Werkelijkheid: beeld – Les 08 – Verborgen werkelijkheid

image_pdf

mei 1963

Verborgen werkelijkheid

De mens die zijn inwijding heeft gezocht, wordt geconfronteerd met een werkelijkheid die van de uiterlijke opvattingen, inzichten en meningen zeer sterk verschilt. Aan de andere kant ontdekt hij een aantal verschijnselen die weliswaar binnen hemzelf optreden en onverklaarbaar zijn volgens de normen van de wereld waarin hij leeft, maar die toch reëel zijn op die wijze dat zij in zijn eigen wereld van kracht zijn, juistheid en invloed bezitten. Er kan nimmer worden gesteld dat een werkelijkheid niet ergens bestaat, wanneer zij kenbaar wordt door verschijnselen. Anders gezegd: Elk verschijnsel moet zijn ontleend aan de realiteit, anders kan het niet bestaan.

Het feit dat deze werkelijkheid haar invloed doet gelden op de mens, betekent verder dat het deel is van zijn leven; dat het verschijnsel, de wetten waaruit het voortkomt, kortom, al hetgeen waarop het verschijnsel ook maar kan berusten, een direct deel is van het heden en niet slechts behoort tot een andere wereld of een andere werkelijkheid.

Eenvoudigheidshalve wordt vaak bij inwijdingsleren gesproken over een zgn. tweede werkelijkheid dat wil zeggen: een realiteit die niet overeenstemt met alles wat de mens heeft geleerd, wat de mens zelf kan denken. Dat is natuurlijk voor het menselijk denken heel erg prettig, want men kan dan de algemeen erkende waarheden aanhouden en daarnaast een tweede reeks waarheden opbouwen. Maar ergens is het verband zoek. Wanneer wij de realiteit omtrent het leven dus willen leren kennen, dan zullen we ons in de eerste plaats wel moeten begeven in de richting van de verklaring van zo’n tweede werkelijkheid. Waar ligt ze eigenlijk? Hoe ontstaat ze? Waaruit komt ze voor ons persoonlijk voort? Wat kunnen we ermee doen? En dan geloof ik dat we allereerst moeten terugkeren tot de psychologie.

De mens denkt. Zijn denken is gebaseerd op logica; dat wil zeggen een opeenvolgende reeks gevolgen of gevolgtrekkingen, de één uit de ander noodgedwongen voortvloeiende, dus het gehele verloop binnen het kader van een menselijke wetmatigheid onderbrengen. Maar die logica is niet gebaseerd op de feiten. Zij is gebaseerd op het menselijk denken. En daar hebben wij al de eerste grote fout. In de eerste plaats is het menselijk denken te beperkt om een goddelijke werkelijkheid te omvatten. Een menselijke logica zal dientengevolge een groot aantal feiten en waarden van een goddelijke werkelijkheid moeten verwaarlozen. In de tweede plaats: een groot gedeelte van het menselijk bewustzijn zetelt niet in het zgn. dag‑ of redelijk bewustzijn, maar in wat men het onderbewustzijn pleegt te noemen. Het aantal feiten, mogelijkheden en gevolgtrekkingen, gelegen in het onderbewustzijn, is over het algemeen tenminste tien tot twintig keer zo groot als al datgene wat de rede onmiddellijk ter beschikking staat. Dan mag hieruit de gevolgtrekking worden gemaakt, dat het feitelijk realisatievermogen in het onderbewustzijn groter is dan het ooit redelijk kan zijn. De logica echter kan geen rekening houden met het onderbewustzijn, want het is een niet volledig kenbare factor. Dan vloeit hieruit voort dat de mens die terugkeert tot het onderbewustzijn en de factoren uit dat onderbewustzijn in zijn gedrag opneemt en daarmee vanuit zichzelf werkt, te allen tijde daardoor tegen zijn zgn. logische kennis en gevolgtrekkingen zal ingaan.

Een derde punt is de kwestie van de persoonlijke realisatie. Wanneer ik mij iets realiseer, dan betekent dit dat ik mij daarvan redelijk bewust begin te worden. Dit redelijk bewustzijn heeft echter niets meer te maken met de feitelijke indrukken die ik onderga. Het is een verklaring ervan, een onderbrengen ervan in gekende factoren en berekenbare factoren, zodat uit deze zo ontstane logica zelfs de eigen impressies onvolledig worden weergegeven.

Dit gesteld hebbende, moeten wij dus de conclusie trekken dat de mens die zijn onderbewustzijn op een gegeven ogenblik de voorrang geeft boven het bewustzijn, daarmede schijnbaar onlogisch denkt of handelt, maar dat hij gelijktijdig de beschikking heeft over een veel groter feitenmateriaal en zelfs op zuiver stoffelijke basis juister en sneller zal kunnen reageren en met meer factoren gelijktijdig rekening zal kunnen houden dan hem ooit in een bewuste gedachtegang mogelijk is.

Eén van de belangrijkste factoren is in de eerste plaats dus wel de terugkeer tot het onderbewuste. Want de verborgen waarheid, waarvan de inwijding ons spreekt, ligt voor een groot gedeelte in het onderbewuste. Zij mag van daaruit verder reiken naar sferen en werelden die buiten de materie liggen, maar zeker vindt zij haar kernpunt in de materie binnen dit onderbewustzijn. Elke vorm van meditatie en concentratie die dan ook het redelijk element uitschakelt en daarvoor in de plaats zet de onderbewuste reactie, zal vanzelf als het ware intuïtief de juiste realisaties, de juiste reacties tot stand brengen en de meest juiste beslissingen nemen.

Iemand, die werd ingewijd, vond in die inwijding natuurlijk niet alleen maar dit geheim van innerlijke kracht. Hij vond daarnaast de geheimen van de magie (dus het beïnvloeden van de dingen), van de persoonlijke beleving, van het uitzenden van zijn geest en wat dies meer zij. Want elke inwijding was in de oude tijd een middel om macht te vergaren en tevens een zekere verplichting die men ook op zich nam.

Toch moest de mens loskomen van zichzelf. Dit loskomen van het “ik” werd voorgesteld door het sterven, zoals u bekend is. Maar die dood is geen werkelijke dood in menselijke zin. Wie doodgaat, neemt afscheid van de wereld, dat wil zeggen van de redelijke wereld. Wanneer er een voortbestaan is, zo kunnen wij dit niet meer definiëren aan de hand van menselijke termen. De ingewijde die sterft, moet terugvallen op zijn instinctieve reacties, zijn intuïtief aanvoelen van de juiste toestand. Hij kan niet meer afgaan op een beredeneerd beeld.

Wanneer u hoort van de labyrinten waarin men doolde wanneer men inwijding zocht, zo zult u heel vaak hebben gedacht: wat is dat eigenlijk voor een vertoning. Maar indien u zich realiseert dat in het duister (dus in het labyrint) elke oriëntatie langs redelijke weg onmogelijk is geworden, dan krijgt het toch weer betekenis. Ze hebben niet meer iets, waaruit wij gevolgtrekkingen kunnen maken, maar we kunnen iets aanvoelen. Wanneer u in het donker staat, dan kan uw gezichtsvermogen u niets vertellen en ook uw gehoor geeft u misschien niets meer, maar ergens is er een luchtstroom die u zegt: daar is een opening. En ergens is er iets dat u tegemoet komt, er is een ruimte beneden mij, ik moet voorzichtig zijn, hier kan een afgrond zijn. Op deze wijze kon dus zelfs in die eenvoudige stoffelijke inwijdingsgang reeds een overschakelen op de intuïtie, op het aanvoelen mede worden bewerkstelligd. Ik weet dat die gebruiken later voor een groot gedeelte veranderd zijn en tot uiterlijkheden geworden. Maar het feit blijft bestaan.

Hetzelfde vinden wij bij de beproevingen in Egypte (de zgn. piramide‑inwijdingen, waarvan u misschien wel eens iets heeft gehoord, waar ook de persoon in kwestie alleen is en in het duister zijn weg moet zoeken enz. Weer hetzelfde: ik ben overgeleverd aan mijn intuïtie, ik kan niet meer afgaan op de rede; er is geen waarneembare tijd, mijn innerlijk moet zeggen wat er gaande is. Nu kan het innerlijk dat inderdaad. Het grote geheim van de inwijdingen is dus wel in de eerste plaats een terugvallen op de niet‑ redelijke waarden die in je leven; waarden echter, die voor een groot gedeelte zijn gebaseerd op je eigen wereld en het daardoor mogelijk maken in je eigen wereld een juiste definitie te verkrijgen.

Elke mens heeft een soort ingebouwd horloge. Dit uurwerk stelt hem in staat (en soms zeer nauwkeurig) de tijd vast te stellen, ook zonder dat hij de zon kan zien of zonder dat hij zich op de één of andere manier kan oriënteren op de buitenwereld. Is hij echter niet gewend van deze mogelijkheid van zijn wezen gebruik te maken, dan blijkt dat het afwezig zijn van buiten hem bestaande normen om de tijd te meten hem langzaam maar zeker tot een verwarring, tot een irrealiteit brengt. Dus, om weer even een conclusie hieraan te verbinden: De mens die zich baseert op innerlijke waarnemingen en innerlijke waarden, is onafhankelijk van uiterlijke normen. De mens die zich op de rede baseert, is steeds van het uiterlijk verschijnsel als zodanig afhankelijk.

Ook dat is een punt dat m.i. het overwegen wel degelijk waard is. Want afhankelijk zijn van je omgeving betekent ook slaaf zijn. Afhankelijk zijn van je innerlijke waarden en je innerlijke kracht betekent vrij zijn. Hoe meer je je baseert op dat wat rond je is, hoe meer je aan je omgeving gebonden bent, hoe minder je jezelf zult kunnen zijn en jezelf zult kunnen leven. Omgekeerd: Hoe meer je op die innerlijke waarde alleen afgaat en hoe meer je op dit innerlijk aanvoelen je eigen basis kiest voor elke daad, elke handeling of reactie, hoe meer je persoonlijk zult leven en bovendien hoe juister je je zult oriënteren volgens je eigen persoonlijkheid, wezen en behoefte in de wereld, waarin je bestaat.

De manier van inwijding verschilt nogal eens. We vinden bepaalde oefeningen, waarmee wordt getracht de mens te brengen in een totaal andere wereld. Hij wordt als het ware vervreemd van de werkelijkheid en in de plaats van het normale komen goden, demonen, schimmen en spookbeelden. Juist omdat deze niet aan redelijke normen beantwoorden, wordt de mens hierdoor gedwongen terug te vallen op zijn intuïtie, want hij kan niets beredeneren, hij kan het alleen maar aanvoelen.

In andere gevallen is de mens zelf de originator. Hij begint zijn meditatietechniek te baseren op het onmogelijke. We vinden hiervan voorbeelden in de zgn. Za‑Zen die vooral in Japan en ook wel in China veel aanhangers heeft geteld. Een meditatie-wijze waarbij men uitgaat van het onmogelijke bv. hoe vliegt een vogel zonder vleugels? Hoe zal de ochtend zijn als de zon opgaat in het Westen? Dat zijn punten die niet waar zijn en waarvan je voor jezelf weet dat ze niet waar zijn. Je verdrijft de feitelijke wereld en er ontstaat een ogenblik waarin alles wat je overdenkt voor jezelf absurd wordt. Deze absurditeit maakt je daarvan vrij. Zolang iets zin en rede schijnt te hebben, ben je er tot op zekere hoogte aan gebonden. Maar verliest het zijn samenhang en betekenis, dan zal je innerlijk vrij zijn. Je krijgt dan de zgn. glimlach van de bewuste of de verloste en gelijktijdig ontstaat er een veel sterker contact met dit onderbewustzijn, want het wordt nu niet meer door de rede geregeerd, maar het regeert tot op zekere hoogte de rede zelf. De intuïtie komt op de voorgrond, het redelijk betoog blijft op de achtergrond.

Verder krijgen wij dan nog te maken met de zgn. grote of kosmische wetten: Dit is een slagzin die u elke keer weer zult ontmoeten, waar u ook komt: de kosmische wet. Maar wat is een kosmische wet? Het is een wetmatigheid die onze mogelijkheden beperkt. En omdat wij niet buiten die grenzen kunnen gaan, weten we niet wat er aan de ande­re kant kan liggen. Elke kosmische wet die wij erkennen, is eenzijdig, zelfs als we haar “oorzaak-en‑gevolg” noemen. Er moeten andere mogelijk­heden zijn, maar die liggen buiten ons bevattingsvermogen. Ons bewust leven is begrensd door oorzaak en gevolg.

Kijk, die kosmische wet zal voor mij gelden, zolang ik door mijn bewustzijn aan een bepaalde interpretatie ervan gebonden ben: Maar wan­neer mijn eigen wezen anders gaat reageren en anders gaat denken, zal de betekenis van de wet zich voor mij wijzigen, tot het ogenblik dat ik besef dat de wet alleen maar het milieu is, waarin ik mij beweeg en niet de verplichting, waaraan ik ben onderworpen.

Ook dit maakt een groot deel van de inwijding uit. Eerst begint men de mensen te leren wat de kosmische wetten zijn en wat ze betekenen. Men filosofeert met hen over God, Goddelijke waarden en Goddelijke krachten. Men leert hun het geheim van de mathematische berekening van de taal der sterren en dan komt er een ogenblik dat je tegen hen zegt: “Kijk, dat is allemaal enigszins redelijk, dat geldt voor iedereen, zolang gij volledig menselijk redelijk denkt.” Op het ogenblik dat dat denken ophoudt echter, zijn zij er niet aan onderworpen. Dan is alleen de wereld waarin zij kunnen werken hierdoor begrensd, maar zijzelf niet.

Ik ben het middelpunt geworden van een wiel en rond mij is een heel grote wereld, mooi ingedeeld in vakjes die naar het verloop van de tijd langzaam van plaats verwisselen. Maar ik kan alle vakken tegelijk overzien. Voor mij is er geen tijd. Ik kan licht en duister, waarden die op het ogenblik voor iedere mens in de tegenstelling tot eigen bestaan zijn gelegen, eenvoudig zien als deel van mijn bestaan, want hier is het licht en daar is het duister. Maar wil ik de waarden omwisselen, dan keer ik mijzelf een slag om en wat duister was, wordt licht en wat licht was, wordt duister.

Het zal u misschien moeilijk zijn, dit te begrijpen, want een mens houdt ervan om vaste normen en vaste waarden te hanteren. Maar in de inwijding moet je daarvan juist afstand doen. Men kan niet eenvoudig aan de hand van een leerstelling of van een dogma stellen: ik krijg een inwijding. Een inwijding is een innerlijk proces, niet omdat die stellingen op zichzelf waardeloos zijn of omdat het dogma op zichzelf niet van kracht behoeft te zijn, maar omdat alleen de mens die zelf de waarden waarbinnen hij leeft, kan hergroeperen, volledig bewust gebruik kan maken van alle mogelijkheden van het leven. En dat kan hij niet doen – dat zeg ik er nogmaals uitdrukkelijk bij – op zuiver redelijk niveau. Het is altijd weer het boven‑redelijk, de verborgen werkelijkheid die door het menselijk verstand niet kan worden benaderd. Het is de tweede werkelijkheid van de mens die het redelijk denken wil blijven handhaven en daarnaast een wereld aanneemt, waarin alle, normaal niet logische waarden, toch voorkomen.

Interessant zijn deze dingen natuurlijk wel, maar wij moeten er ook in de praktijk iets mee kunnen doen. En die praktijk blijkt dan bij de ingewijden tot op zekere hoogte toch beperkt te zijn. Want wij zien nooit een ingewijde die eenvoudig zegt: “Ik ga maar vliegen.” Hij kan zich verplaatsen, indien hij dat wil, zonder de tussenliggende ruimten te doorlopen, van het ene doel naar het andere. Maar hij doet dat maar heel zelden. Waarom?

Elke inwijding is gebaseerd op de wereld waarin je leeft. En elke kosmische leer, elke kosmische bewustwording, elk volledig besef van waarheid zal je nog steeds blijven verbinden met de wereld waarin je leeft. De redelijke wereld van de mensen rond je is daarvan een zeer belangrijk deel. Ik zal altijd aan de redelijke wereld moeten blijven beantwoorden voor zover het de mensheid betreft; alleen dan kan ik in die wereld waarlijk bestaan. Dus volgt hieruit: De krachten die ik aan een inwijding kan ontlenen, zijn alleen in beperkte mate bruikbaar en kunnen alleen zodanig worden gericht, dat ze binnen de eigen wereld nog aanvaardbaar blijven. Dan wil ik nu beginnen met een aantal praktische conclusies te trekken die hiermee dus direct samengaan:

  1. Elke mens die een verdere bewustwording nastreeft, zal moeten leren steeds meer op zijn intuïtie te vertrouwen en volgens deze intuïtie te handelen. Hij mag daarna hieromtrent desnoods redelijke gevolgtrekkingen maken, nimmer voordien.
  2. Elke mens is zich innerlijk wel bewust van krachten en zal intuïtief aanvoelen wanneer hij een bepaalde mogelijkheid wel en wanneer hij een bepaalde mogelijkheid niet bezit. Het is noodzakelijk dat wij niet nadenken over de vraag of wij een kracht wel of niet bezitten, maar dat wij – waar de intuïtie zegt dat een kracht aanwezig is – deze gebruiken. Daarna mogen wij aan de hand van de verschijnselen constateren of de intuïtie volledig juist werd geïnterpreteerd of niet. Wij zullen echter nooit kunnen ontkennen dat de intuïtie op zichzelf meer waar was dan onze redelijke beschouwing.
  3. Elke beperking die de rede aanvaardt, is voor degene die de verborgen waarheid aanvaardt, niet meer van kracht. Zijn wezen kan gaan, waarnemen, absorberen in elke tijd en in elke ruimtelijke verhouding, zonder dat daarbij het lichaam zich zelfs verplaatst. Het “ik” kan contact opnemen met elke wereld, elke kracht en elke leraar, zonder dat het daarvoor noodzakelijk is dat deze contacten op een materieel of zelfs maar op een redelijk niveau liggen. Altijd weer zal het ontstaan van een dergelijke kracht of mogelijkheid uit het “ik” een bevestiging kunnen vinden. Elke waarneming in tijd wordt mettertijd bevestigd. Elke waarneming in ruimte wordt mettertijd duidelijk als inderdaad juist te zijn. Om echter te voorkomen dat wij van hetgeen op zichzelf waar is, onwaarheid maken, mogen wij niet trachten dit redelijk te interpreteren, aan te passen of te veranderen. Wij moeten de waarden als het ware intuïtief erkennen en zonder meer aanvaarden.
  4. Elk werken met krachten, is het werken met krachten die wij niet kennen. Dientengevolge kan geen enkele redelijke beperking voor die krachten worden aanvaard, maar zal elk afgaan op het innerlijk, de begrenzing der mogelijkheden volledig weergeven en gelijktijdig de volle innerlijke verbondenheid met een bepaalde kracht, met een bepaald licht zal in het “ik” een emotie, een gevoelswaarde tot stand doen komen.

Hier hebt u enkele punten die de praktijk al iets meer benaderen. Ik wil het nog eenvoudiger stellen en ga ik hier dus weer uit van die verborgen werkelijkheid, waarheen elke inwijding zijn mensen tenslotte heeft gebracht.

  1. Wanneer je iets wilt bereiken in het leven, zal dit dikwijls volgens het verstand moeilijk of onmogelijk zijn. Vaak zal blijken dat de wereld aan onze redelijke verwachtingen niet beantwoordt. In dat geval moeten wij ons – zonder daarbij de rede verder te laten spreken – afvragen wat onze weg is. Ook als deze redelijk gezien in strijd met het gestelde doel schijnt, zullen wij die weg volgen. Door het volgen van die weg kunnen wij onze voornemens het best verwezenlijken.
  2. Altijd weer, wanneer ik uitga van een intuïtieve reactie, ga ik uit van de grootste werkelijkheid die er voor mij bestaat. Deze werkelijkheid echter bestaat in mij en elke werking die ik als noodzakelijk erken of elke mogelijkheid die ik als wenselijk erken, moet als zodanig worden gezien als iets, dat in mij als noodzaak bestaat. Ik kan nimmer een intuïtieve opdracht of waarde aan een ander overdragen, ik kan haar slechts zelf vervullen, omdat ik – gezien mijn bewustzijn van de grotere werkelijkheid – alleen kan uitgaan van de mogelijkheden en waarden die er in mijzelf bestaan.
  3. Wanneer ik wil genezen, zal elke genezende kracht in mij aanwezig zijn, zodra ik mijn redelijke beperkingen en twijfels terzijde stel. Het richten van deze krachten is geen kwestie van rede. De rede kan misschien helpen om mij een aanvaardbaar beeld te geven, waardoor ik die kracht met groter zelfvertrouwen gebruik. Maar die kracht zelf kan nooit gebonden zijn aan mijn voorstelling ervan. Dus wat ik intuïtief als juist aanvoel, zal ook de juiste weg zijn om een kracht tot uiting te brengen en hierbij is verder zelfs geen enkele sensitiviteit noodzakelijk.
  4. Het gebruiken van gerichte gedachtekracht. Dat gerichte gedachtekracht soms een uitwerking heeft, weten we. In de wereld zijn massapsychologie, massapsychose duidelijk genoeg de kentekenen van een geestelijke kracht, die op de werkelijkheid een enorme invloed heeft. Wanneer ik mijn gedachten richt en ik richt deze aan de hand van een verstandelijke voorstelling, dan zal ik alleen het redelijke gedeelte van het leven kunnen bereiken. Ik zal ook slechts dat gedeelte van mijzelf, dat ik redelijk ken, kunnen gebruiken. Op het ogenblik dat ik echter uitga van mijn aanvoelen, van mijn intuïtie en aan de hand daarvan de misschien zelfs niet‑redelijk schijnende beelden projecteer in de wereld, zal mijn gedachtenkracht een maximum aan vermogen bezitten, zal er een maximum aan resultaat worden bereikt en zal er een bewijs van de waarde voor mijn redelijke vermogens tenslotte gegeven worden.

Misschien zult u nu zeggen: Waar blijven we dan, wanneer de inwij­ding een kwestie is van intuïtie, met alle belangrijke leerstellingen en alles wat wij zelf willen zijn en willen doen?

In de eerste plaats moet u goed begrijpen dat hetgeen u wilt redelijk gezien vaak in strijd is met hetgeen uw werkelijke behoefte en uw werkelijk willen is. Het is een vervalsing van uw innerlijke kracht en waarde, omdat u meent dat hetgeen innerlijk voor u belangrijk is nu eenmaal niet te bereiken is.

In de tweede plaats moet u heel goed beseffen dat uw eigen methoden om een ideaal, een droombeeld op te bouwen altijd weer is: een u verwijderen van de werkelijkheid, ook van uw redelijke werkelijkheid. Hoe logisch uw ideaal ook is geconstrueerd, het is nimmer identiek met de feiten.

Als zodanig is het dus beter om minder het ideaal te overwegen en meer intuïtief de juiste weg te kiezen voor uzelf en voor anderen.

Dan wil ik erop wijzen dat juist in de inwijding, in die grote werkelijkheid, er tussen ons allen een aantal banden bestaan die onvoorstelbaar groot kan zijn. We weten niet hoe deze banden zijn, op welke wijze ze zijn ontstaan en we kunnen heel moeilijk nagaan hoe ze zich verder zullen ontwikkelen. Het feit dat die banden bestaan, is echter onloochenbaar.

Wanneer ik mij bewust instel op een zo groot mogelijke welwillendheid tegenover allen, maar gelijktijdig mijn intuïtie laat bepalen, hoe ik deze wel­willendheid het best tot uiting breng, zal ik automatisch inschakelen in bestaande lotsverbindingen en lijnen, waar voor mij dus een maximum aan bereiking mogelijk is en een maximum aan resultaat. Ik doe niet in het wilde weg goed – zoals men misschien zou denken – maar ik kies uit de vele mogelijkheden, welke voor mij alle aanvaardbaar zijn, haast feilloos juist die, waarin reeds een harmonisch aspect bestaat en maak dus zo in deze harmonische werkingen ook stoffelijk mijn ideaal meer reëel, terwijl het gelijktijdig minder theoretisch en logisch is.

En dan kom ik hiermee zo langzamerhand aan het einde van dit betoog. Want wat blijft ons nog over? Wij spreken van een verborgen werkelijkheid, van verborgen waarheid, zeker. Maar is die waarheid nu wel in feite verborgen of verbergen wij die zelf voor ons? Het is moeilijk om je dat te realiseren, want dan moet je afstand gaan doen van heel veel lievelingsideeën. Maar wat wij nodig hebben, is niet de ingewikkelde beredenering, wat wij nodig hebben is niet een wereld die beantwoordt aan onze maatstaf, wat wij nodig hebben is een wereld die altijd voor ons leeft. En die kunnen wij alleen vinden, indien wij onze werkelijkheid heel wat verder uitbreiden dan een mens normalerwijze toestaat en dat ons denken heel wat verdergaat dan een mens over het algemeen aanvaardbaar vindt.

In dit verband wordt dus een groot aantal opvattingen, zoals bv. de opvatting van God, eigenlijk een overdreven beeld. God is niet iets, waartegen ik praat, of waar ik in geloof. God is doodgewoon een kracht in mijn leven en die God is automatisch actief. Een Meester of een Leraar is niet iemand die ver boven mij staat. Het is een harmonische waarde die in mijzelf het juiste wekt. En dan zal die Meester in heel veel gevallen voor een ander eerder een dwaas lijken, maar wanneer hij in mij het juiste wekt, waardoor ik mij vooral innerlijk meer bewust ben van mijn mogelijkheden, dan heb ik alles bereikt.

De sociale verhoudingen rond mij mogen stoffelijk gezien zeer belangrijk lijken, maar innerlijk gezien zijn ze alleen maar een beperking van mijn mogelijkheden. Misschien dat ik vandaag professor wil zijn en morgen handwerksman. Wanneer ik voel dat ik professor wil zijn, dan heb ik op dat moment ergens de kracht en de mogelijkheid om te leraren. Wanneer ik mij hierbij beperk tot datgene wat de materie, de wereld als normaal en redelijk beschouwt, zal ik nooit resultaat hebben. Maar laat ik uit mijzelf de kennis, de realisatie opwellen, dan zal ik op dat ogenblik inderdaad een lectoraat hebben, dan zal ik kunnen onderwijzen en zal ik ook weten wanneer, waar en voor wie.

En wanneer ik handwerksman wil zijn, dan behoef ik niet te zeggen dat ik geen bekwaamheden heb. Dan komt er een ogenblik dat ik als het ware zie wat ik moet doen en dat mijn handen mij zullen volgen. Want zodra ik uitga van mijn innerlijk wezen – dat moet u goed onthouden – zal al het andere zich daaraan ondergeschikt maken. De ondergeschiktheid van het totale “ik” aan die innerlijke kracht (die dan voor een deel dus onderbewustzijn is) is voor de mens eigenlijk niet aanvaardbaar. Hij kan niet begrijpen, dat iemand zonder gestudeerd te hebben een brug kan bouwen of dat hij – een instrument vindende – in zeer korte tijd het zodanig beheerst dat hij beter muziek maakt dan een ander die een hele opleiding voor dat instrument heeft gevolgd. Toch is dat waar. Wat van binnenuit komt, is niet alleen maar de aanleiding om verstandelijk te bereiken. Neen, het is een gave, het is een vermogen dat juist op het ogenblik dat het in ons intuïtief naar voren komt, juist is. Wanneer wij dat van uit onszelf verwerkelijken, kunnen wij alles bereiken.

Daarom, vrienden, eindig ik dan ook met de opmerking: Laat ons niet te veel zoeken naar datgene wat onze rede bekoort. Laat ons de werkelijkheid zien zoals ze is: bars en kil misschien vanuit menselijk standpunt. Laat de emoties rusten die wij in onszelf zo graag opwekken: de eerlijke verontwaardiging, de behoefte om zo goed te zijn en geacht te worden en alles wat erbij behoort. Maar laten wij daar tegenover stellen, een intuïtief erkennen van wat noodzakelijk is in de wereld. Want dat is werkelijkheid, dat past erin.

Laat ons afstand doen van de gedachte dat wij op een bepaalde manier moeten bidden of dienen en dat wij God op een bepaalde manier moeten erkennen. Laten we daarvoor in de plaats stellen, dat in onszelf ook de kracht van het Goddelijke soms vorm krijgt en dat wij door aan die vorm uiting te geven op dat ogenblik ware Godsdragers zijn en dat de Goddelijke Kracht vervult wat wijzelf redelijkerwijze niet zouden kunnen, willen of durven vervullen.

En laat ons, ten laatste stellen, dat de intuïtie voor ons het meest machtige middel is om de hogere waarheid tenslotte ook redelijk te beseffen. Maar alle redelijk besef zal groeien uit ervaring, dus uit de feiten van onze eigen wereld. De innerlijke kracht die wij bezitten, de verborgen waarheid en werkelijkheid echter is reeds deel van ons wezen, al zal ze nimmer volledig redelijk kunnen worden uitgedrukt voor we haar reeds lang tot praktijk hebben gemaakt. Praktijk gaat voor de stelling. De stelling kan echter nimmer tot de perfecte praktijk voeren.

Subjectieve beleving

De mens heeft in zijn leven een groot aantal waarden en waarderingen die niet objectief zijn maar zuiver subjectief, gebonden aan zijn eigen wezen, zijn persoonlijkheid. Wij vinden daarbij kentekenend begrippen als recht, moraal, geloofswaarheid en dergelijke. Dat deze begrippen worden geobjectiveerd, is begrijpelijk. Een mens wil de wereld altijd zien volgens zijn eigen normen, zijn eigen denkbeelden en standaard. Maar het besef dat elk van deze normen tenslotte subjectief is, kan hem toch helpen de wereld beter te begrijpen en zich vrij te maken van zeer vele belemmeringen van denken en leven.

De kwestie die hierbij een grote rol speelt, is wel in de eerste plaats: het niet in staat zijn afstand te doen van systemen en systematische opbouw. Men gaat uit van op zichzelf willekeurig gekozen stellingen of regels en als zodanig kan worden gesteld dat de doorsneemens, waar hij ook leeft en in welke tijd dan ook, altijd pleegt uit te gaan van een stelling of een aantal stellingen die onbewijsbaar zijn, die met de werkelijkheid weinig of geen verband houden en die hij toch als maatstaf gebruikt voor zijn eigen bestaan en meestal voor dat van anderen. Maar heeft hij eenmaal die maatstaf aanvaard, dan bouwt hij daaruit voor zich een heel nieuw denkbeeld op.

Dit denkbeeld omschrijft dan o.m. zijn verhouding tot de mensheid, de verplichtingen die de mensheid tegenover hem heeft en omgekeerd de verplichtingen die hij tegenover de mensheid heeft. Hoe langer een dergelijk begrip bestaat, hoe meer het de vorm krijgt van een wet of zelfs van een codex (een reeks samenhangende wetten). Is er eenmaal een codex geschapen, dan wordt deze echter eigenaardig genoeg niet gezien als op zichzelf volledig waar en zuiver, maar wordt hij onderworpen aan de subjectieve normen waardoor de betekenis van de wet voor eenieder weer andersluidend wordt.

De kern van de vraag is hier: wat doet de mens eigenlijk om tot een bepaald oordeel of tot een beoordeling te komen? En daarbij gaat hij uit van zijn eigen trillingsgetal, zijn eigen karakter. Dit karakter kan globaal genomen worden onderverdeeld in een viertal hoofdtemperamenten, die elk weer een aantal onderverdelingen kennen. Het totaal van voorkomende typen wordt vaak gesteld als zijnde 144. Dit getal, dat wij ook terugvinden in de kabbala en daarnaast ook in de godsdienstige denkwijzen en systemen, stamt uit de oudheid. Men had begrepen dat de mens dus een totaliteit van eigenschappen en verschillen van trilling bezit, die kunnen worden samengevat in de zgn. 144 hoofdfactoren of hoofdgebieden. Deze wetenschap was niet volgens de rede wetenschappelijk. Zij werd gevonden aan de hand van introspectie, van innerlijke contacten met hogere waarden en de mens. Maar ook heden ten dage mag worden gesteld dat het getal 144 juist is. Het apocalyptisch getal 144000 der uitverkorenen dus is hiervan waarschijnlijk afgeleid.

Elke mens heeft zijn eigen trillingsgetal. En dat wil zeggen dat zijn eigen reactie op al wat buiten hem bestaat plaatsvindt volgens een harmonische norm, de norm van zijn persoonlijk harmonisch‑zijn. Hij vindt daarbij altijd medestanders, want tegenover het totaal aantal mensen is tenslotte het getal 144 niet zo groot. Hij zal dus ook altijd buiten zich een contact vinden met gelijk-denkenden, althans gelijk-voelenden. Dit heeft ertoe geleid dat de subjectivering van het leven ergens toch weer een gemeenschappelijk besef opbouwde.

Nu zult u zich afvragen wat dit alles voor praktisch heil en nut kan hebben? Wel, elke trilling, die in het leven optreedt, zal u beroeren. Sommige als niet‑harmonisch, sommige als een spanning, anderen als een ontspanning en enkelen zelfs als een zeker krachtverlies. Want de hoofdverdeling die wij hier hebben gemaakt in het karakter en in de aard van de mens, zal dus ook gelden voor elk fenomeen dat op aarde optreedt.

Een Meester die spreekt, kan misschien een 12‑tal verschillende groepen mee betrekken in een harmonie. Maar dan blijven er nog een aantal, die niet harmonisch zijn en dat is altijd groter. Een leer, een vorm van denken, een meditatievorm zijn alle voor een bepaald aantal mensen aanvaardbaar, maar er is altijd een grotere menigte waarvoor ze niet aanvaardbaar zijn. Beseffen wij de dit nu, dan kunnen wij de verschillen die op aarde bestaan, verdragen en aanvaarden. En dan begrijpen we dat het dus ons persoonlijk afgestemd‑zijn is dat bepaalt hoe wij iets ondergaan en ook hoe wij daarin waarheid vinden of daaruit kracht putten. Het verschil is niet, zoals men zo vaak denkt, te mogen stellen dat de een geestelijk en de ander erg materialistisch is ingesteld. Want voor sommige mensen zal in het materialisme een grotere godsdienstige waarde en beleving liggen dan voor menige hoog‑geestelijk ingestelde mens in zijn meest intense geestelijke oefeningen. Het gaat er maar om: wat beroert je wezen het sterkst.

In deze dagen zijn er een groot aantal Meesters en Leraren die op deze wereld invloed uitoefenen. Maar dezen kunnen ons nooit allen op gelijke wijze beroeren. Er zijn ongetwijfeld banden uit het verleden mee verbonden, maar vooral ook onze eigen structuur van dit ogenblik. De toon die wordt aangeslagen, de boodschap, de wijze waarop zij is geformuleerd, de wijze waarop het licht wordt uitgedragen, zal voor ons uitmaken of die Meester ons werkelijk iets zegt of dat hij ons zelfs afstoot. Zodra men dit niet voor zich kan aanvaarden, zal men toch proberen met alle waarden gelijkelijk te werken. Het resultaat is dat men zich voortdurend uitput in een strijd tegen werkingen, waarmee men het niet eens kan zijn, maar die men van buitenaf ergens wil aanvaarden. Dit is onmogelijk. Heeft men echter begrepen dat de waarderingen die in de wereld bestaan, alle zonder uitzondering voor ons subjectief blijven – zelfs ook in de sferen – en dat wij dus niet moeten zoeken naar iets, waarmee wij de gehele wereld kunnen aanvaarden, maar naar de methoden, naar de weg, naar de innerlijke stemming, waarmee wij een bepaald deel van het zijn kunnen aanvaarden, dan zijn wij al een heel eind gevorderd. Wij hebben dan nl. begrepen dat het erom gaat onze persoonlijke waarden en belevingen op te voeren tot een maximum in overeenstemming met onze geaardheid, dat het geen zin heeft te trachten de gehele wereld te betrekken in ons denken, maar dat wij van uit onszelf die afstemming moeten vinden en – wanneer zij eenmaal bestaat – zullen zien dat die afstemming ergens toch ook weer wordt aanvaard; dat zij een echo, een weerkaatsing wekt.

Nu zult u zich afvragen – ik neem tenminste aan, dat u van de soort bent, die zich steeds afvraagt: hoe zit dit of dat – wat wij dan moeten denken van hetgeen ik in het begin noemde: rechtsgevoel, moraal en dergelijke dingen.

Kijkt u eens. Als u een bepaald karakter hebt, dan heeft u door dit karakter plus uw eigen trillingsgetal in het leven alles, wat op u toekwam, geselecteerd. Alleen de dingen die ergens met u harmonisch waren, heeft u volledig doorgemaakt en beleefd; al het andere is ergens op een afstand gebleven. Uw ervaringen en belevingen waren in de loop der tijden in feite dus ook subjectief, al bestonden zij als objectieve waarden wel in de wereld, maar te midden van een groot aantal gelijkwaardige belevingen en mogelijkheden die u echter terzijde stelde. Zo vormt zich dus een bewustzijn dat al evenzeer subjectief is. En ook uw ervaringen, waarop u misschien uw wijze van leven baseert, zijn dus niet te zien als alomvattend en overal geldend maar als het gevolg van een selectief ondergaan van het leven.

