09 april 1971
Ik moet u er in de eerste plaats aan herinneren dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp voor heden is zoals u weet, reeds aan het begin van het verenigingsjaar vastgesteld en draagt als titel:
De golem
Wanneer wij dit door u gestelde onderwerp benaderen, kunnen wij natuurlijk het gehele oude verhaal nagaan in alle fasen, maar er bestaan hiervan, al is dit misschien niet algemeen bekend, verschillende versies. Zo wordt het gehele verhaal verteld als gebeurd te Warschau, waarbij – evenals in de andere versies – rabbi Löw de golem maakt om zich zo te kunnen verzetten tegen besluiten van de koning Jan Wilisczi(?). Hierbij zou een groot gevecht met de troepen van deze koning plaats hebben gehad en zouden vele doden zijn gevallen. Een meer romantische versie, en vooral ook door de roman van Meyrink meer bekend geworden legende omtrent de golem, speelt zich af in Praag en is minder bloedig van inhoud.
Wanneer wij dit verhaal op zijn achtergronden bezien, dan ontdekken wij drie verschillende punten:
- Jodenvervolgingen brengen het Joodse volk er zelfs toe een verzet middels magische middelen te proberen, wanneer geen andere uitwegen meer beschikbaar blijken te zijn.
- Leven ligt in de goddelijke naam en wanneer deze op de juiste wijze wordt gebruikt, zo stelt men, kan zij aan alles leven geven, zelfs aan een pop die je zelf uit klei gemaakt hebt.
- Wanneer autoriteiten worden geconfronteerd met een macht die zij niet begrijpen, proberen zij eerst met geweld te reageren. Blijkt dit niet doeltreffend, dan gaan zij met de nieuwe macht mee.
Dit zijn de drie belangrijke stellingen die het verhaal bevat. Maar het blijft natuurlijk mythos en beschrijft geen reële feiten. Wel schijnt er een grote kans te zijn dat een deel van de Warschaulegende in verband staat met of zelfs is afgeleid van het optreden van een zekere Rabinowitz. Deze Rabinowitz zou slager geweest zijn en een man van uitzonderlijke kracht. Op een gegeven ogenblik zou hij zich verzet hebben tegen troepen die op een onrechtvaardige wijze tegen Joodse kinderen zouden zijn opgetreden. Nu hebben de Joden van Polen een reputatie voor verzet tegen geweld, zodat het niet zo onwaarschijnlijk is dat een dergelijk feit in het verleden is voorgekomen. Omdat men niet wilde zeggen wie de zeer sterke redder was – hij was onbekend gebleven in de strijd – zou men toen het verhaal van de golem verzonnen hebben. Maar ook dit is een legende. Wij weten dus niet wat er van dit verhaal waar is en wat niet. Maar als u het mij vraagt, is het merendeel van dit verhaal niet feitelijk waar en zal er mogelijk een in verhouding gering feit aan ten grondslag liggen. Toch is dit een versie van het gebeuren rond de golem die dichter bij de werkelijkheid ligt dan de verhalen waarin bijzondere en bovennatuurlijke machten de hoofdrol spelen.
Wil je de magische aspecten van het geheel nagaan, dan word je eveneens geconfronteerd met vele raadsels en onwaarschijnlijkheden. Wij weten dat de Baal Sjem een grote betekenis heeft, zowel in de joodse overleveringen als in de kabbalistiek. Dit betekent dat zij, als de “geheime naam” eveneens in de middeleeuwse magie een zeer grote rol placht te spelen. Zij wordt beschouwd als de weergave van het edelste van een al-levend principe. Waar deze naam is, straalt, zoals men pleegt te zeggen, de kracht en het licht van de Heer zelf. Het gebruik van deze grote naam in zegels en dergelijke komt echter maar zeer zelden voor. Men heeft te veel eerbied voor de hoge naam van God om deze zo maar eens voor meer mundane doeleinden te gaan gebruiken.
Daarom waarschijnlijk ook bestaan er in verband hiermede verschillende varianten van het verhaal. In een daarvan schrijft de rabbi, onder gebed, de tekens van de Baal-Sjem op het voorhoofd van de monstrueuze pop die hij heeft gemaakt. Deze is dan opeens levend, begroet zijn maker en is deze onderdanig in alles wat gedaan moet worden. Dit laatste althans voor langere tijd. In een andere versie maakt de rabbi een zegel. Wat betekent dat hij een kunstige structuur van lijnen en namen fabriceert waarin als centrumwaarde wederom de geheime naam van God voorkomt. Dit zegel kneedt hij dan in het voorhoofd van zijn schepping in. Overigens is deze laatste versie het meest in overeenstemming met het geloof in de magie, zoals dit van de 11e tot de 14e eeuw heeft bestaan. Toen meende men niet slechts dat de mens leven kon maken, maar was men er ook van overtuigd dat je middels dergelijke zegels aan alles, indien gewenst, een leven kon geven. Dit laatste zal dan volgens mij wel weer aan de oosterse gewoonte ontleend zijn, om in een pop of voorwerp de naam plus iets uit het bezit of van het lichaam van een persoon te brengen, waarbij iets van het leven van de betrokkene in het voorwerp overging en men door middel hiervan de persoon kon beheersen en desnoods ook schaden of doden.
Wanneer je het verhaal met een moderne mentaliteit beziet, doet het zeker wat eigenaardig aan, maar je moet het in de juiste omgeving proberen te plaatsen om de werkelijke inhoud en betekenis beter te begrijpen. U hebt allen, naar ik aanneem, wel platen of foto’s gezien van Praag, van de buurt rond het Hradschin – de straten zijn smal, de gebouwen zijn allen oud, men voelt zich eeuwen teruggezet in de tijd. Stel u nu voor, zoals het werkelijk het geval is geweest, dat er achter deze oude stadskern er nog veel smallere straatjes liggen, donker en vuil voor het merendeel. In enkele daarvan woonden de Joden. De Joden zijn nu eenmaal in de periode waarin het verhaal speelt, zoals trouwens gedurende lange tijd in de historie, een uitgestoten en uitgebuite groep. De overheid eist van hen steeds hogere belastingen, hun handel wordt bemoeilijkt, bij de uitoefening van beroepen wordt hen steeds meer aan moeilijkheden en bijzondere lasten in de weg gelegd. Ja, de uitoefening van bepaalde beroepen wordt hen zelfs geheel verboden. De armoede wordt groter en groter, de honger dreigt, van buiten de wijk dringt steeds meer willekeur en geweld op de bewoners aan.
In het midden van deze vervolgde mensen woont een wijze, een wonderrabbi die reeds vele kleinere wonderen gedaan heet te hebben en een grote reputatie geniet binnen het jodendom van die dagen. De vervolgde Joden trekken en masse naar deze wonderrabbi toe en stellen: “Wij worden vervolgd, wij kunnen zo niet meer leven. Zeg ons, wijze, wat wij moeten doen”. De rabbi besluit daarop met de autoriteiten te gaan spreken, maar hij vindt geen gehoor. Hij probeert middels invloedrijke mensen iets te bereiken. Maar onder smaad en hoon wordt hij door lansknechten de Jodenwijk in gedreven. Op dat ogenblik vlamt er iets in hem op. Zijn ogen krijgen een wonderlijke blik. Hij voelt iets te moeten dóen. Hij trekt zich in zijn woning terug, begint in alle stilte aan de vervaardiging van de pop, de golem. De golem wordt volgens het verhaal geboetseerd uit aarde, primitief van vorm, eigenlijk ongeveer zoals een sneeuwpop die de kinderen in de winter wel plegen te maken. De pop wordt groot, maar blijft los van structuur wanneer de rabbi al zingende en biddende aan het werk tijgt in zijn achterkamertje. De buurt voelt dat er iets aan de hand is, maar weet niet precies wat.
Dan, nadat hij alle spreuken voor zich heen heeft gemurmeld en vol eerbied alle heilige namen heeft uitgesproken, ja, de gehele hemelse hiërarchie voor zich heeft opgesomd, komt het ogenblik waarop de oude wijze voelt: nu kan het gebeuren, nu is de tijd juist, zijn de gebeurtenissen rijp. Dan schrijft hij de letters op het voorhoofd van zijn met veel zorg en magische kunde vervaardigde schepping. Het is alsof er een windvlaag door de buurt raast. In de achterkamer van de rabbi staat daar een vreemd, log wezen, tweemaal zo groot als een mens, – een vreemde vorm – de rabbi was waarschijnlijk geen goede beeldhouwer – maar onmetelijk sterk en toch bereid om te dienen.
De machtigen hebben voor de wijk schildwachten geplaatst die de Joden bespotten en een tol eisen van eenieder die de wijk wil verlaten. De eerste opdracht van de rabbi aan zijn schepping is dezen te verjagen. Dan davert het in de straten van de wijk en een zucht van verwondering trekt door de gemeenschap. De kleine ruitjes die hier en daar in de vensters steken, trillen wanneer het grauw-grijze monster voorbijgaat. De soldeniers vluchten weg voor het monster, burgers zoeken een veilig heenkomen. Dan is het spook voorbij, want de golem heeft zijn taak volbracht en keert terug naar zijn meester. Maar de Jodenwijk blijft voortaan weer onbewaakt.
Voorafgegaan door zijn schepping begeeft de rabbi zich nu weer naar degenen die gezag hebben en vraagt hen de onjuiste wetten en voorschriften, die zij tegen de Joden uitvaardigden, terug te trekken. Men weigert hem te ontvangen. De golem slaat een gat in de muur, de rabbi treedt binnen en krijgt gehoor en vele beloften. Buiten staat, angstig gadegeslagen door opgetrommelde soldaten, de golem als een loden standbeeld. Hij roert zich niet, tot de machtigen binnen zich weer wat zekerder voelen en de rabbi gevangen willen nemen. De rabbi roept zijn schepping. De golem hoort of voelt dit en grijpt in. Weer storten muren in elkaar onder de beroering van zijn vuist. Soldaten vluchten weg voor het nu onbeteugelde geweld. Paarden uit de stallen vluchten hinnikend de straten in en blijven vluchten tot zij later, dagreizen verder op het land ondekt en gevangen worden.
Maar de rabbi slaat zijn gewaad om zich heen en gaat. En zijn wonderlijke dienaar volgt hem, gehoorzaam, maar met zware tred. De beloften, aan de rabbi gedaan, worden gehouden. De belastingen worden niet ingevorderd, niemand legt een Jood iets in de weg bij de uitoefening van zijn beroep, ook al was hem dit nog voor kort verboden. De gehele joodse gemeente komt bijeen om de Heer te danken en stelt in steeds toenemende mate vertrouwen in het wonderwezen. Wanneer er lasten zijn die voor mensen zwaar zijn, zo vraagt men hulp en de golem draagt en sjouwt. De golem snelt als bode naar andere plaatsen, de golem verwijdert rustverstoorders. En steeds meer vergeet men in het Jodenkwartier dat dit wezen werd bezield om te dienen als instrument voor het herwinnen van enige vrijheid. Men beschouwt het meer en meer als een soort bediende en daar de rabbi maar al te vaak zijn dienaar zegt: help, volg, gehoorzaam deze of gene, breken er zelfs twisten uit over de vraag, wie het eerst van de vreemde dienaar gebruik zal mogen maken.
Maar een golem, ofschoon hij bezield is door de Baal-Sjem, wordt gedreven door de krachten van hen die hem bevelen. Zo komt er een ogenblik dat hij losbreekt, dat hij door de veelvuldigheid van taken en bevelen overspoelt, door de wijk raast en door muren en huizen gaat. De kleine straatjes liggen opeens vol met puin. Krijsende vrouwen en kinderen vluchten weg, de mannen verbergen zich en in korte tijd zijn de straten leeg. Natuurlijk heeft men zich onmiddellijk tot de rabbi gewend. Dan verschijnt in de lege straatjes de kleine figuur met wapperende baard en lokken, heft de hand op en beveelt: Stop! Hij spant zich tot het uiterste in, bezwijkt haast onder de druk van de krachten die hij zelf wekt. Maar hij slaagt erin het beeld tot stilstand te brengen. Eerst zou hij zijn schepping nog willen bewaren, ergens neerleggen voor mogelijke latere noden. Dan beseft hij: dit was niet goed. Wankelend nog van de inspanning gaat hij op zijn schepping toe, beveelt, reikt omhoog en veegt dan langzaam de lettertekens van de heilige naam weg van het grauwe voorhoofd. En daar waar zo-even nog het monstrum stond, ligt nu in de nog verlaten straat alleen maar een hoop aarde.
Dat is dan het verhaal, vrij verteld. In dit geheel schuilen allerhande moraliteiten. Nu meen ik niet dat je een moraal werkelijk kunt vermijden. Overal waar mensen zijn, is een moraal, zijn er bepaalde zeden. En waar mensen verhalen vertellen, moet je daaraan, ook in deze zin, je conclusies kunnen verbinden. Meestal lukt dit ook wel. Zelfs wanneer het gaat om moderne schrijvers als bijvoorbeeld Wolkers, kun je uit het gestelde altijd weer een moraal putten, een levensles, een levensleer zelfs ontdekken achter de woorden van het geschrift. Wanneer je met magie werkt, kunnen de hogere en lichtende krachten je wel degelijk helpen. Het is wel degelijk mogelijk, ook al is het niet waarschijnlijk dat middels deze krachten inderdaad een golem ontstaat, een wezen geschapen door een mens die de grote geheimen kent die de geheime naam kent en, gedreven door onzelfzuchtigheid, een instrument tot vrijheid schept.
Maar het verhaal maakt ook duidelijk dat, zodra de magie een machtig instrument heeft geschapen, er ook andere invloeden een rol gaan spelen: dan denkt eenieder aan eigen voordeel, tracht eigen lasten en verantwoordelijkheden in steeds grotere mate af te schuiven op de magiër en zijn instrument. In het verhaal blijkt dat de mens, zodra hij gewend is aan het zonderlinge en onbegrijpelijke, dit alleen tot zijn eigen gemak en voordeel zal aanwenden, zelfs wanneer het gaat om een wonderlijk wezen dat alleen krachtens de meest heilige naam en kracht kan leven en bestaan. De mens tracht al snel, zelfs het allerheiligste, het meest onbegrijpelijke, ten eigen bate te exploiteren. Maar er komt een ogenblik dat dit niet meer gaat, dat hij juist hierdoor zijn eigen wereld tot een puinhoop maakt, al zijn verwachtingen nietig doet zijn en al zijn bereikingen in een vloek doet verkeren. Want er zijn nu eenmaal dingen in het leven die je wel kunt gebruiken voor het handhaven van recht en het welzijn van allen, maar die niet gebruikt kunnen en mogen worden voor de belangen van een enkeling.
En juist dit is iets wat de mensen steeds weer vergeten. Wij spraken tot nu toe over de golem, over een oud verhaal. Maar zie dan eens naar deze moderne tijd! Kijk naar de mensen, luister naar hun woorden, constateer hun daden. Industrialisatie is onvermijdelijk wanneer wij de welvaart van de arbeiders willen verhogen en eenieder een aandeel willen geven in de goede dingen van het leven. Zo spreekt men. Waarin men wel gelijk heeft. Zo heeft men in de naam van mensheid en menselijkheid de industrialisatie over de wereld laten komen. Maar men wilde ook zijn eigen welvaart zien stijgen, zijn eigen macht uitbreiden, opdat het verschil tussen hen die slechts werken en hen die bezitten en leidinggeven, gehandhaafd zou blijven. Zeker, de arbeiders kregen een wat beter leven. Maar met industrieën kun je vooral steeds meer verdienen, steeds meer macht uitoefenen, zo ontdekten enkelingen. En zij bouwden steeds meer fabrieken voor steeds meer overbodige dingen en wierpen steeds meer producten, die voor de mens bruikbaar zijn, op de asvaalt. En wanneer er dan problemen ontstonden, zo meende men deze zonder meer met het stichten van nieuwe industrieën en verhoging van productie op te kunnen lossen. Maar de lucht werd vuil en het water werd onrein. De mensen kregen het steeds meer benauwd.
Longkanker, hartkwalen en dergelijke dingen begonnen steeds meer voor te komen. Er ontstonden genetische afwijkingen en de mensen riepen uit dat er een nieuwe industrie moest komen om al deze problemen op te lossen. En zo kwam de farmaceutische industrie tot zijn recht die onmiddellijk begon middelen te vervaardigen. Men maakte vitaminen in vele soorten, om zo aan te vullen wat de mens door zijn wijze van leven en zich voeden in steeds grotere mate tekortkwam. Men maakte peppillen om hem in staat te stellen het levenstempo dat de industrie van hem eiste vol te houden. Zo maakte men alles wat de mens nodig scheen te hebben, om ondanks alles productief en gelukkig in welvaart verder te leven. Maar de lucht werd vuiler, het water onreiner en ook het overdadig gebruik van chemische middelen en geneesmiddelen begon zich te wreken. Het land bracht misschien nog vele en zeer mooie vruchten voort, maar zij waren giftig voor de mens, want er zat lood en arseen in, plus vele silicaten die een menselijk lichaam niet zo gemakkelijk kan verwerken. Het vee op de weide was misschien uiterlijk gezond en welvarend, maar het vlees van die dieren was voor de mens niet meer gezond, want men had het vee bijgevoerd met vele stoffen om een zo mooi mogelijk vlees te krijgen, en het behandeld met hormonen om sneller meer vlees te krijgen. Zo werd ook dit voedsel steeds meer schadelijk voor de mensen. De wereldzee die eens zorgde voor vocht, frisse lucht en zo voor de gezondheid van de mensen, was vervuild en bedekt met dikke lagen drabbige olie. Zij kon haar aandeel in de ecologie niet meer opbrengen. En zoals men opeens eiste dat de golem zou verdwijnen toen hij schade berokkende, zo eist men nu dat opeens het leven en de industrie geheel anders zullen worden. Zoals er volgens de legende velen waren die ten koste van alles de golem wilden behouden doordat hij macht en gemak betekende, zo zijn er nu mensen die ten koste van alles de gemakken, voordelen, de welvaart van de industrialisatie en haar gevolgen willen behouden.
De mensen kwamen bijeen en maakten hun desiderata kenbaar. Zij vergaderden en vroegen aan de wijzen, vooral aan hen die het proces van vertechnisering op gang hadden gebracht, de rabbi Löws van deze dagen, om raad. Maar eenieder dacht voornamelijk aan eigen voordeel en streed om deze te kunnen behouden. En zo zal er waarschijnlijk een dag komen dat de industrie een stad laat exploderen, dat mensen in wolken van giftige gassen sterven, dat plotseling blijkt dat de mensen ziek worden van alles wat zij eten, dat de zee alleen nog ziekte brengt en geen gezondheid, terwijl de bossen verwelken in de lente, tot alleen nog maar verschrompeld blad en schaduw blijft.
Dan zou er iemand moeten komen die machtig en wijs genoeg is, zodat hij de mensheid kan veranderen. Hij moet dan die industrialisatie tenietdoen en het woord welvaart uitwissen op de wereld, om er welbehagen voor in de plaats te kunnen stellen. Misschien dat de dingen dan weer normaal worden.
Je kunt het verhaal van de golem gebruiken voor vele wijzen van moraliseren. Ik heb een daarvan gebruikt, maar er zijn honderd andere. Je kunt bijvoorbeeld aanhaken bij het magische element in het verhaal en het geheel gebruiken om duidelijk te maken dat alle religie tot dwaze legendevorming voert en de mens van de waarheid afhoudt. Je kunt dit redelijk aanvaardbaar maken hiermede. Maar met hetzelfde gemak en hetzelfde verhaal als uitgangspunt, kun je duidelijk maken dat magie zo inherent is aan elke godsdienst, dat het werken met krachten die niet wetenschappelijk vaststaan of bewezen kunnen worden, en het werken met argumenten die in wezen sentimenten zijn zo eigen is aan godsdienstig zijn, dat juist hierdoor het schijnbaar onmogelijke soms mogelijk wordt.
U zult zich misschien afvragen waarom ik uit meerdere versies van dit verhaal koos voor die versie die in de stad Praag gesitueerd is. De reden is eenvoudig genoeg: ik vind Praag de betere stad voor een dergelijk verhaal, want het decor doet in dergelijke gevallen zoveel. Wanneer wij over een golem in deze tijd zouden denken, zo zou deze veel minder indruk op de mensen maken. Men zou zeggen: Daar heeft iemand waarachtig een nieuwe organische robot ontwikkeld. Zou hij ook kunnen roken, spreken? In die dagen was het denkbeeld van een kunstmatig geschapen wezen in menselijke vorm of zelfs een robot, een automaat, al een overweldigend iets. Het is het decor van die oude stad met zijn vreemde glanzen en hoog oprijzende burcht waardoor het gehele verhaal met zijn onwaarschijnlijkheden, zijn bijgelovigheden, zijn gothische opbouw verenigd met een vaak wat barokke praal, aanvaardbaar, beleefbaar wordt. En het is werkelijk een ideaal decor voor een dergelijke vertelling. Denk aan de straten met hun glanzende ronde stenen, de achterbuurtstraatjes, bedekt met modder en mest, de gevels, de ijle lucht, de wonderlijke torens met hun gouden daken, de fantastische klok, misschien pas gebouwd en geïnstalleerd. Visualiseer hierbij de mensen, moeizaam langs de straten gaande of statig rijdende in karossen. Het is werkelijk de passende achtergrond voor een verhaal en bepaalt de sfeer van de gehele golemmythe.
Zoals het woord zelf van betekenis is. Want de indruk van het geheel zal voor een groot deel veranderen wanneer wij alleen golem veranderen in robot. En toch, wat is in feite het verschil tussen deze beide begrippen? U kunt misschien zeggen dat een robot geheel door een mens geschapen wordt, terwijl de golem zijn leven dankt aan de goddelijke naam. Maar zelfs dan nog: wanneer God werkelijk alles beheerst, kent en in stand houdt, zou Hij dan ook geen rol spelen wanneer in deze dagen iemand erin slaagt een perfecte robot te construeren? Is het verschil dan zo groot? Want of je nu de naam zelfs schrijft of de gedachten die deel zijn van die naam uitwerkt, is werkelijk niet een zo beslissend onderscheid. Het is zo moeilijk de mens duidelijk te maken waarom het in dit verhaal gaat. Zeker, men gelooft in het getto aan de wonderrabbi. Men is veranderd door gebeurtenissen en heeft meer dan ooit begrip voor de wonderlijke en toch zo humane esoterie die de leraren, de wonderrabijnen, tot uiting brengen. Men is, meer dan onder normale omstandigheden denkbaar is, innerlijk verbonden met de trekkende wonderrabbi’s die, soms in vodden gehuld, van plaats tot plaats trekken, maar aan hun blik erkend worden en ondanks hun uiterlijke armoede overal een eerbiedig onthaal vinden. Men weet beter dan onder normale omstandigheden het beetje meer dat dergelijke figuren kenmerkt, te beseffen en af te lezen. Hun persoonlijkheid brengt de mensen ertoe veel als juist en waar te aanvaarden, wat de rede anders zou verwerpen. Er zijn ook in deze dagen dergelijke mensen op aarde te vinden.
De verhalen van eens, romantisch als zij zijn, de snedige antwoorden die aan de wijze rabbi’s worden toegeschreven, bestaan vandaag ook. Zelfs in geschriften blijkt dit steeds weer. O, het is geen rabbijn waarschijnlijk en mogelijk noemt zo iemand zich Kronkel of Wandelganger. Maar wanneer je hun beschouwingen leest, schuilt er iets in van de wijsheid, de erkenning van de mens en de wereld die je ook in de verhalen over de wonderrabbi’s aantreft. Er is steeds weer een sfeer van erkenning van het andere, het Hogere eventueel, en altijd weer spreekt er ergens de behoefte uit, ook nog anders te zijn, zelf iets anders te worden dan het beeld wat je koestert van jezelf. De verhalen van dergelijke rabbijnen werden vooral in Oost-Europa veelvuldig verteld, zij werden in grote werken te samengebracht en zijn langzaam aan zelfs tot deel geworden van een soort folklore die meer omvat dan alleen maar een deel van het Joodse volk.
Maar de achtergrond van al deze dingen is en blijft de mens. De golem is niet alleen een wonder. Hij is tevens een uitdrukking voor een deel van het menselijke werken en streven. Misschien zou je hem in deze dagen ook wetenschap kunnen noemen. Denk aan de wetenschap die in deze dagen zo machtig is, die alles schijnt te kunnen, maar die wanneer je te veel tegelijk van haar meent te mogen verlangen, opeens dol schijnt te worden en iets produceert wat in wezen vernietigt wat zij op zou moeten bouwen. Je ziet dergelijke dingen elke maal weer: de mens moet in de eerste plaats betrouwen op zichzelf en eigen mogelijkheden en dan eerst mag hij een beroep doen op machten die zijn eigen kunnen en beheersing te boven gaan.
Zo vertelt een van de oude verhalen over een man die bij een wonderrabbi komt en hem vraagt: Rabbi, mijn huis staat op invallen. Wat moet ik nu doen, het schoren of afbreken en een nieuw bouwen? De rabbi vroeg hem toen: Heb je het geld en de kunde om nieuw te bouwen? Neen, was het antwoord. Maar ik heb een groot geloof in God. Waarop de wonderrabbi antwoordde: Stut daarmede dan eerst eens je huis. Het antwoord is kentekenend voor de menselijke en toch logische redeneertrant van deze rabijnen: Wanneer je gelooft dat het geloof je in staat zal stellen iets te volbrengen, wat in wezen voor jou ondenkbaar of onmogelijk is, kun je het ook gebruiken voor iets, wat misschien minder onmogelijk maar op het ogenblik wel zo noodzakelijk is.
De nadruk ligt vreemd genoeg altijd weer op het menselijke, maar ook op consequente oprechtheid. Zo is er een verhaal over een dorpje waar een belangrijk man op sterven ligt – wat voor de gemeenschap veel schade zou betekenen. Men besluit nu dat de gehele dag niemand in het dorp zal eten of drinken, om door dit offer en vele gebeden God tot genezing te bewegen. Nu is er een eenvoudig man die het land bewerkt en lang voor de voornamen tot een dergelijke beslissing kwamen aan het werk getogen was. Wanneer hij, moe en dorstig thuiskomt, neemt hij onmiddellijk een grote slok wijn. De mensen staan verstard, protesteren. Want zij hebben God immers beloofd dat niemand van de gemeente zou eten of drinken die dag. En eenieder verwacht dat geen genezing mogelijk zal zijn. Maar juist op dat ogenblik klinken kreten uit het huis van de zieke: Hij is plotseling genezen. Men begrijpt het niet en gaat naar de rabbi om te vragen hoe dit alles mogelijk was. De rabbi antwoordt: “Toen Jessel hier dorstig zijn wijn dronk, loofde hij God oprecht en zonder bijgedachten. Jullie met al jullie offers en gebeden huichelden dat het niet te doen was om jullie eigen belangen. Zo kon God jullie niet horen. Maar Jessel was oprecht en werd gehoord, zodat de Heer ook zijn schrik zag, en om hem te lonen voor zijn oprechte lof, de zieke genas”.
Ook dit verhaal is, ondanks het wonder, in feite zo heerlijk menselijk. Het houdt zich in de eerste plaats bezig met de werkelijke mensen en hun gedachten, hun daden en hun verhouding tot God. Ook het verhaal van de golem is in feite een dergelijke beschouwing van de mens, menselijke zwakheden en de relatie van de mens met het bovennatuurlijke, met God, ook al lijkt het op het eerste gezicht over heel iets anders te handelen. Want in de eerste plaats bevat het een les voor mensen die steeds weer op het verkeerde paard wedden, doordat zij niet bereid zijn alles wat maar mogelijk is zelf te doen, maar liever anderen en als het even kan God en Zijn wonderen overal voor proberen te spannen. Het is een verhaal van mensen die macht met macht willen meten en op een gegeven ogenblik na enkele successen bekocht uitkomen, omdat de basis van verschillende machten niet gelijk pleegt te zijn. Het is ook een verhaal waarin, naast menselijke nood en zwakheid, menselijke vindingrijkheid, esoterische erkenning en godsbeleving een rol speelt. Daarom is het mooi, al is het niet waar. Ik noemde u in het begin van mijn betoog een schrijver, Gustav Meyrink, die vele mystieke romans heeft geschreven. Ik verwees juist naar hem, omdat hij in woorden de gehele sfeer van het verhaal zo mooi heeft weergegeven. Er is bij hem niet alleen sprake van het wonder, maar ook van de mensen. Vergeet niet dat, wie om Gods wil de mens vergeet, in feite God werkelijkheid loochent; wie met Gods kracht tracht de problemen van de mensheid geheel op te lossen, vergeet dat God de mensen ook een taak heeft gegeven: namelijk zelf die problemen op te lossen zo goed als maar mogelijk is.
Zo spreken wij over een wonderlijk verhaal dat in zich misschien een grote wijsheid bevat. Maar het onderwerp is beperkt. Om het op mijn wijze af te ronden zou ik nog het volgende op willen merken: Elke mens leeft tussen de chaos, de duisternis, en het hoogste Licht. Of wanneer u het anders wilt uitdrukken: Tussen Malkuth en Kether. Van Malkuth voert zijn weg hem middels vele erkenningen uiteindelijk tot de kroon. Maar één ding vergeet hij op deze weg vaak: hij beseft eenvoudig niet voortdurend dat datgene wat hijzelf is, maar een heel klein deel is van het werkelijke geheel. Hij ziet voornamelijk zichzelf en leeft vanuit zichzelf. Dat is begrijpelijk. Zo kun je ook stellen dat elke mens in de eerste plaats een persoonlijkheid, een individu moet zijn. Maar daarnaast is die mens ook deel van een groter geheel. Hij is deel van een vereniging, een gemeenschap, een land, een mensheid. Dit deel-zijn mag je als mens nooit uit het oog verliezen. Nu wordt wel eens gezegd: Waar je ook staat op de wegen die gezamenlijk de boom des levens zijn, wanneer je de eenheid beseft, zullen de krachten van het geheel je tekortkomingen op kunnen heffen.
Dat is geen moeiteloos proces. Want wanneer je zelf niet streeft, is er geen antwoord. Maar toch maakt dit laatste gezegde iets duidelijker waar het eigenlijk om gaat. Wanneer rabbi Löw symbolen tekent op een kleibol, kan men de werking en kracht natuurlijk aan die tekens toeschrijven. Maar vraag je je dan eens af waarom wel de rabbi, maar niemand anders dit tot stand kon brengen. Misschien is de meest juiste verklaring wel dat de rabbi op het ogenblik dat hij de golem als magiër bezielt dit kan doen, omdat hij krachtens eigen besef deel is van een totaliteit: hij is één met het lijden van de joodse gemeenschap die tot hem komt om raad, maar voelt zich daarnaast verbonden met de historie, met de goddelijke wereld. Wanneer rabbi Löw tijdens het boetseren van de golem voor zich de gehele hiërarchische opbouw van het Al, zoals dit in de kabbala voorkomt, opsomt, zo doet hij dit niet om machten buiten zich aan te roepen, maar om zich te realiseren waarvan hij werkelijk deel uitmaakt. De rabbi is in zijn besef één met alle dingen. Het is geen wonder dat zelfs de dode klei hem dan gehoorzaamt, want zij is slechts een deel van een geheel waarvan ook de rabbi deel uitmaakt. Wanneer het volk niet in staat blijkt precies te begrijpen wat de golem in wezen is en deze hierdoor tot een losbreken wordt gebracht, zo is er de rabbi die nog steeds één is met de golem, al kost het hem moeite zich dit op het bewuste ogenblik geheel te realiseren. Daarom is het de rabbi die als enige het losgebroken monster een halt toe kan roepen. Zoals hij, krachtens dit besef, zijn verbreken van de erkende eenheid met het monster als levende eenheid uitwist, door de naam – die voor hem die eenheid en verbondenheid uitdrukt – van het wezen te wissen.
Zeker, er bestaan vele verschillende versies van het verhaal waarbij sommige erg romantische, andere daarentegen juist weer zeer zakelijk zijn. Maar waar het toch steeds weer op neerkomt, is: Je bent één met alle dingen op het ogenblik dat je in jezelf deze eenheid werkelijk ervaart en beseft. Beschik je over krachten die verder gaan dan het normale, zo vloeit alles uit deze eenheid voort, zoals zij je een gezag heeft gegeven over vele dingen en een begrip voor vele mogelijkheden die voor anderen zelfs ondenkbaar blijven.
Het is het grote, oude verhaal. Ik kan mij voorstellen dat er velen onder u zijn die er nog meer van willen weten, zoals ik mij voor kan stellen dat er onder u zijn die willen protesteren, omdat zij mijn versie niet juist achten. Deze laatsten zeg ik: U hebt zonder meer gelijk; er zijn zoveel verschillende versies in omloop van dit ene verhaal, dat je duizelig zou worden wanneer je alle details met elkaar zou willen vergelijken. Want allen wijken zij ergens af, allen brengen andere aspecten in het bijzonder op de voorgrond. In de ene versie ligt de nadruk vooral op de vervolging van de Joden – vooral de Warschau-versie legt hierop zeer sterk de nadruk. In andere versies heeft men kennelijk willen aantonen of bewijzen dat sommige mensen op aarde de ingewijden Gods zijn. In dergelijke verhalen is de rabbi een geheel ander wezen, edeler, eerbiedwaardiger, dan in versies die alleen maar proberen te bewijzen dat God in de hoogste nood nabij is en bij Zijn ingrijpen middels allerhande instrumenten Zijn wil kan werken. Wat ik u heb gegeven, is een kleine schets van het verhaal en iets over de mogelijke betekenis. Wij zouden alleen reeds over de magische aspecten van het geheel lang kunnen doorpraten. Wat mogelijk voor u de moeite waard is wanneer u nieuwsgierig bent. Maar aan de andere kant: denkt u dat u het door een dergelijke verhandeling en een paar gegevens, zelf zou kunnen leren? Ik verwacht dit althans niet.
Zoals ik door zou kunnen gaan over de Jodenvervolging die ergens toch een zeer belangrijke rol speelt in het geheel. Maar wat geweest is, is geweest. Wat komt u er verder mee wanneer u alle verhoudingen en ontwikkelingen van het verleden kent? Uw werkelijke mogelijkheden en noodzaken worden nog steeds door het heden bepaald. De golem was een zegen en werd tot vloek en bedreiging. Ook voor de mensen in het getto. Dat is een belangrijk punt waaraan wij vele woorden zouden kunnen wijden. Maar al beperk ik mij zo hier, dit mogen wij zeker nooit vergeten: Elke mens moet uiteindelijk zijn eigen lasten leren dragen en zijn eigen weg leren zoeken.
Misschien heeft u zelfs wel eens het gevoel dat er in u een soort golem schuilt en leeft. Dat is waar: U hebt een geloof – of u het nu toegeeft of niet. Het is niet belangrijk hoe u het formuleert: geloof in God, in eigen mogelijkheden, de mensheid of het vermogen van de mens om op aarde werkelijk gelukkig te zijn. U geeft aan dit geloof op een wat mechanische wijze gestalte, want u maakt uit de uiting van het geloof steeds weer iets, wat in uw eigen wereld kan bestaan, wat sterker, machtiger dan al het andere zal moeten zijn. U schept op deze wijze voor uzelf een droomwezen, een leefwijze, een gewoontepatroon die zelfs uw wijze van denken, spreken, benaderen, werkelijkheid in zekere richting zal dwingen. Deze wijze van reageren is dan het voertuig geworden van uw angsten en verlangens, uw persoonlijke golem. U hebt hem leven gegeven door te zeggen: Dit is de waarheid. Maar als die waarheid, die u zo verdedigt, in vele gevallen destructief is, is het dan niet verstandiger het woord van de waarheid, die u zelf veronderstelt, eerst eens weg te wissen en eerst te zoeken naar de waarheid die vrede heet? Mij dunkt dat dit de verstandigste oplossing zou zijn voor dat mechanisme, dat mechanistische deel in uzelf dat schijnbaar los staat van uw innerlijke werkelijkheid, uw eigen gevoelens, uw werkelijke persoonlijkheid? Want het kan dienen, maar al te vaak domineert het u. Het kan bouwen, maar meestal eindigt het met te verwoesten. Blijf zelf heerser, zelfs wanneer u daarmede iets wat u in een lang leven hebt opgebouwd, moet uitwissen. Na de pauze graag uw commentaren enzovoort.
Deel 2
Ik hoop dat u een aangename pauze hebt gehad. Veel vragen zult u, naar ik aanneem, wel niet te stellen hebben, maar wij zullen zien. De eerste vraag graag.
Vragen
Wanneer ik het verhaal van de golem aanhoor, vraag ik mij af: wat is leven? Wilt u mij dit zeggen?
Dat hangt af van hetgeen u onder leven verstaat. Leven is uiteindelijk alles wat enige beweeglijkheid heeft. Men zou in dit geval kunnen stellen dat er sprake is van een zekere moleculaire structuur waardoor voortplanting en leven mogelijk is. Besef is hierbij niet werkelijk noodzakelijk in menselijke zin. Maar u kunt even goed stellen dat leven voor u bewustzijn betekent. Dit is in elk bestaan in de eerste plaats een kwestie van het erkennen van verschillen tussen ik en niet-ik. De verschillen tussen wat je voelt te zijn en voelt niet te zijn kun je later definiëren en zo tot betere omschrijvingen komen. Maar volgens mij is, wat bewustzijn betreft, de beslissende en bepalende factor wel het besef dat je zelf begrensd bent, en begrensd wordt door iets wat anders is dan jezelf bent. Want dit is voor mij het begin van alle besef.
Ik vermoed echter dat u in het bijzonder denkt aan het “leven” van de golem. Hierop is alleen het volgende antwoord mogelijk: Volgens mij is leven een vorm van energie. Ik zie in onze eigen werelden dat vormen, omvang, tijd en dergelijke in feite voor een bestaan niet werkelijk van belang zijn. Verder blijkt dat de waarden als beperkingen van besef op kunnen treden, terwijl in alle leven dat ik ken, een behoefte tot ontwikkeling en instandhouding aanwezig is. Daarnaast blijkt elk ik een behoefte tot uitwisseling te kennen, terwijl binnen het ik bovendien overal en steeds weer krachten van verschillende sterkte of, zo men het ik als geheel beschouwt, verschillen van potentiaal bestaan. Daarom stel ik dat leven een vorm van energie is. Dit brengt ons dicht bij een gangbare omschrijving van de goddelijke vonk. Men stelt immers: dit is de kracht van het goddelijke waardoor het leven mogelijk wordt.
Wanneer ik echter de golem zie en opeens leven in hem zie ontstaan, is dit voor mij geen bezieling, zoals die bijvoorbeeld bij een mens voorkomt. Ik zie een wezen dat normalerwijze geen samenhang en geen bewegings- of reactiemogelijkheid bezit, opeens in staat zijn tot bewegen en reageren. De vraag is natuurlijk waar de hiervoor nodige krachten vandaan komen. Het eenvoudigste antwoord in dit geval is natuurlijk: van God. Want wanneer wij niet werkelijk weten waar iets vandaan komt, zo zeggen wij al snel dat het van God komt. En wanneer mensen niet weten hoe zij hun wil tegenover anderen door moeten zetten, zijn zij al snel geneigd om te stellen: ‘God wil het’. Peter van Amiens deed het, en sindsdien zijn er heel wat mensen die het hem nagedaan hebben. Paisley doet het bijvoorbeeld en het is zelfs mogelijk dat Nixon er ook nog eens aan begint. Want het zonder dit doorzetten van zijn wil lukt hem op het ogenblik tamelijk slecht, naar ik meen.
Het is natuurlijk het eenvoudigste antwoord: God deed het. Aan de andere kant kennen wij verschijnselen waarbij in een menigte een grote spanning ontstaat, die naar buiten toe wordt uitgestraald en op kenbare wijze ook wel tot ontlading pleegt te komen. In dit verband denk ik bijvoorbeeld aan massale genezingsbijeenkomsten. U hoeft hierbij niet in het bijzonder aan Lourdes te denken, want het kan bij wijze van spreken op het Malieveld ook gebeuren. Er is dan sprake van een menigte die met gelijke gevoelens, angsten of begeerten bijeen is. Hoe groter de emotie van de massa, hoe intenser de geladenheid die ontstaat. Steeds weer blijkt er dan iemand te zijn die iets van die geladenheid in het bijzonder beleeft, opneemt enzovoort. Hierdoor ontstaan zelfs constateerbare lichamelijke veranderingen.
Stel nu dat de golem eigenlijk het afweerwapen is van de gehele Joodse gemeenschap, zodat allen in de gemeente door hun angsten en begeerten hiermede verbonden zijn. Op rabbi Löw is de hoop en verwachting van het gehele getto gevestigd. De man is het brandpunt van alle emoties en gedachten van het geheel geworden. De man is wijs, kent dingen die de anderen niet kennen, dat is waar. Het tot leven komen van de golem vergt krachten, dat is waar. Maar wij zouden zelfs als zeer aannemelijk kunnen stellen dat het leven van de golem eigenlijk niets anders is dan de gemeenschappelijke gedachtekracht van de Joodse gemeenschap. Hierdoor is het eveneens denkbaar dat de golem tot op zekere hoogte zelfstandig handelt. Want hij is een wezen dat een gerichtheid en leven heeft gekregen door de gerichtheid, de hoop, angsten en verwachtingen van de gemeenschap. Dit maakt ook veel begrijpelijker dat het schepsel op een gegeven ogenblik als het ware op hol slaat: wanneer allen gaan denken aan de golem als iets wat ook voor ieder persoonlijk nuttig en voordelig kan zijn, ontstaat er een verdeeldheid in doel.
Elk wezen dat eenmaal een zekere samenhang bereikt heeft, streeft ernaar die samenhang te behouden. Wij zien dit zelfs in materiële structuren die men dood pleegt te noemen: zij verzetten zich als het ware tegen elke verandering van structuur en vergen hiervoor veel energie, zelfs wanneer uiteindelijk bij het oplossen van de bindingen meer energie vrij zal kunnen komen, dan voor het breken van de bindingen noodzakelijk was. Ik stel dat ook de golem, kunstmatig leven als hij is, de neiging zal bezitten zichzelf te continueren, zeker daar enig besef eveneens aanwezig geweest moet zijn in deze legendarische structuur. Dit bestaan is kennelijk gebonden aan het uitvoeren van de wensen van zijn scheppers. Hij tracht dus alle wensen en bevelen, al is het maar voor 1/10de of minder, uit te voeren. Dit veroorzaakt dan de vernietigende reacties die tot het tenietdoen van zijn kunstmatig leven voeren. Vergeet niet dat het onderling strijdige en chaotische karakter van de vele wensgedachten die met de golem verbonden zijn, bij deze ook een overeenkomstig tegenstrijdig en chaotisch gedragspatroon zal kunnen veroorzaken.
Dit optreden, deze angst voor de golem die eruit voortkomt, zal als bij het ontstaan van het “leven” gecentreerd worden op de schepper van de golem. Hierdoor is verklaarbaar dat de rabbi, met inspanning van zijn gehele wil en alle krachten, het losgebroken monster kan overmeesteren. Want door de vele gedachten en emoties die in hem een brandpunt vinden op het beslissende ogenblik, is hij minstens zo sterk aan de gedachtekracht van mensen als de golem zelf. Vanuit magisch standpunt wordt ook duidelijk gemaakt waarom de rabbi het leven – de letters – terug kan nemen of uitwissen: de rabbi is een eenheid, gedreven door een behoefte het bestaan van anderen te beveiligen, terwijl de golem een innerlijk verdeeld wezen, een wezen met in zich tegenstrijdende krachten is geworden.
Gezien het karakter van het verhaal lijkt mij dit de meest waarschijnlijke gang van zaken. Misschien meent u dat men voor de verklaring van een wonder toch naar hogere krachten zou moeten zoeken. Ik meen echter dat dit hier niet noodzakelijk is. Maar ja, er zijn natuurlijk mensen die menen dat iets eerst werkelijk een wonder mag heten, wanneer het door God zelf wordt verricht. Toevallig zijn dit de mensen die je vertellen dat God alles voor de mensen heeft gedaan: Hij heeft de wereld geschapen, de mensen zelf geschapen, de wetten geschapen van de natuur en de regels, volgens dewelke mensen dienen te leven. Hij heeft tevoren bepaald wat er niet zou gebeuren en wel zou kunnen gebeuren, zodat zelfs het verloop van de dingen volgens sommigen door God tevoren geheel is vastgelegd. God houdt de mens voortdurend in stand, is alomtegenwoordig. Maar dan stellen zij dat een wonder alleen kan bestaan door een bijzonder ingrijpen van God. Ik kan dit zo niet zien. Ik meen dat voor de mens steeds weer het wonder het onbegrepene is. Wanneer wij iets niet begrijpen is het voor ons een wonder. Maar dat betekent nog niet dat het nu ook een wonder is, volgens de meest letterlijke zin van dit woord. Ook voor elk wonder moet een verklaring bestaan en wanneer wij maar in staat zijn alle omstandigheden die op de achtergrond van het wonder liggen te begrijpen, is het geen wonder meer voor ons, maar een logisch verschijnsel dat uit onze werkelijkheid stamt.
Dit doet mij een voorkeur geven aan een verklaring die zo dicht mogelijk bij de mij bekende feiten ligt. Bovendien mogen wij in ons betoog niet vergeten dat wij te maken hebben met een legende. Het is geen beschrijving van iets wat werkelijk zo is gebeurd, maar eerder een uitspreken van hoop, verwachtingen of zelfs een dramatiseren van op zich niet zo schokkende ontwikkelingen en gebeurtenissen. Ik heb in het begin reeds gezegd dat mogelijk aan het begin van de legende een daad van een roodharige slager met de naam Rabinowitz staat. En zijn heldendaden bestaan er mogelijk alleen maar uit dat hij enkele mensen mores heeft geleerd die dachten dat Joden toch te bang zijn om terug te slaan. De mens heeft de neiging zijn angsten, hoop en verwachtingen uit te beelden in verhalen.
Kijk maar eens naar de sprookjes van alle landen. U zult daarin steeds het wonderbaarlijke steeds weer aantreffen, een fee of een andere ‘deus ex machina’ die op het beslissende moment opduikt om kenbaar te maken: Kun jij dit niet? Dan behoeven wij maar even met het toverstafje te zwaaien of het toverwoord te spreken en het wonder is al gebeurd. Men verlangt kennelijk ergens ook voor zich een dergelijke oplossing van de eigen problemen, een dergelijke vervulling van de eigen wensen. In zijn verhalen komt dit sterk tot uiting, omdat hij daarin niet bang is voor een afdwalen van de werkelijkheid, voor het prijsgeven van zijn fantasieën en het romantiseren van in wezen doodnormale gebeurtenissen. Je zou kunnen zeggen dat de mens in zijn verhalen grijpt naar het wonder, om zo voor zich het gevoel te kunnen hebben dat er op aarde of elders geen enkele regel zal bestaan waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn.
Vandaar dat ik, mede gezien mijn ervaringen in het astrale gebied, bij het denkbeeld van een leven in deze voorhistorische robot, deze golem, teruggrijp naar de scheppende en vaak ook levenskrachten gevende uitingen van een gemeenschappelijk bewustzijn. De vraag, wat leven is, zal hiermede niet zijn opgelost, dat besef ik wel. Maar in astrale werelden kennen wij zogenaamde schillen die door het menselijke denken in de loop van eeuwen zijn opgebouwd. Deze wezens hebben kracht, macht, een geheel eigen gedrag, kunnen op uw wereld en andere astrale wezens inwerken. Zij hebben een vaste, vaak zeer gedetailleerde vorm. Vaak hebben zij bovendien een duidelijk omschreven handelingsgebied, zodat zij alleen op bepaalde punten of op bepaalde ogenblikken optreden en in actie komen.
Toch bezitten deze wezens volgens ons geen werkelijk leven. Het zijn en blijven schillen, alles wat zij hebben, bezitten, doen, denken, komt uit anderen voort. Om duidelijk te maken hoe ik dit bedoel: Wanneer u naar een film kijkt, kunt u zeggen dat het “levende beelden” zijn. Toch is de beweging eigenlijk schijn en stamt van een op de filmrol vastgelegde en door de figuren niet te beseffen of te wijzigen mogelijkheid. Zoek je uit te vinden wat erachter steekt, dan kun je niet stil blijven staan bij de filmprojector en de man die de filmrol heeft ingelegd. Je komt uiteindelijk terecht bij de acteurs, de opname en de belangen die de film tot stand deden komen. Ik heb altijd het gevoel dat verhalen, evenals de film, geredigeerd worden door de belangstelling, de fantasie, de angsten van de mensen. Een legende krijgt zo een vorm die delen van een mogelijkheid en de werkelijkheid wel degelijk mede omvat, maar toch in feite maar heel weinig te maken heeft met het gebeuren, waardoor de legende eens is ontstaan. Ik stel dan ook dat de golem nooit heeft bestaan op de wijze waarop de legende dit voorstelt. Ik betoog verder dat, zo hij bestaan zou hebben, zijn leven niets anders zou zijn geweest dan een conglomeraat van krachten, ontleend aan de mensen in de omgeving. Ik wil met dit alles niet ontkennen dat het bestaan van een wezen als de golem voor mij onder alle omstandigheden onmogelijk lijkt.
Er is over leven natuurlijk nog wel wat meer te zeggen. Zo blijkt dat de menselijke levenskracht, zowel als de verdeling daarvan, wel degelijk door elektrostatische ladingen vergroot of verminderd kan worden. Dit blijkt ook voor planten te gelden waarbij ook straling groeiremmend of bevorderend blijkt te kunnen werken, naargelang de intensiteit waarin zij optreedt. Proeven met hydroponische culturen, in onder meer Californië, hebben bewezen dat groeiprocessen ook door verschillende kleuren licht beïnvloed kunnen worden. Op deze wijze wist men onder meer reuzevruchten te telen. Wanneer elektrische lading, straling, licht invloed hebben op leven, zowel in eenvoudige als meer complexe vormen, zo mogen wij mijns inziens wel aannemen dat er ergens een verband en mogelijk zelfs een verwantschap bestaat tussen de kracht die de levensprocessen beïnvloed en het leven zelf. Indien lichtgevoeligheid en kleurgevoeligheid bestaan bij bepaalde gewassen, dan zal deze toch mede bepaald moeten worden door processen die juist afgesteld zijn op de frequenties die in het licht voorkomen.
Bij de mens blijken eveneens vitaliteit en persoonlijke levensprocessen beïnvloed te worden door soortgelijke verschijnselen. Wij, vanuit geestelijk standpunt, zien daarbij bovendien nog de inwerking van bepaalde krachten die de mens, zover mij bekend is, tot nu toe niet heeft weten te definiëren, maar die men wel aanvoelt als bijvoorbeeld een sfeer die ergens hangt. Het lijkt mij slechts nuchter om te stellen dat, zo bepaalde vormen en frequenties waarin energie optreedt invloed hebben op de menselijke levensprocessen, het menselijke leven soortgelijke energieën zal moeten kennen. Tracht je verder terug te zoeken, dan zul je, volgens mij, ergens bij een oervorm van energie terecht moeten komen. Je kunt dan natuurlijk weer zeggen dat deze oervorm van energie de primaire uiting van God is en je daarbij op Genesis baseren waarin onder andere staat: “Hij sprak: het worde licht, en het werd licht.”
Je zult dan volgens mij in zoverre geen ongelijk hebben dat licht alleen kan ontstaan als er sprake is van een ontlading, dus een verstoring van evenwicht of een verschuiving van waarden. Licht kan niet zo, zonder meer, in het niets ontstaan. Wat dan kan voeren tot de stelling: God is kracht, en alle leven is niets anders dan een frequentie waarin die kracht optreedt. Dit zou ook kunnen verklaren hoe een deel van de menselijke levenskracht soms kan worden overgedragen. Want het blijkt dat een mens die lichamelijk of zelfs maar mentaal sterk is, in staat is iets van zijn eigen kracht aan anderen over te dragen en zo bijvoorbeeld bepaalde levensprocessen te vereenvoudigen of te versnellen. Zoals het bepaalde mensen ook mogelijk is het zenuwstelsel van anderen tijdelijk geheel of deels te beheersen en zelfs de gedachtenprocessen van anderen te richten.
Gezien dit alles, lijkt mij het antwoord op uw vraag te moeten luiden – ook al is ons onderwerp eigenlijk de golem: Leven is een vorm van energie. Ik geef hierbij graag toe dat ik de juiste vorm, frequentie enzovoort van deze levensenergie niet zonder meer voor eenieder juist kan bepalen en ook geen antwoord kan geven op de vraag: wat God dan wel moet zijn? gezien het feit dat het leven mogelijk hieruit bestaat of voortkomt. Ik ga zelfs zover te stellen dat deze levenskracht mogelijk een natuurlijke kracht is, waarbij men dan mogelijk God zou kunnen zien als een wetmatigheid die de kracht zelf en al zijn uitingen bepaalt. Ik weet het niet precies.
Maar één ding weet ik wel zeker: Wanneer wij spreken over de mogelijkheid dat een golem bezield wordt, spreken wij zeker niet over een paar lettertekens die leven zouden kunnen geven, maar over gedachtekracht en andere energieën die op het ogenblik nog niet door de mensen gekend of beheerst worden, maar die wel degelijk aanwezig zijn, daar zij gevoeld kunnen worden en bovendien de eenvoudigste en alle werkingen omvattende verklaring vormen voor vele zaken die tot op dit ogenblik nog niet verklaard werden.
Ik heb getracht een zo redelijk en duidelijk mogelijk antwoord op het gevraagde te geven. Uw commentaren zijn nu welkom.
Indien een dergelijke overbrenging van krachten al denkbaar is, zo moet er toch een middel, een instrument zijn dat de gevolgen daarvan voor ons kenbaar maakt. Dat is voor mij het wonderlijke in deze legende.
Waarmede u wilt zeggen dat voor u de vorm het medium is waardoor de kracht zich kan uiten. Maar is dit overal niet hetzelfde? Is niet alles wat wij leven noemen niet een werken van de kracht binnen een beperking of middels een medium, waardoor voor de beschouwers aanwezigheid en werking van de kracht kenbaar wordt? Het kenbaar worden van energie of werkingen daarvan is afhankelijk van het aanwezig zijn van een kenvermogen dat in staat is verschijnselen en uitingen waar te nemen.
Maar wanneer wij een machine hebben die door stroom aan de gang wordt gehouden, is er iets nodig waardoor die stroom wordt omgezet in wat wij wensen.
Menselijk gezien is dit juist. Maar wij zouden ons een machine voor kunnen stellen waarbij magnetische velden op elkaar in kunnen werken, zonder dat er sprake is van een vaste en roterende magneet of spoel die het omzettingsproces van de energie zichtbaar maken. De mens heeft, zover ik weet, nog geen voldoende kennis van magnetische velden om deze zonder moleculaire magneten of stroomvoerende geleiders te doen ontstaan. Dit betekent echter niet dat magnetische velden niet op een andere wijze zouden bestaan. U kunt dus niet stellen dat er altijd een machine moet zijn die voor de omzetting van kracht in andere vormen van kracht zorgt. U kunt hoogstens zeggen: dit is voor mij of voor ons de enig denkbare wijze.
Maar er is materie, klei, aanwezig, en deze is dus eo ipso de overbrenger van de kracht waardoor het zich kan voortbewegen.
Indien u de letterlijke juistheid van de legende stelt, hebt u misschien gelijk. U moet hierbij echter niet vergeten dat het stellen van klei als grondstof refereert aan de Bijbel waarin God Adam vormt uit klei naar Zijn beeld en gelijkenis en dan Zijn adem inblaast.
Verder stelt u: er is materie en gebruikt u deze als een tegenstelling tot de energie waarover ik sprak. Maar wat is materie wanneer wij haar geheel ontleden? Een groot deel ervan is energie. Of er nog iets overblijft, wat dan de werkelijke materie zou kunnen zijn, weet men op aarde niet. Wel weet men dat het merendeel van hetgeen men materie noemt, bestaat uit krachtvelden die de samenhangen bepalen van zeer kleine deeltjes, waarbij men steeds weer een deel als kleinste bouwsteen meent aan te mogen spreken, om kort daarop weer vast te stellen dat deze op zijn beurt weer uit nog kleinere delen bestaat. Zelfs voor u zal het dus niet geheel ondenkbaar zijn dat er een ogenblik komt waarbij geen “bouwstenen” maar alleen nog concentraties van energie aanwezig blijken te zijn. Dit zou dan stroken met hetgeen ik steeds weer stel: in wezen is de materie niets anders dan in zich gebonden energie.
E = MC2!
In dit verband niet juist gebruikt. Het betekent wel dat toename van snelheid toename van massa betekent enzovoort. Maar kan zeker in mijn ogen niet gebruikt worden om te bewijzen dat massa en beweging in ruimte precies hetzelfde zijn. Maar laat ons niet te veel over Einstein spreken. Het zou voor velen alleen maar verwarrend zijn wanneer wij daarop verder zouden gaan. Het lijkt mij beter alles zo eenvoudig mogelijk te zeggen. Het klinkt wel niet zo mooi en lijkt misschien niet zo wetenschappelijk, maar het blijft in ieder geval voor eenieder nog begrijpelijk. En dat is ook iets waard. Laat ons liever volstaan met een: wanneer wij op aarde leven, is de oerenergie voor ons alleen kenbaar middels het medium materie, terwijl in bepaalde sferen de kenbaarheid weer een ander frequentiebereik omvat. Het verschijnsel ontstaat voor ons eerst op het ogenblik dat kracht zich manifesteert binnen het voor ons waarneembare of controleerbare deel van de scala van de verschijnselen.
Is er een geleidelijke overgang tussen bijvoorbeeld de astrale sfeer die u noemde en onze wereld?
In feite is er een geleidelijke overgang waarbij een deel van de kenbare verschijnselen in beide werelden elkaar overlapt. Wij leggen hierop echter nooit de nadruk, omdat een geleidelijke verandering of overgang voor de mens nooit zo kenbaar is als een sprongsgewijze overgang. Wij zien hetzelfde op aarde bij mutaties: de mens ziet een sprongmutatie, omdat de tussenliggende ontwikkelingen te geleidelijk waren of zich aan het waarnemingsvermogen van de mens onttrokken. Toch dienen voor het tot stand komen van een sprongmutatie reeds vooraf genetische veranderingen aanwezig moeten zijn geweest. Anders gezegd: Door een overdracht van niet gecontroleerde eigenschappen, is de plotselinge verandering van uiterlijkheden tot stand gekomen. Zo zou ik willen stellen: Ook wanneer u op aarde leeft, hebt u een astraal voertuig. Materie en astrale sfeer zijn dus voor u met elkaar vervlochten. Het astrale voertuig kan daarbij in meerdere of mindere mate tijdelijk van het stoffelijke voertuig loskomen en zal in die toestand actief kunnen zijn, zowel in uw eigen wereld als in de astrale sfeer. Toch blijft het met uw stoffelijk voertuig verbonden.
Indien wij spreken over astrale schillen, spreken wij niet over astrale delen van bijvoorbeeld een mens, maar over in de astrale sfeer ontstane beelden die het gevolg zijn van denkbeelden die de mens buiten zich projecteert. Er wordt dan een soort namaakfiguur buiten het Ik geconstrueerd met de krachten die in het Ik schuilen. Blijft een dergelijke structuur lang genoeg bestaan en wordt zij regelmatig gevoed door gedachten, dan krijgt zij een soort eigen karakter en zelfs een soort handelingsvrijheid waarbij wezen en structuur, zowel als reactie, bepaald worden door datgene wat men al projecterende in de figuur heeft ingelegd. Treedt een dergelijke figuur op naar uw wereld, dan is de kans echter zeer groot dat er verschijnselen ontstaan die ook op uw wereld kenbaar, voelbaar, beleefbaar zijn.
Maar hoe werkt zo een schil dan? Dat is eigenlijk weer het golemprincipe.
Denk aan een klein vliegtuigje dat door de lucht zweeft, zo klein dat er niets of niemand levend in kan zitten, maar toch allerhande maneuvers uitvoert en uiteindelijk zelfs perfect landt, zonder dat het met draden wordt bestuurd of zo. U weet dan wel dat het op afstand bestuurd wordt door iemand die de juiste signalen middels een klein zendertje uitzendt. De astrale schil wordt tot stand gebracht door een zo sterke gedachte of reeks van gedachten, dat hierdoor een soort semi-materiële vorm tot stand wordt gebracht die overeenstemt met de vormwaarden in het gedachteveld. Hoe wordt zij “bestuurd”? Door bewuste of onbewuste impulsen van degenen die de schijnvorm in stand houden. Het antwoord is dus nogal eenvoudig.
Dat is dan een vorm van scheppen met gedachtekracht?
Maar de gedachte schept toch altijd? Ook wanneer je het op aarde doet. Wanneer een kunstenaar schept, is dit niet alleen maar een kwestie van techniek. Hij moet eerst het gedachtebeeld in zich construeren en dan blijkt dat dit beeld hem zelfs zo sterk kan gaan domineren – meestal door bijkomende gevoelsassociaties – dat de kunstenaar zich zelfs gedreven voelt om het gedachtebeeld met de techniek en middelen van zijn eigen wereld weer te gaan geven. De schepping is in dit geval dus ook in de eerste plaats de gedachte, meestal onvolkomen uitgedrukt met de middelen die de kunstenaar daartoe hanteert. Als u denkt, voegt u verschillende voor u reeds bestaande waarden samen. Maar er komt een ogenblik dat u het bekende samenvoegt tot een realisatie, die tot op dat ogenblik voor u niet bestond. Ook dit is een vorm van scheppen.
En indien wij denken aan de woorden: En god schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis, zo meen ik dat dit niet op uiterlijkheden kan slaan, maar dat de gelijkenis juist in het scheppende proces van denken tot uiting komt.
Is hierbij de erkenning niet de hoofdzaak?
Volgens mij niet zonder meer, omdat iets voor de mens pas werkelijkheid wordt wanneer hij zijn erkenning in een uiting heeft omgezet.
En nu moeten wij langzaam naar een einde toe gaan werken. In mijn inleiding heb ik getracht om duidelijk te maken hoe belangrijk voor de betekenis en ons begrip van de legende van de golem het decor is, hoezeer de omgeving medebepalend is voor de betekenis van het geheel. Iets dergelijks zouden wij eveneens moeten stellen ten aanzien van anderen, bijvoorbeeld Jezus. De belangrijkheid van Jezus, de zin van de evangeliën, is in de eerste plaats gelegen in datgene wat Jezus in zijn eigen tijd betekende en bedoelde met bepaalde uitspraken. Dus niet in hetgeen men in uw dagen daarbij meent te mogen veronderstellen of verkondigen.
Ik geloof dat je een vervalsing van waarden en betekenissen krijgt, wanneer je het verhaal van de golem om tracht te zetten in deze moderne tijd. Het verliest zijn werkelijke betekenis en wordt tot iets geheel anders. In het christendom geldt volgens mij hetzelfde: Je kunt de leer en het leven van Jezus – zover bekend – bezien en daaruit je conclusies trekken. Maar dit brengt je vaak niet veel nader tot Jezus’ bedoelingen en werking in zijn eigen tijd, zodat u daardoor ook niet zonder meer zult kunnen komen tot een volgens Jezus’ leer juiste levenshouding in uw dagen.
Wij zouden ons bezig kunnen houden met de magische aspecten, en opmerken dat Jezus in feite ook een magiër was, of in kunnen gaan op de sociale en politieke achtergronden die zeker ook een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de legende van de golem. Maar komen wij daarmede veel verder? Ik geloof dat dit alleen het geval zal zijn wanneer wij afstand durven nemen van de golem, zowel als van Jezus als emotioneel belangrijke dingen. Wij zullen de betekenissen pas werkelijk beseffen en beleven wanneer wij de moed hebben dergelijke dingen als nuchtere wezens te bezien. Eerst wanneer we de betekenis van dergelijke dingen voor jezelf, voor anderen in de tijd waarin de legende tot stand kwam of de persoon leefde, bezien hebben en alles hebben overgebracht in voor ons passende termen binnen de eigen tijd, zullen wij de betekenis niet alleen kennen, maar ook de consequentie van erkenning en aanvaarding voor onszelf kunnen beseffen.
Ik meen dat het merendeel van menselijk geloof trouwens mede berust op zelfmisleiding, daar men bewust of onbewust weigert na te gaan of te beseffen dat mogelijk een deel van dat geloof niet geheel juist is. Zoals een vriend van mij stelde: de mensen zijn vreemde wezens die het hardste vechten om punten, die zij niet kunnen bewijzen, door anderen aanvaard te krijgen. Ik meen dat dit geheel juist is en voor het merendeel van geloof zowel als voor wonderverhalen aansprakelijk kan worden gesteld. Samenvattende zeg ik: In de mens is een kracht die hij nog niet beseft. Zeker is dat deze kracht tot uiting komt. Op de kenbare verschijnselen en onze gevoelens daaromtrent zullen wij ons in het heden moeten baseren.
