maart 1963
Innerlijke weg en sfeer
De mens heeft in zichzelf, zoals wij meermalen hebben vastgesteld, een verbinding met alle krachten en werelden, die er bestaan. Er is een wederkerige beïnvloeding waaruit de mens zekere vruchten kan plukken. Maar de mens wordt daarbij toch ook wel weer sterk gelimiteerd door zijn bewustzijn. Wij kunnen natuurlijk het gehele bewustzijn terzijde stellen en slechts instinctief afgaan op de waarden die wij in onszelf beleven. Maar waar blijft dan het belangrijkste punt: de wil, waarmee wij tenslotte toch de wisselwerking tot stand moeten brengen en eventueel moeten richten?
De magiër (wij hebben de vorige maal reeds iets over de magie gezegd) gaat dus uit van het standpunt dat hij door zijn begrip of zijn kennis (de kennis van bv. geheime namen) in staat zal zijn om krachten als het ware te dwingen. We hebben toen duidelijk gemaakt dat ook hier voor een groot gedeelte krachten bij te pas komen, die niet wezenlijk in die naam liggen maar die uit het begrip, uit het bewustzijn van de magiër kunnen worden gewekt, doordat er een harmonie ontstaat en dat uit die harmonie dus ook met zijn wil het richten van die kracht kan geschieden.
Nu heeft de mens niet slechts een bewustzijn, zoals dat in stoffelijke zin wordt beschouwd. Hij heeft een innerlijk bewustzijn dat leidt tot een bepaalde vorm van zelfkennis. Men noemt dit wel het esoterisch of het innerlijk pad.
Dit innerlijk pad wordt over het algemeen voorgesteld als in direct verband staande met de sferen. Men doet dit, omdat de mens zelf in de geest een groot aantal voertuigen bezit. En elk van die voertuigen kan worden beschouwd als ongeveer harmonisch zijnde met bepaalde werelden, waarin de geest leeft.
Nu kan ik aan de hand van die voorstelling dus zeggen dat de mens in vele werelden leeft en dat hij zich daarvan bewust moet worden, voordat hij de kracht in de wereld kan activeren. Maar ik kan het ook anders stellen. Ik kan zeggen dat het niet belangrijk is in hoeverre een bepaalde wereld of sfeer wordt bereikt, zolang die mens maar in zich een voldoende eenheid van bewustzijn bezit. En dan wordt het noodzakelijk – althans volgens mij – om deze kwestie van het innerlijk pad of de innerlijke weg zo rationeel mogelijk te beschouwen. Het is heel aardig om daarover allerlei esoterische stellingen op te bouwen, maar als het erop aankomt, dan geeft dit geen systeem. Het geeft slechts een aantal emoties en krachten weer, maar wij kunnen daarop niet afgaan wat deze voor ons nu werkelijk betekenen. Daarom, in de innerlijke weg komt de mens allereerst tot erkenning dat hij bestaat uit twee waarden, die – zoals reeds gesteld – met elkaar harmonisch moeten zijn nl. stof en geest. Hij komt er verder toe de geest te zien als een tijdloze voortzetting als het ware van het bestaan waaraan hij zelf deelheeft, terwijl de stof wordt gezien als de manifestatie van dit wezen in beperkte tijd.
Heeft hij dit punt eenmaal bereikt, dan dus niet alleen maar zoeken naar de samenhang die bestaat tussen de geest en de stof, maar ook naar het wezen van die geest. In sommige gevallen houdt hij zich bezig met het ontleden van alle mogelijke voorgeschiedenissen welke in de geest zijn vastgelegd. In andere gevallen denkt hij na over de volbrenging van de taak die dan weer andere fasen en incarnaties met zich zouden moeten meebrengen.
In de praktijk helpt dat echter niet. Per slot van rekening: spreken over de oogst van het jaar 2000 betekent niet dat wij de honger van vandaag kunnen stillen. En weten dat de oogst in 1640 ook is mislukt, helpt ons niet over onze verliezen van heden heen. Wij moeten dus het heden bereiken. Het heden wordt beschouwd te zijn de samenvatting van alle waarden, maar geuit in overeenstemming met de huidige fase van de grote taak ofwel zijnde in overeenstemming met de mogelijkheden van vandaag.
En daarom zult u met dit pad nooit verder komen indien u de mogelijkheden van vandaag buiten beschouwing laat. Stel het eenvoudig:
- Ik moet weten wat ik ben en zo reëel mogelijk het terzijde stellen van allerhand opvattingen, die niet mijn eigene zijn en een erkennen ook van die delen van wezen die eigenlijk minder prettig zijn, zijn noodzakelijk. Dit gaat dus over het zuiver stoffelijke
- Ik dien te beseffen, hoe in deze onvolmaakte eigenschappen een kracht werkzaam is, die daaraan een andere betekenis wil geven.
- Ik moet beseffen, welke betekenis ik aan mijn leven wil geven.
Heb ik deze drie dingen gedaan, dan heb ik de eerste belangrijke schrede op het innerlijk pad gezet; ik heb mij nl. gerealiseerd:
- Wat de geest voor mij in de stof is.
- In hoeverre die geest al of niet correspondeert met datgene, wat ik stoffelijk graag zou willen zijn.
- Hoe ik dus mijn denken en streven moet richten om mij van dat innerlijk “ik” meer bewust te worden.
Hebt u dit gedaan, dan ontstaat er een toestand waarin u zeer gevoelig bent voor alle beïnvloedingen van andere werelden. Er is nl. een zekere evenwichtigheid ontstaan tussen stof en geest en – zoals u zich uit vorige lessen zult herinneren – betekent dit dat de geest dus gemakkelijker toegang tot de mens heeft.
Deze beïnvloedingen zullen de mens er vaak toe brengen te zoeken naar een Meester, een leider of maar een speciale procedure. Zodra dit gebeurt, is het evenwicht verstoord en komt er ten dele een waanbegrip in plaats van de werkelijkheid. Wij moeten dus niet afgaan alleen op de Meester of op wat anders, maar wij moeten ons gaan realiseren wat er in ons leeft. En dan komen wij tot de realisatie dat er in ons een groot aantal eigenschappen bestaan die niet meer kunnen worden uitgedrukt in zuiver stoffelijke waarden.
Wij kennen bv. innerlijke gevoelens die wij eerder met een kleur of een symbool omschrijven dan met een redelijke verklaring. Wij komen dan tot de conclusie dat er in ons perioden van neerslachtigheid, maar ook van grote vreugde zijn die direct in verband schijnen te staan niet met de uiterlijke condities, maar met dit innerlijk wezen.
De tweede taak is nu te beseffen welke krachten – of zo u wilt: kleuren of symbolen – het best passen bij het “ik”. Door dit te weten hebt u nl. de basis gevonden (het sleutelbegrip), waarmee u dus uw leven kunt regelen. Want aan de kleur of aan het symbool zal de daad zoveel mogelijk moeten beantwoorden. Hoe groter het aantal daden dat beantwoordt aan hetgeen ik in mij als juist of noodzakelijk voel en wat dus in overeenstemming is met de symbolen of de kleuren waarmee ik deze innerlijke gesteldheid aanduid, hoe sterker ik mij bewust zal worden van delen van mijn wezen die in een sfeer leven.
Die sferen zijn werelden op zichzelf. De mens die het innerlijk pad volgt, zal niet willen blijven stilstaan bij elke sfeer afzonderlijk. Hij zegt: Het is maar een verschijnsel, ik moet verder. Degenen echter die zich bezighouden – zoals wij dit doen – met de werkingen, die er kunnen bestaan uit de geest naar de stof en omgekeerd, zullen wel moeten blijven stilstaan. Want de sfeer is in zichzelf – en dat mogen wij nooit vergeten – een aantal wetten. Die wetten zijn niet allemaal uit de kosmos geboren. Zij zijn voor een groot gedeelte geschapen door degenen die in zo’n wereld samenleven. Het zijn de beperkingen – ook van denken – die daar door iedereen worden aanvaard. Het zijn de taken die iedereen daar als juist beseft en dus ook de verwerping van taken die men daar niet juist of niet mogelijk acht. De gehele krachtsverhouding van zo’n sfeer wordt dus uitgedrukt in haar wetmatigheden.
Op het ogenblik dat ik mij langs het innerlijk pad bewust word van een bepaalde sfeer en haar niet slechts beschouw als een bereikte fase, maar mij haar wetten tracht te realiseren, ga ik begrijpen wat zij mij eigenlijk te vertellen heeft. En dan ontstaat de vreemde situatie dat zelfs in het stoffelijk bewustzijn – al kan dit nooit rationeel worden bevestigd – een kennis van wetten aanwezig is en dat een groot gedeelte van die wetten in eigen wereld hanteerbaar is.
Dat is belangrijk. Want als die wetten in mijn eigen wereld hanteerbaar zijn, kan ik dus als het ware de toestanden en de regels van een sfeer op aarde herscheppen. En wanneer ik dat doe, ontstaat er vanzelf een soort resonans. Er is wat men wel harmonie pleegt te noemen, een overeenstemming van waarden. En in elke overeenstemming van waarden zal alles wat er in een hogere sfeer gebeurt, in een lagere sfeer worden weerkaatst en omgekeerd.
Natuurlijk kunnen wij daarbij de opmerking maken dat de krachtsverhoudingen niet altijd één op één zijn. Er zijn heel veel verschillende maatstaven voor, maar dat is op zichzelf niet belangrijk. We hebben nu door ons streven langs het innerlijk pad bereikt dat een bepaalde sfeer voor ons toegankelijk wordt en dat door de kennis van de toestanden en wetten die daar bestaan, de krachten van die sfeer op aarde als het ware kunnen worden geopenbaard. Die openbaring zal altijd plaatsvinden binnen hetzelfde kader, waarin de resonans ontstaat. Dus als bepaalde handelingen, gedachten of symbolen de resonans‑sfeer vormen, zodat ze daar in die sfeer wordt uitgedrukt en de wisselwerking optreedt, dan moeten wij ook verwachten dat de resultaten of krachten kenbaar worden op datzelfde vlak.
Het is dus niet mogelijk nu eens te zeggen: “Ik ga innerlijk stijgen, totdat ik een sfeer van licht heb. Die lichte sfeer ga ik mij eens realiseren, want ik ken de wetten en ik ga op een zeer beperkte plaats en weg die sfeer een resonans‑vlak verschaffen. De kracht wordt daar kenbaar en nu zal in de hele wereld die kracht kenbaar zijn. Dat is niet waar, ze is alleen daar kenbaar, waar de resonans is. Van daaruit kan ze dus wel gericht worden. Ze kan optreden onder invloed van geconcentreerde gedachten. Ze kan worden vastgelegd in stoffelijke voorwerpen. Dat is allemaal waar, maar de eerste en de meest directe werking blijft beperkt tot het vlak, waar de resonans optreedt.
Nu wij dit hebben gesteld, moeten wij natuurlijk nagaan hoeveel sferen een mens normalerwijze kan bereiken met het innerlijk pad. Nu zijn er altijd uitzonderingen. Wat ik hier ga zeggen, is geen vaste regel. Maar de ervaring leert ons dat degenen die op aarde leven, over het algemeen hun bewustzijn wel zodanig kunnen verhogen door intense oefeningen en streven, dat zij ongeveer drie volgende sferen of vlakken leren kennen. En dat wil dus zeggen, dat ze een vormkennende wereld of verscheidene vormkennende werelden ervaren en daarmee kunnen werken. Dat zij daarnaast tenminste één maar vaak ook twee werelden kunnen bereiken, waarin trillingen van hoger gehalte optreden en wij kunnen spreken van licht, vooral van kleur en ook wel van iets dat wij geluid of kosmische klank noemen.
Wanneer ik hogere sferen bereik, dan moet ik rekening ermee houden dat daar alles vanuit een stoffelijk besef vormlozer is. Hoe hoger het “ik” langs het innerlijk pad dus uitgrijpt naar een andere wereld, hoe moeilijker het zal zijn om het totaal van de regels en werkingen die daarin bestaan, nu zo te beseffen dat u ze stoffelijk kunt toepassen.
U zult begrijpen dat ook grote Meesters en grote Krachten zich daarmee hebben beziggehouden en dat ze hebben getracht dit gebrek aan realisatievermogen op de een of andere wijze op te heffen. Wij vinden dan ook een groot aantal voorstellingen, die bij de mens meestal als leerstuk bekend zijn, maar die in feite waren bedoeld om de mens een begrip te geven dat de verschillen van wet en regel overbrugt. Ik hoop niet dat men mij kwalijk neemt, dat ik een poging waag ook deze Krachten te ontrafelen, ofschoon ze in veler ogen zeer heilig zullen zijn.
Wij kennen het begrip: de Christusgeest. En wij weten op aarde allemaal: het is de goddelijke Liefde, het is een goddelijke eigenschap, die sommigen in Jezus zien gepersonifieerd en waarvan anderen beseffen dat Jezus één van de dragers, één van de openbaringen ervan op aarde was. Maar een dergelijk begrip is zo alomvattend, dat je je het eigenlijk niet kunt realiseren. Het is een mooi woord: de Christusgeest. Maar wat is die Christusgeest? Een alomvattende liefde. Ja. Maar wat betekent die liefde? Kent ze dan geen grenzen? En wat zijn de regels van die liefde? Heeft ze bepaalde wetten aan de mens te geven? Klaarblijkelijk eigenlijk ook niet. De beste definitie, die wij op aarde vinden is nog steeds: de gelijkwaardigheid van allen. Dus: heb uw naaste lief gelijk uzelf. De erkenning van God in de ander en het beminnen van de ander om de God Die Zich in hem manifesteert.
Dat zijn heel mooie frasen. Maar wanneer we nu die Christusgeest zien in haar uitwerking, dan is zij eigenlijk als regel, als wet of als begrip voor de mens geworden, niet meer God of goddelijke Kracht maar een methode om een innerlijke harmonie te vinden die op geen andere wijze kan worden gevonden: Let wel, ik zeg dus niet dat de Christusgeest niet in de Vader bestaat, maar ik stel alleen dat ze een bepaalde functie heeft en dat die functie voor ons belangrijk kan zijn, juist in deze beschouwing. Want op het ogenblik dat ik alles bemin, zal ik alles aanvaarden.
En dat is het eerste belangrijke punt. De liefde redeneert niet, ze ondergaat, ze aanvaardt, ze verwerkt in zichzelf. En wanneer die liefde persoonlijk is of sterk gericht, dan zal ze andere dingen afwijzen. Maar wanneer ze kosmisch wordt gericht, dan zal ze alle dingen kunnen aanvaarden, behalve misschien datgene wat het “ik” aantast of waarmede het “ik” geen contact heeft.
Ga ik nu naar een bepaalde sfeer toe, dan zal mijn neiging om die sfeer als uit God (dus gelijkwaardig als naaste) te beschouwen, het voor mij mogelijk maken mij met die sfeer te assimileren, zonder dat daarvoor eerst een volledige waarneming en begrip of zelfs een volledige kennis van regels en wetten noodzakelijk is. Ik ga op in de sfeer. En dat wordt ook niet beperkt tot een bepaalde sfeer. Want overal waar ik kan aanvaarden dat in het andere het Goddelijke net zo goed aanwezig is als in mij, heb ik automatisch de harmonie. En nu het vreemde: Omdat deze aanvaarding een grondregel is van elke sfeer (want elke sfeer bestaat krachtens de wederkerige aanvaarding van degenen die daar leven), heb ik meteen het grootste vlak van resonans gevonden, waardoor alle voor mij bereikbare sferen onmiddellijk kunnen worden gemanifesteerd of geuit.
De Boeddha doet het enigszins anders en zegt: de onthechting. En ook die onthechting, die toestand van absolute ongebondenheid heeft weer bepaalde voordelen. Wanneer ik in een sfeer kom en ik houd mij aan mijn eigen regels, dan zal ik die sfeer niet kunnen aanvaarden. Heb ik geen eigen banden, dan blijf ik mijzelf en aanvaard toch alle dingen. Dus hier ligt de aanvaarding op een enigszins ander vlak. Ze wordt uit een andere toerstand, een ander streven geboren, maar haar resultaat is gelijk. En daarom moeten wij dus ook stellen dat het innerlijk pad nimmer alleen een redelijk pad kan zijn, willen wij goede resultaten hebben. Wij moeten juist resultaten hebben door de sfeer eigenlijk te ondergaan, te aanvaarden, te beleven en te verwerken. Op het ogenblik dat dit gebeurt, kunnen wij die kracht op aarde tot uiting brengen.
Misschien kunt u het volgende eveneens aanvaarden. Gezien het feit dat de doorsneemens zich redelijk niet bewust is van zijn contacten in de sferen, zal hij – ook als hij leeft uit het beginsel van de kosmische liefde of van de absolute onthechting – nooit met zekerheid weten op welke wijze hij de meest juiste resonans schept. Hij krijgt daarvoor in de plaats de onderbewuste neiging, de ingeving, de impuls. Nu is het heel moeilijk hier een onderscheid te maken tussen de natuurlijke drangverschijnselen en impulsen en de impulsen, welke op deze wijze tot stand komen. Wanneer wij echter proberen een bepaald geestelijk doel na te streven of een bepaalde werking uit de sferen tot stand willen brengen op aarde, terwijl wij tevens ons innerlijk trachten te verdiepen, dan blijkt dat wij ergens een reactie krijgen, de behoefte om te handelen, te spreken of om een verandering te brengen. En dan is in 9 van de 10 gevallen die neiging zeer sterk verwant aan het vlak van resonans dat wij nodig hebben. Zo treedt op een gegeven ogenblik de impuls van de mens dus op als middel tot aanvulling van zijn onvolledig bewustzijn.
Nu hebben wij hiermee het innerlijk pad en de sferen bezien. We moeten echter nog een stap verdergaan, want zelfs als u het innerlijk pad geheel bewust kunt gaan, wordt u toch nog weer geconfronteerd met het feit dat er een groot aantal verschillende krachten in het Al bestaan en dat deze krachten uit een menselijk standpunt soms zelfs met elkaar in strijd zijn. Met de erkenning van de hoge, bijna goddelijke oorsprong van die krachten gaan wij ons dan afvragen, waarom zij tegengesteld zijn. Dit kan worden verklaard door de kosmische wetten in herinnering te brengen.
Er is een wet van evenwicht. Wanneer er ergens een kracht is die alleen licht produceert, moet er ergens een kracht zijn die alleen duister produceert. Want slechts zo is het evenwicht en is de uiting mogelijk. Als ik dus een kracht heb die alleen wijsheid voortbrengt, dan zal er ook een kracht moeten zijn die alleen dwaasheid voortbrengt. Wanneer er een kracht is die vruchtbaarheid voortbrengt, dan moet er een kracht zijn die aan onvruchtbaarheid is gewijd. Is er een kracht die leven schept, dan zal er een kracht moeten zijn die dood schept, dus verandering van leven of ondergang van leven.
Dit op zichzelf wat moeilijk concept betekent alweer dat wij niet kunnen oordelen. Wij kunnen geen oordeel hebben omtrent de krachten die wij in de kosmos ontmoeten. En al datgene waarmee wij langs de innerlijke weg in contact zouden komen, is dus niet uit te drukken als goed of niet goed, als goddelijk of demonisch. Het is slechts uit te drukken als voor ons deugdelijk of voor ons niet deugdelijk. Doen wij dit echter, dan blijkt dat ons wezen altijd weer juist in die esoterische bewustwording een zekere richting kiest. Dit wordt dan in vele leringen verklaard door te zeggen: Men behoort onder één van de Heren van Licht, Wijsheid, Kracht, Liefde enz. In feite zou men kunnen zeggen: Het is als een regenboog. Het goddelijk Licht is gebroken in vele kleuren en een mens behoort onder een bepaalde kleur.
We kunnen zelfs nog verdergaan. Want indien je in je geestelijk bestaan niet definitief aan zo’n Heer bent gebonden en je incarneert, dan zou je de keuze van incarnatie ook nog kunnen vergelijken met het kiezen tussen een aantal deuren van verschillende kleuren, dus dat je een stoffelijk leven nog eens in het bijzonder stelt onder een bepaalde Kracht of Heerser. Dit beseffende, zal je je in de stof dus eerst moeten afvragen: Welke Kracht beheerst mij? Moeilijk wordt dit, omdat eenieder de neiging heeft om wit of goud als het beste te beschouwen en te zeggen: Daar wil ik bij horen. Maar u kunt wel allemaal koning of koningin willen zijn en ook dat is niet mogelijk. Zoek dus naar de Kracht – of ze nu erg licht of erg donker is volgens uw idee – waar u bij hoort. Ergens is er een Heerser die op uw leven een bijzondere invloed heeft. Die Heerser wordt in elke sfeer vertegenwoordigd. Hij heeft dus in alle werelden en in alle bewustzijnsmogelijkheden zijn representanten.
Wanneer u tot een wisselwerking met die geest wilt komen (wanneer het gaat over begrippen als het opvangen van impulsen of misschien het uitdrukken van krachten), dan zult u dit in de praktijk het best kunnen doen met alle krachten die onder eenzelfde Heerser staan. Verwar dit alstublieft niet met een sterrenbeeld, dat heeft er niets mee te maken. Het sterrenbeeld heeft met de structuur van het lichaam te maken.
Die kracht zullen we overigens moeilijk kunnen omschrijven. Wij kunnen niet precies zeggen: Ik behoor onder een Heer en diens licht is indigoblauw, zijn uitwerking is er één van wijsheid maar ook weer van filosofie. Dat klinkt allemaal mooi, maar dat weet je nooit zeker. Je voelt echter in jezelf een verbondenheid. Je hebt voorkeuren die – zodra ze niet door lichamelijke waarden worden bepaald – steeds in één richting gaan. Je zoekt je belevingen altijd in een bepaalde richting. In je gedachten zijn bepaalde waarden van het leven veel belangrijker dan andere en dat is dus de indicatie van de Heerser waaronder je behoort. Dat maakt het ons nog gemakkelijker om een harmonie met de sferen te scheppen op de juiste manier. Want nu gaat ons innerlijk wezen dat zijn ik‑bewustzijn dus heeft getracht te definiëren, inderdaad naar een hogere sfeer, misschien mede geleid door die Christusgeest, dit liefde‑principe dat in praktisch alle sferen geldend is. Het komt daar en men weet nu: ik heb niet alleen te maken met de regels en de wetten van die sfeer, maar om een resultaat te krijgen, zal ik in die sfeer dat deel moeten beroeren wat in overeenstemming is met de Meester die mij ook in de stof beheerst.
Wanneer ik dan die harmonie vind, doordat ik beantwoord aan hetgeen in mijn leven (dus ook in het materiële leven) voortdurend hoofdzakelijk mijn mentale wereld beheerst, zal ik dus altijd weer die Heer geldend maken voor mijn bewustwording en onder zijn auspiciën als het ware zal een grotere wisselwerking tussen sfeer en mens worden bereikt. Er is dan wel degelijk sprake van een wederkerige beïnvloeding, want alles wat u op deze wijze doet, heeft dus ook zijn oorzaak‑en-gevolgwerking in de sfeer waarmee u werkt. Omgekeerd: al hetgeen in de sfeer tot stand komt, heeft voor u een oorzaak‑en‑gevolg‑werking in de stof. Maar voor ons is het een kwestie geworden van een afzien van een al te verstandelijke ontleding en het daarvoor in de plaats stellen van een zelferkenning die ook is gebaseerd op datgene wat eigenlijk het “ik” beheerst. Dit gaat zo ver dat zelfs de voorkeur voor kleuren, voor gerechten, voor handelingen, voor de manier van kleden, voor lectuur, voor gesprekken enz. eigenlijk een zekere tendens vertoont. Hier blijkt dus dat de mens alleen door het ontleden van wat in zijn gedachteleven een zo grote rol speelt en wat zijn voorkeur dus steeds bepaalt, vaak tegen het stoffelijke in, vindt met welke kracht hij moet werken.
En nu moet u er ook niet over oordelen. Soms denk je: Die kracht is toch eigenlijk niet honderd procent goed, want waarom zou ik anders zo in conflict komen met mijn wereld? Dat heeft er niets mee te maken. Want uw wereld, dat is uw wezen. Maar de Heer, waaronder u leeft dat wil zeggen de kosmische Kracht die op dit ogenblik bijzonder vormend op uw persoonlijkheid inwerkt, heeft niet te maken met uw stoffelijk beleven, hij heeft te maken met de vorming van geheel uw wezen en als zodanig is zijn vormende werking steeds kenbaar in de impulsen die hij in u wekt. Want u bent dan met die Kracht (die Heer) harmonisch en alles wat deze Heer of deze Kracht uitstraalt, wordt in u als een behoefte, een verlangen, een bereiking e.d. kenbaar. Als u dit nu beseft, komen wij weer tot een volgend punt.
Wij hebben nu de kosmische Heren erbij gehaald. Maar kunnen wij dan een systeem ontwerpen waarmee de wisselwerking tussen de sferen van ons standpunt uit helemaal bewust kan worden geregeld? Het antwoord is: neen. Er bestaat geen enkel redelijk systeem, zelfs niet indien men alle waarden eerst aanneemt (dus niet eens bewijst), waarmee men kan komen tot een vaststelling van eigen harmonische waarden. Er bestaat wel een procedure.
De procedure is het mediteren. Het is de innerlijke concentratie die dan echter moet voeren tot handeling. Wanneer u nl. mediteert of werkt, dan stelt u zich – of u wilt of niet – wel zeer in het bijzonder in op de kracht die u beheerst. Een magiër weet dat, want die zegt dat iemand die werkt uit de waarden van het blauwe licht nooit een bezwering moet uitspreken uit het rode licht, want dan krijgt hij ongelukken. Dus: een bepaalde vorm van bezwering is alleen maar geldig voor een bepaald soort magiër. En zo is het bij ons eigenlijk ook. Wij moeten dus eerlijk toegeven: Wij zijn beperkt, wij hebben geen systeem, wij mediteren. Door die meditatie onderwerpen wij ons sterker dan tevoren aan de invloed van onze Heer of Heerser. Door deze invloed wordt zijn kracht in ons duidelijker.
Wij zullen verder, wanneer wij proberen ons bewust te worden van de geest die in ons leeft (als wij in de stof zijn tenminste), de sferen vinden; maar in die sferen wederom de plaatsen, waar ook die Heer invloed heeft. Wij staan niet meer verdoold, we hebben een vaste leidsnoer, een vaste verbinding, die ons door alle sferen heen in contact houdt met de stof en met het Hoogste. En op die manier wordt dus de wisselwerking niet alleen sneller en duidelijker, maar zo wordt bovendien – en dat is wel heel erg belangrijk – ook praktisch meer bruikbaar.
Nu zult u op een gegeven ogenblik toch wel moeten ontdekken dat alleen meditatie of het werken alleen met gedachtekracht niet voldoende is. Er zijn ergens belemmeringen. Soms liggen ze in uw lichaam. En dan betekent dit, dat u uw lichaam zult moeten trainen, dat u het lichaam zult moeten aanpassen. In andere gevallen blijkt het dat uw emotionele status niet zodanig is, dat u kunt beantwoorden aan hetgeen geestelijk in u leeft. En dan moet u een weg zoeken, waardoor het wel mogelijk is. Dat is bv. de oorzaak van de zelfkwelling die wij bij sommige groepen van fakirs vinden. Zij proberen niet alleen tot een lichaamsbeheersing te komen, maar ze proberen ook bepaalde emoties of gevoelens om te zetten. En wanneer zo’n fakir de nagels door zijn hand laat groeien, dan doet hij dat niet alleen ter ere van de goden, maar vooral omdat hij daarmee voor zichzelf een permanent aanrakingspunt krijgt dat dus voor hem past en hij zo van uit de stof – en niet alleen uit een tijdelijk geïsoleerd zijn – kan opgaan en de wijsheid, het begrip, de macht, die uit de sferen te zijner beschikking zijn, onmiddellijk kan uitdragen.
Wij hebben nu over deze Heren gesproken, maar wij moeten nog verder, want de innerlijke weg reikt – zoals men zegt – van het begin tot het einde, maar voor de mens in de stof tot het hoogste Licht. En die Meesters, de Heren waarover wij spraken, deze kosmische Krachten, die het leven beïnvloeden en op de ontwikkeling daarvan gedurende een zekere periode een grote invloed hebben, zijn tenslotte niet het hoogste doel. Er zijn nog hogere Krachten. Deze krachten worden voor ons moeilijk te onderscheiden, want ze zijn schijnbaar identiek. Ze hebben allen een vorm van wit licht en gezamenlijk worden ze dan ook meestal besproken als het verblindende Licht. De grote wijsgeren echter hebben daarvoor een andere naam gevonden. Zij noemen het de Zeven Zonnen. Het is een geometrische structuur – als men dat wil weergeven – waarin zeven gelijkwaardige Krachten van Licht de basis vormen van een soort trechter, waar in het midden een niet‑lichtend punt zit (dus meer achterin), dat met alle zeven is verbonden en de krachtbron is van alle zeven Zonnen.
Nu kunnen wij weer niet zeggen dat wij tot dat laatste punt doordringen, dat is allemaal theorie en toekomst. Maar met één van de zeven Zonnen staan wij wel in verbinding. Want onze Meesters ontlenen tenslotte ook weer hun kracht aan een licht, een Heer van een kleur. De Heer van die kleur onttrekt zijn kracht weer aan een geestelijke Zon en die geestelijke Zon onttrekt zijn kracht uit het Middelpunt. Zodra ik volledig ben ingesteld op de kleur (dus op de Heer van Licht, Wijsheid enz., waaronder ik in deze fase van mijn bestaan en taakvervulling ressorteer), dan kan ik in een volledige harmonie met deze, een onmiddellijk goddelijke Kracht – althans van uit ons standpunt hier – bereiken, dus één van de zeven Zonnen. Ik heb dan nog geen contact met de volledige Godheid, maar ik heb alleen deel aan één van Zijn openbaringen. Wanneer men op aarde dus spreekt over de Christusgeest, dan spreekt men indirect over één van die zeven Zonnen.
Nu weet ik wel dat die zeven Zonnen weer worden gegroepeerd tot een driehoek en dan zegt men: dat zijn de drie brandpunten, dat is de drie‑eenheid. Maar wat hebben wij daaraan? Het is een mooi beeld. Of je je God nu voorstelt als een cirkel of een driehoek, dat maakt niets uit. Je moet ergens een resonans vinden, je moet harmonie vinden. Nu geldt voor elk contact met de zeven Zonnen:
Op het ogenblik dat ik het bewustzijn van stoffelijk en geestelijk wezen verlies, zonder daarbij ook het vermogen tot ervaren te verliezen, onderga ik een direct goddelijke Kracht. En dat is nu voor de wisselwerking tussen sfeer en wereld heel erg belangrijk, want nu is het innerlijk pad voor mij niet meer geworden een methode waarmee ik van sfeer tot sfeer kan stijgen, daar de directe krachtlijn waarmee ik in elke sfeer volgens de daar heersende wetten kan werken. Degene die dit hoogste Licht of Bewustzijn bereikt, kan in een sfeer optreden – ook al leeft hij op aarde – krachtens dit licht als heerser, dus als vorst of als leraar. En als zodanig kan hij als het ware bij decreet bepalen wat allen die met hem harmonisch zijn, zullen doen in die sfeer. Op het ogenblik dat de mens deze grootgoddelijke Kracht dus in zich beseft (ook al is ze niet de totale Godheid) is hij in elke sfeer waar hij bewust kan en wil optreden, meester en kan bepalen op welke wijze deze sfeer de aarde ervaart (het vlak van resonans ligt niet meer op aarde, maar in de sfeer) en welke krachten uit de sfeer op aarde zullen worden geopenbaard.
U zult begrijpen dat van deze methode hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt door bv. de Grootmeesters van de Witte Broederschap. U hebt allen wel eens gehoord van de Wessac‑feesten, die op het ogenblik overigens niet meer in de Wessac‑vallei worden gehouden. Daarbij zult u allen wel gehoord hebben van de ster die niet alleen een structuur is, een opstelling van de aanwezigen, maar ook nog eens als het ware wordt gedupliceerd boven het altaar. En dat altaar wordt dan uitgedrukt als een kleine vierhoek met daarvoor de celebranten en een brandpunt van een straal van licht. Die voorstelling is natuurlijk wel een beetje geïdealiseerd. Maar wat geeft ze weer? Precies datgene wat ik u hier vertel.
Bij de Wessac is het niet alleen zo dat het Hoogste zich manifesteert op aarde, maar dat het bewustzijn van de volledig ingewijden zich verheft tot één van die lichtende Krachten en van daaruit alle sferen activeert, opdat zij kenbaar worden. Daaraan ontleent de Witte Broederschap dus zo’n grote kracht.
Nu zullen wij dat wel niet kunnen doen, maar het is goed dat we weten dat het bestaat, want anders vragen we ons af: Hoe komt het dan dat een Witte Broederschap of deze of gene groepering wel een direct contact heeft met het Hoogste en een andere niet? Nu weet u dus dat het Goddelijke overal vertegenwoordigd is, maar dat men aan de hand van de Heer waaronder men staat, kan stijgen tot het goddelijk Licht en uit dit Licht, dus een directe verwerkelijking krijgt. Zodra de geest van de mens zich kan verheffen tot het contact met het Goddelijke, is zijn absolute heerschappij tot in het stoffelijke kenbaar. Hij wordt daarbij alleen nog beheerst door de beperkingen – dat moeten wij wel even onthouden – van de Heer langs wiens weg hij het Hoogste benadert.
Ik heb nu geprobeerd dit alles zo eenvoudig en begrijpelijk mogelijk uit te drukken. Wij hebben te maken met een groot aantal kosmische verhoudingen en krachten, waarin de mens soms een onbelangrijk punt in de massa is, maar door zijn geestelijk bewustzijn kan worden tot het directe contact. Hier blijkt dus ook iets anders en daarop wil ik uw aandacht vestigen.
Op het ogenblik dat het ware “ik” zich verheft tot een hogere Kracht, kan het niet meer worden beschouwd te behoren tot de menselijke wereld, ook al heeft het een menselijk voertuig. Het menselijk voertuig is dan slechts het brandpunt van een hoger bewustzijn. Dit geldt voor incidenteel bereikte hogere contacten, voor bewust in bepaalde perioden bereikte hogere contacten, het geldt echter ook voor iemand die het werkelijk hoogste contact heeft bereikt en uit dit hoogste contact zijn aards leven blijft voortzetten als een taak.
Hier heeft u dus weer een verklaring voor Jezus, die een dergelijk contact heeft. Wij zeggen: Hij is de drager van de Christusgeest. Dat is waar, omdat hij een Kosmisch Principe draagt. Maar hij was niet meer alleen een gewoon mens. Hij was iets meer en dat “iets meer” ligt niet in het feit dat hij geen mens was, maar dat zijn bewustzijn die hogere kracht zo kon aanboren en praktisch voortdurend, dat Jezus op aarde het verlengstuk ervan was. En alleen tussen de taken door keerde Jezus dan terug tot het volledig mens‑zijn.
Het is natuurlijk moeilijk om u dat allemaal voor te stellen en u moet niet denken dat het voor u gemakkelijk te bereiken is. Maar u hebt uw eigen weg en uw mogelijkheden. U hebt uw eigen innerlijk pad. Zolang u dat innerlijk pad wilt gaan aan de hand van zuiver theorieën, leerboeken, systemen en structuren, zult u ontdekken dat het uitermate moeilijk wordt. U kunt een beperkte wisselwerking tussen stof en geest wel degelijk tot stand brengen, maar deze werkelijk hogere contacten, dit bereiken van grote en volledige krachten is u niet mogelijk. De weg die u daartoe kunt volgen, heb ik u reeds omschreven. Hij ligt in het erkennen van uw wezen, maar ook van de voorkeuren die daarin leven, dus de gerichtheid die daarin bestaat. En daarom mag ik hier misschien een regel stellen, waarvoor men wel wat schichtig zal zijn, maar die toch volledig waar is: Zolang gij voor uzelf overtuigd zijt dat iets deel is van uw wezen, noodzakelijk of onvermijdelijk is voor uw wezen, bestrijd het niet, maar tracht het goede erin te kennen, opdat het essentiële, zelfs reeds bij de overdenking, tot uiting gaat komen via uw wezen, zodat u een resonans vindt met hogere Krachten en andere wereld.
Probeer niet naar een andere wereld te gaan en daar uw wensen voor te leggen. Probeer in uzelf een bewustzijn te bereiken, waardoor ge het gevoel krijgt dat ge een contact hebt met een andere wereld en druk dan als het ware volledig menselijk uit wat uw doel is. Ge zult ontdekken dat op die manier u duidelijk wordt wat de aardse condities zijn voor de wisselwerking. Ge zult ontdekken dat die soms heel algemeen zijn, misschien slechts een gedachtenconcentratie, soms zeer nauwkeurig omschreven, maar ze leven in uw wezen.
En dan ten laatste nog dit en dan ben ik klaar met dit onderwerp:
Onthoud dat alle Groot‑Krachten, Grootmeesters en Groot‑Leraren, onverschillig hoe ze zijn, waarvandaan ze komen en waarheen ze gaan, voor de mensen tevens de manifestatie van een bepaalde Kracht zijn. Ze brengen nooit alleen een lering. Ze brengen altijd een weg, dus een methode. Deze methode is nooit door iedereen te volgen, maar alleen door degenen die onder dezelfde Heer ressorteren. Zoek dus wanneer u een bepaalde leer wilt volgen eerst uw innerlijk na en vraag u af of de grondleer, de principiële grondregel daarvan, voor u wel aanvaardbaar is, of ze past bij uw wezen en of u haar tot uitdrukking kunt brengen. Zo alleen kunt ge vinden welke grote leringen op aarde ook voor u zijn gegeven en op welke wijze u die kunt verwerkelijken.
De zon
Wanneer de zon aan de hemel van de aarde staat, zo is zij met haar stralen een leven gevende kracht van een verschrikkelijke sterkte die ook kan doden. Daarom is deze zon nimmer alleen een goedertierende kracht geweest, maar eerder een scheppende Godheid, die zeer grote krachten gebruikt en die voortbrengt of doodt naar eigen welbehagen.
Dat deze voorstelling in de mensheid zo sterk leeft en dat de rijzende zon heel vaak het symbool is geweest van de goddelijke Kracht die naar het hoogste punt van een hemel klimt, vloeit voort uit een bewust of onbewust erkennen van het wezen zelf van de zon.
Als ik u zeg dat er leven is op de zon, dan zult ge glimlachen, want mensen kunnen zich dit niet voorstellen dat in die baaierd van gloed, in die voortdurende wisseling van materie tot gas en van gas tot materie er ook leven kan bestaan. En toch zal je de zon kunnen vergelijken met een overigens betrekkelijk kleine planeet van bijzondere structuur en materie.
In haar leeft de grote Zonnegeest, de entiteit die kan worden beschouwd als vader en moeder van alle planeten van uw eigen zonnestelsel. De geest is ook ouder en wijzer dan die, welke in de planeten wonen. Zij regeert hen en bepaalt zelfs voor een groot gedeelte de wijze waarop de andere planeetgeesten (dus de andere geesten in het zonnestelsel) hun ontwikkeling volbrengen. Vandaar dat wij over het algemeen spreken van een god en van de planeten als zijn onmiddellijke dienaren, die dan als eigen godheid of ziel de Elohim hebben.
Deze stelling is natuurlijk zeer betrekkelijk. Want wie kan zich een levend organisme voorstellen voor wie de tijd, die voor u vele eeuwen in beslag neemt, minder is dan een uur? Wie kan zich een entiteit voorstellen, voor wie het spuien van vulkanen, het beven van continenten niet meer is dan voor u een u eenvoudig iets bewegen in de slaap? Toch zijn deze krachten zo groot. En de zon als heersende kracht bepaalt dus niet alleen maar het ontstaan van leven, de bloei en de mogelijkheid van verschillende processen op de planeten en wel in verband daarmee ten aanzien van afstand en verhouding, maar zij bepaalt vooral ook hun geaardheid, hun activiteit.
De mens in noordelijke streken ziet de zon altijd als iets dat met vreugde moet worden verbeid. Als ik mij niet vergis, werd in uw streken de zonnegod Balder vereerd. Balder, die terugkeerde uit de onderwereld en een blinde god was door het kwaad van Loki. Wij vinden soortgelijke verhalen overal. Want de zon zelf lijkt ons vaak blind. Daar, waar koude en kilte is, is zij leven, is zij kracht, daar is zij het hernieuwd ontwaken der natuur. Maar daar, waar de zon dag in dag uit heerst in een afgemeten tocht langs de hemel, is diezelfde zon soms een bedreiging. Daar is zij een dreigende dood die men haast gelukzalig bij het vallen van de avond, in de nachtelijke koelte ontvlucht.
Denk dus niet aan uw zon als aan iets dat ge met menselijke gevoelens kunt meten. Denk eraan als aan een grote lichtende wereld, waarin activiteiten heersen die haast onvoorstelbaar zijn. Waar een eenvoudige verandering van weer voor u gelijk zou komen aan loeiende orkanen, sterker dan de ontploffing van 10.000 atoombommen, waar de vorming van een wolk voor u is: kokende gassen, zo warm dat ze haast geen licht meer schenen te zijn, die langzaam opstijgen en afkoelen tot gloed en dan in een stralende ontbinding langzaam terugvallen en – hun geaardheid veranderend – worden tot materie en wegzinken in de bodem om daar vruchtbaarheid te geven. Zo is de zon. Onvoorstelbaar vreemd voor uw wezen en onvoorstelbaar krachtig.
Wat daar in de wereld van de zon leeft, is – wat u zou noemen – energie. Een vorm van geest die alleen in de energie zelf de belichaming vindt. Voor u onzichtbaar en ondenkbaar en toch een wezen dat handelt en leeft, dat samenwerking kent. Een wezen dat – werkend met krachten die u niet kunt beschrijven – misschien in de energiestraling meereist naar verre werelden en langs dezelfde zonnestraal reeds terugkeert in naar wat u toeschijnt te zijn – een breukdeel van een seconde.
De zon is inderdaad in zekere zin het wetend centrum van het zonnestelsel. De kracht der zon is datgene waarmee de mens worstelt. Ze is het licht dat hij vereert, maar het is ook het licht dat zijn ondergang kan worden. Ze is de levende kracht waaruit hij ontstaat, maar het is ook het oordeel tot verval en dood, het sterven en het duister zelf.
Wanneer gij denkt aan de zon, denk dan aan het eeuwig Licht. Want zoals het licht der eeuwigheid bestaat te midden van alle vormen van stoffelijk bestaan, zo staat de zon te midden van de planeten. En zoals het onvoorstelbaar is dat de grote Kracht, die geestelijk licht is en waarachter het onvoorstelbare ligt, daar in de heerschappij van een heelal leeft, zo leeft er in de zon een wereld, die uw heelal, uw zonnestelsel regeert. Zoals mensen in hun wezen en streven iets weerkaatsen van de geaardheid van de aardgeest, zoals hun ontwikkeling wordt geleid door de bezielende kracht van hun aarde, zo zijn allen die op de zon leven, onderworpen ook aan haar werken en aan haar krachten.
Bewust en gelouterd moeten zij zijn, voordat zij kunnen leven in deze woning van levende glans en gloed, in deze onvoorstelbare schoonheid, in dit onvoorstelbare geweld dat slechts voor hen die het kunnen verdragen, tot een vreugdige melodie kan worden. Zij zijn wat gij misschien noemt: uw engelen. Zij zijn de lichtende geesten waarop gij vertrouwt. Zij zijn het die helpen en leiden. Zij zijn het soms ook, die zielen brengen tot incarnatie op eigen of andere wereld, omdat het noodzakelijk is.
Voor u is de zon misschien de lente, de warmte waarnaar ge hunkert. Maar haar wezen zult ge niet beseffen. Want wat gij beleeft van de zon, is niet haar werkelijk wezen, maar de vreemde harmonische binding, die er bestaat met de aarde. Het is de bezieling van de aarde, het antwoord dat de aarde geeft in haar tollende gang om de zon en haar krachten.
En zo je droomt van de zon of van het licht, droom dan ook van de loutering die noodzakelijk is. Want evenmin als uw ogen, stoffelijk als ze zijn, de felheid van de zon kunnen verdragen, evenmin kan uw wezen de gloed van het licht verdragen. Eerst wanneer de materie is achtergelaten, als het wezen, zichzelf overwinnende en vrij van de materie en geworden tot zuivere energie, kan staan tegenover dit lichtende wezen, dan kan men zich baden in die gouden Hallen, waarin – geloof mij, al lijkt het onwaarschijnlijk – lichtende wezens leven, die toch ook nog een materiële vorm van bestaan hebben.
Het doel van de stof
Een wereld herbergt een groeiend bewustzijn. Het bewustzijn tracht één vorm te vinden waardoor het meester is van zichzelf en van zijn wereld. En daardoor schept men zich denkbeelden die in de beperkte mogelijkheden van het menselijk bestaan een zekerheid en een veredeling, een versterking van al het goede dat men nu erkent, betekenen.
De mensen erkennen niet dat de wereld evenwichtig is. De vormen zullen evolueren. De vorm die in het heden niet meer deugt, moet worden vervangen door een andere. Wanneer de aarde warm is, vraagt zij een andere vorm en structuur van leven dan wanneer zij kil en koud en bijna verlaten is. Een wereld vol bergen en rijke luchten, waarin de regen soms lang kan vallen en vruchtbaarheid wekken, vraagt een andere vorm van leven dan een wereld, waarin de wateren bijna zijn verdroogd en slechts een ijl waas nog door de luchten gaat. Zo evolueert de vorm.
Maar het bewustzijn kan zo niet evolueren. In elke vorm van mens en dier keert steeds weer hetzelfde terug: de grondslag van een geestelijk bestaan die daarin is gelegd door degenen die de vorm hebben geschapen en hebben geholpen haar te ontwikkelen. Er ontstaat dan een tijd van groei van de geesten die terugkeren en de vorm kan groeien. Maar als zij te veel groeien, dan verlaten zij deze vorm, want zij past niet meer voor hun wezen. En anderen keren terug. En dat wat eens uit edelheid en rijkdom werd geschapen, wordt nu een middel tot zelfzucht en dierlijkheid. Zo keert elke ontwikkeling zich tegen zichzelf en wordt steeds de edelmoedigheid tot zelfzucht. Zo wordt de strijd om vrijheid tot een grotere gebondenheid en wordt de menselijkheid steeds weer de ijzeren regel.
Een wereldevolutie betekent gelijktijdig ook een voortdurende revolutie, een omwenteling waarbij alles wat is gegroeid weer teniet wordt gedaan. Waar gij ook kijkt onder de mensen en in welke tijd, ge zult hetzelfde vinden.
Een beschaving wordt opgebouwd en zij is groot. In haar grootheid meent zij machtig en sterk te zijn, zoals de steden die in de grote dalen van India lagen. Zoals het rijk van China zelf. Maar wanneer zij zich te sterk achten, te zeer van hun belangrijkheid overtuigd zijn, te zeer menen dat hun regels onaantastbaar zijn en hun weten niet te overtreffen, dan staan de horden der barbaren op en zij jagen voort en voort en voort, totdat er niets meer overblijft van de beschaving en men vernedert misschien langzaam zichzelf terugvindt of het volk keert terug tot een slavernij, waarin geen hogere geest kan leven, tenzij om het lering te geven.
Er zijn tijden dat het de goedheid is, die de terugslag veroorzaakt. Dan zijn er landen die rijk en sterk zijn, die een snel tempo van leven en ontwikkeling hebben gevonden en zij zien anderen die arm zijn. Ze zeggen dan: “Wij zullen u helpen, broeders.” Maar zij verwachten dat die anderen hetzelfde tempo kennen, hetzelfde leven en dezelfde wet. Maar die anderen kunnen dat niet. Zij kunnen niet plotseling van schildpad tot haas worden. Men kan niet verwachten dat de vlinder die speelt opeens de werkzame boer wordt. En dan wordt de last steeds zwaarder en zwaarder en dan breken zij onder de goedbedoelde stuwing plotseling. Zij grijpen de wapens die hun meesters hun hebben gegeven en zij vernietigen hen.
Rome viel onder de barbaren. Rome was groot en veel van wat het bracht was goed. Maar toen Rome meende dat de wetten en de begrippen van Rome konden worden toegepast overal ter wereld, toen moest Rome vallen.
De wereld van heden is groot. En vele van haar denkbeelden en begrippen zijn goed en groot. Maar de mensheid weet nooit waar zij moet stilstaan en waar de evolutie vergt dat men verdergaat in een andere richting. Eenzijdig stormt zij voort en verliest zo haar mogelijkheden.
Dat is de wet die de mensheid steeds regeert. Want het doel van de wereld is niet de volmaakte mens voort te brengen. De volmaakte mens bestaat ergens anders. Het is het oerbeeld waaruit de geesten deze ontwikkeling op aarde en misschien ook elders moeten doormaken, maar de aarde zelf is de school. Hier zal de ziel, de geest steeds weer worstelen om meer te zijn, meer te kunnen, en te zijn en eindelijk moeten erkennen, dat zij verkeerd gekozen heeft, omdat zij te eenzijdig was.
De geest komt op de aarde uit een wereld waarin zij vrij was, maar die misschien niet geheel aan haar verwachting beantwoordde, omdat zij haar eigen gedachten niet beheerst en zij niet kon scheppen wat zij noodzakelijk vond. Dan komt zij op aarde. Gij verwerft begrip en macht en zegt: Ik zal regeren. Ik zal de mensheid ombuigen tot het ideaal. Maar zichzelf leert zij niet beheersen en de, mensheid beheerst zij alleen uiterlijk. Zo schept zij de waarden waaraan zij te gronde gaat.
De mens die zichzelf is en zichzelf leeft, heeft zijn einddoel op aarde bereikt. Want wie zichzelf eenmaal is en de ervaringen der aarde heeft gedronken, is rijp voor een andere wereld, voor een andere sfeer. Maar wie probeert anderen te maken tot zijn ideaal en zelf niet zijn ideaal bereikt, wie tracht anderen zijn wet te doen gehoorzamen en zelf niet de innerlijke wet te leven, die gaat ten onder en keert duizendmaal op aarde terug. Want het is een school waarin zij, die nog niet bewust zijn, steeds weer worden geconfronteerd met hun eigen onvermogen, totdat zij tenslotte zullen weten: slechts in mij kan ik zoeken naar de kracht, naar de wet, naar de juistheid. Alleen in mij kan ik de band met het Hogere vinden en alleen in mij kan ik het ideale verwerven. En daarom moet ge begrijpen dat waar een vorm op aarde volmaakt wordt, zij moet verdwijnen. In een leerschool zet men geen professor op de schoolbanken. Men zet geen meester op de plaats van de leerling. De aarde is een school.
Verwacht je dat de wetten en omstandigheden van de aarde, de beperkingen van deze wereld kunnen worden nageleefd en ondergaan door hen die waarlijk zichzelf zijn geworden? Voor hen zijn er andere werelden, andere wetten, andere sferen en krachten.
Het doel van de aarde is slechts het bewustzijn van het “ik” te doen ontwaken en daaraan vorm te geven. Dat is de taak van de geest der aarde. Het is de taak van alle krachten die de mensheid helpen, niet om anders te worden, maar om zichzelf te worden. Wat zichzelf wordt, verdwijnt. Wat zichzelf niet kan zijn, keert terug. En daarom wordt elke golf van opgaande ontwikkeling gevolgd door een dal van ondergang, decadentie en verval. Daarop zal elk volk stijgen en terugvallen. Daarom wisselen de rassen elkaar af, totdat de cyclus der rassen is voltooid en de mensheid als geheel de wereld kan verlaten, die dan geen menselijk leven meer zal dragen. Maar zij, die dan nog niet aan de geestelijke eis beantwoorden, zullen moeten zoeken in het Al naar een planeet, die een aarde kan worden met evolutie en terugval, totdat ook zij weten wat zij zijn.
Visioen
Ik zag de eb en de vloed verworden
tot één lichtende kracht;
een gloed, een droom,
waarin verblindend licht
alle kleur, alle pracht
tot kenbaar aanzijn bracht.
Ik zag winter, lente, zomer en herfst
geboren worden in één ogenblik.
Ik zag een traan tot vreugde worden,
een lach verworden tot een snik.
Ik zag de mensheid, fel verwaten,
grijpen naar het hemelruim;
en zag die mensen, neergebogen,
gebukt in menselijkheid en puin.
Ik zag een tuin, uit mensenstreven geboren,
waarin snel de ruïnes werden verhuld.
Ik zag door ’t juiste denken een Godsbeleven komen
uit wat eerst scheen der mensen grootste schuld.
Ik zag, als in een wolk van licht, gedreven
De mensheid gaan tot de oneindigheid.
Ik zag hoe kracht uit alle sferen
De mensheid tot dit doel geleidt.
Ik zag hoe alles werd gegeven
aan hem die eb en vloed verstaat
en zo in wezen leert te leven
uit de oneindige krachten, die hij ondergaat.
Zo werd in mij ’t visioen geschreven
Maar het verblindend licht werd mij wel snel geblust.
‘k Verstond niet meer: oneindigheid en toch eindig streven
Maar in mij heerste grote rust,
Want al is zijnen tijd, maar ook zijn zin gegeven.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
