Werkelijkheid: beeld – Les 07 – Inwijding, bewustwording en de werkelijkheid

image_pdf

april 1963

Inwijding, bewustwording en de werkelijkheid

De gedachte aan inwijding, aan bewustwording, aan magische bereiking is zo oud als de weg van mens tot eeuwigheid. Want op het eerste ogenblik dat de mens zichzelf ontdekt, dat hij kennismaakt met de grotere krachten buiten zich, probeert hij al een soort inwijding tot stand te brengen. Sedertdien zijn we geconfronteerd met zeer vele verschillende inwijdingssystemen, inwijdingsgedachten, esoterische scholen, magische geheimscholen, verschillende vormen van arcana. Kortom, de mensheid heeft zich voortdurend beziggehouden met de weg die niet alleen moet voeren naar een ander leven en een andere wereld, maar die de mens eigenlijk iets goddelijks moet verschaffen.

De achtergronden van dit alles zijn voor een deel psychologisch te verklaren. Maar wanneer wij toch verder doordringen in de oude wijsheid, in de verschillende stellingen van de esoterische scholen, dus ook in de gedachtegangen van allerhand filosofen, dan ontdekken wij ergens een greintje werkelijkheid. Het is een waarheid die niet naar voren komt, omdat ze bedolven blijft onder details. En overal waar wij te maken hebben met een inwijding worden we met hetzelfde geconfronteerd. Het zoeken naar de waarheid, naar de werkelijkheid in een inwijding, in een esoterisch systeem, in een geestelijke lering is als het zoeken naar goud in de modder van een rivierbedding: een enkele keer vindt men een nugget, meestal moet men zich tevredenstellen met wat stofgoud. En wie niet ijverig zoekt, vindt niets. De werkelijkheid is nl. deze: Een mens is afhankelijk van zijn eigen persoonlijkheid, inhoudende: erfelijke waarden, karakterwaarden, milieu-waarden, opvoeding, begripsvermogen, plus geloof. De kern van elke inwijding, van elke godsdienst, van alles wat er bestaat is geloof en het geloof is onbewijsbaar.

Het geloof is altijd het grote verlangen van de mens, zijn verlangen naar meer, naar leven of naar eeuwigheid. Wij mogen rustig stellen: Alles, wat met inwijding, bewustwording e.d. te maken heeft, is ergens gebaseerd op een intrinsieke waarde van het menselijk denken, die het best kan worden omschreven als een vaag, maar toch sterk erkend en gevoeld verlangen. Die verlangens worden omschreven op duizend‑en‑één verschillende manieren. Wij zullen ontdekken dat vele inwijdingen werken met goden. Zeer sterk zijn de verschillen tussen lichten duister, die overal weer tot uitdrukking komen en soms als een Ormazd‑Ahriman een eeuwige strijdmacht vormen, waartussen de mens moet kiezen. Hoe het ook zij, er is altijd het element van goden, van strijd en de mens die te midden van de woedende elementen moet zoeken naar een houvast, naar een eigen betekenis. Daarom zal elke inwijding en een groot gedeelte van de bewustwording gebaseerd zijn op het overwinnen van angst en het vinden van een zekere gedragsvrijheid.

Die gedragsvrijheid houdt in dat men zich dus van vele maatschappelijke banden en van vele gevoelsbanden heeft losgemaakt, maar dat men in de plaats van al deze gebondenheden stelt een zuiver persoonlijk ethisch besef, een dienstbaarheid aan het Al, die niet alleen door stoffelijke waarden of door geloof wordt beperkt, maar die van uit het gehele wezen als het ware wijst in de richting van die bereiking.

Deze dienstbaarheid lijkt soms nederigheid. Wanneer een monnik in een klooster gaat en afstand doet van alles, zelfs van het recht om te zeggen wat hij zelf zal doen, dan lijkt dit nederigheid, maar in het zich op deze wijze onderscheiden van een ander schuilt toch ook wel een grote dosis hoogmoed. De mens die zich op deze wijze van de mensheid afzondert, verwacht daarvoor iets terug te krijgen: een meer God-zijn of een dichter‑bij‑God‑zijn, een uitoefenen van bovennatuurlijke machten, een omgeven worden door hoger Zicht, het ontvangen van hogere wijsheid. De mens wil dus meer zijn dan mens. Of dat mogelijk is, weet hij niet.

Wanneer wij echter de feiten beschouwen, dan lijkt het haast niet doenlijk een mens bovenmenselijk te maken. Natuurlijk, in de legende gebeurt dit. In de legende is de Boeddha een prins, die alleen maar ijvert en streeft en rondgaat; is Jezus een mens, die alleen maar wonderen doet. En er wordt niet bij gezegd dat ze ook moesten eten en het tegendeel doen. Er wordt niet bij gezegd dat ze ook zo nu en dan een slecht humeur hadden en dat ze ook soms zo moe waren dat ze moesten rusten en slapen. En wanneer het al wordt gezegd, dan wordt het weggepraat.

In de inwijding vinden wij precies hetzelfde. Er wordt steeds de nadruk gelegd op het bovennatuurlijke, het sublieme, het volmaakte. Men zou haast denken dat de mens die zo streeft, het mens‑zijn eigenlijk veracht. Dat is natuurlijk niet helemaal waar, want het wordt door die mens niet als zodanig gerealiseerd. Maar hij wijkt in zijn denken zover van de werkelijkheid van zijn bestaan af, dat hij niet anders meer weet. Hij meent dat hij normaal leeft, maar hij heeft alles wat normaal was, eigenlijk achter zich gelaten. En dan komt hij – zoals overal – met zijn wijsheid.

Die wijsheid is in de inwijding over het algemeen een samenraapsel van overleveringen, ontdekkingen, feiten en veronderstellingen. We kunnen nu wel gaan spreken over de hoge waarde van de leerstellingen van Thoth, wij kunnen spreken over de bijzondere waarde van bepaalde inwijdingscentra in Indië, maar als wij ze op de keper beschouwen en dat vanuit een menselijk standpunt doen, dan blijkt er steeds weer een ontzettende vervreemding van de werkelijkheid in te zitten. Men is klaarblijkelijk niet in staat mens te zijn en daarnaast een tweede, geestelijk totaal ander leven te leiden. Er zijn er maar enkelen die daarin slagen.

Als wij over bewustwording spreken, dan vinden wij ook alweer een beeld dat eerder op een zich verwijderen van de werkelijkheid wijst dan op een intensifiëring van begrip voor de werkelijkheid. Hoe bewuster ik word, hoe meer ik boven alle dingen sta. Ergens boven staan wil zeggen: het zien als onbelangrijk, als klein, het niet meer waarderen, het terzijde schuiven. Maar wanneer je leeft, werkelijk leeft en je wordt je bewuster van alles wat dat leven biedt, wanneer je grotere krachten zoekt, dan heb je niets aan krachten die er ergens boven de mensheid zijn. Dan heb je niets aan leerstellingen die buitengewoon logisch en fraai zijn, maar die – wanneer het er op aankomt – geen werkelijke toepassing vinden. Zeker, in elke stelling en in elke inwijdingsleer, in elke esoterische school ligt ergens een geheim waarmee je kunt werken. Maar dat geheim moet je eerst zelf vinden.