Moraal is dan voor ons niet meer het systeem waarmee goed en kwaad worden gescheiden, maar het is ons persoonlijk antwoord op het leven aan de hand van datgene wat wij in het leven als ervaring hebben gezocht, ook al wisten wij dat niet.

Ons rechtsgevoel gaat niet uit van een werkelijke rechtvaardigheid of gerechtigheid, maar het gaat wederom uit van de maatstaven die wij in het leven door onze gekozen ervaringen en belevingen in onszelf verankerden, want ons zoeken naar recht is een zoeken naar zekerheid.

Ons geloof is niet alleen maar een probleemloze aanvaarding van God of van een eeuwige waarde. Slechts degenen die worden opgevoed in een geloof en in feite dit nooit op de proef hebben gesteld, kunnen naar uiterlijk een perfecte vroomheid en gelovigheid tonen, die echter geen persoonlijke inhoud heeft. Maar wie in zich gelooft, die heeft dat geloof weer verworven door uit de vele mogelijkheden van beleving er een aantal te selecteren, die voor hem het contact met God, en Godheid op een zeer bijzondere wijze tot stand brachten.

Het heeft weinig zin om anderen te onderwerpen aan onze maatstaven. Maar het is nog onzinniger om onze eigen maatstaven eenvoudig te verloochenen, want die zijn nu eenmaal het resultaat van onze innerlijke afstemming, van ons innerlijk werken. Zolang wij in staat zijn ons rechtsgevoel van uit onszelf te handhaven, ons gevoel van morele waarden uit onszelf juist tot uiting te brengen en ons geloof zelf innerlijk juist te beleven, hebben wij in het gehele leven een zo groot mogelijke harmonie geschapen met alle waarden die in dit leven niet tot uiting kwamen als kosmische en geestelijke waarden. We hebben een bevestiging van onszelf opgebouwd en wij zijn daardoor meer mens, meer bewust en ook een meer bewuste geest geworden. Op het ogenblik dat wij echter proberen dit in ons levende te objectiveren en buiten ons te stellen als een wet waaraan eenieder moet gehoorzamen, als een waarheid die voor een ieder vaststaand en even juist moet zijn, tasten wij onze innerlijke belevingswereld aan.

Wij moeten dus wel degelijk verdraagzaam zijn. Niet verdraagzaam, omdat wij alles nu maar willen ondergaan, maar omdat wij beseffen dat waarden en trillingsgetallen van mens tot mens sterk kunnen verschillen en het voor ons onmogelijk is om uit te maken of die medemens nu tot de direct harmonische behoort of niet, tenzij wij uitgaan van onze intuïtie, van ons innerlijk weten en niet van de uiterlijke, de zgn. objectieve feiten.

De subjectieve waarde is dominant in elk leven. De subjectieve waardering is de enige mogelijkheid om in het leven tot bewustwording te komen. Maar meer nog de op zichzelf subjectieve waarde van het “ik” uit te drukken in het trillingsgetal of in de karakter‑geaardheid of combinatie, is onze band met de eeuwigheid.

Wanneer er wordt gesproken met een bepaalde trilling of met een zekere inhoud, dan zult u dat soms ondergaan als voor u bijzonder belangrijk. Maar een ander zal datzelfde ondergaan als kil en zonder enige betekenis. Wat voor de één de diepste beleving is, is voor de ander lichtzinnigheid, komedie, spel. En ook dit moeten wij begrijpen. Wij kunnen dus niet verlangen dat er ergens een kracht is die ons allen precies gelijk beroert. Dat er een leer is, die voor ons allen gelijk zal spreken. Wij kunnen ten hoogste zeggen dat er ergens voor ons een kracht is, waarop wij persoonlijk antwoorden.

Het vinden van die kracht zal nog wel eens wat moeilijkheden met zich meebrengen, daarvan ben ik overtuigd. Want ons voorstellingsvermogen wil soms aan een bepaalde plechtigheid of een bepaald gebeuren iets verbinden dat er in feite voor ons niet in aanwezig is. We hebben de zaak ergens weer te veel geobjectiveerd. Wij laten ons persoonlijk beleven buiten beschouwing en suppleren de tekorten dan eenvoudig door fantasie, door verbeelding. Maar nodig is dat niet. Indien wij beginnen uit te gaan van onszelf en van het antwoord dat in ons is gelegen, dan zullen wij ongetwijfeld – en dat zult u in de loop der tijden steeds meer moeten ervaren, naar ik meen – ergens dat contact vinden, waaruit wij bewust worden. En dat is dan niet een objectieve waarheid of een lering, maar het is iets dat in ons bestaat, iets dat wij ondergaan, iets dat wij beleven.

De krachten die in deze tijd op de wereld spreken en werken, doen elk een beroep op bepaalde groepen. We zouden het geheel misschien willen benaderen, maar zelfs Jezus zou niet in staat zijn om al is het maar de gehele Christenheid tot één harmonische groep samen te voegen. Er zijn te grote verschillen. Daarom zal ook Jezus zelf dus voor veel mensen anders moeten zijn. En nu kan die grote kracht zich misschien op tien manieren uiten. Dat wil zeggen dat hij het grootste gedeelte van de mensheid in een harmonie kan betrekken, maar als wij nu erover gaan strijden of dit nu Jezus is of dat dat Jezus is, dan lopen we weer vast. Want dan komt onze Jezus (datgene wat ons heeft beroerd) in strijd met dat wat ook Jezus zegt te zijn. En toch is Jezus op de bruiloft in Kana en Jezus op de berg Calvarie precies dezelfde persoon, alleen in een andere uiting.

Wij moeten goed begrijpen dat er geen lijn is te trekken. Het is niet te zeggen: Dit is die Grootkracht en die komt altijd zo en niet anders en dat is dat Licht en het openbaart zich altijd zo en niet anders. Wij kunnen alleen maar zeggen: Voor ons openbaart het zich op deze of op gene wijze. En hetzelfde zal waarschijnlijk gelden voor de leringen.

Wij hebben nu in de laatste tijd het genoegen gehad een 40 à 50 keren het werk van een gastspreker te mogen zien in een van de vele groepen waar wij werkzaam zijn. En wat is nu het vreemde? Eenvoudige leringen blijken in dezelfde groep soms reacties te wekken van “maar dat weet ik allang. Wat doen ze daarover nu plechtig” en “wat is er hier een wonder”. En daarnaast vaak een ondergaan, waarbij men zich later afvraagt: “wat was het eigenlijk, want ik kan het niet meer terugvinden?” Er zijn natuurlijk veel meer reacties, maar deze drie vallen bijzonder sterk op. U zult begrijpen dat wij als Orde en ondergeschikten van de grote krachten van het ogenblik ons voor die verschijnselen interesseren. En wij vinden ook hier weer de subjectieve werkelijkheid als bepalend.

Een mens die dit gevoelsmatig ondergaat, vindt ergens een waarheid, maar hij vindt er geen uitdrukking voor. Er zijn geen woorden om het te zeggen. Het gevolg is, dat hij het gevoel heeft het kwijt te zijn. Dat is niet waar. Hij heeft wel degelijk iets geabsorbeerd, hij heeft iets opgenomen, hij is wijzer geworden. Maar hij kan het niet terugvinden, want hij zou het in woorden willen zeggen en dat gaat niet.

Wij vinden daarnaast het verschijnsel van degene die het idee heeft. Ik heb het allemaal al gehoord, ik ken dit alles al. Maar gelijktijdig zegt zo iemand tegen zichzelf: “Waarom zou ik mij er druk om maken?” Hij schakelt dus als het ware de invloeden reeds uit, terwijl ze aanwezig zijn en zoekt niet naar een persoonlijk contact. Hier moet volgens mij de geaardheid een rol spelen.

Wanneer er licht is voor ons allen, dan moet er iets in de geaardheid van zo’n mens zijn om te zeggen: “Ja, dat weet ik al, het interesseert mij niet.” Er zou dan een andere weg moeten zijn om juist die mens te bereiken. Dus ook hier is weer volgens mij zeer belangrijk de persoonlijke instelling en het feit dat deze instelling niet onbeperkt door de mens zelf kan worden beheerst.

En ten laatste hebben wij dan degenen die een redelijke inhoud zoeken. Een redelijke inhoud kan nooit liggen in een woord dat probeert een grote waarheid subjectief kenbaar te maken. Want juist de subjectiviteit van begrip en beleving maakt het onmogelijk een zuiver objectieve weergave te scheppen die voor allen aanvaardbaar is. Niet het woord, maar de beleving achter het woord zal dan een hoofdrol spelen. Niet de redelijke samenhang der zinnen ‑ hoe mooi overigens ook samengesteld – maar de daarin verborgen – ik zou haast willen zeggen – magische, de etherische trilling is belangrijk. Het is niet de betekenis van het woord dat je spreekt, maar de intonatie die bepaalt of het ergens iets wekt of niet.

Ik meende er goed aan te doen in deze dagen juist dit punt met u te behandelen. Want u zoekt naar een juiste beschouwing van de werkelijkheid. En nu kunt u die werkelijkheid leren beschouwen en kennen, indien u begrijpt dat de benadering van die werkelijkheid altijd subjectief blijft, dat die persoonlijk is. Dat betekent bovendien dat het werk van een Meester meestal voor u pas waarde krijgt, indien u beseft dat u op uw eigen wijze daarop moet reageren en dat u nimmer moogt proberen te reageren als een ander en dat u zich ook niet moogt storen aan de reacties van die ander. Het is de kwestie wat het voor u is en wat het voor u betekent en verder niet.

Zo u dit alles hebt kunnen verwerken en misschien nog een keer wilt overwegen, zult u ongetwijfeld veel meer vruchten kunnen plukken van datgene wat u wordt geboden en gegeven in de loop der tijd.

En nu mag ik plaatsmaken voor een gast die naar ik meen tot velen van u wel direct zal kunnen spreken. Een gast die – daar moet u wel om denken – geen naam behoeft te hebben. Het gaat niet om de naam, maar om wat u eruit put. Ik wil u daarom als laatste raad, voordat ik mij als belangstellende buiten het medium, maar in de kring terugtrek, dit zeggen: Onderga het op uw manier. Wees niet boos als het u niets zegt, probeer niet te verklaren waarom het u iets zegt. Als het in u een spanning brengt, die hetzij in meditatie, in gebod, in daden of op andere wijze tot ontlading wil komen, beschouw het dan als een motiverende kracht met een grote werkelijkheid, die u binnen uw subjectieve beleving en ervaring toch dichter zal brengen bij het onveranderlijke dat de kern is van ons aller wezen.

Gastspreker

De mens die naar de waarheid zoekt, zoekt in zich naar het onbereikbare. Want de waarheid is ontdaan van al datgene wat een mens tot mens maakt.

De mens die naar een werkelijkheid zoekt, zoekt naar een wereld en een kracht die hij nog niet verdragen kan, omdat zij te veel krachten en waarden in zich draagt, die geheel buiten zijn eigen begrip liggen, buiten zijn vermogen tot aanvaarden.

Een mens die zoekt naar goddelijk Licht moet beseffen dat hij het ware Licht der Godheid niet verdragen kan. Want God zelf is te alomvattend en het beperkt bewustzijn zou worden uitgewist door de volheid van zijn kracht. Toch hebben wij ons eigen deel van het Licht en is er voor ons allen – waar wij ook zijn en hoe wij ook leven – een eigen waarheid, een eigen begrip van werkelijkheid.

Dit kleine Licht dat in ons bestaat, is voor ons het belangrijkste dat denkbaar is. Want indien wij ons Licht durven doen schijnen, zo zal het grote Licht zich daarin terugvinden en zullen wij door het werken met het kleine Licht dat wij bezitten, het grote Licht leren verdragen.

Wij mogen niet vragen, waarom of waartoe ons het leven werd gegeven. Want wie vraagt naar het antwoord op de grote raadselen, krijgt een antwoord dat hij niet kan begrijpen en verwerken, een last, die te zwaar is om te dragen.

Vóór alles is het goed eenvoudig te zijn, eenvoudig in zijn geloof, eenvoudig in zijn werken en eenvoudig in het beleven van dat, wat men erkent als deel van het lichtende “ik”.

Zo er wetten zijn in het Al, zo vallen zij voor ons uiteen in de wetten van de lichtende en van de duistere kracht. Zolang er leven is, zal er een strijd zijn tussen licht en duister. En niemand zal zeggen of het Licht het duister en of het duister het Licht zal verzwelgen, want Licht en duister, zij zijn uit ons geboren, niet uit de eeuwigheid.

Voor ons zijn er krachten van goed en krachten van kwaad. Maar wij maken goed en kwaad, niet de Schepper, niet de eeuwigheid, maar de tijd heeft de grenzen gesteld. En de werelden van duister zijn niet geboren uit de wil van de Allerhoogste, maar uit het beperkte begrip van de mens.

Laat ons daarom vóór alle dingen eenvoudig zijn. En in onze eenvoud zullen wij moeten beseffen dat ons wezen en ons leven bepaalde krachten in zich draagt. Want het is niet genoeg te zijn.

Zijn is dat wat uit God voortkomt. Leven is de taak die ons uit God wordt gegeven. En het leven betekent ervaren, het wil zeggen: werken met de krachten die wij in ons erkennen, uiting geven aan dat wat voor ons belangrijk is. En wie eenvoudig is, zal begrijpen dat hij de wereld daarbij moet liefhebben.

Indien ik u niet liefheb, zou het geen zin hebben tot u te spreken. Maar indien ik u slechts zou willen zien als deel van mijzelf, als voortkomende uit mijn wezen en denken, ik zou u niet kunnen bereiken en u niet waarlijk kunnen liefhebben. Want liefhebben is niet slechts jezelf liefhebben. Liefhebben is alles liefhebben wat er bestaat, ook dat wat anders is dan jij, ook dat wat voor jou misschien zelfs duister lijkt. Heb alle dingen lief, want de liefde is het kristalheldere licht waaruit de waarheid wordt geboren.

Wees eenvoudig. Grijp niet naar de wolken voordat uw voeten hebben geleerd de aarde te treden, maar zo ge de aarde treedt, durf zien naar de wolken.

Het is soms goed om voor een ogenblik eenzaam te zijn en in de eenzaamheid te beseffen, welke kracht je is gegeven, welk licht en welk leven je wordt geschonken. Want in de eenzaamheid besef je pas wat je zou kunnen zijn en wat je moet zijn. Er is een groot verschil tussen datgene wat wij kunnen zijn in onze dromen. Wees geen god in je eigen dromen, maar erken de waarheid van je eigen bestaan en de dienstbaarheid daarvan aan alle dingen.

Wie weet hoe het licht der mensen het Licht der eeuwigheid ontmoet. Hij kent het oude beeld van de vlam die brandt in de tempel. Dit is het Licht dat aan de aarde is ontsproten. Lichtend en sterk is de ziel van de aarde die opstijgt naar de hemel. Sterk en verblindend is haar glans. Zij bouwt zich op met een kracht, die uitgrijpt boven alle dingen. Zij grijpt naar het licht van de zon, zij grijpt naar de hemel. Wij zijn de vlam van de aarde, wij zijn de vlam in de kleine tempel, die uitgrijpt uit zijn beperking en kracht naar het Oneindige.

Maar ziet, de hemel antwoordt. Als een stralenbundel, als een lichtend zwaard dat daalt, komt het Licht van de eeuwigheid en ziet: het is wit en verblindend als het Licht dat voortkomt uit de aarde. Wit, sterk en lichtend is de kracht, die als het zwaard der eeuwigheid voor een korte wijl het Licht der aarde beroert. Want één zijn eeuwigheid en tijd, één is Licht en duister, één is kracht en krachteloosheid, één zijn alle dingen in de werkelijkheid van onze Schepper.

De strijd gaat voort. Omhoog tongelt het vuur der aarde in vele kleuren. Maar waar het bezield wordt door de kracht van de mens, waar het bezield wordt door de kracht van de vele lichtenden en levenden, van de wetenden die in alle sferen bestaan, daar krijgt het een antwoord uit de hemelen. En als het zwaard blauw is, dan is er een antwoord van een zwaard van lichtend blauw als staal. En is het menselijk zwaard rood, dan is de hemel rood als bloed en haar zwaard antwoordt rood als bloed. Want er wordt geantwoord door de Eeuwige op dat, wat er leeft in de wereld in harmonie en gelijkheid.

Leer eenvoudig zijn. Leer beseffen dat het Licht dat in u brandt, dat de kracht die in u opwelt, dat het zoeken naar begrip dat er voor u bestaat, is de vlam der aarde, de tempel van de tijd.

En terwijl Ormuzd en Azmuzd hun strijd strijden en de verschijnselen doen voortgaan, zijn wij het die een licht zenden tot de hemelen opdat er een antwoord zij. Maar zo de hemel antwoordt en het licht het licht ontmoet, zo is er geen licht en geen duister meer. Zo is er niets meer buiten de eeuwigheid die leeft in de tijd; de tijd die stilstaat, omdat de eeuwigheid haar heeft opgenomen. Dan is er geen kracht meer buiten de kracht van het Al zelve, de kracht van het lichtende Al, dat zich in de mens uitdrukt en door de mens werkzaam wordt.

Laat ons eenvoudig zijn. Wij, gebonden in een begrip van eenheid, in een liefde voor het leven, in een zoeken naar de zin van ons eigen zijn, laat ons niet vragen naar de reden, maar laat ons de vlam doen opstijgen tot de hemel. Om dit te kunnen doen moet men eenvoudig zijn.

Want ziet, de tempel is gebouwd uit de jaren. De tempel is gebouwd uit de levens. De tempel is gebouwd uit dat wat ge zijt vergeten en dat wat ge nog niet hebt erkend. En wie met zijn weten een tempel wil bouwen, hij bouwt een grot die hem afsluit van het licht en zelfs het duister levenloos makt. Maar wie bouwt uit de kracht die in hem leeft, aanvaardend de tempel, aanvaardend het zijn waartoe hij behoort, die weet wat het is om een lichtende zuil te doen zingen tot de hemel en het antwoord te vinden in het vuur dat de hemel geeft aan de aarde.

Denk niet, vrienden, dat mijn beelden, beelden zijn die nooit hebben bestaan. De tempels van het oude Perzië hebben mijn woorden eens doen weerklinken nadat ik heenging. In de tempels van India heeft men mijn woord niet misverstaan. En de kracht waarvan ik spreek, heeft geleefd toen de mensheid jong was, zo jong dat zij nog zag hoe een lichtende zuil kon staan tussen hemelen aarde. Het licht heeft altijd gebrand en altijd is het opgegaan van de aarde tot de hemelen en de hemel heeft geantwoord.

Denk niet dat dit een gelijkenis is. Het is het feit van uw leven en uw wezen. En hoe gij het Licht dan ook in uzelf erkent en ontsteekt, zo gij het doet, erken daarin  het opstijgen naar het Hoge, opdat het Hoge antwoordt.

Tracht niet te zien naar een waarheid die ge niet kunt beseffen. Maar tracht te werken met de kracht u gegeven, opdat ge verzadigd moge worden in een kracht die ge niet volledig beseft.

Gij, die hongerig zijt, zult u op deze wijze kunnen verzadigen.

Gij, die besluiteloos zijt, zult op deze wijze het besluit kunnen nemen, dat noodzakelijk is.

Gij, die onwetend zijt, kunt het weten vinden, dat u verder voert op uw weg.

Gij, die machteloos zijt, kunt in dit licht de macht vinden, waardoor ge uw bestemming vervult. Want het licht is in alle dingen.

En zo gij – zoekende naar het Licht – voor een ogenblik durft zien naar dat, wat waarlijk in u leeft in eenvoud en zonder raadselen, zo zeg ik u, dat de krachten des Lichts uit u zullen opgaan en dat in u zal komen het weten en de noodzaak van deze dagen, van deze tijd. Dat ge het antwoord zult weten op de vragen die gij stelt, dat gij zult beseffen: eens geboren uit het onbekende ben ik een Licht in de tempel der wereld en mijn Licht zoekend naar het Licht der hemelen, blijft niet zonder antwoord. Want in mijn weg vind ik mijn wereld. In mijn wereld vind ik mijn Licht. En ziet, mijn Licht is het antwoord der oneindigheid.

Wees eenvoudig. Bemin het leven, bemin elkaar. Bemin de waarheid van een Licht, dat in u leeft en u één maakt met de grote Werkelijkheid.

Ik zeg u dit, opdat ge in staat zult zijn in deze dagen te vervullen wat is gegeven als een taak aan hen die Licht kunnen zijn, opdat gij zonder aarzelingen zult vinden de weg die voor u noodzakelijk is en zult vervullen het besluit van de Lichtende, Die tot deze wereld ons allen weer zendt als een antwoord op het Licht der wereld.

Dat het reinigende vuur in u, u moge maken tot de waarlijk verlichten, die zijn de brug tussen hemel en aarde.

Commentaar op de vorige lezing

U zult begrijpen dat er vele verschillende Leraren en Meesters zijn. En allen hebben ze hun eigen manier van spreken en werken. Maar voor mij heeft ook deze Meester heel veel te zeggen. Zijn Licht is iets dat ook mij beroert.

Het is niet een kwestie van een bepaalde stelling, het is een instelling.

Elke mens is een lichtje op de wereld. En of u dat nu bent van uit een christelijk, een mohammedaans of van uit een ander standpunt, is van weinig belang. Van belang is echter wel dat u kunt beantwoorden aan de kracht, zoals zij in u is.

En indien u dat hebt geleerd, zult u mij met mijn spreken over subjectieve werkelijkheid misschien ook beter begrijpen. Wat in ons is, moet naar buiten komen. En hoe wij dat tot stand brengen, is een kwestie waarover wij zelf moeten beslissen. Maar een antwoord op de Lichte kracht, die rond ons is, is wel noodzakelijk.

Deze was één van de velen. Misschien iemand die ook voor u veel kan betekenen, of iemand die u niets zegt. Maar ergens is er voor u ook een soort band met het Licht. Wij zijn er erg trots op, dat wij dit mogen voorbereiden en wij zouden ons nog heel wat prettiger en heel wat trotser voelen, indien u nu het werk voortzet door te beantwoorden aan de krachten die tot u komen en door ze om te zetten in een werkelijkheid en ze niet alleen maar als een soort innerlijk droompje te laten blijven

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf