, waarop ik praktisch niet reageer. Zij moeten al zeer sterk zijn, willen zij mij tot meeklinken krijgen.

Nu kunt u zich voorstellen dat de mens door dit grondpatroon verwant is met bepaalde geesten. Niet met alle geesten, maar met bepaalde geesten. Die geesten kunnen zich in verschillende werelden of sferen bevinden, maar zij hebben één grondtype. Voor hen is hetzelfde deel van de kosmische werkelijkheid als het ware congruent uit te drukken. Dus in een gelijke structuur van lijnen. Dan zal elke bewuste handeling die de mens richt tot de wereld om daardoor dit grondpatroon uit te drukken, in alle andere werelden weerkaatsing vinden. Op deze wijze spreekt men andere sferen aan. Hoe meer vereenvoudigd het beeld of de handeling is, welke in het “ik” bestaat of die men stelt, hoe hoger de kracht is, die men kan bereiken, want daar is dan nog die zuivere aanslag. Hoe meer er omheen wordt gevormd – wat bij de mens nogal eens voorkomt – hoe meer de uitstraling lijkt op een akkoord in plaats van op de persoonlijke toon, hoe groter de reactie is, die hij in zijn omgeving wekt, maar hoe kleiner de reacties op hoger niveau. De conclusies zullen u nu na dit alles misschien gemakkelijker vallen.

Wanneer de mens als occultist of als magiër werkt, moet hij uitgaan van het grondpatroon van zijn eigen wezen. Zodra hij met zichzelf harmonisch is – ofwel in een spanning verkeert, waarbij de harmonie desnoods ten koste van illusies in stand wordt gehouden – zal hij tevens ontvankelijk zijn voor krachten van bovenaf en natuurlijk ook van onderaf. Hij zal daardoor beelden in zich zien ontstaan, hij zal inspiraties krijgen en hij heeft daarmee reeds – wat men zou kunnen noemen – onbewust mediamieke kwaliteiten. Alles wat zo wordt ontvangen aan kracht, kan worden doorgegeven aan anderen, mits die anderen voor die vorm van kracht ontvankelijk zijn. Zo kan men reeds vanuit zijn akkoord genezen, men kan een ander helpen, begrijpen enz.

Wanneer echter de mens zich sterk bewust wordt van de mogelijkheden die in hem aanwezig zijn en dus in overeenstemming met zijn persoonlijke waarde, een wil kan vormen of een bepaalde gedachte kan uitzenden, dan wekt hij hiermee reactie in de geest. En deze reactie zal het in zichzelf weer kunnen verwerken. Wij krijgen dan te maken met het type bewust medium, de kleinere magiër en wat daar verder bij hoort. Wanneer deze die krachten richt, dan weet hij van tevoren voor welk doel hij ze bestemt. Er is dus een grotere overeenstemming tussen het doel en de kracht en daardoor een intenser en groter resultaat

Een mens, die nog wat hoger komt, gaat zich geheel instellen, niet meer op een uiterlijk verschijnsel, een uiterlijk gebeuren of een situatie maar op een bepaald principe dat in een ander is erkend: bv. schoonheid, rechtvaardigheid. En hij weet dat ook de schijnbare tegenstellingen: dus lelijkheid, hatelijkheid of onrechtvaardigheid aan hetzelfde patroon beantwoordt, alleen negatief. Richt hij nu zijn kracht op iets dat negatief is, dan wordt het verschil alleen maar groter, maar de verwantschap blijft bestaan. Hij richt zijn krachten op datgene, waarmee hij werkelijk verwant is en kan daarmee nog veel grotere en wonderbaarlijker, directe resultaten behalen. Hier hebben wij te maken met iemand, die praktisch ingewijde of half‑ingewijde is. Iemand die een volledige meester-magiër is. Daarboven vinden we nog een ander type. Er zijn mensen die zozeer hun eigen grondstelling kunnen aanvoelen, dat zij deze niet alleen meer zien als een deel van hun wereld. Zij begrijpen dat dit principe dat in hen leeft, een kosmische betekenis heeft. Al overzien zij niet de totale kosmische werkelijkheid. Zij erkennen dat zij deel uitmaken van een kosmische symmetrie die zij zelf nog niet overzien. Het resultaat is, dat zij zich richten op de theorie, op de gedachtenwerking, die hier en daar metterdaad kan worden onderstreept, maar waarbij het essentiële is: het wekken van dezelfde reactie en werking in anderen. Zij hebben dan meestal een taak als vol-bewust leraar en van hen hoort men op aarde meestal niet al te veel. Of ze worden stichters van godsdiensten. Maar dat is de schuld van hun volgelingen. U hoort dan wel veel van hen, maar weinig dat volledig waar is. Dezen zijn dus degenen, die tot het hoogste komen. Zij zouden alle wonderen kunnen doen, maar zij onthouden zich van een overvloed daarvan. Zij verkondigen waarheden, maar doen geen beroep meer op de rede, op het verstand van de mens of zelfs maar op zijn gevoelswereld. Zij doen een beroep op zijn innerlijke bestemming.