De doorsneemens doet dit niet. Men wordt telkenmale weer geconfronteerd met ingewijden die – wanneer het er op aankomt – niet eens meer weten wat werkelijk is. De waarheid ontsnapt aan hun blikken. Het is gezien dit verschijnsel juist zo belangrijk dat wij dus begrippen als inwijding, bewustwording e.d. eens nader onder de loupe nemen.

Het is allemaal heel mooi om een historisch overzicht te hebben van al wat er is geweest. Maar de historie is vervalst. Wanneer u hoort van uw helden uit de vaderlandse geschiedenis, dan wordt er ook niet van gezegd dat ze dronken of dat ze eigenlijk maar onbetrouwbaar en alleen maar avonturiers waren. Piet Hein is een nationale held. Wie zegt dat hij een zeerover was, die moet al voorzichtig zijn. En als je er dan nog bij verteld dat zijn gedrag allesbehalve in overeenstemming was met de christelijke maatstaven van degenen die hem ter wille van zijn buit vereerden, dan heb je al te veel gezegd. Wanneer er wordt gesproken over het Christendom, dan mag je natuurlijk wel zeggen dat er pausen zijn geweest, die tamelijk slecht waren, want er is tegenwoordig een reformatie en die hebben het niet zo op de paus begrepen. En je moogt ook nog zeggen dat er heel veel theologische argumenten niet helemaal redelijk zijn, want daarover is men het niet helemaal eens. Maar op het ogenblik dat je zegt: Jezus was een mens, dan moet je voorzichtig zijn, want dat mag eigenlijk niet. En toch was Jezus een mens. Hij is misschien ook nog meer geweest, maar hij was een mens.

Kijk, de historie vervalst het verleden. Dat is begrijpelijk en uit utilitair oogpunt soms noodzakelijk. O, je kunt moeilijk toegeven dat al datgene waarop wij onze roem en onze grootheid baseren, onze roverspraktijken uit het verleden zijn geweest. Het zou bv. het Pruisisch Junkertum zeer pijnlijk aandoen, indien ze dit zouden moeten toegeven. En wanneer je zou zeggen dat de grootheid van Frankrijks adel eigenlijk alleen maar te danken is geweest aan de slavenhouders-technieken, die ze van ± 700 na Chr. tot 1800 hebben weten vol te houden en dat dit de glorie van Frankrijk was, dan mag dat ook niet. Maar het heeft nog enig nut, want die mensen zijn daardoor enigszins trots op hun vaderland of ze hebben een standsbewustzijn, waardoor ze verplichtingen aanvaarden, die ze anders van zich af zouden werpen.

In godsdienstig opzicht kunnen wij dat ook nog aanvaarden. Wanneer een groot gedeelte van de godsdienst eigenlijk niets meer met de werkelijkheid te maken heeft, maar de mensen een steun, een houvast geeft, terwijl ze zonder dit verloren zouden zijn, dan kunnen wij zeggen: Nu ja, het is wel niet mooi, maar wij kunnen het aanvaarden. Maar op het ogenblik dat de mens aan een inwijding begint en daarbij verkeerde waarden en valse voorstellingen een grote rol gaan spelen, heeft die inwijding geen werkelijk nut en is er praktisch niets mee te bereiken. Dan is er geen kracht meer te vinden en kun je er na de dood betrekkelijk weinig vruchten van plukken. Dat mag ook niet worden gezegd, maar dat is juist hetgeen moet worden gezegd, omdat wij in het beeld dat wij willen geven van de sferen, van de mensheid en van de geestelijke bewustwording moeten uitgaan van de werkelijkheid, van de feiten.

Ik ga nu proberen om zakelijk de verschillen tussen een inwijdingsleer en de werkelijkheid heel kort even aan te stippen.

Ik neem een betrekkelijk willekeurig voorbeeld dat ik heb gebaseerd op een Grieks‑Egyptisch mysterie. De leerstelling is, dat de mens door zich vrij te maken van alle dingen en door te dringen in de hogere werelden de krachten van de hogere werelden regeert, dat hij meester zijnde van deze krachten op aarde heer is over leven en dood, dat hij zieken kan genezen, dat hij alle talen kan verstaan, dat hij zich kan verplaatsen door de lucht.

Die feiten zijn misschien wel mogelijk, maar ze berusten zeer zeker niet op hetgeen hier wordt gesteld, nl. dat de mens binnentreedt in de wereld der goden. Er zijn heel veel gevallen dat die wereld der goden niets te maken heeft met een paranormale genezing, waarbij levitatieverschijnselen onder heel andere condities tot stand komen. Alles, wat hier wordt gegeven, is een aanbeveling om de mens toch vooral aan de leer te binden, maar het heeft met de feiten niets te maken.

Dan wordt gesteld: De mens die de inwijding ondergaat, moet afstand doen van alles. Ik meen dat dit voor bepaalde tempels e.d. voordelig is, maar dat dit dan ook de enig werkelijke waarde is, die daaraan is verbonden. Het is niet onze taak om afstand te doen van iets in het leven. Het is onze taak om ons niet te binden aan iets in het leven en dat is iets heel anders. Alles in het leven is er om het te gebruiken. Alles in het leven moet zo goed en zo nuttig mogelijk worden gebruikt. In dat geval zullen de waarden van de meest eenvoudige dingen plotseling kunnen veranderen en dan kan een gewone wind een potentie krijgen van wreker of redder, dan kan water even goed een weg worden als een middel tot wraak. Maar we moeten eerst uitgaan van de dingen die er zijn, die wij hebben. Het is niet het afstand doen van alles.

Inwijding verkrijgen betekent sterven. Die stelling vinden wij niet alleen in het door mij bedoelde inwijdingssysteem, maar praktisch overal. Is dat echter waar? Neen, een mens die wordt ingewijd, sterft niet. In een werkelijke inwijding word je geconfronteerd met de werkelijkheid omtrent je eigen wezen. Dat is waar. Maar dat is geen sterven. Je laat geen wereld achter, die je nooit meer zult betreden. Integendeel, je beleeft de wereld na de inwijding intenser en vollediger dan ooit tevoren. Maar in de oudheid dacht men dat de dood voor zeer velen een werkelijk einde betekende. En in alle godsdiensten der oudheid hield men zich bezig met een methode om althans de groten een voortbestaan te verzekeren.

Als u kijkt naar bv. de Aku‑beelden op Paaseiland of naar de grote beelden en de graven van Egypte of naar de mummificatie‑processen, toegepast door de Inca’s, waar u ook kijkt – tot zelfs bij de verbranding van de Vikingen (op een schip, de loutering door het vuur) – alles is gebaseerd op het voortleven, het zich verzekeren van een voortbestaan. Men is er echter niet zeker van.

Bij de inwijdingsprocedure meent men door te doen alsof men sterft en daarbij beproevingen op te leggen, die de werkelijke dood soms zeer nabijkomen en zelfs kunnen veroorzaken, de mens te bevrijden van het werkelijke sterven. Dat is helemaal niet waar en heeft niets meer met de werkelijkheid te maken, maar het is de behoefte van de mens om voort te leven, die hem de kracht geeft om de beproeving te doorstaan. Men zou haast zeggen: er wordt gebruik gemaakt van een psychologische truc om de mens in de inwijding te kunnen betrekken en hem via deze inwijding te vormen.

Wat gebeurt er dan wel? Wanneer wij iemand inwijden en wij stellen hem op de proef, dan blijkt dat hij daarvoor veel over heeft, dat hij veel wil offeren om iets geestelijk te kunnen bereiken (of het nu bewustwording, een inwijding of wat anders betreft), moet men het meer begeren dan alle andere dingen. Want zelfs een geloof is niet in staat om u aan een bereiking te helpen, tenzij uw volledig wezen daarachter staat. De gehele intensiteit van uw bestaan moet gericht zijn op dat ene doel, dan bereikt u. En zo vind ik dus als confrontatie met de werkelijkheid altijd weer een illusie. De suggestie van de dood in God, gesymboliseerd door grafplechtigheden en bloeddoop, ze zijn tenslotte een soort poppenkast, waardoor de mens zichzelf tevredenstelt.

En dan komen de leerstellingen. Een van de systemen die misschien het beste was op dit terrein, was het Pythagoreïsche. Men ging uit van het standpunt dat horen belangrijk is, dus het absorberen van waarden. Een mens wordt meer, doordat hij meer van de buitenwereld in zich opneemt. Dat betreft niet alleen de ideeën, maar alles wat hij ziet, hoort en beleeft. Hoe meer hij beleeft, ziet en in zich opneemt, hoe meer hij waard wordt, hoe meer hij bewust kan worden en hoe gemakkelijker hij inwijding vindt.

De tweede fase was het gebruik van de invloeden die men had erkend. Het betekende dat bv. de Pythagoreeërs onnoemelijk veel aandacht hadden voor wat u muziek zou noemen. Maar dat was niet de muziek van het westen, het was eerder de zuivere vorm van incantatie: het beheersen van de trillingen in het geluid, maar later ook op ander terrein, waardoor je je in de wereld gemakkelijker uit. De bewustwording betekent niet slechts in jezelf meer van de wereld beleven, maar ook jezelf meer in die wereld te uiten, je ideeën als het ware nieuw leven verschaffen in anderen.

En dan komt de derde fase van de Pythagoreeërs en dat is het berekenen. De mathematikoï. Hier denkt de moderne mens aan de wiskundige met zijn berekeningen. Maar dat is niet helemaal waar. Zeker, de Pythagoreeërs hebben veel ontdekt dat voor de moderne wiskunde nog belangrijk is. Maar hun werkelijke bedoeling was de formule te vinden, het symbool, waardoor de mens volgens de rede en uitgaande van zijn eigen werkelijkheid zou kunnen doordringen tot het terrein van het onbekende. Zij waren filosofen in de zuivere zin van het woord, want zij gingen uit van alle bekende feiten en bouwden daaruit stellingen op, die – door de ervaring bevestigd – op den duur het grote machtwoord, de grote oplossing konden geven. De door mij bedoelde Grieks‑Egyptische richting echter kwam niet zo ver. Want waar de Pythagoreeërs het begrip vooropstelden, stelde men in zeer vele oude inwijdingen het kennen van het magische woord voorop. En hier komt weer het geloof op de voorgrond.

Wanneer ik een zinloze klank uitstoot en ik geloof dat zij iets betekent, dan kan ze voor mij inderdaad een uitdrukking van emotionele kracht worden. Ik kan door haar geluidswaarden iets in de wereld buiten mij uitdrukken, maar zij kan mij niet in contact brengen met de eeuwigheid, zoals ik dat soms denk. Daar leerde men dit echter wel. Het uit het hoofd leren van lang vergeten toverspreuken in oude talen, maakte haast overal deel uit van de scholing. Daarnaast echter werd in vele inwijdingen ook wetenschappelijk onderzoek gedaan. Men wist dus iets van chemie, van geneeskunde, van smeden (Ik zeg “smeden”, omdat ervan feitelijke metallurgie nog geen sprake was.)

De inwijding hield vaak ook in een aantal formules die bv. in de bouwkunde van belang waren: de beroemde Gulden Snede die we vinden toegepast in de tempels van Egypte, maar ook van Griekenland. De wijze waarop kapitelen werden gehouwen en de structuur van een lintel of poortoverspanning waren praktische inwijdingsgeheimen. Maar daaraan werd niet de betekenis gegeven die ze werkelijk had, dat wil zeggen: ze werden niet gezien als een beheersing van de materie, waardoor men meer zichzelf kon zijn of zuiverder iets kon uitdrukken, maar als een magisch geheim. De juiste tapering (spits toelopen) van een kolom had een magische betekenis en daarmee werd de werkelijkheid verlaten. Er was sprake van een zeker visueel bedrog, dat is waar, maar dat is geen magie.

Die wetenschappen hadden de gewoonte om stellingen die eenmaal waren aanvaard, niet meer verder te onderzoeken. En dat wil zeggen dat een groot gedeelte van de wetenschap in feite zeer dogmatisch was, nog meer dan tegenwoordig. Iemand die dus werd ingewijd, geloofde vaak iets te weten, zonder het te weten. En op basis van de dingen die hij meende te weten, bouwde hij op magisch of filosofisch terrein complete structuren op, die hem op den duur weer vervreemden van zijn eigen leven. Zonder het te beseffen, zijn vele ingewijden van de oudheid (de groten en de goeden uitgezonderd) eigenlijk in een waanwereld terecht gekomen. In een wereld vol illusies, waarin ze zeker bepaalde paranormale eigenschappen konden ontwikkelen en waardoor ze konden binnentreden in bepaalde sferen, maar waarbij ze nooit in staat waren dit op de juiste wijze in relatie te brengen met zichzelf en met de wereld waarin ze toch bestonden. Ziet u, hierin ligt dus het grote gevaar: het je verwijderen van de werkelijkheid. En toch moet er werkelijk een inwijding mogelijk zijn. Er moet een bewustwording bestaan die niet op illusies is gebaseerd, maar op een waarlijk leven. Deze waarden te omschrijven is alweer een zware taak, die ik hier alleen in betrekkelijk eenvoudige en wat zakelijke termen kan weergeven.

  • Elke werkelijke inwijding is gebaseerd op het samengaan van de bestaande feiten plus de innerlijke erkenning.
  • Elke werkelijke bewustwording is gebaseerd op realisatie, beheersing en uiting van alle waarden die worden beseft in verband met het bestaande.
  • Inwijding en bewustwording zijn niet mogelijk, zodra zij uitgaan van stellingen die onbewijsbaar zijn (zelfs voor het “ik”) of uitgaan van dogmatische stellingen die niet in overeenstemming zijn met de waarneembare feiten in eigen wereld.
  • Elke bewustwording en elke inwijding zal eventueel gebaseerd moeten zijn op buitenaardse krachten, mogelijkheden en erkenningen, zoals die zijn kenbaar gemaakt in de wereld van de materie.

U denkt misschien dat er veel meer komt. Maar dit is het. Dit zijn de feiten. Want als we zo met een paar eenvoudige regels de bewustwording en de inwijding proberen terug te brengen tot de werkelijke proporties, dan gaan we ons vanzelf ook afvragen of wij daaraan ook werkelijk iets hebben? En wat blijkt nu? Alles, wat wij ons dus uit de veelheid van lering en wijsheid die overal wel eens wordt gegeven en die beschikbaar is, kunnen eigen maken, dat wat voor ons spreekt, dat wat in ons beleefbaar is (dus een gevoelskwestie), is voor ons van buitengewoon grote waarde. Want elk contact dat wij leggen in eigen wereld (zoals bv. u in de stofwereld), betekent een gelijksoortige harmonie in alle werelden, waarin wij bestaan. Wij behoeven dit niet te geloven en dit niet voorop te stellen. Dit is een feit dat kenbaar wordt door de toename van krachten en inzicht, de vergroting van zelfkennis, de juiste realisatie van eigen mogelijkheden die eruit voortspruiten. Het is niet zo dat de inwijding moet zijn volbracht, voordat haar betekenis in ons en door ons kenbaar kan worden. Het is zo, dat al wat wij puren aan wijsheld, aan begrip, aan inzicht in onszelf onmiddellijk invloed heeft op het leven dat wij leiden en dat het daaraan nieuwe waarden of nieuwe zekerheden toevoegt.

Het zal u duidelijk zijn, dat op een gegeven ogenblik de plek waar je naar goud delft, leeg kan zijn, er komt niet meer voldoende uit, het is niet rendabel genoeg. Dan moet je naar een nieuwe goudmijn zoeken. Wanneer een bepaald inwijdingssysteem of een bepaalde wijze van werken op een gegeven ogenblik geen vruchten meer oplevert, dan is het helemaal niet erg dat een mens iets anders gaat proberen. Er is echter één voorwaarde: wat je eenmaal hebt verworven, mag je niet prijsgeven. Wat in je leven van belang is geworden, wat je aan ervaring hebt opgedaan, wat je in de wereld hebt geleerd te erkennen of tot stand te brengen, dat moet je altijd behouden. De inwijding die dus schijnbaar een procedé is dat kan worden geleid door degenen die u inwijden, degenen die u verder helpen, is in feite een persoonlijk proces. Het is een ontwikkeling van je eigen wezen. En de meest volledige inwijding die er op aarde bestaat, is dan ook niet een volledige kennis of erkenning, maar het is een volledig gebruik weten te maken van grote krachten.

Jezus bewijst niet alleen door zijn woorden dat hij een ingewijde is, maar door de resultaten, die die woorden hebben. Hij bewijst dat hij een kenner van de magie is niet alleen door zijn gelijkenissen, maar ook door de wijze waarop hij bv. demonen uitdrijft. Al deze aspecten moet u goed begrijpen.

Inwijding is een weg van steeds meer doen, van steeds intenser belevingen en bereikingen, waarbij het verstand en al wat daarmee samenhangt een hulpmiddel kan zijn (soms een machtig), maar toch niet al beslissend kan worden geacht. Eenieder die u zegt dat de inwijding afhankelijk is van één enkel systeem, die bedriegt u en waarschijnlijk ook zichzelf. Eenieder die u zegt dat bewustwording alleen kan worden gevonden langs bepaalde wegen, bedriegt u, want er zijn vele andere wegen. De werkelijkheid is deze: Het gehele leven is voor degene die het intens en goed leeft één en al inwijding en bewustwording. De school is alleen maar het middel, waardoor de mens zich meer bewust wordt van de mogelijkheden, maar niet de mogelijkheid op zichzelf.

Ik hoop dat ik daarmee de ideeën van ingewijd‑zijn en van bewustwording niet heb ontluisterd in uw ogen, want niets is minder mijn bedoeling. Wij moeten echter op een bepaald ogenblik beseffen: wat is waar, wat is de werkelijkheid. Het blijkt ons dan dat de werkelijkheid niet strookt met de vele stellingen, die ons zijn verkondigd en met het vele dat men ons voortdurend voorhoudt. Het blijkt dat de werkelijkheid alleen strookt met datgene wat wij innerlijk bereiken, van uit onszelf bereiken, dat de werkelijkheid niet vraagt naar de theorie maar naar de feiten.

Het is tijd dat men in zijn zoeken naar beter begrip en inzicht in zichzelf en in de wereld afstand begint te doen van zijn illusies. Er is vaak de illusie dat het voldoende is een woord te spreken. Maar ik verzeker u: een woord vindt zijn juiste betekenis pas wanneer het ook de juiste toon heeft en de juiste achtergrond. Men meent dat het voldoende is een bepaald systeem van buiten te leren om te weten hoe het de geest zal vergaan in de sferen. Laat mij u verzekeren dat alleen de eigen beleving duidelijk kan maken wat de sferen eigenlijk zijn en dat elk systeem ergens fout is, omdat het een paar dimensies tekortkomt. Men zal zich natuurlijk willen afvragen wat dan de juiste methode is. Ik geloof dat die van periode tot periode verschilt.

Als ik denk aan de duistere inwijdingen in Indië, waar men zich in grot‑tempels terugtrok, dagenlang zonder licht vertoevende, steeds weer uit de verte de gezangen, de offerkreten horend en dan tenslotte staande voor een spiegel (de enige overgeblevene, die nu nog beroemd is, is de zgn. Spiegel der Wereld) zichzelf en de kosmos probeerde te erkennen, dan moet ik zeggen dat dat tegenwoordig niet zou passen. Wat in die dagen voor degenen, die inwijding zochten, de grootste innerlijke verdieping was, de grootste bewustwording, dat zou tegenwoordig voor sommigen waanzin zijn en voor anderen alleen het bevorderen van de natuurlijke luiheid.

Wanneer wij denken aan de labyrinten die in de inwijdingen in Griekenland een rol speelden en de verschrikkingen die daarin plaatsvonden, dan moeten wij ook toegeven dat dat tegenwoordig niet zou passen. Want wat daar de grote sensatie was, de grote angst, ach, dat is voor de moderne mens zoiets als een spookbaan, een soort kermisattractie, die aardige griezels geeft, maar waar verder de gedachten toch niet meer bij blijven stilstaan om zich allerhand eeuwige en kosmische waarden te realiseren.

Wat de alchimisten eens leerden als filosofisch en als praktisch systeem was voor hen vol betekenis, want zij dachten nog niet over moleculen en chemische fabrieken. Zij dachten over het wonder van de stoffen die hun geaardheid veranderen, over het samen komen van lichtende en duistere krachten en over het samentreffen van de essentiële waarden van het leven. Maar tegenwoordig kun je met de alchemie alleen weinig bereiken, want de mensen denken onwillekeurig meer aan een laboratorium en aan een chemicus dan aan God en aan de kosmos. En daarom zal de inwijding in deze tijd weer het simpele, het eenvoudige plan moeten bereiken dat ze lang geleden heeft verlaten. Er is geen behoefte meer aan de cerebrale activiteiten van voorheen. Er is geen behoefte meer aan het besloten mysterie. Wat nodig is, dat is de eenvoudige slagzin die een mens dwingt om te denken. Er is behoefte aan de eenvoudige woorden, die eigenlijk zo oud zijn als de mensheid zelf, maar die in de mens weer gaan leven.

De tijd van het steeds nieuwe, het voortdurend uitbreiden van het systeem, het verder doordringen in de oneindigheid, moet de inwijding en de bewustwording zo’n beetje loslaten, voor zover zij in het bijzonder de richting uitgaat van de geestelijk bewuste en rijpe mens. Het onderzoek dat eens de inwijding karakteriseerde, is thans het onderzoek van het leven. Men vertelt u morgen dat er ergens aan de achterkant van de maan iemand is geland en er een foto heeft gemaakt en overmorgen dat ze op Mars zijn geland. Ze vertellen u dat ze zijn doorgedrongen in de diepste diepzee, dat ze nieuwe atomen en nieuwe elementen hebben gevonden. En u neemt het aan. Maar het is voor u van geen belang. Deze dingen kunnen geen inwijding en geen bewustwording meer zijn, ze zijn deel van uw dagelijks leven. Wat nodig is, is een achtergrond, een typische achtergrond voor dit dagelijks leven. Niet iets dat je ervan verwijdert, maar iets dat je er meer intens deel van maakt. En ik ben bang dat die eenvoud menigeen verwerpelijk zal lijken.

Wanneer je probeert eenvoudig te zeggen wat waarheid, wat licht, wat leven is, dan halen de mensen al heel gauw de schouders op en zeggen: Dat hebben we al duizend keer gehoord. En wanneer je eenvoudig zegt: Mens, je moet je gehele leven richten op één ding: zoek harmonie met alles en allen, dan roepen ze uit: Is dat nu een inwijding? Ik verwacht een geheim. Ik moet iets bijzonders hebben.

Maar de tijd van de verpakking is voorbij. Een opbouw van vele duizenden jaren vindt in deze dagen zijn bekroning en gelijktijdig de ontknoping, misschien zelfs een zekere ontluistering. Het geheim valt weg. Het geloof dat boven alles vaststaat en dat aan buiten het “ik” bestaande regels is gebonden, valt weg. Het geloof aan de juistheid van bepaalde wetten, regels en gedragsmethoden, valt weg. Wat er overblijft zijn de eenvoudige banden van leven en kosmos, de heel eenvoudige woorden en begrippen, die doodgepraat lijken. Die heel eenvoudige dingen, die alleen maar zin krijgen, als u begrijpt dat ze in uw eigen leven vormend, richtend en opbouwend moeten zijn.

Wanneer ik u allen zou laten uittreden, vijf, zes sferen boven deze wereld, dan zou u zeggen: wat de Orde doet, is groots. Maar u zou er niets aan hebben, want u zou er niets mee kunnen doen. Maar wanneer u één vonk van licht – zij het uit een innerlijk geloof dat niet van buitenaf wordt gefixeerd, maar dat in u leeft – kunt scheppen en dat licht in de wereld zo weet te gebruiken dat het resultaten heeft, dan is uw bewustwording ver gevorderd en dan wordt u waarlijk ingewijd in de krachten van het Licht.

Het innerlijk pad, het pad der zelferkenning, hebben wij hier eigenlijk een beetje terzijde gelaten. Maar ook een zelferkenning is alleen mogelijk op grond van de feiten. Het is ook hier de werkelijkheid, die regeert. Al droomt u duizendmaal dat u bent doorgedrongen tot de lusthoven die ergens in uw ziel leven, zolang zij u geen ogenblik van kracht en van respijt geven, zolang u niet iets van de edele en lichtende waarden die u daar hebt ontdekt, kunt doorgeven hier op aarde, heeft u niets gedaan, heeft u niets bereikt. Maar wanneer u in uzelf iets ontdekt hebt en u hebt het in praktijk gebracht, u hebt het geleefd, u hebt uzelf niet alleen erkend, maar u hebt zich aangepast aan de waarheid omtrent uw leven, dan leert u en ontwikkelt u zich.

Dat is nu eigenlijk de kern van het onderwerp, wij moeten terug naar de eenvoud. Naar de grote eenvoud die zich niet bezighoudt met trots, met schaamte, met zelfverheffing en zelfnegatie, maar die alleen maar vraagt: Wat is de werkelijkheid, waarin ik leef? Vraag niet wat men zegt dat waar is. Vraag wat u innerlijk gelooft als waar en stel het op de proef.

Wanneer er een Meester komt en hij spreekt tot u, zeg dan niet: Het is de Meester en daarom is het waar. Maar zeg tot uzelf: Wat is het antwoord, dat ik op deze dingen geef? En als ik mij dat antwoord realiseer, wat kan ik ermee doen? Wanneer u dit alles hebt overwogen, dan zult u misschien ook opnieuw goud gaan zoeken. Goud zoeken niet meer door enorme hoeveelheden wijsheid of geleerdheid te verwerken of ze als een stortvloed over u heen te laten gaan. U zult niet meer gaan zoeken door te vragen: Wie zegt dat hij mij inwijdt? En wie zegt dat hij mijn bewustzijn vergroot? U zult zich afvragen: Wat is in de praktijk waar van dit alles? En omdat u naar de praktijk vraagt en omdat u vraagt naar de werkelijkheid, zult u ontdekken dat de eenvoudige, maar grootse krachten en waarheden die deze dagen gaan beheersen, in u een antwoord kunnen geven, waaruit u waarlijk leeft met ziel en geest en stof, waarmee u waarlijk iets kunt bereiken. Niet alleen in het hiernamaals, maar ook in uw eigen wereld, waarin u werkelijk iets kunt betekenen voor de mensheid, maar ook de betekenis van die mensheid beter in uzelf kunt beseffen. Niet later, maar nu.

De tijd dat het nodig was te werken met veel woorden en veel begrippen, gaat voorbij. De tijd van de eenvoud komt, de tijd van de praktijk die alle dingen te boven gaat. Want dit mag ik dan tot besluit van mijn rede wel zeggen: Dit is niet alleen de tijd waarin de krachten des Lichts werken. Dit is de tijd waarin de mens moet reageren en waarin hij voor een keuze staat die niet meer zegt zo verder te gaan of anders verder te gaan, maar ten onder gaan in de afwijzing van de lichtende krachten en in de verdwazing daaruit voortkomend. Ofwel in dit leven verdolen in een waan en zeer waarschijnlijk de eerste paar tijdperken dat je in die sfeer vertoeft, geen uitweg meer vinden, dan wel het licht in jezelf ontvangen en bevestigen en levend in de werkelijkheid en uit deze werkelijkheid en haar belevingen je inwijding te vinden, je ervaring te vinden en de harmonie die de enige weg is tot de werkelijke en volledige bewustwording.

De kracht van het licht

Wat wij het licht noemen is in wezen geen zichtbaar of kenbaar licht, maar eerder de hoge energie, de trillende substantie van het leven zelf.

De krachten van het Licht, waarover men spreekt, zijn de grote Leraren, de Geesten, de Heerschappijen, de Tronen en de Aartsengelen, degenen die deze materie in zich zo wisten te verwerken om haar te maken tot iets dat spreekt tot de mens. Want zoals de blinde het licht niet kan zien, maar de warmte ervan kan voelen, zo kan de mens de essentie van het leven zelf niet voelen, ervaren of ondergaan, maar kan hij slechts de invloed daarvan op zijn eigen persoonlijkheid, de aanpassing daarvan aan zijn gevoeligheden vaststellen.

Te spreken over de essentie zelf, over het licht en het leven betekent te spreken over datgene wat in ons allen bestaat, maar dat geen van ons op een andere dan zuiver persoonlijke wijze zou kunnen omschrijven of weergeven. Daarom wil ik op deze avond dan ook niet spreken over de kracht van het licht in haar oorspronkelijke vorm, maar wil ik trachten u iets te schetsen van haar wezen, zoals dit door de vele grote mediators tot uiting komt.

Wij weten dat er krachten optreden als mediator of mediatrix en zo het Licht, de Goddelijke Essentie zelf tot de mens kunnen richten. Er zijn vele systemen om deze krachten te verdelen. Wij spreken over de Heren van Licht, van Kracht, van Liefde, van Wijsheid. Wij spreken over de Engelen, die zijn de strijders, de boodschappers, de Heren van Dood, de Heren van Leven, de dienaren van het Licht. En daarmee geven wij hun een gestalte die voor ons aanvaardbaar is. Maar wanneer het Licht zelf wordt opgebouwd, dan zal het ook door deze heen zijn eigen geaardheid blijven behouden. Of het nu de Engel des Doods is of de Engel des Levens of een Heer van Wijsheid of een van Liefde die het Licht naar de aarde projecteert, altijd blijft de eigenschap van het Licht zelf behouden het leven of – zo ge wilt – de eeuwigheid.

Het eeuwige, het onvergankelijke en toch van vorm steeds wisselende, dat wij kennen als leven, wordt – bevrijd van zijn vorm – tot kracht van het Licht, het is niet het Licht zelf. Wanneer ik over God spreek, dan spreek ik onwillekeurig over Gods liefde. En toch is de liefde van de Vader gelijktijdig de uiting van Zijn rechtvaardigheid. Ge moet dus beseffen dat het Licht zich altijd aan u zal tonen, zoals gij het kunt beseffen en dat elk woord en elke kracht van Licht die wordt gebracht, voor u een persoonlijke en bijzondere betekenis heeft. Een betekenis die bij een ander niet zo precies behoeft te bestaan. Wie het Licht erkent, zal de kracht van het Licht ervaren volgens zijn wezen.

Hoe groot is de macht van het Licht zelf: Het kan leven doen veranderen, het kan tijden doen samentrekken tot een ogenblik of doen uitdijen tot een oneindigheid. Het Licht zelf, die bron van levende Kracht, kan een zon ontsteken aan de hemel en alle sterren doven en toch blijft het zichzelf.

Het zoeken naar de kracht van Licht buiten ons brengt ons altijd moeilijkheden. Wie zoekt naar een licht dat buiten hem schijnt, hij is afhankelijk van al wat rond hem is. Want steeds weer zijn er waarden die zich stellen tussen hem en het licht.

Wanneer ge zegt “Gods Licht is met mij” en er komt leed en droefenis, dan voelt ge u verlaten en het is toch niet het Licht dat is heengegaan. Er is slechts iets gekomen tussen u en het Licht, meer niet. Maar wie het Licht in zich draagt, die heeft daarin een kracht en een vermogen ontdekt, die hem verenigen met alle tijd, met alle werkelijkheid en alle leven.

Zo kunt ge de krachten van het Licht alleen vanuit uzelf waarlijk openbaren. En ge kunt die niet alleen openbaren – zoals ge misschien soms zal denken – in het gebod, in het uitstralen van kracht, want de vorm is onbelangrijk. Niet alleen de sferen of de geestelijke wereld, maar al wat er bestaat kunnen wij beroeren met de kracht van het Licht, dat ook in ons leeft. En hoe meer licht wij in ons bevatten, hoe sterker het licht ons wezen doortrilt, hoe sterker al wat wij zijn en doen een uiting wordt van het Licht en hoe meer al wat wij betekenen voor de wereld een uiting is van de kracht van het Licht.

Het is eenvoudig te spreken met vage termen zoals bv. het Koninkrijk Gods, termen die hun zin hebben verloren door de voortdurende herhaling. Maar wanneer ik u zeg dat de kracht van het Licht zelf de bevestiging is van de band die wij hebben met het Licht, dan wordt het anders.

Men heeft altijd gedacht dat het Koninkrijk Gods iets is voor enkelen. Maar ik zeg u: het Koninkrijk Gods is het Licht dat in allen leeft en daarin zijn alle dingen verenigd. En wie deze waarden scheidt, scheidt ze tegen de wil en buiten de natuur. Hij scheidt ze, omdat hij de eenheid vreest en haar niet kan erkennen.

Het Licht dat in ons woont, moet worden beseft. En wanneer wij dit doen, zo zullen wij hieruit een zekere kracht putten en wij zullen ons soms sterk voelen tegenover de moeilijkheden van het leven en de geestelijke ervaringen of beproevingen die zo vaak worden opgelegd. Maar wanneer wij beseffen dat het Licht dat in ons is, niet al het Licht is, dat wij kunnen bevatten, dan beseffen wij ook dat de kracht die in ons leeft zelfs in de meest intense aanvaarding van de Oneindige – een veel te kleine kracht is.

Wanneer een mens leeft alleen uit de kracht hem gegeven, zo is er in hem een vonk licht, voldoende om hem te doen bestaan van het begin tot het einde der tijden. Maar wanneer die mens zich bewust is van het Licht, dan blijkt dat een groot gedeelte van zijn denken, van zijn leven en van zijn gevoel zich met dat Licht kan vullen. Hij kan meer bevatten dan hem werd geschonken. Hij kan dus ook meer krachten bezitten dan hem oorspronkelijk werden gegeven. Hij kan een grotere eenheid bezitten met het heelal en met al wat erin bestaat dan hij nu mogelijk acht.

Wanneer op vaste tijden de grote Heersers, de Meesters van Ruimte, de Meesters van Wijsheid en van Licht, de lichtende Krachten een wereld of een aantal werelden benaderen, zo spreekt men daar soms van een openbaring, men spreekt er van de overgang naar een nieuwe Heerser. Maar in wezen gebeurt er iets anders.

Wanneer ik een scherpe en goed gebogen spiegel neem en ik vang het licht van de zon, dan kan ik een scherpe lichtbundel richten daar, waar schaduw is en alles zal er zichtbaar zijn, alsof de zon zelf daar zonder meer scheen. En toch zal er niet de verzengende hitte zijn van de zon, die onverdraaglijk is; die kan alleen in het brandpunt bestaan. Zo nu nemen de Groot‑Krachten het Licht. En wanneer zij hun aandacht richten op een bepaalde wereld of op een bepaald deel van het Al, zo wordt een groot gedeelte van het werkelijke Licht uitgestraald, ook naar werelden die eigenlijk nog niet rijp waren om voor zich de intensiteit van beleven en ervaren te ondergaan.

Wanneer er nu een enkeling is, die dit erkent, dan zal hij in dit Licht zich kunnen voeden, totdat hij ook het Licht direct kan verkrijgen, verdragen en beseffen. En zelfs zij die alleen maar een lichte honger naar het Licht hebben ervaren, zij putten uit het Licht een kracht, waardoor zij zich voorspoediger zullen ontwikkelen en groeien.

Zo is het op het ogenblik met uw wereld. Steeds meer en sterker worden de werkingen en krachten van het Licht geconcentreerd op deze wereld. Zij wordt gebaad in een steeds sterkere bundel, die de gehele wereld misschien niet voortdurend zal beschijnen, maar die toch weer grote dalen van de mensheid kunnen drenken met die kracht van Licht.

Wanneer zij nu wijsheid bezitten en weten dat zij meer Licht moeten ontvangen, dat zij meer Licht kunnen ontvangen, dan zullen zij zich kunnen verzadigen. Zij kunnen worden tot een licht in de schaduw, tot een kleine zon, wanneer de grote zon is heengegaan. Zo geven de Grootmeesters van de lichtende Kracht soms zelfs gedurende een langere tijd voortdurend hun impulsen.

Een enkeling treedt terug in de eenzaamheid of beseft plotseling de nieuwe waarden van het bestaan. En hij roept uit: ­”Nu erken ik het Licht en ik wil de kracht van het Licht manifesteren, ik wil haar openbaren in de volheid van haar wezen. En dan wordt hij tot een leraar die wonderen doet, tot een ingewijde die rondgaat. Niet de meerdere van hen die het Licht niet konden aanvaarden, maar één die een kracht bezit, die zijn eigen kracht overtreft, een die sterk is en daardoor hen kan steunen die zwak zijn, een die de vrede kent en daardoor de strijd kan terugbrengen tot dat wat werkelijk noodzakelijk is. Zoals ik reeds zei: het Licht bereikt op het ogenblik uw wereld. Maar het is niet voldoende dat het Licht uw wereld bereikt. Het is nodig dat de mensen ontwaken tot het besef dat het Licht voor hen bestaat, dat zij meer kunnen zijn, ja, meer moeten zijn dan alleen maar levenden, die gaan van geboorte tot dood, van dood tot geboorte. En dit nu past zeer wel bij hetgeen de eerste spreker u heeft gebracht. Dit is de praktische waarde van het leven, de praktische waarde van het Licht: Vraag u niet af: Vanwaar komt dit Licht? Want wie in in de zon staart, wordt verblind en wie tot de zon gaat, wordt verbrand. Zeg alleen: “Het Licht is hier. Ik moet ermee werken en ik moet ermee leven en al wat dit Licht in mij kan zijn, dat moet ik in mij ontvangen en van uit mijzelf voortbrengen. Om dit goed te kunnen doen is het noodzakelijk dat men op de juiste manier harmonie kent.

Harmonie is niet alleen maar de theorie van een samengaan, een samenwerken. Harmonie is de volledige aanvaarding van elkander. Harmonie betekent dat eenieder naar zijn krachten bijdraagt tot het geheel, zonder ooit te vragen of anderen ook het hunne doen, zolang het eindresultaat maar goed is. Harmonie wil zeggen: bereid zijn om te ontvangen al wat u wordt gegeven. En bereid zijn om alles te geven wat ge bezit en zijt, opdat er samenwerking, eenheid en begrip zij. Wij hebben dit wel eens uitgedrukt als naastenliefde. Maar geloof mij, naastenliefde is een begrip dat teloor is gegaan in de verwarring van de tijd. Er is geen sprake meer van uw naaste liefhebben, omdat hij uw naaste is of beseffen wie uw naaste is en leven uit hem. Wat nodig is, dat is de vrije samenwerking van de harmonie, het harmonisch samengaan. Wat nodig is, is niet slechts het aanvaarden van de banden, die ergens door een noodlot of door goddelijk gezag tot stand zijn gekomen, maar het zoeken naar de banden die grotere eenheid brengen. Harmonie wil niet zeggen: blind zijn voor de verschillen in waarden, in denken en leven die er bestaan, maar het wil zeggen al deze uiterlijkheden dienstig maken aan dat ene: het gezamenlijk bereiken.

De krachten van Licht, die komen en die er zijn, zullen dit alles tot stand moeten brengen. Het is niet slechts het lot der mensheid, dat hiermee gemoeid is, ofschoon dat al veel zou zijn. Neen, het is het geestelijk nut van het mens‑zijn, dat hiervan afhangt, het bewustzijn dat in de menselijke vorm kan worden gevonden, het wonder, het Licht, de ontwikkeling van de menselijke vorm, maar ook de geest die de menselijke vorm weer verlaat. Hier wordt in voor u misschien onvoorstelbaar tempo bepaald of de mensheid zal worden vernieuwd of zal terugvallen. Of de geest die de mensheid heeft gekozen als haar weg door het leven, de vrijheid zal vinden van een waarlijk mens‑zijn door alle sferen, of de band met de mensheid zal moeten verbreken, indien zij verder wil stijgen in licht en in waarheid. De kracht van het Licht maakt het mogelijk om alles te veranderen. Onopvallend misschien, zodat het uiterlijk haast lijkt alsof er niets geschiedt, maar door een verandering van innerlijke waarden, innerlijke krachten en gedachten valt de strijdvaardige felheid weg die zovelen bezielt, om daarvoor in de plaats te stellen niet de lusteloze verdraagzaamheid, maar de bewuste aanvaarding van alle verschillen om de kracht die in allen toch de grondwaarde is, te doen werken.

Het is moeilijk om deze lessen te laten doorklinken in de mensheid. Wanneer wij spreken in de oude termen, in de oude taal, dan zijn er velen die zich daardoor gevangen geven. Die zeggen dan: “Is dit God?” of: “Dan is dit de Meester.” Misschien is het waar. Maar het gaat er niet om dat zij de Meester aanvaarden, het gaat erom dat zij de Kracht aanvaarden en het Licht in zich ontvangen.

Er zullen er velen zijn, die strijdvaardig worden en zeggen: “Wij hebben geen behoefte aan een godsdienst” en zij beseffen niet dat God dienen en leven hetzelfde is, onverschillig hoe je leeft. Ze beseffen niet dat wat wordt gegeven en gebracht eerder een middel is om waarlijk te leven en niet een godsdienstig dogma dat zich onttrekt aan de werkelijkheid.

De les van deze dagen is eenvoudig en moeilijk tegelijk.

Gij leeft. Gij zijt op deze wereld. Gij beseft misschien zelf niet wat ge zijt, maar in u is een behoefte, in u is een stem, in u is een weten, in u is een kracht. Zeg niet dat dit van buiten komt. Zeg niet: “Ik zal de wil Gods doen, zo deze mij duidelijk wordt.” Zeg: “Dit is de Kracht die in mij leeft. Hierin moet ergens het Licht kunnen leven. In al deze dingen moet ik liefde voor het leven, aanvaarding van het leven en meer betekenis in het leven kunnen vinden, want dan alleen kan de kracht van het Licht door mij werken.”

Ge kunt knielen voor een altaar en bidden, zoals zovelen. Maar voorwaar, beter is het te spelen in de zon en God te loven om Zijn liefde voor het leven en de werkelijkheid dan droevig in het duister te knielen en zich te verheffen boven de mensheid, zonder de kracht te bezitten om dit waar te maken.

Velen van u strijden op het gebied van politiek of geestelijk inzicht en ze roepen uit: “Dit alleen is de weg:” Maar ik zeg u: Er is maar één weg en die weg kent geen politiek, zij kent geen stellingen of waarheid, zij kent de Kracht. De levende Kracht die in de mens is, die de doden terugroept als het nodig is en sterk en groot genoeg is om hen te laten gaan, indien dat beter is. Een Kracht die zoveel liefde heeft, dat zij zelfs het schijnbaar hatelijke en lelijke kan beschermen, opdat het zich tot schoonheid kan ontwikkelen, beseffend dat veel van hetgeen op de wereld verderfelijk lijkt, slechts de rups is, die – ingesponnen in haar cocon – zo dadelijk wordt tot een vlinder, wiens kleuren jubelen in de hemel:

Er is niets kwaads in deze wereld, behalve dat wat gij kwaad maakt.

Er is niets liefdeloos in deze wereld, behalve dat wat gij liefdeloos maakt.

Er is geen schijn in deze wereld, behalve de schijn die gij uzelf maakt.

Er is geen licht in deze wereld, behalve het licht dat gij eerst in uzelf aanvaardt.

Dat is de les van deze dagen. En steeds meer zullen de stemmen klinken, elk met hun eigen gezag en hun eigen timbre, met hun eigen wonderlijke achtergrond van kosmische leven en kracht om u dit te zeggen. Duizendmaal hetzelfde. Duizendmaal met andere woorden, die ene roep:

Mens, weet dat het Licht er is. Dat het sterker en sterker je wezen beroert. Aanvaard dit Licht, maar zoek het niet als een verheffing. Aanvaard het als deel van het leven. Uit het door je wezen. Wees sterk, omdat het Licht in je leeft.

Mens, ken harmonie. Niet omdat zij schoon is of omdat ze u meer maakt, maar omdat in harmonie alleen God en de goddelijke Kracht en het Licht zich kunnen openbaren op de juiste tijd.

Mens, heb uw naaste lief. Niet omdat hij uw naaste is, maar heb de mensheid lief, heb alle leven lief, omdat het leven is, omdat er Licht is dat antwoorden kan op het Licht, omdat er Kracht is, die antwoorden kan op de Kracht in u, omdat alle dingen één‑zijn in de grote Werkelijkheid die is het beeld van de Vader. Dan wordt misschien tot u gezegd, wie weet: Neem nu het beeld van de lichtende Vlam, die opgaat uit de mensheid tot de hemel, opdat er een zuil ontsta van Licht, een boom van Lichtende Kracht, opdat hoogste waarden en menselijke waarden met elkaar verenigd zijn. Sluit u dan niet op in afzondering. Werk dan niet slechts met het spel van de gedachten, maar vorm in uzelf het Licht met daad en wezen, niet voor één ogenblik, maar dag na dag en uur na uur, zolang ge leeft in deze wereld en zelfs dan nog in de sferen: Vorm uzelf tot vlam van Licht. Wees zelf deel van deze Lichtkracht die de band kan vinden tussen hogere wereld en Meesters en uw aarde. Want waarlijk er zijn Aartsengelen, Tronen en Heerschappijen, Meesters van Licht en Kracht en Wijsheid, Meesters van geestelijke bereiking en zij allen richten zich op uw wereld. Maar die tijd gaat voorbij, tenzij gij het antwoord vindt, tenzij gij uit uzelf niet slechts het Licht aanvaardt, maar uit uzelf Licht en kracht opbouwt, opdat ge onverbrekelijk zijt verbonden met die hogere wereld, met de wereld waarin God intenser en werkelijker leeft. Ziet ge, dat is de zin van veel dat in deze dagen geschiedt. De mensen vergeten. Ze vergeten de leer die werd gebracht. Ze vergeten de vragen die eens werden gesteld en de antwoorden die werden gegeven. Ze vergeten zelfs het Licht als een deel van hun wezen te zien. En daarom moet die mensheid worden gewekt. Want dit zeg ik u:

Waarlijk zult ge zien, hoe de Zoon des Lichts tot u keert. De Zoon des Mensen, die is gezeten op de wolken en tot de aarde komt en zijn Licht zal zijn een oordeel. Dat is deze tijd. Geen spectaculair oordeel met duivels en engelen, maar de vraag of gij mens zult zijn en méér dan mens, wanneer die tijd voorbij is, of dat gij – het menselijke in het dierlijke verliezende – onbewust uw leven zult voortzetten in voortdurende slavernij aan de wil en aan de gedachten, aan de behoeften van anderen. Meer wil ik niet zeggen, behalve misschien dit ene:

Zo waar als het Licht in deze dagen in de wereld is, zo waar als de lichtende Kracht voortdurend uw wereld meer nadert en haar sterker doordringt, zo waarlijk geef ik, kind van Licht en geboren uit Licht, u mijn licht, zo gij aanvaarden wilt.

Ik geef u mijn kracht, zo gij aanvaarden wilt, opdat uit de kracht worde geboren het bewustzijn der mensen.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf