juni 1963
De innerlijke wereld
In de mens is een weerspiegeling te vinden van elke wereld die er bestaat en waaraan hij kan deel hebben. Dat wil zeggen dat – wanneer er verschillende sferen zijn – elke sfeer in de mens is vertegenwoordigd, niet slechts als een mogelijkheid of als een kracht maar als een beeld. Elk wereldconcept is gebaseerd op de mens zelf, dat wil zeggen op zijn vermogen tot waarneming, zijn ervaring, zijn persoonlijk karakter. Het is dus logisch dat alle werelden ook anders worden beleefd. In verband hiermee is het goed er op te wijzen dat geen enkele mens in staat is een wereld objectief te kennen. Dit geldt voor uw eigen wereld, dit geldt voor alle werelden die beneden en boven de uwe liggen. Want een objectiviteit kunnen we alleen bereiken, indien we uitgaan van iets wat niet “ik” is. Maar wanneer het niet meer “ik” is en wij onszelf daarbij wegcijferen, dan valt de enige maatstaf weg, waarmee wij die wereld kunnen meten en kunnen kennen: het persoonlijk wezen, het ego. Het resultaat is dus dat elke wereld – onverschillig welke – in ons een beeld schept dat door zijn subjectiviteit verschilt van elk beeld dat een ander kent. Alle verhalen die u hoort over sferen, over geestelijke krachten, geestelijke werkingen, licht, zijn dus in dit verband te zien als subjectieve waarden.
Deze subjectiviteit kunnen we natuurlijk op een gegeven ogenblik enigszins verminderen. En daarom geldt: Wanneer ons bewustzijn met terzijdestelling van een deel van de aspecten van het “ik” tot een eenheid komt met andere entiteiten, zal het gemeenschappelijk beeld – voor de groep nog steeds subjectief, maar voor het “ik” een benadering van grotere objectiviteit – voor allen gelijkelijk bestaan, zolang de band in stand wordt gehouden. Hieraan mag ik misschien een paar verklaringen toevoegen.
Wanneer u hier staat en u ziet het verkeer en er gebeurt een ongeval, dan heeft u daarvan een persoonlijke opvatting. U spreekt nu met anderen. U houdt u geconcentreerd daarmee bezig. Het resultaat is dat u de waarnemingen en meningen van die anderen in u opneemt. De kans is dan heel groot dat een groep toeschouwers gezamenlijk een beeld ontwerpt van het ongeval, dat weliswaar niet volledig juist is, maar door het opnemen van de verschillende gegevens ofwel veel dichter bij de werkelijkheid ligt dan normaal, ofwel – en dat is een andere mogelijkheid – daarvan verder afwijkt.
Die laatste mogelijkheid bestaat bij een stoffelijke waarneming. Geestelijk komt zij minder snel voor, omdat we daar te maken hebben met licht‑ en duister‑aspecten. Er zijn dus positieve of negatieve aspecten. In het positieve is er weinig variatie te zien, het negatieve is oneindig gevarieerd. Zodra we dus gezamenlijk een positief beeld van een wereld of van een kracht trachten te vinden, zullen wij door onze samenwerking een juister en een vollediger beeld verkrijgen. Dat betekent nog niet dat dit beeld nu ook de totale werkelijkheid omvat. Het staat alleen dichter bij een realiteit. En daarom mag worden gesteld: Elke innerlijke wereld, waarvan het concept is ontstaan aan de hand van een groepsbeleving, geeft de mens grotere mogelijkheden om de kosmische werkelijkheid te beseffen en een grotere kans om ook de krachten van die wereld reëel te benutten. Elke wet die de mens voor zichzelf erkent, zonder dat zij kosmisch is, is een afwijking van de totaliteit en als zodanig een verkleining van zijn bewustzijn. Elke kosmische wet die wordt erkend, zonder dat daaraan verdere commentaren worden verbonden, betekent een benadering van de werkelijkheid, een vergroting van de objectieve waarden in eigen beleving en zijn. Dan hebben we hiermee de grondwaarden vastgelegd voor de innerlijke wereld.
We kunnen een innerlijke wereld al heel snel overdrijven. Want omdat deze werelden sterk subjectief kunnen zijn en de beelden die we daarvan in ons dragen, altijd een grote subjectiviteit hebben, trachten we onze eigen meningen en inzichten, onze bedoelingen als het ware aan te passen aan die wereld en omgekeerd. Zo wordt het beeld dat wij van een bepaalde sfeer of wereld in ons dragen, over het algemeen niet in de eerste plaats een erkenning van een geestelijke wereld, maar een weerspiegelen van onszelf in de mogelijkheden van de wereld. Dit klinkt nog steeds ingewikkeld. Daarom nog verder terug naar de eenvoud.
Op het ogenblik dat u een innerlijke wereld beleeft, is die wereld voor u volkomen reëel. Als dat een wereld is met draken, dan zullen die draken u kunnen aanvallen en doden, ook al is die wereld volgens alle stoffelijke opvattingen een illusie. De illusie kan doden, kan genezen, ze kan alles doen. Want voor zover het u betreft, is zij voor u volledig werkelijk, zolang u er deel van uitmaakt en u zich van die wereld bewust bent. Maar wanneer u nu aan die wereld bepaalde waarden toevoegt die niet reëel zijn, dan zult u persoonlijk deze dingen ook als werkelijk ondergaan en zo gelijktijdig in strijd komen met de kosmische werkelijkheid. Wanneer uw draak niet in een kosmische werkelijkheid kan bestaan krachtens een kosmische wet en u stelt zich die draak toch voor, dan kan die draak u doden, maar niet blijvend. Zolang u het concept “draak” niet uit uw gedachten kunt zetten, zal die draak u steeds weer blijven doden, tot het ogenblik dat u zich ervan bevrijdt.
Dit geldt niet alleen voor één enkele sfeer of – zoals velen denken – voor de eerste ogenblikken na de overgang. Dit geldt voor elke wereld waarin u leeft, voor elke wereld die in u bestaat, voor elke wereld waarvan u een bewustzijn in u draagt. Zolang u beantwoordt aan de kosmische wetten, is die wereld voor u werkelijk. De krachten welke die wereld bezit, de mogelijkheden die zij schept, zijn voor u reëel en u kunt ze toepassen niet alleen in een bepaalde sfeer maar over het totaal van uw wezen. Op het ogenblik echter dat u in uw concept afwijkt van de kosmische werkelijkheid, ontstaat er een onlogisch punt, dat wil zeggen een punt dat dus strijdig is met de grondwetten van het heelal. U kunt dat punt niet passeren. U blijft herhalen wat u reeds hebt doorgemaakt, totdat u in staat bent van dit concept afstand te doen.
Het is u misschien moeilijk dit voor te stellen, vooral omdat de meesten van u een betrekkelijk aardig beeld hebben van de Zomerlandsfeer (de periode kort na de overgang, de zgn. schemersfeer), een idee hebben van mentale werelden. Toch moet u goed begrijpen dat wij nooit een onmogelijkheid kunnen scheppen. Wanneer ons concept van een wereld (een wereld door onze gedachten veroorzaakt, dat is dus een vereiste), wanneer wij die veranderen, zodat zij niet past in het kosmisch geheel, dan wordt het een zuiver persoonlijke beleving, waarin geen verdere ontwikkelingsmogelijkheid bestaat. Misschien kunnen we het nog gemakkelijker voorstellen door een voorbeeld te nemen dat meer in uw eigen wereld leeft.
Stel dat u weet dat bv. De Gaulle wordt vermoord. U kunt teruggaan in de tijd. Nu zegt u: Ik wil zorgen dat De Gaulle niet wordt vermoord. Dan is dus een vastgelegde ontwikkeling voor u te wijzigen (volgens uw eigen concept), maar gelijktijdig bent u aan die hele wereld gebonden, waaruit de moordaanslag is voortgekomen. Als u nu probeert De Gaulle te redden, dan zult u daarin niet slagen. Slaagt u er toch in, dan staat u meteen weer op het punt waar de moordaanslag weer een potentie is, u zich die realiseert en u weer probeert om die te voorkomen. En zo gaat het voort.
Het is dus een soort kortsluiting, waarbij hetzelfde deel van de ontwikkeling zich steeds blijft herhalen, omdat de werkelijkheid (de kosmische werkelijkheid), waartoe al die anderen behoren, dus niet meer inwerkt op de zuiver subjectieve beleving. Uw beleving bestaat nl. uit een contact met de wereld. U kunt niet verder leven zonder dat die wereld ook wat doet. U kunt niet uit uzelf een wereld scheppen met een volledige ontwikkeling. Dat kan alleen God. Het resultaat is, dat op het ogenblik, dat u afwijkt van een kosmische wet of van een vaststaand feit bij wijze van spreken – ook indien u alle mogelijkheden daartoe verder bezit – u iets schept dat u verwijdert van uw eigen wereld. U wordt uit uw wereld verplaatst in een “niet”. In dat “niet” kunt u niet méér scheppen dan de laatste poging die voor u nog reëel was: de poging om te voorkomen dat de moord werd gepleegd, maar u weet dat de moord in feite plaatsvond. Door deze strijdigheid zal het ogenblik dat u de moord voorkomt, inhouden dat u moet terugkeren tot het punt waar u gaat proberen de moord te voorkomen. Want de moord is een feit. Pas wanneer u dat hebt aanvaard, bent u weer in harmonie met de werkelijke tijdstroom (met de kosmos) en kunt u voortgaan.
Ik geef toe dat dit betrekkelijk moeilijk te begrijpen is, maar het is toch wel noodzakelijk dat we ook dit punt beseffen, omdat wij – wanneer we beginnen met inwijdingen en al wat erbij behoort – zo heel vaak vergeten dat we ergens gebonden zijn aan een kosmische wet, aan een kosmische werkelijkheid die ook voor ons geldt. En niet alleen voor dit ogenblik van bestaan maar voor het totale bestaan.
In elke sfeer die wij in onszelf erkennen, hebben wij een taak. Die taak wordt naar ons begrip achtereenvolgens afgewikkeld. In feite is het – kosmisch gezien – gelijktijdig of tijdloos. Het is nl. een vervulling in elk deel van de wereld, zonder dat tijd daar een invloed heeft. Het is alleen het bewustzijn (de persoonlijke realisatie van die werelden) die daartussen verschil of afstand schept. En doordat je nu op die manier hoopt iets te kunnen veranderen wat behoort tot die kosmische wet, tot die taak, tot het noodzakelijke, kom je vaak in strijd met de werkelijkheid.
Wanneer dit stoffelijk zou zijn – zoals in het voorbeeld dat ik gaf – is het niet zo erg. Want daar zou je door de ervaring van het steeds weer vastlopen in de praktijk op den duur de zaak wel moeten opgeven. Maar zolang het gaat om een wereld die je niet als volledige werkelijkheid ervaart (één van je innerlijke werelden, één van die innerlijke sferen), is het veel gemakkelijker om die afwijking verder te hanteren. Het herhaalt zich dan ook, maar je merkt het niet zo. Je denkt dat je iets hebt gevonden, dat zo groot en zo goed is dat er geen verbetering meer mogelijk is, zodat het een herhaling wordt, zoals het ronddraaien van het gebedsmolentje met één vaste spreuk. En dat houdt dan in dat je in een bepaald subjectief beeld zo bent vastgelopen, dat daarin geen verdere uiting mogelijk is.
Nu gaan alle andere werelden normaal door. Dat kunnen we aannemen. Maar uw bewustzijn kan niet verder, want uw wezen is harmonisch met elke wereld, die gespiegeld is in het “ik” en wanneer in één daarvan een afwijking ontstaat, kan “het leven” (dus de beleving wel verdergaan, maar de bewustwording die uit de beleving normalerwijze voortkomt, staat stil. Daarom kan ook worden gesteld:
Op het ogenblik dat een innerlijk subjectief beeld afwijkt van de goddelijke wetten, zal de mens niet verder komen, ook in zijn eigen leven niet. Hij zal gedoemd zijn tot een steeds herhalen van dezelfde thesen. En hij zal in het voortgaan der feiten voortdurend deze zelfde theorie, deze zelfde these, deze subjectieve waarde, proberen werkelijk te maken, zonder daarin ooit te slagen.
Nu leven wij in een tijd – dat weten we allemaal – waarin kosmische invloeden optreden. Een kosmische invloed kan alleen optreden aan de hand van de goddelijke wetten. Ook wanneer wij die wetten niet goed begrijpen, moeten we toch ervan overtuigd zijn: het is een kosmische wet, het is een deel van de werkelijke kosmische structuur waaruit deze kracht voortkomt.
Wanneer Meesters op aarde komen of tot de aarde terugkeren, dan is dat niet alleen maar hun goede wil. Neen, het is tevens – als het een werkelijk feit is – een deel van de kosmische structuur dat zij tot werkelijkheid maken. Zolang de mens die werkelijkheid aanvaardt, zal hij die kracht ervaren en vanuit die kracht veel kunnen bereiken. Hij zal van de Meesters veel kunnen leren en hij zal zich dus meer bewust worden niet alleen van zijn persoonlijke stoffelijke wereld, maar van elke persoonlijke wereld in het “ik”. Wijkt men echter bij zijn beeld van deze situatie en toestand te ver af door het geheel van de werkingen te subjectiveren, dan is het gevaar heel groot dat men komt op een punt dat de oorspronkelijke ervaringen, krachten en mogelijkheden geen invloed meer hebben en niet meer tot uitwerking komen. En dan kunnen wij zeggen: dat is Gods wil of dat is een kwestie van een hogere sfeer waarin ik leef, maar het feit blijft bestaan: je komt niet meer verder. Er zou als het ware een frustratie ontstaan, waarin men steeds ongeduldiger wordt, steeds meer een persoonlijke uitleg zoekt voor het niet‑verder‑gaan, het niet‑verder‑zich‑ontwikkelen van een bepaalde situatie, zonder dat men dit in wezen eigenlijk kan. Men meent dus steeds: nu is het ogenblik bekomen, maar het komt steeds niet.
Dan moeten we die innerlijke werelden nog een ogenblik nader bezien om enigszins te begrijpen wat in verband met de kracht van deze dagen de mogelijkheden ervan zijn en ook de gevaren.
En nu begin ik maar met een van de hoogste werelden, waarvan de mens meestal een vaag beeld heeft: de wereld van het witte licht. Voor de mens over het algemeen zijn Godsbeeld. In deze wereld zijn alle dingen tijdloos en eindeloos. Zodra men de tijdloosheid of eindeloosheid wil interpreteren als een onverschilligheid, maakt men een fout. Want het bestaan van de hogere sfeer omvat alle lagere sferen en wordt als het ware uit die lagere sferen gevoed. Zij kan haar volledigheid pas bereiken wanneer alle lagere sferen als het ware daarin zijn opgegaan. Het resultaat is dus dat een onverschilligheid te stellen voor God of voor hogere krachten nimmer de juiste resultaten geeft. Omgekeerd is het volkomen foutief of verkeerd te stellen, dat God (of die hogere sfeer) voortdurend zal ingrijpen volgens menselijke normen.
Wanneer wij nl. aannemen dat God (indien God liefde is) liefheeft, zoals mensen liefhebben (met zekere voorkeuren, met partijdigheid, met vergoelijking, met een wegvallen van hardheid en wat dies meer zij), dan maken wij weer een grote fout. Want God heeft inderdaad allen lief. Niet alleen de God, die wij in dat witte licht vinden, maar ook de werkelijke Godheid, want alles bestaat uit Hem. Maar omdat het deel is van Zijn wezen, is het zeer normaal dat zich daarin een strijd afspeelt. Die strijd is zelfs noodzakelijk voor de levensprocessen, zoals in uw lichaam zich een voortdurende strijd afspeelt tussen indringers in het lichaam en de bloedlichaampjes, in de organismen er een voortdurende aanpassing is, die ook cellen doet ondergaan en andere doet ontstaan.
Wanneer we dit begrijpen, zullen we die God dus niet zien als iets, waarvan wij een actie kunnen veronderstellen of een actie kunnen weergeven. We weten dat het een kracht is, die het geheel beschermt en liefheeft, een kracht, waarin niets werkelijk teloor kan gaan (het wordt altijd weer omgezet), maar gelijktijdig een wereld, waarin geen enkele menselijke wet kan gelden, ook geen menselijk concept van goedheid, van licht of iets dergelijks.
Zo mogen wij in deze hoogste wereld, waarin de mens zich soms bewust kan zijn, nooit actief zijn met het menselijk denken. Wij kunnen slechts passief zijn en deze wereld ondergaan. Zolang wij passief zijn tegenover die wereld – voor zover dat het vormen van beelden en gedachten betreft – zullen wij over de kracht van die wereld kunnen beschikken. Zodra we trachten de krachten van die wereld te zien als iets dat alleen voor onze doeleinden bestemd is, sluiten wij voor ons de werkelijkheid af en komen wij tot het reeds omschreven frustratieproces.
Een tweede wereld die in elke mens praktisch ergens actief is, is de wereld die wij altijd hebben omschreven als kleur. Er is hierin een veelvoudigheid van bestaan. Er is meer verschil tussen acties en waarden. Het is bv. de wereld, waarin de zgn. “stralen” ontstaan en waarin wij ons daarvan bewust worden.
Deze wereld kan ook weer niet worden onderworpen aan ons menselijk oordeel. Want elke kleur heeft haar recht van bestaan en zonder deze is het kleurengamma van die wereld niet compleet. Door een bijzondere voorkeur te tonen voor een bepaalde kleur kunnen we ons daarop oriënteren. Zodra we echter een bepaalde kleur verwerpen of bestrijden, doen we iets dat niet reëel is. We kunnen dus niet meer de krachten van die wereld en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden van bewustwording en van leven aanvaarden. Er is weer kortsluiting.
Dichterbij ligt de wereld, die door ons meestal wordt omschreven als “klank‑en‑kleur”, een mengeling dus van hogere en lagere trillingen. Hierin ligt voor de mens een grotere mogelijkheid tot erkennen. In deze wereld wordt nl. voor hem ook “het Woord” gevormd. Het woord dat dus het Godsbegrip kan omschrijven, een definitie kan geven van het leven, de waarde waarmee je voor jezelf als het ware je eigen lot en je verhouding tot het geheel leert kennen. Alle zelfkennis wordt over het algemeen binnen deze innerlijke wereld gevonden.
Er zijn echter heel veel mensen die dit niet willen zien als een deel van henzelf. Zij erkennen deze wereld, maar zij projecteren al die krachten als afzonderlijke entiteiten buiten zich en schrijven daaraan vervolgens hun eigen denkbeelden toe. Resultaat: kortsluiting. Slechts indien wij beseffen dat uit elke daarin levende kracht iets voor ons kan ontstaan, zonder dat wij in staat zijn de motiveringen, de mogelijkheden als het ware te omschrijven met woorden, komen we verder.
In deze wereld bestaan krachten die in de menselijke wereld (de stofwereld) voor verschillende doeleinden bruikbaar zijn. Een mens die zich bewust is van deze wereld, die wij “klank‑en‑kleur” hebben genoemd, zal daaruit bv. een bepaalde “straal” door concentratie voor zich reëel kunnen maken en dan de kracht van die straal in zijn eigen wereld openbaren. Maar verder dan dit, kan hij niet gaan. Op het ogenblik dat hij probeert die kracht verder te definiëren, loopt hij vast. Hier is het dus een kwestie van het aanvoelen van affiniteiten, van harmonische aspecten, zonder dat een directe definitie mogelijk of zelfs geoorloofd is.
Dan vinden we daaronder de wereld, die wij wel eens alleen “klank” noemen, omdat daarin de hogere trillingen ontbreken. Het zijn de werelden die wij bv. vereenzelvigd zien met de engelenwereld en de wereld van Tronen en Heerschappijen. Hierin wordt de hogere kracht als een stuwing merkbaar voor alle lagere werelden. In deze wereld kunnen wij wel een omschrijving geven van de werking van een bepaalde kracht, wij kunnen echter haar werkelijke kwaliteiten of harmonische samenhang met andere krachten niet erkennen. Het resultaat is, dat wij in deze innerlijke wereld een bepaalde kracht of Meester of Heerser kunnen erkennen, dat wij de inhoud die wij daarin ervaren, voor onszelf in praktijk kunnen omzetten in elke lagere sfeer en ook in de stoffelijke wereld, zonder dat wij daarbij echter ooit kunnen zeggen: het is om deze of gene reden dat het gebeurt.
Hier hebben we een groter kenvermogen. En degene die hier leeft, heeft dus ook de mogelijkheid om zich hier werkelijke Meesters te zoeken. Een groot gedeelte van het innerlijk scholingsproces tijdens uittredingen of na de dood een uitwijken naar een hogere sfeer om te leren, vindt plaats in deze wereld. Ze is deel van uw innerlijk, vergeet dat niet. Wat in u bestaat, kunt u buiten u erkennen. Maar u kunt het alleen subjectief vanuit uzelf ervaren. U zult dus niet de volledigheid van zo’n wereld kunnen opnemen. Maar toch is hier voor het eerst de mogelijkheid gegeven tot kennen. Er is geen mogelijkheid tot beheersen. Er is een mogelijkheid tot gebruiken, maar geen mogelijkheid tot reguleren.
Daaronder vinden wij de innerlijke wereld die je zou kunnen noemen: de hogere Zomerlandsfeer. Het is een droomland dat soms wordt omschreven als ijle bergtoppen, onmetelijke tuinen, wolkenvelden en de voortdurende herinnering waarin het gehele verleden herleeft. Dit is op zichzelf natuurlijk heel aardig. Maar ook dit is weer een innerlijke wereld: En het is dus lang niet zeker dat eenieder deze wereld op een gelijke wijze zal zien, zal erkennen. Zeker is wel dat wij in deze wereld bepaalde dingen niet alleen kunnen zien, maar ook kunnen begrijpen. Wij kunnen niet de grondstelling erkennen, wij kunnen wel een logisch verband zien tussen hetgeen uit de eenmaal gestelde grondstelling voortkomt. Een beeld van gevolgen is in deze wereld volledig mogelijk. Een overzicht van oorzaken is verstandelijk niet mogelijk. Het is dus niet in het kenvermogen vast te leggen. Men weet dat de stellingen die men gebruikt werkhypothesen zijn, waarachter de werkelijkheid schuilgaat. Zolang men beseft dat er dus geen onfeilbaarheid bestaat, kan men in deze wereld – door persoonlijk erkenningen toe te passen en harmonie daarmee te zoeken heel veel bereiken. Zodra men stelt dat het “ik” of de eigen opvatting superieur is aan anderen of zelfs de enige mogelijkheid is in deze wereld, ontstaat er kortsluiting en daardoor een wegvallen van alle mogelijkheden en ook van verdere erkenningen van uit deze wereld.
De daaronder liggende wereld is het Zomerland, dus de wereld waar sommigen van u bij uittreding nog al eens plegen te vertoeven. Een wereld waarin vormen wel menselijk zijn, vaak heel plastisch, heel reëel, waarin ook belevingen menselijke gestalten aannemen, maar waarin alle stof toch ook weer symbolisch is. Het is niet vast. De vijver van zo-even is nu een fontein, de fontein wordt een plein, het plein wordt een bos en zo verder. Naargelang wij onszelf wijzigen, wijzigt zich onze voorstelling van de plaats. Onze verhouding tot de sfeer wordt bepaald door onze instelling, de realisatie vindt plaats in stoffelijke termen.
Hier zou een mens dus al heel veel kunnen doen. Want alles wat zich hier afspeelt, is ergens een weerkaatsing van zijn persoonlijke werkelijkheid. Hij kan die persoonlijke werkelijkheid – omdat ze kan worden omschreven en als het ware verstandelijk gehanteerd – ook gemakkelijker met anderen delen. Een uitwisseling van gedachten is hier mogelijk op filosofische en zelfs volledig logisch rationele basis. Degene die hier echter een bepaald beeld begint te fixeren en elk ander beeld weigert, aannemende dat alleen het door hem ontvangen beeld juist is en al het andere misleiding, veroorzaakt kortsluiting. Hij kan niet verder. Voor hem is de wereld innerlijk afgesloten. Er kunnen vele illusies in ontstaan, maar het is feitelijk een herhaling van steeds hetzelfde. Onder deze wereld vinden we dan de wereld van het astrale leven, de fijne materie als het ware Ook hier hebben gedachten invloed op de vormen. Maar de veelheid der vormen is hier praktisch niet te schatten. In vele gevallen zien wij dus complexe beelden ontstaan die u niet mede moet erkennen of in stand houden om ze voor u tot werkelijkheid te maken. Een astrale vorm zal dus – ook wanneer u het beeld niet in uzelf draagt – naar u toe kunnen komen. Het erkennen van de vorm en gelijktijdig het erkennen van het feit dat het een gedachte is die als zodanig machteloos blijft, maakt u vrij om ook in deze wereld te werken en te leven en ook om in deze wereld zelf gedachtenvormen te scheppen die u naar elders uitstuurt. Een groot gedeelte van de menselijke gedachtekracht kan worden omgezet in energie, die in deze wereld werkt. Een aansluiten bij hogere krachten die eventueel ook in deze wereld een beeld tot stand brengen, maakt het weer mogelijk om eigen werking in harmonie met hogere krachten te verstevigen. En dan hebben we natuurlijk uw menselijke wereld. In die menselijke wereld zijn alle dingen mogelijk, ook al denkt u zelf van niet. De mogelijkheden die uw wereld kent, zijn geheel afhankelijk van uw aanvaarding ervan. Zolang er een bepaald concept van de werkelijkheid door vele mensen wordt gedeeld, is het materiele werkelijkheid en kan ze als een redelijke werkelijkheid worden gehanteerd. Ze bezit echter geen werkelijke kracht, tenzij zij tevens een weergave is van een hogere realiteit. De stoffelijke wereld kan haar krachten, haar vermogens alleen vergroten, wanneer zij in harmonie is met één van de voor omschreven innerlijke werelden. Op grond van het voorgaand gestelde kunnen wij nu ook conclusies trekken ten aanzien van de kracht die in deze tijd optreedt.
- Het heeft geen zin een beroep te doen op deze kracht, tenzij wij haar kunnen ervaren. Het is noodzakelijk eerst een vorm te vinden, waarin de kracht kan worden ervaren, voordat zij kan worden gehanteerd. In de kracht is men steeds gehouden aan de daarin optredende goddelijke wet (kosmische wet), zij kan nooit worden gebruikt tegen haar eigen wezen in. Slechts de mens die met een bepaalde kracht harmonisch is en in die harmonie daaruit put, zal daarmee kunnen bewerkstellingen dat de essentie van die kracht in feiten kenbaar wordt.
- Elke Leermeester die optreedt, kan met ons harmonisch zijn. Het is echter niet altijd noodzakelijk dat hij voor ons aanvaardbaar of begrijpelijk is. Wij dienen te erkennen dat elke Meester op zichzelf waarde en kracht bevat, dat elke Meester krachtens zijn bestaan deel is van een hogere waarheid, maar – afgaande op ons aanvoelen, ons innerlijk bewustzijn – dienen wij die Meester te kiezen, die op dit ogenblik voor ons het meest te zeggen heeft. Een instellen op zijn leer en zijn wezen maakt het dan mogelijk in de materie weer de krachten van deze tijd gemakkelijker te manifesteren en het tempo van bewustwording aanmerkelijk te versnellen.
- Dit punt heeft u zich misschien nog niet helemaal kunnen realiseren: wanneer u in deze: tijd – deelhebbend aan deze kracht en deze openbaring – iets wilt bereiken, dan kunt u nooit iets bereiken dat afwijkt van de goddelijke werkelijkheid. Anders gezegd: Men kan in deze dagen slechts meer zichzelf zijn, of – niet in staat zijnde werkelijk zichzelf te zijn – verdwijnen uit deze wereld, dan wel door het kortsluitingssysteem vastlopen in een bepaald denkbeeld.
Hier hebben we dus een klein overzicht gegeven van de mens en ook van de sferen, want tenslotte is dit ook kennis der sferen, plus de relatie die er bestaat met de huidige kracht, de huidige Meesters. Laten we ons dus niet al te veel laten opzwepen tot de verwachting van het mirakel of “dat het einde nabij is”. Het wonder bestaat en het wonder zal wel degelijk plaatsvinden. Daarover behoeven we ons geen zorgen te maken. Maar dit is niet onze zaak. Zeker is dat de zachtheid die wij verwachten, het belonen van goed en het straffen van kwaad zoals wij dit zien, in deze tijd niet voorvalt, niet kan bestaan of niet zal voorkomen. De wetten die regeren, zijn van uit ons standpunt vaak onzinnig, wreed en hard. Slechts degene die leert elk moment afzonderlijk te leven en te proeven, zal hieronder niet lijden. Hij zal zeggen: Elk moment geeft mij zijn eigen vreugde en mogelijkheid of zijn eigen lijden en zijn eigen onvermogen. Door elk moment afzonderlijk te zien, kun je voortdurend in harmonie blijven. Door alle momenten samen te voegen tot een totaal beeld echter, zul je je weer verwijderen van die kracht. Je kunt er niets mee doen, je komt in strijd met wat je God noemt, met wat je denkt van de geest, van een Meester.
Wij mogen in deze tijd dan ook niet aannemen dat het nu ineens gemakkelijk wordt of dat alles opeens kenbaar verandert. Veranderingen zijn over het algemeen dingen die u niet opmerkt, tenzij u in staat bent om momenten te vergelijken. Zolang uw leven is gebaseerd op een continuïteit van ervaren en van denken, zult u pas veel later ontdekken dat er iets veranderde.
Als u gelooft in een goddelijke liefde en u denkt dat die liefde nu de wereld zonder meer zal behouden, bent u fout. Die goddelijke liefde kan de wereld niet zonder meer behouden, omdat dan het doel van de wereld ongedaan zou worden gemaakt.
Wij moeten er dus op voorbereid zijn dat het leven hard is en dat wij ook zelf vaak hard moeten zijn. Dat wij vaak zelf beslissingen zullen moeten nemen waarvan we denken: ze zijn eigenlijk niet zo vriendelijk; alleen omdat het niet anders kan. Uitvluchten bestaan er niet. Wie dat doet, komt in een irreële wereld en zal de gevolgen daarvan ondervinden.
We moeten in staat zijn vrij te zijn. Dat is een leer die u al heel vaak hebt gehoord. Vrij zijn betekent niet dat men zich elke vrijheid zonder meer neemt. Het betekent dat men zijn eigen wezen uit en deze uiting alleen ondergeschikt maakt aan het eigen begrip van harmonie, het eigen begrip van juistheid, niet aan buiten het “ik” bestaande wetten of regels.
De mens die aan zijn innerlijke kracht en zijn innerlijke beelden gelooft en daaraan beantwoordt, zal nl. leven in overeenstemming met zijn levensdoel, zijn noodlot als het ware vervullende, zijn taak voleindende. En dan kan het zijn dat men vroeger sterft, omdat men dit heeft gedaan. Maar dat is niet erg, want daarmee begint onmiddellijk een ander leven, waarbij één van de genoemde innerlijke werelden dan de werkelijkheid wordt.
Het is noodzakelijk om het doel van je leven te vervullen. Hoe, waarom, daarover moet je op het ogenblik nog niet teveel debatteren. Een oplossing voor alle vragen kan evenmin worden gegeven. Wij kunnen wat dit betreft erover gaan strijden wat er allemaal kan gebeuren of niet kan gebeuren. We zouden zelfs kunnen betogen dat in het verleden ook atoombommen zijn gebruikt, net zo goed als tegenwoordig. Maar wij moeten ervan uitgaan dat wij vandaag het beste moeten maken van wat vandaag mogelijk is. En dat kan alleen, doordat wij steeds weer elk concept van gisteren opzijzetten en de daaruit verkregen ervaring niet gebruiken om het heden aan het gevormde concept te doen beantwoorden, maar met die ervaring een nieuw concept dat het heden geheel omvat, te vormen.
Ik ben ervan overtuigd dat dit laatste voor u moeilijk en ingewikkeld is. Toch is het de eenvoudigste manier om u een inzicht te geven in de krachten van deze tijd. Alles wat deze kracht betekent, kan worden verwerkelijkt, zolang men alleen in het nu leeft, in het heden. Op het ogenblik dat men vooruit grijpt of terugziet, ontstaan er spanningen. Zijn die spanningen te groot, dan verbreekt men het contact met de werkelijkheid. De gevolgen daarvan zijn voor het “ik” onaangenaam en zeer moeilijk te dragen. Elke verwijdering van de werkelijkheid in één wereld, beïnvloedt alle bewustwording en mogelijkheid in alle werelden waarvan het “ik” deel uitmaakt.
En nu u dit alles hebt gehoord, kunt u proberen uit te maken welke instelling u werkelijk hebt tegenover het leven, of elk moment werkelijk een deel is van uw bestaan, een noodzaak. Denk niet aan gisteren, denk niet aan morgen. Leef vandaag in volledige overeenstemming met de kracht. Probeer vandaag de leer die u wordt gegeven, geheel te verwerkelijken, niet morgen, want morgen kan de leer alweer een stap verder zijn. Blijf als het ware volledig in overeenstemming met die krachten en de tijd en u kunt ervan verzekerd zijn dat u deelhebt aan een zeer belangrijk proces, waarbij wereld en mensheid nader komen tot de kosmos, de kosmische werkelijkheid, de kosmische harmonie.
Mediteren, contempleren en incanteren
Elke meditatie is in deze dagen een overweging, waarbij ook de nieuwe en lichtende krachten een rol moeten spelen. Dat wil dus zeggen dat wij ons daarbij moeten instellen op die delen van het licht, die voor ons belangrijk zijn.
Wij kunnen ons bv. instellen op het licht der wijsheid of het licht der liefde of het licht der waarheid en dergelijke krachten. In al deze gevallen is het belangrijk dat we beseffen dat dit licht niet alleen van bovenaf komt.
U heeft zojuist een beschouwing gehad, waarbij werd gesproken over uw innerlijke werelden. Misschien kan ik daarop inhaken door vast te stellen dat – wanneer wij een bepaalde kracht willen gebruiken of een bepaalde kracht door meditatie voor ons werkelijk willen maken – wij van uit onszelf die kracht tegemoet moeten gaan.
Er is b.v. sprake van het licht der wijsheid. We stellen ons dat meestal voor als een blauwe kleur, een lichtende blauwe kleur. Dan gaan wij trachten uit onszelf een licht te doen opstijgen dat deze grote kracht van wijsheid ontmoet. Wanneer we dat gedaan hebben, als we dus een contact voelen met de wijsheid, dan is het voor ons tijd om te zwijgen. Wat er dan in ons omgaat, dat is een inwerking van de straal, de kracht der wijsheid. En hoe dat licht zich in ons openbaart en door ons zich misschien ook aan anderen kan openbaren, is niet van ons uit te definiëren. Die wijsheid kan vandaag gaan over een eenvoudige stoffelijke zaak, morgen over het hoogste geestelijke geheim. Er is slechts één punt, waarmee we altijd rekening moeten houden: zodra wij de gedachte die in ons ontstaat, met onze persoonlijkheid gaan associëren (dus: wat betekent het voor mij?), zullen we afdwalen.
De kracht van een goddelijk licht, een licht van wijsheid, is een kracht die niet alleen voor ons geldt. Zij geeft ons de volledige wijsheid, dus het inzicht dat noodzakelijk is voor de gehele wereld waarin we leven. En pas wanneer wij eerst die wijsheid hebben ondergaan en in onszelf hebben verzameld, kunnen wij – de eigenlijke meditatie besluitend – overwegen wat dit voor ons praktisch qua geloof, qua handelen heeft te betekenen. Dat is dus het eerste punt.
Wanneer wij contempleren, dan beschouwen wij. Een beschouwing is altijd iets dat van uit ons standpunt passief is.
Wanneer u hier zo dadelijk voor een venster gaat staan en u kijkt naar beneden, dan ziet u een verkeerspatroon. Hoe zich dat wijzigt, kunt u niet overzien. U weet niet wat er wel en wat er niet langs komt en hoe en in welke volgorde. Het is niet uw taak om in dit geval van uit uzelf iets te benaderen, maar om voor uzelf vast te stellen. Daarom is het bij de contemplatie veel belangrijker dan bij de meditatie om eerst vast te stellen wat men beschouwt. In de meditatie kun je worden beroerd door een zekere kracht, je zult deze kracht erkennen en van uit jezelf ernaar toe leven. Maar in de contemplatie mag je dit niet doen.
Iemand die contempleert, stelt zich in op een bepaald beeld. Dat kan een eenvoudig beeld zijn, een stoffelijk beeld, het kan ook een kosmisch geheel zijn. Hij kijkt als het ware ernaar met al zijn zintuigen, met al zijn mogelijkheden. Nu ontstaan daarin zekere wijzigingen. Die registreert hij. Hij doet niets om het afdwalen van zijn gedachten te voorkomen, zolang die ene hoofdgedachte maar een rol blijft spelen. Hij mag ook niet proberen om de zaak te veranderen, hij moet gadeslaan. In de contemplatie beleef je iets van een andere werkelijkheid. En als je het niet kunt beleven, moet je het tenminste registreren.
En dan kennen we het derde punt: de incantatie.
Bij de incantatie gaan we gebruik maken van de eigenschappen, die zowel de contemplatie als de meditatie bezitten, nl. het vermogen om een hogere kracht voor onszelf kenbaar te maken, van uit onszelf tot die hogere kracht op te gaan en – dit is belangrijk – de bewijzen of de gevoelens, de gedachten, die uit de incantatie voortkomen, te registreren.
Wanneer ik incanteer, dan heb ik te maken met een zekere harmonie die ik probeer te scheppen. Daarbij is het dus niet alleen belangrijk welke woorden ik gebruik, maar ook welke klanken. Je kunt stilzwijgend mediteren, je moet zelfs stilzwijgend contempleren, maar je kunt nooit stilzwijgend incanteren.
De normale opbouw van een incantatie is meestal drieledig. Je begint nl. met te definiëren, wat je voor jezelf roept, datgene, waarmee je in harmonie wilt zijn. En je stelt ook de kracht waaronder dit gebeurt. Om een voorbeeld te geven:
“In de naam van de machtige God, Hij die is Tetragrammaton, Adonai, Messiah, enz. (ik noem nu maar een paar namen) ….bid en smeek ik U, Heer der wijsheid bv.), hoor mijn woorden” (dus geef me antwoord).
Ik stel: die kracht is mijn zekerheid, mijn beweegredenen, van uit die kracht zoek ik harmonie.
Nu moet u niet denken dat die ander dat onmiddellijk hoort. Het is geen telefoongesprek. Maar u heeft nu voor uzelf gedefinieerd wat u gaat doen. En nu moet u proberen die band voor uzelf kenbaar te maken. En dus is het tweede deel van de incantatie meestal een soort smeking. Het zou o.m. als volgt kunnen gaan:
“Ik bid U, machtige Heer der Wijsheid, zend mij Uw engelen en Uw stralen van licht, opdat zij met mij mogen zijn en mij mogen voeren tot het inzicht dat ik begeer.”
Nu heb ik dus gezegd wat ik wil. De Heer van Wijsheid zelf zal niet tot mij komen, dat weet ik. Maar zijn licht, zijn straal, zijn werking en de entiteiten daarmee verknoopt, kunnen wel tot mij komen. En het is dit contact dat ik wil doen werken. Ik kan dat, want ik heb in mij al die werelden. Ik heb in mij God. En dus begint mijn derde deel van de incantatie meestal in de vorm van een bevel:
“In de naam van de almachtige God, Hij die is …..(en dan herhaal je de namen, die je in het begin hebt gebruikt) beveel ik U, O, Gij krachten, die leeft uit het licht der Wijsheid en die de Heer der Wijsheid dient, zeg ik tot U, Straal van licht: Kom tot mij en help mij mijn doel te bereiken.”
Dan heb je dus gezegd: In de naam van de Allerhoogste, nu moet het gebeuren. Dan wacht je een tijdje. Nu heb je eigenlijk je incantatie af. Vervolgens zeg je: ik merk niets. Dan mediteer je een ogenblik over dat licht. Ben je nog niet harmonisch genoeg, dan begin je opnieuw met datzelfde aspect. Dus je herhaalt weer die reeks van drie punten, maar intenser. Dat doe je net zo lang, totdat je denkt: ha, nu voel ik iets, nu is er iets. En op dat ogenblik, wanneer je dus in jezelf het gevoel hebt van een verbondenheid ermee, ga je hetzelfde doen als iemand die contempleert; nu ben jij het niet meer, die iets moet doen, nu moet een ander iets doen. Maar jij moet waarnemen. Wanneer je iets wordt gegeven, moet je klaar staan om het te absorberen. Wanneer je iets wordt getoond, moet je klaar zijn om het te zien. Je moogt hier niet zelf verder werken.
Wel kan ik soms hulp vragen om een bepaalde taak, een zeer bijzondere taak te vervullen. En daarvoor kun je ook een incantatie gebruiken. In dat geval omschrijf je je werk en zodra je voelt dat die kracht er is, begin je ermee. Je denkt dan verder niet meer aan die kracht; die moet er zelf maar voor zorgen. En dan moet je het proces voltrekken, waarvoor je die kracht hebt opgeroepen.
Dat zijn zo drie aspecten die in deze dagen belangrijk zijn. Want wanneer je op het ogenblik in de wereld leeft, dan heb je je voorkeur. Die voorkeur is soms het werken met licht, in andere gevallen een meditatie of een contemplatie. Je hebt een voorkeur en daarvan moet je uitgaan. Maar je moet door die voorkeur deelhebben aan dit grote werk. En dan kun je dus proberen eerst eens dat werk te zien.
Je gaat er dus voor jezelf over mediteren, totdat je denkt: nu heb ik die harmonie gevonden. Wanneer je dit nu met een enkele meditatie haalt dan is dat heel mooi, maar ik zou het toch maar een paar keer herhalen. Mediteer een tijdje (bv. een week lang elke dag over datzelfde. Dan krijgt dat voor je beeld en gestalte, het leeft voor je. Nu moet je weten, wat je zelf daarin eigenlijk moet doen. Want je hebt de harmonie met dat licht en met de Meesters van deze dagen misschien gevonden, maar nu moet je toch werkelijk uitvinden wat er gaande is, voordat je kunt zeggen: zo pas ik erin. Daarom vervolg je dan met te contempleren, dus te beschouwen. Je laat hetzelfde onderwerp als het ware op je afkomen. Je gaat het niet, zoals bij de meditatie, opbouwen en voor jezelf de band maken, die is er dan wel. Neen, je gaat nu afwachten wat uit die band voor jou naar voren treedt. En wanneer je daardoor een begrip hebt van je eigen mogelijkheden of taak, je denkt: dat zou ik kunnen doen, dan gebruik je de derde methode, dus de incantatie.
Wanneer je dat alleen doet, ach, dan kom je niet zo gemakkelijk tot het incanteren, dat ben ik direct met u eens. Maar wanneer wij nu eens gezamenlijk zouden mediteren over iets en we zouden dat op ons laten inwerken (door contemplatie), dan kan het wel eens voorkomen dat we zeggen: nu moeten we een waarheid gaan zeggen. En dan incanteren wij dus voor een groep. Er is één die spreekt, maar het zijn alleen tezamen, die daarin opgaan. En dan wordt het ook erg belangrijk dat we beseffen dat niet elke incantatie op dezelfde manier kan worden gesproken. Wanneer u hier zou willen incanteren, dan kunt u dat bv. zo doen:
“In de naam van het witte licht en de kracht van hen, die was de Christus en is de Meester, die deze wereld benadert” (monotoon opgedreund)
Dat zegt niets. Daar hebben we niets aan. Het klinkt mooi. En iemand die zich meditatief erop heeft ingesteld, bereikt er wel wat mee. Maar dit hoort niet daarbij. Ik heb het over het witte licht; of ik heb het over de kracht, die de Christus is. Die betekent wat voor me. Dan moet ik dus mijn toon, ja, mijn hele manier van voordragen van de spreuk daaraan aanpassen. En dan krijgen we dit (ik geef dus alleen maar een voorbeeld):
“In de naam van de Almachtige, Wiens licht de wereld benadert, roep ik tot U, O Bron van het witte licht. Ik roep U en zeg: Hoor mij aan en kom tot mij. Ik roep tot U, Gij, die Christus waart, Gij, die zijt de Meester, die deze wereld nu benadert. Ik roep tot de Christuskracht in den Goddelijke, opdat het licht geopenbaard zij. En in de naam van dit licht:…” enz.
Heeft u gehoord, dat er iets anders is? Het werkt. En nu is dit toch alleen maar een voorbeeld, meer niet:
Door mijzelf aan te passen aan datgene wat ik zoek, kan ik gemakkelijker de verborgen krachten doen werken. Want rond elke mens zijn die verborgen krachten die wij dan o.m. kunnen zien als de contacten met de kosmos, die in de innerlijke werelden bestaan. Door ons aan te passen aan datgene wat wij roepen en wat wij zoeken, wat wij actief willen maken, hebben we dus ook de mogelijkheid om alles wat in ons is, mee te laten vibreren. We moeten niet alleen maar op één vlak (zuiver stoffelijk bv.) iets zoeken, wij moeten het met ons hele wezen zoeken. En dan weten we voor onszelf dat een bepaalde toon daarvoor aanspreekt, dat een bepaalde manier van handelen, van denken, van zeggen, daarmee voor ons is verknoopt. Dat is voor ons het belangrijkste in het leven. En dat moeten we dan gebruiken om die kracht voor ons zo werkelijk mogelijk te maken. Want dan voelen wij de aanwezigheid veel sterker. En hoe sterker wij die aanwezigheid voelen, hoe sterker wij ons ermee verbonden weten, hoe gemakkelijker wij dus de inwerking van die kracht in ons opnemen.
Dat is wanneer je wat wilt doen, maar evengoed als je alleen maar wilt denken. In sommige gevallen gebruikt men zelfs dergelijke aanroepingen om een gezamenlijke meditatie te laten slagen of een bepaalde lering te laten doordringen.
Onthoud dus altijd: je hele wezen moet daarin meeleven. Het mag niet klankloos en kleurloos zijn. Het is niet het woord dat kracht heeft, het is je eigen wezen dat in het woord vibreert. Het is je persoonlijke harmonie die zich dóór het woord uit. En dat geldt overigens ook voor alle riten en rituelen.
In deze tijd zullen we altijd weer komen te staan tegenover iets wat we niet helemaal aan kunnen: het onoplosbare. Dat kan een zuiver stoffelijk iets zijn, het kan een geestelijke moeilijkheid zijn. In enkele gevallen – daarvan ben ik overtuigd – is het bv. een strijdigheid tussen de wereld en ons geloof of een ideaal. Wanneer we die moeilijkheid hebben, moeten we beginnen naar een oplossing te zoeken. We weten dat die tenslotte door onszelf gevonden moet worden. We kunnen niet verwachten dat een ander het doet, we moeten het zelf doen. Maar om dat te doen, hebben we bv. wijsheid of kracht nodig. Dan is dus de procedure, die ik u zo even beschreef, heel goed te gebruiken. Want op die manier worden we harmonisch met het Hogere en kunnen we als het ware op elk bestaand vlak deelhebben aan zo’n kracht. Dan kunnen we beseffen, wat ze betekent en kunnen we ook inzien wat de feitelijke oplossing is. Een oplossing die misschien niet altijd strookt met onze gewoonten, ons normaal geloof of ons denken, maar een oplossing die zich dan aan ons opdringt. En dan moeten we zeggen: Kijk, hier heb ik dus het beginpunt, dit is mijn oplossing. Deze moet ik nu omzetten in werkelijkheid. Want in deze dagen hebben meditatie, contemplatie en incantatie hun grootste werkzaamheid, wanneer zij het begin zijn van de actie, van de praktijk. Waar de praktijk wegblijft, is hun waarde in deze dagen al heel wat minder. En daar, waar ze uitgaan van een abstractie, die niet tot deze wereld behoort, kunnen ze alleen nog maar waarde hebben, indien men zich van die andere wereld volledig bewust zou zijn.
Ik heb hiermee – geloof ik – een paar aardige punten naar voren gebracht en u een klein inzicht gegeven in de waarde van deze begrippen. Vergis u echter niet. Wat ik u hier vertel, dat is niet de perfecte handleiding. Het zijn de grondprincipes. Het is een algemene richtingaanwijzer, meer niet. Want ik kan u niet zeggen hoe u het best mediteert. Ik kan u niet zeggen wat voor u de meest juiste wijze van instelling is om te contempleren. Ik kan u zelfs niet zeggen, hoe voor u een incantatie het meest juist wordt ontworpen, geformuleerd en gesproken. Dat moet u voor uzelf vinden. Want het is uw persoonlijk harmonisch‑zijn met de wereld, met grotere krachten, dat bepalend kan zijn voor de manier, waarop u die dingen doet, waarop u ze uit, waarop u ze leeft. Het enige dat u dus zeker weet, is dit:
Zin heeft dit alles in de nieuwe kracht, in de vernieuwing van de wereld alleen dan indien het tot praktische resultaten voert.
Je kunt veel geduld hebben, maar als je een jaar lang hebt gemediteerd en gecontempleerd en er is geen praktisch resultaat uit voortgekomen, dan heb je ergens gefaald. Je eigen wereld, je eigen leven, je eigen lichaam desnoods, moet reageren, moet de bewijzen tonen dat de krachten waarmee je werkt, juist zijn, dat je er werkelijk mee bereikt. En daarom is het ook wel noodzakelijk dat u deze dingen niet alleen maar experimenteel opzet, maar dat u altijd moet uitgaan van uw geloof, van uw denken, van uw persoonlijkheid, want alleen dan hebben ze zin.
Ik ga nu het woord overgeven aan een gastspreker. Altijd is dit weer een inwerking waarbij een andere kracht tot uiting komt. Nu lijkt het me aardig voor u om dit meteen te gebruiken als een soort proef op de som. Want deze sprekers die wij dan “gasten” noemen, die ons helpen en waaraan wij ons eigenlijk hebben onderworpen vanwege hun licht en lichtende waarde, werken altijd met waarden die ook aanslaan op een ander niveau. Daarom is het aardig om die als het ware even te ondergaan en dan te doen alsof u contempleert. Zij mediteren wel voor u bij wijze van spreken. Maar u beschouwt, u neemt waar, u neemt in u op. Het gaat u niet persoonlijk aan op dit ogenblik. En dan wanneer ze klaar zijn, dan pas vraagt u zich af: wat heeft dit mij persoonlijk te zeggen? En als u daarin een boodschap vindt voor uzelf, dan zou het de moeite waard zijn om haar bv. door een incantatie voor uzelf nog eens extra op de proef te stellen. Het woord is aan de volgende spreker.
Gastspreker
Er zijn de laatste tijd besluiten genomen, die voor het gehele verloop van het geestelijk werk op deze wereld van groot belang kunnen zijn. Daarbij heeft men zekere stelregels aangenomen als bepalend voor de actie van de Grote Broederschap en zelfs voor de uitwerkingen die van het licht van deze dagen verwacht kunnen worden. Het is duidelijk dat ook onze Meesters hierbij een zeer grote rol hebben gespeeld en het is een deel van hun wijsheid, van hun denken, dat ik u op deze avond tracht weer te geven.
Om de grote waarheid te beseffen, dient de mens zijn eigen waarde te beseffen. Slechts wie zijn eigen kleinheid ziet als de bouwstenen der oneindigheid en zo van uit zichzelf bouwt om het Oneindige meer kenbaar en waar te maken, zal in deze dagen iets bereiken.
De grote kracht die alle mensen kan verenigen met het Licht, met de scheppende Macht zelf, is de liefde, die voor zichzelf niet vraagt en toch vanuit zich zoekt naar de juiste weg om harmonie te vinden met alle dingen.
Leven wil zeggen: innerlijke waarheden op de proef stellen en zonder aarzelen in feiten neerleggen. Daarna de feiten bezien op hun werkelijke betekenis en zo zijn eigen harmonie met de waarheid vergroten.
Geweld is het resultaat van disharmonie. Waar disharmonie is, kan geweld niet gekeerd worden.
Vrede is het gevolg van harmonie. Maar de harmonie leert de disharmonie te ontwapenen en in zich op te nemen, zo zal de ware vrede ontstaan.
Wijsheid is het zich steeds veranderende licht, dat de goddelijke waarheid weerkaatst. Geen enkele wijsheid is vaststaande. Slechts door haar veranderlijkheid blijft zij een band met de waarheid.
Wie gelooft aan een beperkte God, kan beter niet geloven. Want hij gelooft in wezen aan zichzelf. Wie gelooft in een onbeperkt en oneindige God echter, zal leren die God ten dele in zich geopenbaard te zien en niet optredend als vertegenwoordiger van het geheel van de goddelijke Kracht, maar als dat deel der goddelijke Kracht, dat spreekt in zijn wezen.
Deze overwegingen zijn voor een groot gedeelte basiswaarden waaruit alle raadsbesluiten der Grote Broederschap zijn voortgekomen. Daarnaast hebben zij getracht om de band der Meesters op een nieuwe en meer harmonische wijze te leggen. Hierin zijn dus de door u gekende en vele door u niet gekende ingewijden uit alle tijden aanwezig. Zij treden op als eenheid, omdat vanuit deze eenheid voor hen het grootste gedeelte der aarde te beroeren is en hun lering, hun invloed een zeer groot gedeelte van de aarde kan helpen en bijstaan.
Wie naar één Meester roept, moet beseffen dat hij spreekt tot alle Meesters door één. Wie de woorden van één Meester hoort, moet beseffen dat hij hoort de wijsheid, het weten van alle Meesters. Slechts zo zal men ontkomen aan de neiging om zich te bekennen tot één Heer en alle andere te verwerpen. Want wie zich één Heer kiest, verwerpt het wezen dat tot hem spreekt.
Ook hierin liggen voor u zekere aanwijzingen opgesloten.
Ten laatste moet ik u mededelen dat er zekere wetten en krachten zijn, die – ofschoon in menselijke woorden moeilijk uit te drukken – in sterke mate uw wereld gaan beheersen en wel hoofdzakelijk na augustus van dit jaar. Deze krachten zijn nu reeds ten dele kenbaar als spanningen, maar zij zullen na augustus in steeds sterkere mate optreden.
Deze krachten weer te geven is onmogelijk. Ze te roepen en kenbaar te maken is voor hen, die hiervoor gevoelig zijn, echter wel mogelijk. Ik wil trachten deze krachten, deze inwerking, deze sfeer, een ogenblik kenbaar te maken. Ik doe dit door een overweging.
Licht is kracht.
Kracht is licht. Licht en kracht zijn wijsheid.
Wijsheid brengt licht en kracht.
Alle wijsheid vindt haar waarde in liefde.
Wijsheid zonder liefde is dwaasheid.
De dwaasheid der liefde wordt tot wijsheid.
De Groot‑Kracht van het Al is de alomvattende Kracht.
Zij is het alomvattend en aldoordringend Licht.
Zij is het weten der wereld.
Zij is de openbaring van de werelden die gij niet kent.
Uit het Niet komt de Stem.
De Stem wordt tot Woord.
Het Woord herschept zich tot Daad.
En ziet – het Onbekende is geopenbaard.
Uit de wetteloosheid vormt zich de erkenning.
Uit de erkenning schept zich de vorm.
En de vorm wordt tot weerspiegeling van de kosmische wet.
Wie zegt: “Eén is al, beseft de waarheid. Wie zegt: “Al is één”, beseft niet, hoe hijzelf niet één is het Al. Daarom is de les:
Zoek de grootste harmonie die gij kunt vinden met al datgene wat uw wezen kan aanvaarden. Zoek het grootste Licht in uzelf, opdat uw wezen zich aan zoveel mogelijk anderen kenbaar moge maken in Licht. Zoek naar de waarheid van uw wezen, opdat de wijsheid in u geboren worde, waaruit gij anderen beseft. Want slechts degene die zijn wereld zoekt te erkennen, deel zijnde van zijn wereld en niets van die wereld van zich vervreemdend, zal vinden de waarheid van deze dagen, de kracht van het Licht en de eindeloosheid van de volmaaktheid die zich nu in tijd openbaart.
In deze overweging is uitgedrukt een kosmische zin: de Kracht die de Meester voert, de Kracht waaruit en waarin zij werken, de Wet die dit Al regeert. En wat uzelf betreft, zo gij dit Al nog niet kunt verwerken zeg tot uzelf:
Kind van Licht ben ik.
Geboren uit Licht ben ik.
Vonk van de Vlam gescheiden, keer ik terug tot de Vlam.
Gescheiden van al wat rond mij Licht is,
vereen ik mij met al wat Licht is,
opdat het lichtende van de Vlam zij de kracht van mijn wezen.
Want slechts de Vlam des levens zal mij voeren tot de vervulling van mijn wezen.
Slechts de Kracht des levens zal alle grenzen slechten.
En het Licht des levens zal zijn, de openbaring der oneindigheid.
Ik wens u allen in steeds toenemende mate een bewust werken met en een deelhebben aan de lichtende Kracht van deze tijd toe. Opdat wij – met elkander verbonden – waar mogen maken het Woord, opdat op deze wereld de wijsheid der schepping kan worden geopenbaard.
De wijze bij de vijver
Laat mij u – al mediterend – iets vertellen dat veel op een sprookje lijkt.
Er leefde eens een wijsgeer. Onbewogen en rimpelloos gingen zijn gedachten uit naar de Oneindige en uit hem openbaarde zich de stilte. Soms ging hij uit en zette zich op een rots, zich spiegelende in het water. En ziende hoe de hemel boven en beneden hem zich gelijkelijk welfde, sprak hij: “Zo beneden, zo boven – zo boven, zo beneden.” Dit nu werd gezien door een dartele god, die – jong en speels – door de hemelruimte dwaalde. Toen de wijsgeer weer eens met rimpelloos beseffen, schouwde naar de hemel boven en beneden hem, nam deze god een steen en gooide die in het water. Op de waterspiegel kabbelden de golven in kringen weg tot ze de horizon verdreven en de wolkenweerkaatsing maakten tot een spiegelend spel.
De wijze, verstoord in zijn mediterend denken, sprak echter: “Hoe is dit mogelijk? Boven mij is de hemel rimpelloos, doch beneden mij is zij gebroken.” Hij dacht daarover lange tijd na. Zijn gezicht werd mager en zorgelijk. Zijn gestalte werd, nog magerder en stokkiger dan voorheen. Geen woord sprak hij meer tot zijn leerlingen. Elke dag zat hij op de rots. Soms wierp hij ook zelf een steen in het water en sprak tot zichzelf: “Waarom dit verschil tussen boven en beneden?” Want deze wijze was als de meeste mensen, hij dacht dat wat boven en wat beneden is gelijk moet zijn, ook in vorm.
Toen echter, drijvende op een enkele windvlaag, kwam er een andere godheid voorbij. Tot mededogen bewogen door de zorg en verwarring van iemand die eens zo rustig was, fluisterde hij met de stem van de wind de wijze toe: “Zie, een steen valt, zij beroert de bodem, het water rimpelt en toch blijft het water zichzelf gelijk. Wie echter de hemel wil zien in het water, vergeet daarbij vaak de werkelijkheid. Toch zijn de wateren levend en ruim als de hemelen, die zij weerspiegelen. Toch zijn de stormen die gaan tussen de sterren, in wezen gelijk aan de rimpelingen in het water. Zoals de gedachte van de mens soms de kern van het zijn, het duister waarin geen ster meer glimt, beroert, haast doordringende daar, waar achter de schijn van duister de eeuwige luister van de Schepper leeft, zo beroert de steen de bodem en woelt de modder op. Niet beseffende beroert zij, maar door haar beroering geeft zij soms de mogelijkheid tot nieuw leven.”
Toen riep de wijze zijn leerlingen samen en sprak tot hen: “Mijn ziel ging op ten hemel en zij vergat zichzelf. Toen keerde zij terug, maar ziet, zij herkende zichzelf niet meer. Zo was ik als een mens zonder woning, als een zoeker zonder vaderland, tot ik besefte: zie, al wat boven mij leeft, draag ik in mezelf mee. En uit mij werd het Licht herboren. Ziet, het deelde zich mee aan het water, waarin ik mij spiegelde, het deelde zich mee aan de planten rond mij. De vogels zongen een lied, de panter was vredig en de slang wiegde zich vreugdig in het Licht, omdat wat boven en wat beneden is, gelijk is, wanneer de gedachte scheppen kan. Laat ons daarom de liefde van de Eeuwige die leeft in alle bestaan, in onszelf leven. Zoals Hij zijn liefde geeft aan alles zonder voorbehoud, zullen ook wij onze genegenheid geven aan al wat leeft, aan de slang die giftig is, aan de panter die jaagt, aan het hert dat spelend dartelt of schichtig vlucht, aan de planten, giftig of heilzaam, vrolijk van kleur of kleurloos, eetbaar of vol van gevaren. Want wanneer in ons de vrede leeft, speelt zich een wonder spel af tussen de bodem van ons wezen en de Eeuwige.”
Zoals de schepping in hem werd erkend door de beroering van zijn ego, daardoor scheppende dat, waaruit hij zichzelf erkende, zo is de rimpeling die in het leven ontstaat voor ons slechts een erkenning dat de steen van de wijsheid, de magische steen der wijsheid in ons zinkt, het diepste van ons wezen beroert en zo door ons de Eeuwige openbaart. Geopenbaard wordt zo de waarheid van ons wezen en de verwantschap daarvan met de Eeuwige.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