Op deze wijze heeft de mens dus de mogelijkheid veel te putten uit het Eeuwige en veel door te geven. Want eenieder die als mens de geest bewust kan inschakelen en bewust die geest door zichzelf tot uiting kan laten komen, heeft daarmee de mogelijkheid gevonden om een kosmisch patroon op aarde werkzaam te maken en zo vanuit zichzelf, een verwerkelijking te scheppen, waarbij niet slechts het “ik” is betrokken, maar ook dat deel van de Goddelijke werkelijkheid, waartoe het “ik” behoort en waarmee het reeds nu verwant is.

Lotsbestemmingen

Het lot bepaalt vele dingen. Vooral de mens die op aarde leeft, kan zich aan bepaalde emoties en soms ook aan situaties niet onttrekken. En daarmede is tevens gesteld dat dus de vrijheid van handelen mogelijkerwijze wel bestaat, maar dat toch het aantal mogelijkheden dat men heeft beperkt en bepaald is. Dit alles is een zeer omvangrijk gebied om te beschouwen, omdat wij bij de lotsbestemming rekening hebben te houden o.m. met de mens zelf, dus met zijn kosmische taak. Want een ego kan nimmer in de kosmos bestaan, zonder daarin een vaste taak te hebben en die taak ook inderdaad te vervullen. En dat komt dan in het hele leven ook steeds weer tot uiting.

We kunnen verder uitgaan van de incarnaties die men heeft doorgemaakt, de werelden waarin men heeft geleefd. Want in die werelden en in vroegere incarnaties in de stof heeft men contact gemaakt met bepaalde mensen en een oorzaak‑en‑gevolg verhouding opgebouwd, die in het bewustzijn is verankerd. En zodra dit in het bewustzijn bestaat, wordt het dus ook weer tot uiting gebrachte zodat men bv. sympathieën en antipathieën in sterke mate bepaald ziet door vorige incarnaties. En deze hebben toch ook op het menselijk lot een vaak overweldigende invloed.

Dan hebben wij verder nog te maken met de wereld. Want je lot wordt ook bepaald door de wereld, waarin je leeft. Wanneer je leeft in een wereld die alleen kaarslicht kent, dan is het erg onwaarschijnlijk dat je de elektriciteit zult uitvinden en bij elektrisch licht zult leven. Je kunt nog zo geleerd zijn, maar, als je wordt geboren in een wereld waarin geen leerboeken bestaan, dan is het heel erg moeilijk om toch ergens te komen, waar je kunt leren en waar je dus een zekere boekenwijsheid kunt vinden.

Dus de wereld zelf, maar ook de houding van de mensen om je heen in je jonge jaren. Want de mensen rond je hebben bepaalde ideeën en idealen en als kind trek je je conclusies omtrent het leven over het algemeen uit het gedrag van de volwassenen in je omgeving. Heb je je eenmaal een bepaalde opinie gevormd omtrent wat mooi en goed, wat lelijk is, wat je wel wilt zijn en wat je niet moogt zijn, dan is het heel moeilijk in je verder leven daarvan afstand te doen. Het resultaat is, dat je bij je keuze uit de verschillende mogelijkheden ook hierdoor wordt beïnvloed. Het gebied zelf is dus wel zeer veelomvattend. Wat ik hierover in dit kort bestek kan zeggen, is dus niet meer dan aan enkele greep uit vele mogelijkheden.

Nu beginnen wij eens eenvoudig met een paar stellingen in de hoop dat wij daardoor elkaar gemakkelijker begrijpen.

  1. Elk menselijk lot is de voortzetting van een ontwikkeling die reeds bestaat, maar waarvan men zich niet volledig bewust is.
  2. Elk menselijk karakter is afhankelijk van de eigenschappen van het lichaam en het milieu waarin men incarneert. Het karakter echter is medebepalend voor de wijze, waarop de voortzetting van een vroeger bestaan of bewustzijn plaatsvindt.
  3. Er is een verschil tussen een weten omtrent het goede en het aanvaardbare en het verwerkelijken daarvan, omdat men niet abstract denkt wanneer men in de wereld staat, maar alleen van uit zichzelf.

Met deze punten heb ik dus gezegd dat karma alleen nooit een lotsbestemming bepaalt. Het kan zijn dat u geboren bent uit verschillende werelden, waarin een voortdurende vijandschap tussen u en een ander heeft bestaan. Die vijandschap kan voortkomen uit essentiële waarden in uw beider wezen, uit uw kosmische bestemming of uw taak. In dat geval zal de strijd tussen u beiden onvermijdelijk blijken. Wanneer u zich bewust bent van het goede dat in u leeft, dan zult u die strijd voortzetten op een wijze die men op aarde als fair, als eerlijk beschouwt. En dit houdt weer in dat uw wezen van handelen en strijden voor de wereld acceptabel is. Het kan echter ook zijn dat u alleen denkend en reagerend uit uzelf op die mensen een inwerking hebt, die buiten al wat voor de aarde acceptabel is ligt en waarbij u helemaal geen goedkeuring hebt te verwachten. Toch kan dan – voortvloeiend uit uw beider taak in de kosmos – een dergelijke vijandschap – zelfs als ze fatale gevolgen zou hebben – goed zijn, want zij bevestigt een eeuwige waarde die belangrijker is dan al het vergankelijke.

Nu zouden we ook nog verder kunnen gaan en zeggen: Er bestaat ook de mogelijkheid dat een mens geen lotsbinding heeft met een andere mens en toch met deze in conflict of in contact komt. Hier krijgen wij dan heel vaak te maken met de persoonlijke wensen en het is heel moeilijk om een persoonlijke wens terzijde te stellen. Want de mens leeft tenslotte altijd om zichzelf en zijn wens te verwerkelijken: dat is het beeld van dat wat hij wil zijn, wil worden en wil bezitten. Hoe belangrijker de wens in de ogen van de mens is, hoe gemakkelijker hij alles wat tussen hem en die wens staat, eenvoudig tracht te vernietigen of terzijde te schuiven. Hierdoor kunnen conflicten geboren worden uit een schijnbaar toevallige situatie, waarbij dus het lot van twee wezens voor wie weet hoelang verder met elkaar verknoopt zal blijven. Ik geef een voorbeeld.

Een mens wil een bank overvallen. Zijn neiging om onrechtmatig bezit te verwerven kunnen wij baseren op zijn milieu plus zijn vorig bestaan. Hij is bv. huurling geweest en heeft zich in die tijd aan plunderen gewend. Nu ontmoet deze mens een portier die erg plichtsgetrouw is en de goede man komt tussen beide. Maar de wens is zo sterk dat onze bankrover zijn pistool neemt en die man neerschiet. Er was tussen die beide geen band, maar vanaf dit ogenblik is er wel een band. Een band, die eerst moet worden verbroken, een oorzaak-en-gevolg band. In een volgend leven zullen die beide elkaar weer ontmoeten en zeer waarschijnlijk zal onze bankrover daarbij in een soortgelijke situatie verkeren, met dien verstande dat nu de ex-portier in staat is om hem te doden. Is zijn reactie juist, dan zal dit niet plaatsvinden en dan is de oorzaak-en-gevolg-verhouding afgelopen. Reageert hij zoals hij deze maal heeft gedaan (dus gedreven alleen door zijn begeerte, door zijn wens), dan zal zich dit misschien vele levens kunnen voortzetten. Wanneer beiden elkaar zouden vermijden – wat dus ook mogelijk is – dan blijft de noodzaak bestaan om elkaar toch te ontmoeten en die situatie te verwerkelijken. Zo niet dan blijft hier een lotsgebondenheid bestaan en is de gehele lotsbestemming dus voor beiden ook afhankelijk van het bestaan van de ander. Dit kan zelfs een rol spelen in de bepaling van de periode tussen bepaalde incarnaties. Dit is dus wel een heel curieus geheel.

Uit het voorbeeld is verder gebleken dat niet alles, wat nu op aarde gebeurt, voortvloeit uit het verleden. Het verleden bepaalt voor een groot gedeelte de condities, de omstandigheden waarin je bestaat. Het heeft grote invloed op je interpretatie van mogelijkheden, je interpretatie van verantwoordelijkheden. Maar de wereld zelf waarin je bent geïncarneerd, heeft wat mee te spreken. Er kunnen dus voortdurend banden worden geknoopt, maar ook weer bepaalde karma‑banden afgerond worden, waarna die verhoudings‑ en ontmoetingsnoodzaak niet meer ontstaat. Zo wordt het menselijk lot van leven tot leven, van sfeer tot sfeer zelfs gewijzigd.

Hier komt natuurlijk ook de vraag, hoe dan een bepaalde mens voor zich een zeker lot vindt. Ik geloof dat het antwoord hierop eenvoudiger is dan een beschouwing over de lotsbestemming als geheel. Wanneer u op aarde leeft, dan hebt u in u het weten omtrent bepaalde dingen. U wenst iets of u wenst iets niet. U erkent iets als goed of u meent dat iets verkeerd is. En dat geheel maakt u dus tot een mens die bepaalde handelingen kan stellen en andere niet. Zolang u door de omstandigheden buiten u wordt beheerst en u zich dus geheel afhankelijk maakt van alles wat er rond u gebeurt, zult u uzelf nooit kunnen verwerkelijken. Het menselijk lot is dan een gedreven worden. U zult ook kunnen proberen om alles wat in u leeft, door te zetten, maar dat lukt niet altijd. Het feit alleen echter dat u hebt geprobeerd door te zetten om iets tot stand te brengen, houdt voor de mens een zekere lotsvervulling in. De situatie is gewijzigd. In een volgend bestaan zullen daaruit als resultaat dus nieuwe ontwikkelingen voortspruiten en de oude noodzakelijke reeks herhalingen wordt onderbroken.

Een mens die beantwoordt aan zijn innerlijke stem en deze zoveel mogelijk tot uiting doet komen, beheerst zijn lot. Want hij geeft zelf vorm aan de omstandigheden en die omstandigheden past hij bewust of onbewust aan, aan zijn eigen behoeften en noodzaken. Het resultaat is een snellere bewustwording, maar ook een in feite toch harmonischer leven dan anders zou kunnen worden bereikt. Dat de wereld daarmee niet altijd gelukkig is, is jammer, maar niet te vermijden. Een mens die het eenieder op de wereld naar de zijn wil maken, moet helemaal niets doen en zelfs dan zijn er nog velen die zich daarover beklagen.

We zullen ons dus kunnen realiseren dat het menselijk lot door de mens zelf wordt gevormd en in deze zin is er wel degelijk een vrije wil. Men kan zelf besluiten nemen, maar men moet ze natuurlijk ook doorzetten. Men kan voor zichzelf bepaalde dingen afwijzen of aanvaarden en men bereikt daarmee dan, dat met de condities – bestaande tijdens afwijzing of aanvaarding – dit deel van het menselijk lot is afgehandeld. Het is afgelopen, er begint iets nieuws.

Zo leeft dus de doorsneemens met een lot dat hij wel kan hanteren, maar zijn lotsbestemming (het geheel van het verdere verloop der gebeurtenissen) overziet hij niet. Hij begrijpt maar al te weinig in hoe grote mate bv. zijn denken, zijn vooroordelen of misschien ook wel zijn vasthouden aan bepaalde condities, aan godsdienstige stellingen enz. beslissend kan zijn voor alles wat er verder (dus ook in andere sferen of in een volgende incarnatie) zal geschieden. Daardoor is hij te vaak geneigd om maar een compromis te sluiten en een compromis is nooit goed. Je kunt het compromis sluiten op alle punten die voor jezelf niet belangrijk zijn, maar daar waar iets voor jezelf wel belangrijk is of volgens jou erg belangrijk kan worden, daar moet je zelf handelen, zelf ingrijpen. En dan wordt het menselijk lot beheerst. Dit brengt geen grote verschillen in het leven tot stand. Het zijn heel vaak zeer kleine verschillen, die wij ons ternauwernood realiseren. Maar ik wil u weer een voorbeeld geven. Een mens is van nature agressief. Deze agressieve mens bevindt zich met een voertuig op de weg. Nu heeft deze mens zich tot gewoonte gemaakt zijn agressiviteit te bedwingen. Deze mens ziet een verkeerssituatie, waardoor hij innerlijk toch wel wordt geërgerd, maar in plaats van eerst boos te worden op hetgeen die anderen doen, beziet hij eerst wat er voor hemzelf uit de situatie kan voortkomen. Het resultaat is, dat hij tijdig kan afremmen en een aanrijding voorkomt. In het tweede geval heeft deze mens zich niet tot gewoonte gemaakt om de erkende en niet juiste prikkelbaarheid te overwinnen. Hij kritiseert de anderen, voordat hij reageert, komt niet tijdig tot stilstand en maakt een aanrijding. Het totale verschil is uit te drukken in enkele decimeters en misschien breukdelen van seconden reactiesnelheid. Toch kan het verschil voor het verdere leven heel groot zijn. Het kan bv. het verschil zijn tussen gezondheid en verminking, het sluiten van een zakelijk contract op tijd of het missen van een dergelijk contract, waardoor men zakelijk een mislukkeling wordt; en zo kan ik doorgaan. Hieruit blijkt dus wel – en dat mogen wij niet vergeten – dat de kleinigheden, waarop je eigenlijk niet let, het resultaat zijn van je eigen acties en reacties. Je verandert iets in je omgeving, al is net niet veel. Hoe meer je handelt in overeenstemming met je eigen wezen des te groter de veranderingen, die – klein als ze zijn – in de omgeving plaatsvinden en die zullen beantwoorden aan dat wat je werkelijk bent en hoe groter dus de mogelijkheid wordt om je eigen wezen te vervullen. Het vervullen van dat wezen impliceert ook dat we het verleden afhandelen. Zoals ik reeds opmerkte, kunnen er – als gevolg van karma dus banden bestaan van 4, 5, 6 levens geleden zelfs. Er kunnen banden ontstaan zijn in bepaalde sferen, die op aarde eveneens tot uiting komen. Wanneer wij deze banden dus eenmaal hebben erkend en op onze wijze en volgens ons eigen wezen erkend (dus niet zonder kritiek of zonder verder na te denken, maar in overeenstemming met ons innerlijk, met ons denken en ons geloof), dan hebben wij zo’n band afgehandeld, dan is die situatie opgelost en begint er iets nieuws. Als wij dat niet doen, als we proberen te schipperen, dan blijft de situatie voortbestaan en zal niet alleen in een volgend leven terugkeren, maar zal ook in dit leven invloed hebben. In de eerste plaats is het zeer waarschijnlijk dat dezelfde situatie of mogelijkheid enkele malen ontstaat. In de tweede plaats zullen er kleine wijzigingen in de omgeving zijn gekomen en daardoor zal de wereld minder aan het “ik” en de behoeften daarvan beantwoorden. Het resultaat is, dat je misschien meer zorg of meer ellende krijgt of meer problemen krijgt op te lossen.

Wij kunnen dus uit de lotsbestemming wel de conclusie trekken:

  1. Elke mens bepaalt voor een groot gedeelte zijn eigen lot. Niet zozeer het totale verloop der gebeurtenissen, als wel de betekenis die zij voor hem hebben en zijn plaats te midden van de gebeurtenissen.
  2. Het lijkt mij toch ook wel redelijk om dan onmiddellijk te stellen: alles wat beantwoordt aan het “ik” is lotsvervulling. Elke lotsvervulling betekent het afsluiten van een episode. Er is maar een bepaald aantal episoden die wij moeten doorleven, voordat wij een volmaakt bewustzijn kunnen verkrijgen. Hoe meer episoden wij afsluiten, hoe meer wij onze persoonlijke eigenschappen (dus ons lot) helpen verwerkelijken en hoe sneller de bewustwording zal plaatsvinden.

Ook hier heeft de mens wel degelijk veel in eigen hand. Hij kan niet zeggen: Ik wil een bepaald deel van mijn losbelevingen, geboren uit het verleden, eenvoudig voorbijgaan. Maar hij kan wel zeggen: Ik neem ze met een veel grotere snelheid. Ik neem met een veel snellere opeenvolging een groot aantal belevingen. Daardoor worden ze elk voor zich voor mij minder belangrijk, maar ben ik ook van heel veel dat uit het verleden stamt af en kan ik dus op een nieuwe basis naar een bewuster vlak overgaan.

Nu is dit onderwerp ontstaan aan de hand van een vraag over een moordenaar en zijn slachtoffer. Men kan natuurlijk stellen: Het is het lot van de moordenaar om te moorden. Maar dat geldt alleen, indien de moordenaar pas mens is geworden en geen voormenselijk bestaan heeft gekend; want dan wordt hij nog gedreven door het dierlijk element. Zijn onbeheerstheid zal dan in een prooi‑zoeken, in een verslaan van de vijand tot uiting komen. Het slachtoffer is dan altijd de zwakkere, zoals dat volgens de natuurwet is. Maar wanneer de mens eenmaal wat meer menselijke kwaliteiten heeft verworven gedurende 1 of 2 levens, dan zal diezelfde mens dus niet meer voor de moord komen te staan als een gedrevene. Dan is het niet ondanks zichzelf. Hij moet dan een beslissing nemen in verband met zijn eigen wezen. Verder kan hij er zeker van zijn dat de personen die hij ontmoet voor een groot gedeelte op de een of andere wijze met zijn vorig bestaan of met zijn geestelijk bestaan in verband staan, geïncarneerd dus in zijn nabijheid of omgekeerd, dat hij dus in hun nabijheid incarneerde. Er ontmoeten elkaar dus voortdurend draden uit het verleden.

Twee mensen, die elkaar wildvreemd zijn, ontmoeten elkaar. De moordenaar doodt de ander. In 9 van de 10 gevallen is er ergens een connectie in het verleden. Is die er niet, dan kan ze hier ontstaan en begint de wet van oorzaak‑en‑gevolg haar, voor de moordenaar niet zo aangename werking. Is het het verleden, dan blijkt ook weer dat de moordenaar kan nadenken. Hij heeft de mogelijkheid om te zeggen: Ik dood wel of ik dood niet. En dan zal het niet‑doden waarschijnlijk niet worden een vergeven of een heengaan, maar het kan wel worden: een de ander niet meer met haat of met opzet doden uit eigenbelang, maar een zoveel mogelijk de ander sparen. Wanneer dat gebeurt, heeft de moordenaar geen schuld. Ik geef een voorbeeld.

Een mens wordt tot moordenaar, niet omdat hij een ander wilde doden, maar omdat hij een waarschuwingsschot afvuurde uit een pistool op het ogenblik dat iemand plotseling in de vuurlijn liep en door zijn kogel werd getroffen. Dan is het de ander, die de band heeft. En het gevolg kan in de materie voor die mens onaangenaam zijn, maar geestelijk behoeft dit geen directe binding in te houden. Hier zijn twee lotslijnen elkaar voorbij gegleden en hebben voor elkaar een compensatie betekent, zonder dat dit voor verdere levens een band betekent.

Nu kan het ook anders gaan. De man weigert te doden. Hij wordt misschien zelf gedood. Op dat ogenblik is voor hem alles, wat met doden, met geweld te maken heeft in dit verband, uitgewist. In zijn bewustzijn bestaat het niet meer. Hij heeft zichzelf misschien opgeofferd, maar door deze opoffering is hij ook vrij geworden van het verleden.

Hier ziet u dus zeer vreemde situaties ontstaan: bv. als een mens veel moorden heeft begaan, maar plotseling (men zegt dan in affect of omdat hij zacht is geworden) door een realisatie uitboet. Hij aanvaardt dat men hem doodt, omdat hij niet meer wil doden. Hij heeft dan de spanning van de moord (het doden) niet alleen voor één, maar voor alle slachtoffers veranderd. Hij is anders. Zijn lotsbestemming is gewijzigd.

Dat er een band is tussen moordenaar en slachtoffer zal duidelijk zijn. Dat die band altijd voortkomt uit een karma is niet zeker. Dat de band echter blijft bestaan, tenzij een nieuw evenwicht wordt bereikt, is een waarheid, waaraan niemand zich kan onttrekken. Daarom mogen wij dus besluiten met de opmerking:

Of het nu gaat om een moord of om wat anders, wat je bent, moet je leven. Daaraan ontkom je niet. Maar je moet het bewust leven en zo beheerst mogelijk van uit jezelf. Alleen op die wijze kun je volgens je eigen wezen de meest juiste weg kiezen en je lotsbestemming identiek maken met je kosmische bestemming, die je einddoel is.

Een spreuk

Wanhoop nooit.

Indien gij wantrouwt, wantrouw eerst uzelf.

Zoek alle vreugden, die rond u zijn,

opdat zij u tot kracht in het leven mogen worden.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf