Wetenschap en occultisme

image_pdf

22 mei 1959

Mag ik nog even erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, dus trek uw eigen conclusies, denk zelf na. Zoek zelf naar de waarheid en beschouw daarbij ook datgene wat wij brengen, maar zeker niet zonder kritiek.

En dan staan wij voor de indeling van de avond. Nu hebben wij al eens met zo een verkorte discussie geëxperimenteerd. Ik heb voor vandaag een onderwerpje, waarover u ook kunt discussiëren wanneer u wilt. Dus u moet zelf maar kijken, of u het interessant genoeg vindt of niet. En daarvoor heb ik natuurlijk ook een titel gezocht:

Wetenschap en occultisme

Wanneer wij zeggen: Wetenschap, dan bedoelen wij daarmede niet alles wat een mens kan weten, maar alles wat de mens weet te bewijzen. Met andere woorden: zolang wij experimenteren kan dat onderzoek wetenschappelijk zijn, gebaseerd op bewijsbare waarden. Maar het product ervan wordt pas wetenschap, wanneer wij dat dus bij herhaling kunnen scheppen. En juist dit element in de wetenschap stelt haar bijna lijnrecht tegenover het occultisme. Want het occulte verschijnsel is een verschijnsel dat zich steeds aan de hand van de omstandigheden openbaart, dat niet door stoffelijke middelen of wetten te controleren is. Een reeks van verschijnselen verder, die zelfs niet volgens de bekende psychische normen werkt, maar die daarnaast allerhande vreemde en voor de wetenschap erg onplezierige afwijkingen vertoont. En als wij die twee nu tegenover elkaar gaan stellen en daarbij eerlijk willen blijven, dan valt het ons eigenlijk heel moeilijk die wetenschap te veroordelen, wanneer ze het occultisme verwerpt. Vanuit een wetenschappelijk standpunt heeft men daar eigenlijk wel gelijk in. Maar aan de andere kant lijkt het mij toch wel de taak van de wetenschap om fenomenen te onderzoeken.

Nu weten wij allemaal dat in zeer vele wetenschappen – en dat gaat van de meest exacte, de mathematica, af tot de meer speculatieve als de psychologie en de dieptepsychologie toe – men uitgaat van een vast aangenomen punt, dat in zichzelf niet bewijsbaar is, maar dat zich als fenomeen zo vaak aan ons toont, dat wij het als onomstotelijk waar aannemen, ook al kunnen wij daarvoor geen bewijs vinden. Want, zegt de wetenschapsmens: Je moet ergens beginnen.

En het leuke is dat de wetenschap zodra het om haar eigen takken van werkzaamheid gaat, deze punten, deze axioma’s ook niet tracht te bewijzen. Zij stelt ze. Zij stelt dat de kortste verbinding tussen twee punten een rechte lijn is. Zij stelt dat in de psyche verschillende herinneringen elkaar zo kunnen beïnvloeden, dat verschillende persoonlijkheden, althans karakters binnen één lichaam, kunnen ontstaan. Maar diezelfde wetenschap – en dat vind ik nu eigenlijk weer jammer – zegt: We horen nu overal wel van spoken, geestverschijningen en spookhuizen, wij horen van mediums, van stenenregens en dergelijke en wij nemen wel aan dat er iets is, maar ja, wij kunnen dat niet verklaren en wij nemen aan dat dit een of ander zelfbedrog is of zo, daarom kunnen wij er wetenschappelijk niet verder op ingaan. Een uitzondering daarop maakt de parapsycholoog. Maar deze wordt door de meeste wetenschapsmensen met een schuin oog aangezien, want hij behandelt feiten die niet tastbaar genoeg zijn.

De parapsycholoog verzamelt bewijzen en bouwt daaruit stellingen op, maar durft zelfs die stellingen niet als een zekerheid uit te spreken.

Laat ons bijvoorbeeld uitgaan van een parapsychologisch standpunt ten opzichte van seances.

Men stelt het fenomeen vast; er is een overprestatie, er is een mate van kennis welke inderdaad een persoonlijk kennen te boven gaat. Er worden een reeks van persoonlijkheden geproduceerd – typisch verschijnsel – heel merkwaardig. Nu kunnen wij natuurlijk aannemen, dat er inderdaad andere wezens of entiteiten zijn. Maar ja, we zouden ook kunnen stellen dat dit een psychische waarde is in de patiënt. En ja, we kunnen het ene niet zeggen en we kunnen het andere niet zeggen. We kunnen niet zeggen dat er geesten bestaan en we kunnen ook niet zeggen dat ze niet bestaan.

Kijk eens, wanneer je zo begint, kom je niet verder. Je moet op een gegeven ogenblik de moed hebben om een stelling te poneren. Dat men dit juist op het terrein van het occulte niet gaarne doet, is voor ons zoveel te meer verbazingwekkend, daar wij weten dat men andere wel stelt, waar men evenmin zeker van is. Er is zo langzamerhand een hele wetenschap opgebouwd, welke met de – volkomen speculatieve – stelling van de vierde dimensie werkt en aan de hand van de werkingen van de vierde dimensie tracht te komen tot een verklaring van fenomenen, meestal in de microkosmos. Ik vraag mij af, waarom men dit dan niet wil doen als het om geesten en om andere entiteiten gaat. En zo vraag ik mij ook af, waarom men wetenschappelijk voortdurend stelling neemt tegen de idee, dat er andere levende wezens zouden bestaan die deze wereld kunnen benaderen. Vergis u niet, dit is geen reclame voor Adamski. Niets is minder mijn bedoeling dan dat. Maar wanneer je nu de wetenschapsmensen hoort spreken, zeggen zij: “Ja, het is aannemelijk dat er ergens in het Al misschien wel levende wezens bestaan. Maar…”, denken ze erbij, “of die nu zo ver gevorderd zouden zijn dat zij ruimtevaart bedrijven en wij niet, dat kunnen wij niet accepteren.”

En ik ben bang dat het ten aanzien van de geest eigenlijk ook wel een beetje zo is. Want het is als wetenschapsmens niet erg prettig, wanneer je op een gegeven ogenblik – laten wij het maar precies zeggen zoals het is – in je hemd wordt gezet door iemand die niet gestudeerd heeft, die geen academische graad heeft of die niet behoort tot een ingenieursvereniging, een Kamer van advocaten of van doctoren en die dan ineens even komt aandragen met iets wat voor jou onplezierig is.

En dan zit er nog iets anders achter. De wetenschap heeft zich – en ik geloof dat dit ten dele bewust gebeurt – steeds meer van het lekendom gedistantieerd. Natuurlijk, er zijn wetenschapsmensen die buitengewoon aardige verhandelingetjes schrijven voor de leek, opdat hij er ook iets van zou kunnen begrijpen. Maar toch verschanst men zich achter het gebruik van Latijn, van vaktermen en van omschrijvingen, die voor de doorsneemens niet gemakkelijk begrijpbaar, leesbaar of verstaanbaar zijn. Dat heeft misschien in het verleden zijn reden gehad; men moest het magisch respect voor de rang hoog houden, vooral in die tijd, dat een dokter eigenlijk was aangewezen op het zetten van koppen, en als de patiënt niet doodbloedde, de patiënt te genezen door hem leeg te laten bloeden. Dit bracht natuurlijk met zich mede, dat hij er in die tijd niet voor uit kon of mocht komen dat zijn kennis zo beperkt was. En hij kon dit nog minder doen, omdat er in die dagen buitengewoon veel kwakzalvers waren. Ik wil niet zeggen dat ze er nu niet zijn, maar in die dagen waren er buitengewoon veel. Men had toen mensen die zich dokter noemden en zichzelf allerhande titels gaven zoals hofarts van de keizer van China, afgevaardigde van de medische wetenschap bij het congres aan het hof van de grootmogol en dergelijke. Deze mensen gaven drankjes voor alles. Van een drankje voor de genegenheid tot een middel tegen steenpuisten; en meestal was dat allemaal – laten we eerlijk zijn – humbug, gekleurd water, of bepaalde zeer simpele kruiden. Je kunt dus begrijpen dat men in het verleden geprobeerd heeft zich te verzetten tegen deze aantasting van de wetenschap door mensen, die van de goedgelovigheid misbruik maakten. Sedert die dagen is er toch wel heel veel veranderd.

Ik kan mij niet voorstellen, dat het voor een dokter noodzakelijk is in zijn recepten duisterder te zijn dan de inspecteur der belastingen in zijn aanslagbiljet. Ik kan mij niet voorstellen, dat het noodzakelijk is te ontkennen dat je fouten kunt maken. Toch zullen we steeds weer zien, dat als een arts een fout maakt, een ander probeert die goed te maken of te dekken. Alleen wanneer het toevallig persoonlijke vijanden zijn – hetzij op wetenschappelijk of meer persoonlijke basis – zullen ze elkaar gaarne als kwakzalvers en onbekwamen in het licht van de openbaarheid stellen. Dit nu wat de medici betreft.

Wij vinden echter precies hetzelfde bij de juristen. Ook de rechtskennis is een academische wetenschap geworden en wanneer wij als leek proberen te begrijpen wat er in een wetsartikel wordt bedoeld, komen wij tot de ontstellende ontdekking, dat het wel geschreven is in een taal die wij kennen, maar dat wij absoluut niet kunnen begrijpen wat er bedoeld wordt, aangezien elk artikel met woorden is doorspekt, zoals: weshalve en bovendien en onder sub a., en resumerende, enz. Deze verduistering van de wetenschap is gelijktijdig het zich terugtrekken in een ivoren toren.

Nu heb ik niets tegen de wetenschap, maar ik heb er wel iets op tegen dat de wetenschap probeert zich van de mens te distantiëren. Ik kan begrijpen dat een ingenieur een leek niet kan uitleggen hoe hij precies de spanningen berekent, welke bijvoorbeeld in een boogconstructie van een brug optreden, of van een vrijdragend plafond. Maar wat ik mij wel kan voorstellen is, dat hij probeert de grondslagen daarvan duidelijk te maken. En wanneer hij daarin faalt, dan zeg ik: “Er deugt iets niet.” Wanneer hij begint allerhande vreemde termen te gebruiken, waarbij wij soms een eigenaardig mengsel vinden van Duits, Engels en Frans als een soort vakjargon, dan kan ik begrijpen dat dit gemakkelijk is voor hem die erin thuis is. Maar het is ook een middel om elke buitenstaander uit te sluiten. Men realiseert zich dit niet zo en de wetenschappen, welke zich bezighouden met de meer concrete dingen, zoals de bouw van huizen en bruggen, de aanleg van wegen, het boren van olie en het doen van seismische onderzoekingen, die willen nog wel spreken tot het publiek. Eén bepaalde tak, de meteoroloog, heeft zich zo langzamerhand praktisch geheel op het publiek gebaseerd en probeert zijn werk juist duidelijk te maken. Maar degenen die de kringen onderwijzen, doen dat ook niet. Men stelt zich als het ware buiten en boven de gemeenschap. En ik denk zo, dat juist hierdoor een van de grootste remmingen is ontstaan tegen de aanvaarding van elke occulte waarde.

Laten wij het feit van geestelijke genezing nemen. Een arts stelt vast: dit kind, deze man, deze vrouw is niet te genezen. Dit is een ziektebeeld waarvoor wij geen middelen kennen. Als er nu een geestelijke genezer komt of een gebedsgenezer of een magiër en hij geneest die patiënt, dan zal men alles doen behalve accepteren wat toch bewezen is, namelijk: dat er een genezing is. Men zal het wegpraten. Men zal zeggen dat de diagnose dan toch klaarblijkelijk verkeerd was gesteld. Men zal trachten te bewijzen dat iemand ergens een fout heeft gemaakt. Maar genezen buiten onze wetenschap om, dat kan niet.

En hetzelfde zal je zien gebeuren, wanneer op een gegeven ogenblik een beklaagde, die medium is, een juridisch pleidooi zou houden, waaraan elke advocaat zijn vingers zou aflikken. Dan zegt men niet: “Deze mens is geïnspireerd.” Neen, dan zegt men: “Nu, die heeft goed gestudeerd in de wetboeken” en realiseert zich daarbij niet, dat een leek zich in deze materie praktisch niet kan inwerken zonder een jarenlange studie. Want deze aantasting van het monopolie is voor de wetenschap gevaarlijk. Niet voor het weten als zodanig, maar voor de – laten we maar eerlijk zeggen – revenuen en het aanzien dat men geniet. Per slot van rekening is dit vaak genoeg vertoond.

Ik kom hoofdzakelijk op de medische wetenschap neer, niet omdat deze op dit terrein de slechtste is, maar omdat de voorbeelden daarvan voor eenieder het gemakkelijkst te begrijpen zijn. Het is toch voorgekomen dat er ergens in de Kempen een boertje was en dit boertje genas een heleboel kwalen. De dokters hadden niets meer te doen en op de duur zei men: “Wil je dood, dan moet je naar de dokter gaan, anders ga je maar naar het buurtje waar die boer woont, dan komt het in orde.” Wat natuurlijk zo lang goed ging, totdat de dokters kwaad werden en het boertje deden veroordelen, eerst tot een boete en daarna tot een gevangenisstraf. Toen was het afgelopen. Daarna ging men naar de dokter, ook al was men overtuigd dat het levensgevaarlijk was. Dit is geen spot, dat is voor die buurtschap volkomen waar. En dan ga ik zeggen: Er is dan ergens iets verkeerd.

Wetenschap en occultisme zijn eigenlijk zo aan elkaar verwant. Zeker, ze werken beide met andere waarden, met andere normen, maar mij dunkt dat juist de oprechte en eerlijke wetenschapsmens tot de conclusie moet komen, dat er meer is dan hij wetenschappelijk kan bewijzen. Ik wil zelfs verdergaan dan dat en constateren dat juist de grootste wetenschapsmensen op elk terrein intens gelovige mensen waren, die een ingrijpen Gods op vele verschillende vlakken als niet slechts waarschijnlijk, maar zelfs als zeker beschouwden. Hieronder was een Einstein, maar ook een Dr. Lister, een Louis Pasteur, een Robert Koch. Daar horen ingenieurs onder als Eiffel, als Otto, de man van de benzinemotor, als Rudolf Diesel, de man van de grote dieselmachine. Deze mensen waren elk op hun manier zeker onderzoekers en wetenschapsmensen. Sommigen van hen hebben in de wereld een zeer grote erkenning gevonden; maar zij geloofden in het paranormale. En dat was logisch. Want behorende tot de beteren, zo niet de grootsten op hun terrein en in hun eigen tijd, konden zij het zich veroorloven God te accepteren.

De getuigenis van de occulte kracht van deze verborgen wetenschap openbaart zich dagelijks voor iedereen, onverschillig welk beroep hij uitoefent. Steeds weer ontdekt hij totaal onlogische gebeurtenissen; steeds weer kan ook hij ervaren dat er een soort leiding bestaat, een soort onontkoombaar noodlot, waaraan je met je kennis niets doet, waar je alleen door je geestelijk te veranderen wel iets bereikt. De medische wetenschap heeft hier zelfs een speciale tak voor gesticht: de psychosomatika. Wij mogen dus toch wel de conclusie trekken, dat wanneer men bewust deze dingen blijft ontkennen, in plaats van als wetenschapsmens desnoods ermede te experimenteren en ze in ieder geval te aanvaarden onder de controle die men kan uitoefenen, dan is men als wetenschapsmens niet meer gezond, niet meer redelijk en niet meer eerlijk.

Wij kunnen het ook omdraaien. Op het ogenblik dat de wetenschap zich steeds meer moet gaan bewegen op het terrein van de abstracte stellingen – en daar komt zij op menig terrein zeer dichtbij – of dat nu een kwestie is van strategie, van kansberekening of van het afschaffen van materiële waarde, dat doet weinig ter zake. Men is abstract en men gaat abstracter denken, men gaat steeds meer stellingen poneren en daaruit een vraagstuk bezien – dan komt men vanzelf daar, waar de occultisten en magiërs reeds lang staan. Want deze stellen iets, maar ze kunnen het niet bewijzen. Zij zeggen: “Voor ons is het aannemelijk.” Zoals de strateeg zegt, dat het aannemelijk is dat bij het uitbreken van een oorlog tussen Oost en West in de eerste 10 dagen een bezetting zal plaatsvinden van Europese gebieden en wel van het grootste gedeelte van Noord-Duitsland, waarschijnlijk Nederland en het noordelijk deel van België, terwijl een terugtrekkende actie kan worden gevochten ongeveer langs de lijn Oostende – Straatsburg – Bern. Ik heb niet de juiste plaatsen genoemd – dat wil ik er ook even bij zeggen – omdat ik anders misschien wegens publicatie van militaire geheimen het medium moeilijkheden zou bezorgen.

Men veronderstelt dit. Men zegt: Het is waarschijnlijk, maar men weet niet of het waar is. Men kan in het geheel niet nagaan of er inderdaad in het Oosten de behoefte zou bestaan om een terrein te bezetten, dan wel of men niet veel eerder zou trachten met lange afstandswapens eerst het potentieel van de tegenstander lam te leggen en dan rustig de overgave van de ander af te wachten, wat een veel rationeler en veel voordeliger methode zou zijn.

Ik kies nu de strategie – als voorbeeld – maar kan dit ook bij de medische wetenschap doen. Op een gegeven ogenblik zegt men bijvoorbeeld de ziekte van Hodgkin, de ziekte van Parkingston, de ziekte van Weil en al die andere, zijn onder deze condities niet of moeilijk te genezen, of er zullen bij genezing storingen overblijven. Wanneer deze er niet blijken te zijn, wat zegt men dan? Wij hebben een factor over het hoofd gezien, wij moeten aannemen dat de genezing ook kan gebeuren, zodat er geen nadelige gevolgen zijn; we nemen aan dat die ziekte – al scheen ze ons ongeneeslijk toe – onder bepaalde psychische omstandigheden tot genezing kan komen. Neen. Dan zeggen ze: Als het wel geneest, dan is het die ziekte niet geweest. Waar – vraag ik u – blijft hier de wetenschap, de logica?

Wanneer ik geconfronteerd word met het feit, dat een bepaalde kleur een wisselende lichtabsorptie heeft, moet ik daar een verklaring voor vinden. Die wisselende lichtabsorptie kan liggen in mijn lichtbron. Dus ik ga eerst nakijken of mijn lichtbron in orde is. Als dat zo is en ik dus mijn lichtsterkte volkomen zeker kan meten en ook mijn reflex, ga ik verder denken. Ik ga dan zeggen: Wanneer er dan toch een wisseling is, moet deze worden veroorzaakt door een oneffen oppervlak, waardoor voor mij niet kenbare verschillen in kleuren of reflexen kunnen ontstaan. Dat is logisch. Maar dan ga ik niet zeggen: Dan deugt de kleur niet, of het licht deugt niet. Ik onderzoek ze. En de wetenschap die steeds meer met het abstracte in aanraking komt, moet nolens volens steeds meer de methoden van de occultist gebruiken: het nadenken. Ik zou haast zeggen: Het filosoferen, waardoor men een stelling kan opbouwen, welke het hanteren van erkende krachten mogelijk maakt. En dan weet men dat men die krachten niet volledig beheerst, maar men experimenteert er toch mee. Zeg niet dat dit niet wetenschappelijk is, want dan zouden degenen die de atoombom hebben ontworpen evenmin wetenschapsmensen zijn.

Dus…… wanneer men er steeds verder mee gaat de speculatie als grondvorm van het wetenschappelijk onderzoek te nemen en een uitbreiding van de wetenschap juist op basis van deze speculatieve gegevens verwacht, dan moet men ook accepteren dat het occultisme niet meer is “het geheim” maar een wetenschap, welker stellingen mogelijk speculatief zijn, maar welker resultaten en gegevens een grote aanleiding zijn tot verder onderzoek over te gaan.

Ik ben ervan overtuigd dat het niet anders kan; dat er een ogenblik moet komen dat het eens duistere – het occulte – en de wetenschap – het verstandelijke – hand in hand moeten gaan.  Ik ben ervan overtuigd dat dan het occulte aan de wetenschap de wetten zal leren, volgens welke ze haar experimenten moet uitvoeren, wil ze de mensheid niet in gevaar brengen. Ik ben ervan overtuigd dat het occulte de mens zal leren welke krachten boven de rede staan. Ik meen te mogen stellen, dat eerst wanneer de wetenschap dit gaat aanvaarden en daarmee wil gaan werken, er met alle reden gesproken kan worden over een steeds groter wetenschappelijke ontwikkeling, zoals men nu reeds zo graag doet.

Veel van de processen, die op het ogenblik als hoog wetenschappelijke ontwikkeling geroemd worden, lijken mij steriel. Ze zijn herhalingen van vorige experimenten, ze zijn kleine wijzingen van bestaande, reeds gekende waarden; meer niet. Maar er is een vernieuwing nodig.

De wetenschap heeft de laatste 300 jaar bijzonder grote schreden vooruit gedaan, maar ze komt nu op het punt dat de stoffelijke ervaring een werkelijke uitbreiding van de wetenschap niet meer mogelijk maakt. Ze maakt slechts de speculatieve ontwikkeling mogelijk, met als gevolg daarvan proeven die op den duur – maar zeker eerst op den duur – tot een bewijs kunnen voeren. En dat is het punt waar m.i. het occulte – het esoterische zelfs – de wetenschap moet aanvullen of wel de wetenschap zal overvleugelen. De keuze in dit opzicht is aan de mensen van de wetenschap.

Het gaat er niet om te bewijzen of een medium nu inderdaad in bezit is genomen door de geest van de heer Jansen, die in het jaar 1898 heeft geleefd op de planeet Proton, nietwaar? of dat het oude vrouwtje, dat door de helderziende is beschreven, inderdaad de overgrootmoeder was van Betje Jansen. Men legt daar de nadruk op. Maar daar gaat het in de eerste plaats niet om. Waar het wel om gaat is: dat het fenomeen bestaat. De condities waaronder het zich kan voordoen en de wijze waarop de associaties ontstaan, die niet alleen een helderziende waarneming of een mediamieke lezing, een trance-lezing, maar ook wel degelijk een voorspelling, een verbetering of een genezing mogelijk maken.

Daarmede heb ik dan geprobeerd – ik weet niet of het mij gelukt is – een knuppel in het hoenderhok te werpen. Ik kan niet zeggen “in het kippenhok”, want er zijn hanen ook bij.  Indien u daarop uw commentaren wilt geven, gaat uw gang.

Vragen

  • Ligt het niet enigszins aan de mensen die het occulte steunen en erkennen? Als nu een medium, zoals u op het ogenblik bestuurt, in contact zou komen met een wetenschapsmens, zal deze niet erkennen dat het een occulte kracht is? Maar wat is het dan wel? Hij is toch een wetenschappelijk mens. Hij moet toch weten wat het is. Het gaat er toch niet om wie het zegt, maar wat er gezegd wordt.

Inderdaad, dat zou dus een gezond criterium zijn. Maar dan horen wij van heel veel mensen – en u kunt geloven dat wij die proeven ook heel veel hebben genomen – : “Ja, maar wanneer hij niet eens wil zeggen hoe hij heet, hoe kunnen wij dan afgaan op hetgeen hij zegt.”

  • Dat kan hij toch beoordelen aan de hand van wat er gezegd wordt.

Maar vaak wordt er iets gezegd wat niet past in zijn eigen ideeën en eigen meningen. Hij is dan veel te blij dat hij dat kan afwijzen. En dat is juist een van de moeilijkheden.

Een andere moeilijkheid is deze, die heb ik nog niet naar voren getracht, maar dat kunnen wij toch ook wel even doen. Heel veel van de mensen die de voorstanders en de verdedigers zijn van het occulte, gedragen zich niet als normale mensen. Ik wil niet zeggen dat ze in feite abnormaal zijn, maar ze voelen zich geroepen zich te gedragen als verheven boven anderen. Het is absurd en het zal ook in deze groep misschien wat minder voorkomen dan in sommige andere groeperingen. Maar op het ogenblik dat een mens begint met zijn eigen stellingen zo zeer los te maken van elke stoffelijke werkelijkheid, dat hij als het ware zweeft en dan nog tracht deze als redelijk aan een ander voor te leggen, dan moet er een conflict uit voortkomen. En ik denk dat in vele gevallen ook de wetenschapsmensen zullen worden afgeschrikt door het milieu, waarin dergelijke fenomenen zich het gemakkelijkst manifesteren.

  • Dus zijn ze niet objectief.

De wetenschapsmensen zijn niet objectief. Ze pogen, althans wanneer ze eerlijk zijn, objectief te zijn. Maar ik geloof niet dat er een enkele mens is die werkelijk objectief kan denken. Ik meen dat zelfs de grootste poging tot objectiviteit een subjectiviteit in zich houdt.

De enige die objectief kan zijn, is de mens die zich overgeeft aan God en in God beleeft. En dan bereikt hij deze objectiviteit slechts voor een korte tijd. Daarna zijn zijn gedachten en eigen belangen weer bepalend voor de wijze waarop hij de wereld ziet, ook al probeert hij deze uit te schakelen.

  • Ik heb wel eens meer een argument naar voren gebracht, dat ik gelezen heb van een bekende Amerikaanse parapsycholoog, namelijk J.B. Rhine, waarin deze kwestie ook wordt aangesneden, nl. waarom er in Amerika door de parapsychologen minder aandacht wordt besteed aan spiritistische verschijnselen. En dat komt dan hierop neer, dat economische overwegingen de doorslag geven. Want, zeggen ze, we hebben in de eerste plaats geld nodig om de onderzoekingen voort te zetten. En als wij beginnen met spiritistische verschijnselen, waar zoveel mensen afwijzend tegenover staan, op de voorgrond te stellen, dan zijn wij bevreesd dat het geld niet voldoende binnenkomt en ons pogen überhaupt niet kan slagen.

Dat argument is natuurlijk te begrijpen. Maar een wetenschapsmens – neemt u mij niet kwalijk – die zijn stellingen en onderzoekingen op een zo zeer commerciële basis grondvest, zou zich misschien een bedrijfseconoom of een bedrijfsonderzoeker kunnen noemen, of een politieke onderzoeker, maar ik geloof niet dat hij zich een wetenschapsmens pur sang kan noemen.

Als ik terugzie in de geschiedenis, dan blijkt mij dat de grote prestaties in alle wetenschappen bijna altijd weer geleverd worden door mensen, die zich niets aantrekken van wat de anderen denken, maar die het belangrijke fenomeen nemen en dat onderzoeken en oplossen. En wanneer ze de oplossing of een toepassing vinden, dan passen ze die aan het gebruik voor de mens aan. Maar als wij eerst proberen om onze stellingen bruikbaar te maken voor de mens, kunnen wij nooit wetenschapsmensen zijn. En of dat nu Prof. Rhine is of Prof. Tenhaeff, dat maakt geen verschil. Wanneer men genoopt is zijn eigen mening voortdurend te onderdrukken, te herzien, te verdraaien, zich van vaak zeer interessante gebieden eenvoudig af te wenden, bepaalde onderzoekingen stop te zetten – wat ook is gebeurd – om de doodeenvoudige reden dat men dit niet wil, dan zegt men daarmee alleen: “Mijn eigen positie is mij liever dan de wetenschap.” En dan moeten wij dus de opmerking maken dat het begrijpelijk is, maar zeker geen bewijs van de veel geroemde wetenschappelijke objectiviteit die toch juist voor onderzoekers op dit terrein zo zeer noodzakelijk lijkt.

  • Een wetenschappelijk mens die in deze richting gaat denken, verliest zijn gezag. In de ogen van het publiek wijkt hij dan af van de gewoonte en wordt meer een hocus pocus figuur. Ik geloof dat dit voor vele wetenschapsmensen een reden is om die verklaring niet te geven. U kent waarschijnlijk het boek van James Jeans “The universe around us”, waarin hij ter zake van de leer van het atoom tot de conclusie komt, dat daaraan iets ten grondslag ligt, wat hij niet kan bewijzen en dan schuchter de vraag stelt: “Would it be God?” Verder durfde hij niet te gaan.

Daaruit blijkt dus weer dat – zeer menselijk, maar niet zeer wetenschappelijk – het in de meeste gevallen niet gaat om de waarheid, maar om de positie. En dat is het grootste gevaar dat ik mij kan indenken. Niet alleen voor de wetenschap maar voor alle dingen.

Nu moet u eens even goed luisteren. Wanneer wij zeggen dat Nederland een vrij land is, mag dat betrekkelijk waar zijn. Maar voor bepaalde punten kunnen wij bewijzen dat het niet waar is. Dus een relatieve vrijheid. Wanneer ik nu de illusie wil scheppen dat die relatieve vrijheid een algemene vrijheid is en ik in plaats van een bordje “Verboden Toegang, art. 462” een bordje laat aanbrengen: “Men wordt verzocht het terrein niet te betreden, aangezien men anders misschien beschoten wordt”, dan doe ik precies hetzelfde als de politicus die meent een helmenschandaal te moeten sussen, als de groep die probeert een proces van Majoor K. eigenlijk aan de openbaarheid te onthouden en pas daarna, wanneer het niet meer te vermijden is, met nadere verklaringen komt. Dan doet mij dat denken aan de verschillende manier waarop men heeft gereageerd op de zaak van die dokter Meulenbelt, enz. enz. Dan blijkt hieruit dat men een illusie wil geven van smetteloze vrijheid die in feite niet bestaat, maar om dit te kunnen doen – dit wil zeggen de illusie daarvan te kunnen scheppen – moet men de vrijheid verder beperken. Zodra wij dus afgaan op de illusie die wij de menigte voorhouden, of het gezag dat wij de menigte willen bezitten, dan gaan wij automatisch de werkelijke waarde, waarvoor wij zeggen te staan, aantasten en verwerpen. Nu geef ik dit in een politiek voorbeeld. Het is misschien fout van mij. Maar wanneer ik u nu wetenschappelijke gevallen ga noemen, waarbij hetzelfde is gebeurd, dan kent u ze niet en deze dingen kent u wel allemaal. Maar hoe vaak gebeurt het niet, dat een wetenschapsmens zijn ontdekkingen anders gaat formuleren, alleen om zo te verhullen dat zijn huidige stelling in feite een wraken is van een vroegere. In verschillende wetenschappelijke bladen kunnen we dit steeds weer constateren.

Hoe vaak ziet u niet dat aanvallen op anderen worden gedaan en op de stellingen van anderen, niet omdat men in de eerste plaats deze stellingen onaanvaardbaar vindt, maar omdat men vreest dat het gezag van de ander ten koste van eigen gezag zal gaan. En dit is een gevaar. Dat is het grote gevaar, niet alleen voor de wetenschap.

Ik mag het misschien even over een andere boeg gooien. Een ogenblik maar en dan komen we weer op de realiteit terug. Dan ga ik even naar de grotere werkelijkheid over, de geestelijke werkelijkheid. Op het ogenblik, vrienden, dat wij om onze goede mening over onszelf te behouden, om ons gezag en onze macht te behouden, ook op geestelijk terrein, menen anderen en de stellingen van anderen te moeten aanvallen, dan vallen wij niet anderen aan.

De wetenschapsmens die probeert de waarheid aan te vallen, valt niet een andere wetenschapsmens aan, hij valt de wetenschap aan. Iemand die het leven aanvalt, valt God aan, de levende Kracht zelf. Dan mag de wetenschap misschien aarzelend zeggen: “Would it be God?”, dan zeggen wij uit onze ervaring en overtuiging: “Er is een God.” En elke poging om de bewijzen die anderen geven, de krachten die anderen bezitten, weg te redeneren, te vernederen, uit het oog van de gemeenschap te doen verdwijnen, ten einde eigen standpunt te behouden en te handhaven, is m.i. een aanval niet op de mens maar op God.

Als – laten we maar een voorbeeld nemen – een mens juist profeteert en de kerkelijke instantie zegt dat hij door de duivel is bezeten, dan valt men God aan. Wanneer een magnetiseur of genezer een mens haast wonderdadig beter maakt en men dan zegt: Dat kan niet goed zijn, dat kan niet uit God zijn, want hij is niet katholiek of protestant, of weet ik niet wat, dan valt men niet die mens aan, dan valt men God aan, het principe van de Goddelijke Kracht.

Het wordt langzaam maar zeker gebruikelijk, vrienden, en ook juist in deze verhouding tussen wetenschap en occultisme, om God aan te vallen. Want men valt niet in de eerste plaats mensen aan, men valt de krachten aan die men niet durft zien, omdat men ze niet kan beheersen. Men valt een Licht aan omdat het de eigen kleinheid onthult. Men valt een waarheid aan omdat ze de eigen leugen te sterk openbaart. En niet alleen maar dat dit gebeurt, dat is door alle tijden wel geschied, maar het wordt getolereerd, het wordt aangemoedigd.

Deze houding op velerlei terrein betekent: de mens vervreemden van zijn God die hij nodig heeft. Het betekent: de mens vervreemden van de innerlijke waarheid die hij nodig heeft. Het betekent: de mens de werkelijke vreugde van het bestaan en het erkennen van de goddelijke kracht onthouden. Het betekent: de mens het kostbaarste ontnemen dat hij bezit: de vrijheid om in en met God de goddelijke wil te volvoeren.

  • Ik ben het eens met wat u gezegd hebt, maar aan de andere kant rijst bij mij de gedachte dat die Goddelijke Kracht zo groot is, dat ik het menselijk gedoe veel te gering acht om daar tegen in te gaan. Want de mens kan nu wel dit of dat zeggen, op een gegeven ogenblik openbaart zich de Goddelijke Kracht en daaraan is eenvoudig niets te doen.

Mijn waarde vriend, wij zullen een voorbeeld nemen:

De Japanners hebben in Birma en in vele andere plaatsen krijgsgevangenen gevoed met oude rijst. Dat betekende dat beriberi optrad. Daardoor zijn er zeer vele duizenden onnodig gestorven. Wat maakt dit nu uit op de mensheid? Het is dus eigenlijk helemaal geen misdaad, er zijn mensen genoeg. Zo redeneert u, nietwaar? Neen. Dus het gaat er niet om of Gods kracht groot is, of Gods kracht onaantastbaar is. Het gaat erom of ons – zo klein als wij misschien zijn, door de invloeden van buitenaf, door die poging te drijven tot een zogenaamde redelijkheid – de innerlijke vrijheid wordt ontnomen om God te beleven. Het gaat niet om God die op ons werkt. Het gaat om ons vermogen God te aanvaarden en te beleven. Dat ligt in ons.

  • Ja, maar kan een ander daar invloed op uitoefenen?

Ja, daarop kan een ander invloed uitoefenen en wel om de doodeenvoudige reden, dat God erkennen in de eerste plaats betekent: God aanvaarden. En God aanvaarden is zonder beperking. Dat is een innerlijke kwestie. Maar God is geopenbaard in het totaal van zijn schepping. En op het moment dat wij fenomenen in die schepping gaan wegpraten omdat ze ons niet bevallen, op het ogenblik dat wij dus een zekere grens gaan stellen voor wat wij van God willen accepteren, drijven wij God uit en halen daarvoor maya, de begoocheling, binnen.

  • Meent u dat degenen die dit doen, dit bewust doen, dat zij dit doen om deze kracht niet te aanvaarden, daarvoor angst hebben…….. (verder onverstaanbaar.)

Ik meen dat van hen die dergelijke misleidende dingen doen en publiceren, ongeveer 50% dit doet omdat zij bang zijn voor God. De andere 50% doet het omdat zij bang zijn voor de mens.

  • Hoe kan men bang zijn voor God?

Als je denkt dat je groot en machtig bent, zie je je niet graag teruggebracht tot een enkel nietig stofje dat in een lichtstraal danst. Als je mensen vertelt dat er andere rassen beter en beschaafder zijn dan zijzelf, dan trekken zij zich in verontwaardiging terug. Althans in grote meerderheid en zeggen: Dat kan niet. Wij de mensen, wij zijn Gods schepping, de kroon van de schepping. En o wee diegene die aan dit idee komt! Wanneer er andere mensen of wezens moeten zijn, nu ja, mossoorten leven er ook in het Al. Geen bezwaar, want dat zijn geen mensen. “Wat mij betreft mogen zelfs” – een opmerking die niet van mij is maar van iemand uit Leiden – “Adamski’s kwispelende honden bestaan achter op de maan. Maar als men mij komt vertellen dat er mensen lopen die mooier, beter, wijzer en eerlijker zijn dan de mensen hier, dan moet hij dat eerst maar eens bewijzen. Want per slot van rekening, in al die miljoenen jaren, zijn wij mensen zó ver gekomen, dat het toch heel erg moeilijk is aan te nemen dat er vlak in de buurt anderen zijn die veel verder zijn.” Dit zijn niet mijn woorden, maar een woordelijk citaat uit een kantinediscussie over enkele verklaringen van de heer Adamski.

  • Dan zijn die mensen dom.

Dat is geen domheid. U kunt het goed praten, natuurlijk. En als u zegt :”het is dom”, dan zeg ik: Goed, dat is dan erg verdraagzaam, maar ik wil in deze even niet verdraagzaam zijn. Wel tegenover eenieder die “de domheid uithaalt” zoals u het noemt. Daar wil ik verdraagzaam voor zijn, niet tegenover het geheel. En ik zeg: Een dergelijke tendens, een dergelijke spreekwijze toont ons dat men zijn eigen superioriteit meer lief heeft dan God, en men niet begrijpt dat alleen in een aanvaarden van het Goddelijke  – zonder restricties en beperking – kan komen tot een werkelijke superioriteit, zover als die al kan bestaan, namelijk als een deelgenootschap in het totaal van de schepping.

  • Om dat te doordringen en te erkennen, moet men een bepaalde hoogte bereikt hebben, en deze heeft de mensheid nog niet bereikt.

Ja, dat is natuurlijk jouw mening. Ik verschil daarin van mening en ik heb zo het idee dat de mensheid heel vaak is als het jongentje Wim. Als moeder zegt: “Wim, je huiswerk maken!” dan is Wim doof en Wim hoort het niet. Maar als moeder zegt: “Wim, eten”, heel zachtjes, dan hoort hij het boven op zolder en komt hij naar beneden stormen. Het lijkt mij alsof de mensheid ook zo is. Bewust of onbewust tracht zij het haar onaangename uit te schakelen, niet omdat zij het niet erkent, maar omdat zij het niet erkennen wil.

  • Is dat geen arrogantie?

Ik geloof niet dat ik zover zou willen gaan. Ik zou het niet arrogant willen noemen. Ik zou het doodgewoon willen noemen: Een té groot idee van jezelf willen handhaven. Arrogant zou zijn als je zou zeggen tegen God: “Ja, maar ik ben zó groot, blijf Jij maar een tijdje op de achtergrond.” Dat zou ik arrogant noemen. Maar als je probeert je eigen waanideeën te handhaven ten koste van alles en je zin door te zetten ten koste van alles, dan wil ik het niet arrogant noemen maar hoogstens eenzijdig, of zelfs nog liever – als de vorige vragensteller – dom.

  • Zoals wij hier zitten en deze dingen bepraten en van u horen, zo moeten er elders ook mensen leven die dit alles zien. Want wij zien veel om ons heen: wat er in de kranten gebeurt, wat ons opgedrongen wordt van alle kanten. Dan volgt er toch een verzet.

Ja, dan krijgt het verzet een bepaalde vorm. Politiek werd die vorm bijvoorbeeld de heer Oud. Met andere woorden: men strijdt voor het verse kadetje door het oudbakken kadetje op te warmen. Men strijdt voor de nieuwe tijd door het verleden terug te halen, in de hoop dat dan de rest zichzelf wel bereddert. En dat doet men op elk terrein. Wij hebben betrekkelijk veel ervaring doordat  we tot samenwerking zijn gekomen met zeer vele andere broederschappen, enz.

Wij zijn tot de conclusie gekomen dat ongeveer een derde van de wereldbevolking dit werk op een of andere manier accepteert, maar dat zelfs nog geen honderdste van de wereldbevolking in vertrouwen geneigd is dit toe te geven. Met andere woorden: men lijdt aan dezelfde waan en verarmt liever geestelijk, dan toe te geven dat men buiten de betreden paden om nieuwe waarheid kan vinden. Als we dat nu bezien, ja, dan moet ik eerlijk zeggen dat het er aan een kant een beetje somber uitziet. Maar wij hebben een andere hoop en wel deze: dat de mensen die nu niet willen toegeven, dat zij zich hiermee bezighouden of hieraan geloven, er toch toe zullen komen te leven volgens wat zij leren. Wanneer dat gebeurt, verandert door dat leven de wereld zoveel, dat ze er eindelijk voor zullen kunnen uitkomen. Het is eigenlijk een curiositeit en het hoort er nu niet direct bij. Maar wist u dat het aantal mensen dat wij met goed fatsoen spiritist zouden kunnen noemen op de wereld groter is dan het aantal katholieken?

  • Wat verstaat u onder spiritist?

Ik versta onder spiritisten degenen die sprekend met en soms raad vragend aan de geest, de krachten van de geest gebruiken en door de geest genezen, terwijl zij haar niet alleen als “God” betitelen, maar erkennen dat hij – de geest – bestaat uit een reeks afzonderlijke wezens. En dan wil ik daarvan uitsluiten, hen die krachtens een bepaalde geloofsvorm tot het aannemen van dergelijke feiten zijn genoopt. Het is ook heel aardig op te merken dat er alleen – ik had het over de kerk van Rome – in de kerk van Rome op het ogenblik bijna 140.000 priesters en aankomende priesters zijn, die op enigerlei wijze datgene wat wij brengen, de krachten waarmee wij werken, voor zichzelf in praktijk brengen met een begrip van wat zij doen. Maar dat zullen zij nóóit toegeven, want dan worden zij de kerk uitgegooid.

  • Doet de jezuïet ook niet iets dergelijks.

Laten we dat er even buiten laten.

(Verdere discussie hierover in de zaal onverstaanbaar.)

Zij geeft niet toe, dat zij ermee werkt op de wijze waarop wij werken en geeft daarvan ook heel andere omschrijvingen. En dit moet zij doen, deze rationalisatie is noodzakelijk, omdat ze anders – evenals tevoren ettelijke malen is gebeurd – zou worden verboden en ontbonden.

  • Een opmerking betreffende de Albigenzen.

Inderdaad. Ook dat was bekend. Maar het typische is, dat elke wereldlijke structuur probeert een geestelijke structuur, welke niet is gebaseerd op een door de mens hanteerbaar en controleerbaar gezag, uit te roeien.

  • De wetenschap gaat nu zover dat zij zegt, dat dit is ontstaan uit het onderbewustzijn van de……..

Ik ben ervan overtuigd dat het onderbewustzijn op het ogenblik een van de meest dankbare mode-objecten is, niet alleen om paranormale verschijnselen te verklaren, maar ook om verdachten te doen vrijspreken door hun rechters.

  • Dit is toch ook maar een hypothese.

Het onderbewustzijn is niet meer een hypothese, omdat onder hypnose het bestaan van een verder dan normaal reiken en direct beschikbaar bewustzijn kan worden bewezen. De dieptepsychologie gaat verder dan slechts het vaststellen van het onderbewustzijn en deze tak berust nog wel grotendeels op hypothese.

  • Er zijn toch herhaalde malen in het openbaar bewijzen geleverd dat de opgaven van overledenen, die zich door mediums manifesteerden, juist waren ten aanzien van hun vorig bestaan.

Inderdaad. Maar u moet nu eens één ding goed begrijpen. De formulering van de tegenstanders van dit werk is nooit: Geef ons een bewijs en wij zullen het aanvaarden.

Zij zeggen: Geef een voldoende en mij bevredigend bewijs. Voor hen is het helemaal niet bevredigend dat iets dergelijks waar zou kunnen zijn en dus kan het bewijs niet worden geaccepteerd.

  • Een vraag over de veroordeling van een magnetiseur.

Kort gezegd: Gezien de onmogelijkheid om ter zake van het magnetiseren getuigenverklaringen te verkrijgen, werd gesteld: masseur. En er werd daarbij gevoegd: onjuiste behandeling, verder gaande dan de toegestane massage van de extremiteiten.

Deze beschrijving kunt u vinden in de acte van beschuldiging. Maar dit is nog iets wat begrijpelijk is. Alleen zou het dan ook zo moeten zijn, dat als een dokter een patiënt behandelt, die door een college van doktoren nog zes maanden te leven heeft gekregen, doch die binnen een maand bezwijkt, die arts ook fl.100 boete zou moeten betalen, dat zou het enig redelijke zijn.

  • Het werkwaardige is, dat zij hem toch een bepaalde kracht hebben toegekend.

Van deze toekenning is – althans openlijk en juridisch – geen sprake geweest. Zoals ik u reeds zei: Er is in de rechtszaal niet gesproken over “magnetiseren” maar over “masseren”. En masseren is een geneeskundige behandeling, althans kan een geneeskundige behandeling zijn op grond van diploma’s. Ook een masseur kan soms verdergaan dan wat hem – uit hoofde van zijn bekwaamheid en bevoegdheid – zonder directe doktersaanwijzing is geoorloofd. En op deze overweging is de veroordeling gevolgd. Ik heb het geval nu zelfs nog even nagegaan, maar het bevat helaas niet die interessante aspecten die u erin ziet.

  • Door handoplegging, werd gezegd.

Ook dit is niet juist, want in de aanklacht staat geformuleerd, dat door getuigen kan worden bewezen dat bedoelde masseur de maag- en buikstreek herhaalde malen betrekkelijk krachtig had behandeld. En dit “krachtig” is geïnterpreteerd als “masseren” en niet als “magnetiseren”. Dat er andere interpretaties van worden gegeven is mogelijk, maar dit is juridisch vastgelegd en zo kunt u het in de stukken bij het bedoelde Hof nazien. Ik hoop dat we daarmee de zaak kunnen laten rusten.

  • In Amerika maakt de medische wetenschap wel gebruik van het paranormale, bijvoorbeeld in de chirurgie.

Ja, ik wil zelfs iets verdergaan. In de Ver. Staten is men door de mentaliteit van het publiek gedwongen het paranormale verschijnsel toe te laten. Maar er bestaan verschillende groepen, die evenals hier, zich met hand en tand tegen een werkelijk ingrijpen verzetten. Aangezien echter daar de arts zijn vaste bezoldiging niet kan krijgen van een ziekenfonds, maar altijd op een particuliere praktijk of een deelgenootschap in een verzekering is aangewezen, waarbij de patiënten de vrije keuze van de arts hebben, zal hij vele paranormale behandelingen moeten tolereren, omdat hij anders geen klanten krijgt. Ik zeg nu niet patiënten maar klanten. En dat brengt mede, dat degenen onder de medici, die daar dus wel heil in zien, ook zonder te grote overlast van de zijde van anderen, daarvan gebruik kunnen maken.

  • In Amerika is het toch niet méér strafbaar dan hier? (overigens onverstaanbaar)

Het is hier niet strafbaar, zodra het werk van een paranormaal genezer wordt gedekt door het toezicht, de naam en de verantwoordelijkheid van een behandelende arts. Maar de artsenkamer kan – en dat is een interne maatregel van de geneesheren en niet van de wet – een dergelijk geneesheer als het ware buiten hun gemeenschap plaatsen.

Er bestaan in Nederland – dat wil ik er nog aan toevoegen – een stuk of 12, 13 geneesheren die om dergelijke redenen inderdaad buiten de gemeenschap van de artsen zijn geplaatst, ofschoon hun wettelijk de bevoegdheid tot uitoefenen van de geneeskunde hen niet geheel kon worden ontzegd.

  • Meer en meer maakt de arts ook gebruik van astrologische gegevens.

Nu moet u eens even luisteren. Wij hebben in zo’n geval te maken met een occulte wetenschap – de astrologie – en de normale wetenschap – de medische. Maar nu is het leuke dat je heel gemakkelijk een horoscoop kunt nemen van een patiënt, zonder dat iemand er iets van merkt. Je kunt hem als arts moeilijk naar een magnetiseur sturen. Het geval ligt dus anders. Het ging mij niet in de eerste plaats om het feit dat men altijd zou weigeren het occulte te aanvaarden, maar – en dat was voor mij het criterium en het belangrijke punt – dat men weigert om de vrijheid te nemen, dat wat men erkent als werkzaam en goddelijke wet, mede op aarde toe te passen, waardoor men zichzelf een masker voorhangt en het voor anderen onmogelijk maakt op hun wijze ditzelfde te beleven. Voorts dat men als resultaat hiervan ziet, dat onder een schijn van geestelijke waarheid en vrijheid het de mens onmogelijk wordt gemaakt tot zijn God te gaan en die God werkelijk te beleven zoals Hij is. Dat was het punt waar het om ging.

  • De tegenstelling was occultisme en wetenschap.

Ik moet dit helaas tegenspreken, dat is te zeer beperkt. Het begin is, sub rosa, in Nederland, in Duitsland, in België, in Frankrijk, overal te vinden. Maar het is niet iets wat openlijk kan. Het is niet het aanvaarden van het occultisme, maar het is een proberen het achterbaks te gebruiken, om in de meeste gevallen met de resultaten, alsook met geleende veren, te pronken. Dat is iets anders.

Occultisme en wetenschap moeten niet ondergronds samenwerken. Zij moeten samenwerken in een openlijk erkennen van elkaars mogelijkheden. Zomin als het occultisme naar mijn mening het recht heeft de wetenschap te weren en wetenschappelijk onderzoek en de wetenschap in een hoek te duwen, evenmin heeft de wetenschap het recht om de occultist af te wijzen en toch desnoods tersluiks leentjebuur te spelen.

  • Het merkwaardige is, dat 2000 jaar v. Chr. in Egypte, als er een hersenoperatie geschiedde, er een magnetiseur bij was om levenskracht te geven en een helderziende om het verloop van het proces te volgen.

Ja, en er was ook nog een derde bij om de bloeding te beheersen. Maar u vergeet één ding: dat de wetenschap die thans zo stoer en strak staat tegen al het zogenaamde bijgeloof, zelf is gegroeid uit het occultisme. Want het occultisme is de eerste wetenschap die bestond. En daaruit is datgene wat thans bekend staat als techniek en wetenschappelijk werken, gegroeid. Men ziet dit als een ontwikkeling, maar men vergeet dat men zich hierbij van de werkelijke kracht die beheerst, heeft afgekeerd. En ik kan het niet vaak genoeg herhalen: In de oudheid zowel als in het heden is Gods kracht bereikbaar voor iedere mens en openbaart Hij Zich aan iedere mens. Maar dan moet die mens er eerst toe komen God te zoeken en te aanvaarden. Kan hij dit en doet hij dit, dan krijgt hij inzichten die verbluffend ver gaan en verbluffend juist zijn. Dan krijgt hij een bewustzijn dat in staat is om werelden te overvleugelen. Dan krijgt hij de geestelijke capaciteiten, waardoor hij de ruimte als het ware kan uitwissen en het leven zelf, dat de ruimte beheerst, kent.

Dat was vroeger zo en dat is vandaag nog zo. En de uiting daarvan was in het verleden de wetenschap, de geneeskunde, de architectuur, enz. Maar tegenwoordig zegt men dat wetenschap – of het nu geneeskunde, sterrenkunde of wat anders is – kan bestaan enkel op de feiten, zonder God. En het is dat wat m.i. de scherpe scheiding tussen wetenschap en occultisme nog steeds veroorzaakt, versterkt door die belangengroepen die God willen zien als een eigen monopolie, volgens eigen omschrijving en niet als de alomtegenwoordige kracht, die in een ieder leeft en heerst.

  • (Een vraag verloren gegaan door bandwisseling.)

Wanneer iemand een erkend groot geleerde of uitvinder is en gelooft in en werkt met het occultisme, zou dit dan door de wereld niet worden erkend? Ik kan u ter zake wijzen op figuren als Lister, als Conan Doyle en vele anderen, die als wetenschappelijke denkers tot de overtuiging kwamen dat het occultisme, het spiritisme, waardevol zijn en die alléén op grond daarvan voor dwazen en idioten zijn uitgemaakt. Ik geloof dat ik niet verder hoef te gaan.

  • Mensen als Adamski die hier komen om ons te vertellen over ruimteschepen, enz., openen – of deze man nu een fantast is of niet – zekere deuren door over deze dingen te spreken. En hij slaat bij sommigen in ook.

Bij héél sommigen misschien, inderdaad. En dit brengt hij dan te ver in een andere richting. Namelijk in de richting van een ontsnappingsfilosofie, waarin de broeders van Mars en van Venus en weet ik van waar nog meer, een te grote rol spelen. Hij doet dus weinig goed.

Nogmaals, het gaat hier niet om een ontsnapping, een ontvluchten aan de werkelijkheid of een afwentelen van verantwoordelijkheid. Het ware occultisme is niet een afwentelen van een verantwoordelijkheid, maar een aanvaarden en het dragen ervan. En wat een Adamski doet is zeker niet dit “jezelf verantwoordelijk voelen” bevorderen. Als zodanig kan ik zijn werken zeker niet zien als “het openen van deuren”. Eerder krijg ik soms de indruk dat hij als een soort menselijke beer zijn niet al te elegante kunstjes mag vertonen, in sommige gevallen aan een hooggeëerd publiek. Maar hoe het ook zij, zij het of Adamski gelijk heeft of geen gelijk heeft, doet weinig ter zake. De wetenschap zal hem desondanks voortdurend blijven bestrijden.

  • Ik wilde nog zeggen, dat het echtpaar Curie hun werk ter wille van de wetenschap heeft gedaan en niet om de Mammon. Waren zij gelovig?

Niet in de zin waarin een gelovige dit beschouwt. Maar als u wilt zeggen: geloofden zij in een goddelijke Kracht en voelden zij die Kracht in zichzelf? Inderdaad. De vrouw was zich nog meer dan de man bewust van de Kracht. Er zijn er heel wat meer geweest, waarvan wij dit kunnen zeggen.

  • Waren de niet-occultisten dichter bij God, dan zij die wel occultist waren?

Tot mijn spijt moet ik toegeven dat dit in vele gevallen zo was. Ze hadden minder begrip van Gods werk, omdat zij minder wisten. Ze hadden dus minder begrip van God, maar ze stonden veel dichter bij Hem. De mens van tegenwoordig begrijpt meer van Gods werken, maar staat verder van God af. Men moet met een erkennen van Gods kracht en Gods werken dicht bij God staan en toch in staat zijn deze als een redelijk iets voor zichzelf te begrijpen en te interpreteren. Dat is hetgeen binnen niet te lange tijd zal worden bereikt.

  • Is dat een kwestie van bewustwording?

Dat is een kwestie van bewustwording, inderdaad.

Vrienden, vindt u niet dat wij dit, naar mijn idee tamelijk geslaagd experiment, hiermede kunnen besluiten? En mag ik dan misschien mijn conclusies na het experiment – dus niet over het onderwerp maar het experiment – nog even onder woorden brengen.

In de eerste plaats: Wij komen met de discussies soms tot zeer belangrijke opmerkingen. Maar velen zijn niet in staat deze kort te formuleren. Zij komen tot citaten die voor anderen soms prikkelend of vervelend zijn. Vaak door hun langdurigheid en veelvuldige herhaling. Het zou dus wel belangrijk zijn, dat wij er ons aan wennen een vraag of een opmerking zo kort en zo fel mogelijk te formuleren. In de tweede plaats: Wij horen soms opmerkingen die eigenlijk niet of slechts zeer zijdelings bij het onderwerp behoren, met een zodanige nadruk naar voren brengen, dat het onderwerp zelf bijna uit het oog wordt verloren. Nu kunnen wij u toch wel de baas, wij houden het toch wel bij het onderwerp. Maar zou het niet verstandig zijn bij dit afwijken, dit opzij gaan, ons enige zelfbeperking op te leggen? Dat maakt het ons mogelijk de onderwerpen beter en diepgaander te behandelen.

Wij hebben in deze experimenten nu wel gezien, dat ons de keuze blijft: een onderwerp zeer oppervlakkig te behandelen, met een zeer oppervlakkige en veelomvattende discussie, óf wel diepgaand en met een accent – wat voor ons toch wel erg belangrijk is, lijkt mij – op de geestelijke inhoud, de esoterie, die ook in deze dingen ligt. Wanneer u daarover eens nadenkt, zullen we nog wel eens meer experimenteren op dit terrein voordat wij aan het nieuwe seizoen beginnen. Dan geloof ik dat wanneer we er allen zo’n beetje aan gewend zijn, wij op deze manier verder zullen komen dan met een onderwerp plus nog een extra onderwerp, welke helaas maar al te vaak – soms door omstandigheden buiten onze of buiten uw controle – te oppervlakkig of te licht blijven.

Mag ik het daarbij dan laten, vrienden? Hartelijke dank, ook namens de anderen, voor uw medewerking aan het experiment. We hebben er goede verwachtingen van, maar hopen toch dat u die opmerkingen ook nog even ter harte zult willen nemen.

Esoterische beschouwing

Nieuwe stromingen in het heelal

Wij gaan dan trachten met onze onbeperkte mogelijkheden en zeer beperkte vermogens een kort ogenblik aan enkele esoterische problemen te wijden.

Er zijn de laatste tijd bepaalde nieuwe stromingen in het heelal. En zoals u weet, al wat nieuw is wekt weerstand, ook in ons. Wij zullen ons natuurlijk moeten aanpassen aan nieuwe verhoudingen, nieuwe zeden, nieuwe normen. Dat geldt niet alleen voor u, het geldt voor vele werelden. En het is daarop dat ik in de eerste plaats mijn commentaar van deze avond zou willen richten.

Wanneer een mens gedreven wordt door de materie, zal hij geestelijk vaak zeer veel te kort schieten. Wanneer echter een mens zo geestelijk leeft, dat de geest alleen bestaat en de materie wordt verwaarloosd, is het evenzeer een pijnlijke zaak. Geest en stof zijn in vele gevallen als man en vrouw in de oude tijd in het goede China. Vóór het huwelijk zien zij elkaar niet of nauwelijks en kennen slechts enige omschrijvingen. Toch zullen zij tot een hechte eenheid moeten komen, willen zij geluk vinden en wil uit deze vereniging iets voortkomen. Indien stof en geest zich op de juiste wijze verenigen, zo baren zij een veelheid van kinderen, die wij bewustwordingen noemen. Elke bewustwording op zichzelf echter is niet alleen een erkennen van ons eigen wezen, maar ook een erkennen van een goddelijke Kracht, van een Eeuwig Principe dat in of rond ons bestaat.

Wij zien alleen – vooral wanneer wij in een stoffelijke wereld vertoeven – uiterlijke verschijnselen. En wij wenen vaak over een schoonheid en een vreugde die ons verloren lijkt. Toch kon de grote dichter Li Po eens schrijven: “Mijn hart schreit, als de bloesems vallen door een grove wind ter aard’ gejaagd. Maar in mij weet een stil begrijpen, dat slechts zo de boom ook vruchten draagt.” Wanneer wij, wereld en geest, op dit ogenblik veel teloor zien gaan van wat voor ons waardevol en schoon was, dan zijn wij ook geneigd te klagen. Er bestond in mijn tijd al een spreekwoord dat zei: “Hoe ouder de mens wordt, hoe wijzer. Maar in zijn grijsheid zal hij het verleden trachten te herbeleven en zo het heden afkeuren.” Zo zal het ons gaan. Wij zullen over veel wat gebeurt, treuren. “Waar blijft ons de vrede,” zo zult u zeggen, “waar blijft ons de zekerheid?”

Wij kunnen echter alleen daardoor – wanneer wij tenminste een hechte eenheid van stof en geest blijven vormen – komen tot een bewustwording in de wereld. Wij kunnen daardoor als geest, levend in onze eigen sfeer, leren uit te stijgen tot die grotere en rijkere velden van ervaring die rond ons liggen. Want de boom draagt zijn vruchten, wanneer de tijd tot rijpen is gekomen.

In uw land is dat wanneer de zon wat schuiner gaat vallen en het eerste blad zijn kleur gaat omzetten in een felle geurige kleurigheid, die u herfst pleegt te noemen. Zo draagt deze wereld haar vruchten, de wereld van de geest haar vruchten, juist op het ogenblik dat men droomt van ondergang, dood en verderf. Want wanneer een winter aankomt, dan geeft de boom zijn grootste rijkdom: de vrucht. Wanneer het heden met al zijn wonderlijke gebeurtenissen en ervaringen van de mensheid schijnt te sidderen op zijn grondvesten, wanneer het oud-gewende en het met zoveel vreugde en glorie bereikte, wankelt, dan is er dit, omdat de wereld vrucht gaat dragen. Indien wij dit niet zelf beseffen en niet kunnen opgaan in datgene wat ons wordt geboden, niet kunnen begrijpen welk een rijkdom juist in deze tijd voor stof en geest wordt neergeworpen in onvoorstelbare veelheid, zullen wij terug moeten treden in de waan.  Maar wie beseft, dat de vrucht van de herfst de bloei van de lente vertegenwoordigt in de nieuwe geboorte, die zal beseffen dat de ondergang van deze tijden, de verandering, het sterven van het oud-gewende tevens betekent de geestelijke overgang, waaruit nieuw bewustzijn en nieuwe bewustwording voortkomt.

Wij willen zoeken naar onszelf. Wij willen trachten in onszelf het grote geheim van de schepping, van de eeuwige kracht, van de juiste wet te vinden. Maar wij kunnen dit niet, wanneer wij op de wereld haar veranderingen niet accepteren. Wij moeten – of wij willen of niet – meegaan met die wereld. Wij zijn gebonden aan de stof, wij zijn gebonden aan onze sfeer. Laat ons dan de vreugde van de bewustwording puren uit het leven van sfeer en wereld, zo bereid zijnde voor de tijden die komen; zo bereid zijnde voor de nieuwe openbaring die ons wacht. Zoals de dichter Li Po zegt: “Moe gejaagd door mijn gang langs de wegen, bedreigd door de rovers, met vrees in mijn hart, val ik neer aan het haardvuur en het bekken met kolen is mij een genieting zonder gelijke. De wijn smaakt mij als nooit tevoren.” Wanneer wij de moeiten van onze tijd kunnen beleven en overwinnen, zo weten wij, dat ons het loon wacht van een nieuw kennen der eenvoudige werkelijkheid en eenvoudige waarheid.

Eigenlijk is dat alles wat ik u vandaag te brengen heb. Maar misschien mag ik u ter overdenking enige kleine varianten op oude spreuken geven, in de hoop dat u daar zelf een kleine meditatie van esoterische geaardheid op kunt bouwen.

Oude spreuken

“De man die spreekt over zijn plannen, komt niet tot daden.”

“Wie droomt van rijkdom, veroordeelt zichzelf tot bittere armoede, zelfs indien hij rijkdom bereikt.”

“Wie luistert naar de sprookjesverteller, verrijkt zijn wezen met de kennis der klassieken, maar verliest vaak de arbeid zijner handen en het voedsel dat hem tot luisteren in staat stelt.”

Drie kleine spreuken, toepasselijk gemaakt voor uw dagen.

Wie alleen luistert naar stemmen uit de geest of groot-geestelijke scholingen of lessen, zonder daad, die zal zichzelf de middelen ontnemen om zelfs normaal verder te leven.

Wie alleen maar spreekt over het grote dat hij, als hij geest is, gaat doen, zal nooit tot een beleven komen.

Wat het andere betreft: Wie zeker in zichzelf is, is geen held, maar hij overwint alle tegenstanders.

En ook dit zou ik gaarne in uw overweging willen aanbevelen, opdat u zeker kunt zijn van uzelf waar u een taak hebt, een weg en een mogelijkheid. En deze kent u. Uw taak: Het Licht te beleven dat in u straalt. Uw weg: zich meer van het Licht bewust te worden. De kracht die in u is, is God Zelve. Met deze zekerheid kunt u alles overwinnen wat op uw pad komt; kunt u de volle vrede en het volle geluk smaken in elke wereld. Maar meer dan dat: u zult kunnen komen tot de erkenning van de Eeuwige binnen elke beperking.

Als u wilt mediteren, zijn dit misschien onderwerpen die – hoe onvolmaakt ik ze u ook voorleg – toch enigszins uw zeer geëerde aandacht verdienen.

image_pdf