2 mei 1969
Zoals u waarschijnlijk allen reeds weet, wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denkt dus zelf na. Vandaag kunt u zelf de onderwerpen bepalen.
De kern van het leven
Vrienden, de kern van het leven is iets waarover je natuurlijk heel wat kunt debatteren. De kern van het leven kun je zoeken in een rangschikking van moleculen, zeggende, dat daaruit celeigenschappen bepaald worden en beperkte celreacties ten aanzien van de omgeving mogelijk worden. Het gevolg is het scheppen van een intern leefklimaat in de cel, voerende tot mogelijkheden als celdeling etc. Je kunt dit uitwerken en hebt dan inderdaad ergens iets gezegd over de kern van het leven.
Je kunt echter ook van een geheel andere zijde alles bezien en stellen. Er is ergens een oerkracht. In deze kracht ontstaat nu op de een of andere wijze een soort werveling, althans iets, wat zich onderscheidt van het eigen potentiaal en de eigenschappen van het omringende gebied, ofschoon het daaruit voortkomt. Je redeneert dan verder, dat deze verwerveling, eenmaal afgescheiden van het geheel, eigen reacties toont op het gebeuren rond dit Ik. Men noemt dit dan ziel en duidt dit aan als de kern van het leven.
Het is dus nogal moeilijk zinnig iets over een dergelijk onderwerp te zeggen, tenzij je eerst je punt van uitgang stipuleert. Ik voor mij meen dat over de kern in meer materiële zin reeds zeer veel is gepubliceerd, terwijl in de laatste tijd heel wat belangrijke ontdekkingen op dit gebied werden gedaan en gepubliceerd. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan proeven met bestraling van zgn. oerzeeoplossingen, waarin meer zouten en vooral ammoniak houdende zouten aanwezig zijn, waarin men op deze wijze half-eiwitten en zelfs reeds zeer primitieve cellen wist te scheppen. U kunt daarvan voldoende kennis nemen.
Over de kern van het leven, bezien vanuit het goddelijke, waarbij de ziel wordt gezien als een tijdelijke afscheiding van de totaliteit, bestaat heel wat minder lectuur, zeker wanneer wij zoeken naar lectuur die dit probleem meer logisch wil benaderen. Wanneer het gaat om God als de kern van het leven, ziet men eenieder onmiddellijk in het geweer komen met eigen lieveling stellingen, die dan vaak weer gebaseerd zijn op een zeer persoonlijke en emotionele benadering vanuit een bepaald godsdienstig systeem, waarbij de persoonlijke beleving van God zelfs nog buiten beschouwing blijft. Ik hoop dat u met mij eens zult zijn, dat dus voor heden een belichting vanuit de logische benadering van het probleem de meest interessante zou kunnen zijn. Om het niet al te lang te maken, zal ik een paar eenvoudige punten stellen.
- Om te kunnen spreken van leven moeten wij zien: een afgegrensd wezen of gebied, dat zich ten aanzien van de omgeving gedraagt als een afzonderlijke eenheid en reageert op waarden die buiten de eigen inhoud elders aanwezig zijn. Kortom: begrenzing ten aanzien van de omgeving en reactiemogelijkheid ten aanzien van de omgeving. Wanneer wij dit als norm aannemen, dan zijn wij zeker nog niet aan een meer menselijk leven toe. Maar wij kunnen dan aannemen, dat God of de Eerste Oorzaak ergens aanwezig is in of bij bijvoorbeeld de eerste explosie van het Al.
Nu weet ik wel, dat deze altijd wel wordt voorgesteld als iets wat voor alle materie absoluut oorzakelijk is. Men vergeet daarbij dat er vóór de explosie reeds aanwezig moet zijn geweest: a. kracht of primaire materie en b. ruimte.
Ruimte lijkt wel niets te zijn, maar toch is zij iets, tenzij wij aannemen dat ruimte eenvoudig alles vult, en zelfs dan moet er nog iets aanwezig zijn, waardoor die ruimte als zodanig bestaan kan. De ervaring leert dat ruimte in zich het beste als een evenwicht van spanningen en velden kan worden beschouwd. Men kan van de eerste ruimte dan desnoods nog stellen dat zij niet dimensionaal, dus in afmetingen constateerbaar of kenbaar is geweest. Zij kan alles omvat hebben wat er aan denkbare dimensies ooit bestaan zal of bestaan heeft.
Dan zal men verder moeten veronderstellen dat op het ogenblik van de explosie, waaruit sterrennevels enz. geboren werden, een scheiding is gekomen tussen verschillende niveaus van bestaan, zodat differente veldverhoudingen die elkander niet meer onmiddellijk aanvullen of in elkander overgaan, en daarbij tevens veldreacties en dergelijke optreden die de nu bekende dimensies veroorzaken. Ik stel daarom: Het wezen dat ontstaan is, kan ontstaan zijn bij de oerexplosie of elders. In ieder geval moeten wij aannemen dat het in eerste aanleg en vorm energie was, waarvan wij de eigen geaardheid en trilling echter niet zonder meer kunnen veronderstellen of zelfs constateren.
- In de tweede plaats stellen wij dan dat de trilling van een eerste leven zodanig beperkt en eigen was, dat hierdoor deze kracht ten aanzien van de omgeving een afzonderlijk geheel ging vormen. Wij stellen dan dat, zodra een veld in zichzelf begrensd is zonder dat daarin verder ook maar iets plaatsvindt, het niet op de buitenwereld zal kunnen reageren. Nemen wij echter aan dat door de begrenzing een mogelijkheid tot een soort inductie bestaat, dan kan men redeneren: wij hebben nog steeds te maken met kracht, nu in begrensde en bepaalde vorm. Die kracht kan door inductie interne verstoringen ondergaan. De interne verstoringen zullen wel eens bepalend kunnen zijn – zij het in het begin automatisch – voor alle reacties op hetgeen buiten de begrenzing ligt.
Het lijkt mij zonder meer aanvaardbaar te stellen: het eerste wat wij vinden bij ons zoeken naar de kern van het leven is: kracht. Wij noemen deze bij gebrek aan betere mogelijkheden tot kennen en omschrijven dan maar goddelijke kracht, die echter ten aanzien van de rest van de goddelijke kracht op enigerlei wijze begrensd werd. De begrensde kracht reageert op de omgeving en zal daarbij zich aan de omgeving aan moeten passen, wil zij zichzelf blijven, dus als begrensde eenheid blijven bestaan. Zelfbehoud lijkt mij een van de eerste voorwaarden voor leven, maar wij treffen deze eigenschap ook aan bij elektrische en magnetische velden enz. Of dit zelfbehoud moet worden aangesproken als een materieel ingeschapen eigenschap, een eigenschap die grondwaarde is van alles, of een meer psychische kwestie, ja, zelfs alleen een door de aard van ‘het zijn’ bepaald traagheidsverschijnsel, doet verder voor ons op het ogenblik niet ter zake, zolang het verschijnsel ‘zelfbehoud’ maar aanwezig is.
Ik stel dan: waar aanpassing plaatsvindt door bewuste of onbewuste reactie op de omgeving, zal een scala van vaste reacties ontstaan die een gedragspatroon zijn met karakteristieke waarden. Hierdoor zal zich een persoonlijkheid of iets, wat daarmee veel gemeen heeft, zich kunnen vormen.
Acht men het voorgaande redelijk aanvaardbaar, dan kan men verder redeneren: in het oer-Al zijn de omstandigheden niet zo sterk verschillend geweest. Kleine verschillen zijn daarom van groot belang geweest voor het vormen van de reactie normen van de begrensde gebieden of persoonlijkheden – ik zal deze laatste naam verder gebruiken. Deze kregen een gedragspatroon dat in het begin ontstond door zeer kleine variaties in de omgeving. Bij het steeds heviger worden van de verschillen en tegenstellingen in die omgeving, zal dit eerste gedragspatroon de verdere reacties en de ontwikkeling van aanpassingsvermogen dus bepaald hebben.
Afzonderlijke delen van de totale kracht stonden steeds meer voor de keuze zich weer geheel of ten dele in de oerkracht op te lossen – daarbij mogelijk functionerende in een deel van de dimensionale mogelijkheid – of zich steeds sterker te begrenzen ten aanzien van de omgeving, en deze begrenzing door reacties en hergroeperingen van de eigen kracht binnen eigen begrenzing op te voeren en in stand te houden.
Ik hoop, dat dit alles voor u aanvaardbaar is. Het is en blijft natuurlijk theorie en is onbewijsbaar. Dat weet u zo goed als ik. Maar deze theorie heeft bepaalde voordelen, daar zij ons confronteert met een wezen dat niet noodzakelijk materieel is in de zin waarin dat woord meestal wordt gebruikt, terwijl dit wezen een zeker bewustzijn bezit. Weliswaar hebben wij nog niet gevonden wat denken genoemd kan worden en spreken wij voorlopig alleen over automatische reacties, die uit het bestaan zelf voort schijnen te komen, maar er is een mogelijkheid in het wezen dat wij als kern beschouwen om tot bewustzijn te komen, als gevolg van een steeds groter wordende noodzaak tot aanpassing.
Ik stel: wanneer de noodzaak tot aanpassing een zo grote hoeveelheid van mogelijkheden en variaties gaat omvatten, dat een meer bewust reageren en kiezen in het milieu onvermijdelijk wordt, zal een soort primitief denken kunnen ontstaan. Dit denken zal dan langzaam maar zeker verschil leren maken tussen alles wat wel ‘ik’ en wat niet ‘ik’ is, terwijl daarnaast geleerd zal worden verschil te maken tussen goed en kwaad – dit in relatie tot het eigen ik en het bestaan van eigen ik. Het is denkbaar dat een dergelijk nog steeds zeer primitief bewustzijn hierdoor voorkeur zal gaan tonen voor bepaalde omstandigheden. Wij moeten dan wel aannemen dat een dergelijke primitieve vorm van bewustzijn door de noodzaak tot zelfbehoud, gedreven wordt tot het zoeken van voor het ik steeds meer gunstige – of in meer esoterische termen steeds meer harmonische – mogelijkheden in het leefklimaat.
Wij moeten aannemen dat de omstandigheden na de oerexplosie in verschillende delen van de ruimte steeds meer verschillen zullen gaan tonen. Het is dus denkbaar dat een trekken ontstaat van de primitieve entiteiten naar die delen van de ruimte, waarin voor hen de minste gevaren bestaan en daarmede dus de grootste mogelijkheid tot “aangenaam” leven aanwezig is. Dit heeft natuurlijk maar heel weinig te maken met het zieltje, dat gemaakt, opeens geboren wordt, om dan op vleugeltjes naar beneden te wieken, om een braaf kindje, of een ondeugend mannetje of vrouwtje te worden in een stoffelijk voertuig. Maar waarom moeten wij maar aannemen dat de kern van het leven, mits deze van God afkomstig is, aan andere wetten zal gehoorzamen dan aan de wetten van het leven die wij ook in de materie kunnen zien? Ik meen te mogen zeggen: God heeft maar een paar wetten gesteld, maar deze wetten kan men niet overtreden. Dat zijn de grondregels waaraan alle leven zich zal moeten houden, omdat deze wetten in feite de grondwaarden, de basis vormen van al het bestaande.
Nu kan de mens 10.000.000 wetten opstellen en allerhande veronderstellingen uiten. Maar deze regels van God zullen altijd en overal van kracht blijven, ook wanneer menselijke wetten en formuleringen steeds weer veranderen. Indien ik zie dat bij het ontstaan van meer materieel leven bepaalde wetten schijnen te heersen, zodat bepaalde ontwikkelingen onvermijdelijk schijnen op te treden, zo lijkt het mij toegelaten te veronderstellen dat ook bij het vormen van een geestelijk Ik, een niet stoffelijk ego, een dergelijk proces zich zal hebben voltrokken. Dan is hetgeen ik u omschreven heb zeker een kwestie van de ziel, of ziel en geest, maar toont inderdaad een parallel met alle andere ontwikkelingen van leven die wij kunnen constateren.
Dan moet ik verder zeggen: Op het ogenblik dat een gebondenheid, vooral een selectieve gebondenheid ten aanzien van het milieu ontstaat, zal ook een keuze voor delen van het milieu en zekerheden in dit milieu plaatsvinden. Wij zullen een identificatie van eigen veiligheid, voeding, bestaan – of hoe u het noemen wilt – zien met omstandigheden en verschijnselen die in het Al optreden. Wij zien een dergelijk verschijnsel bij eenvoudige levensvormen, zodat wij op grond van het voorgaande wel mogen aannemen dat ook een ziel op soortgelijke wijze zal reageren.
Nu mag u zeggen dat dit de Goddelijke wil is.
Ik voor mij meen eerder te mogen stellen dat dit een in het Al ingeschapen regel is. Maar, naar ik meen, is het ook voor u wel aanvaardbaar dat de ontwikkeling zich ongeveer zo heeft voltrokken.
Dit maakt het ons mogelijk nog iets verder te gaan en te stellen: Op het ogenblik dat het zelfbehoud – de mogelijkheid dus tot harmonisch leven en bestaan – zonder een aanvullend omhulsel niet meer mogelijk is, zal een dergelijke ziel of geest zich kunnen terugtrekken in een omhulsel van lagere orde of structuur – grotere dichtheid bijvoorbeeld – waar tijdelijk de bescherming tegen invloeden in de omgeving die men zonder meer niet kan verdragen, iets groter zal zijn. Dit is dan een omschrijving van het proces dat men onder meer incarnatie noemt, ofschoon zich dit in het begin wel zal hebben afgespeeld ten aanzien van stoffelijk nog zeer vluchtige vormen. Wij kunnen ons voorstellen dat dit zoeken naar bescherming in het begin niets meer is geweest dan een zich terugtrekken in een of andere gasnevel, een zich verschansen tegen minder aantrekkelijke geestelijke waarden, of energieverhoudingen in het Al, door zich tijdelijk te gedragen als deel van bijvoorbeeld een stoffelijke massa als stollend basalt of zoiets.
Daar is het dus een zoeken naar een zekerheid, een verankeren van eigen ik tegen de stromingen van energie in het Al. Wij hoeven dus zeker in het begin niet te denken aan een belichaming in de meer menselijke zin van het woord. Volgens mij heeft het zich verbergen door eigen energie te doen ingaan in grovere energiepatronen als die van materie wel degelijk zijn nut. Een dergelijke zekerheid zal echter op het levenspatroon een grote invloed uit gaan oefenen. Wij kunnen hier vergelijkenderwijze denken aan de inktvis, die zich tracht te beveiligen door onder stenen of in een hol zich te verbergen. Dit dier heeft de neiging vanuit deze plaats, waar het zich verankerd en beschermd kan voelen, naar buiten te schieten om zich een prooi te veroveren, om dan weer naar de veilige rustplaats terug te keren. Ik stel mij voor dat de eerste zielen zo in een betrekkelijk chaotisch materieel geheel, waarin vele vormen van energie onverwacht op konden treden, eveneens zochten naar iets, wat hen zekerheid kon geven tegen dat deel van die energieën dat voor hen gevaarlijk of tot en met onaangenaam was.
De omstandigheden echter bleven in betrekkelijk snel tempo veranderen. Het is daarom aanvaardbaar dat niet alleen een levensgewoonte ontstond, die het ik meer zekerheid gaf, maar dat daarnaast steeds meer besef omtrent de omgeving en de mogelijkheden daarvan ontstonden. Het gedrag was dan ook volgens mij op een zeker ogenblik niet meer als zuiver instinctief te beschouwen, daar van bewuste keuze kan worden gesproken. Het was volgens mij, vooral dit meer bewust kennen en kiezen, dat het de ziel – als bepaalde minder eenvoudige dieren – mogelijk maakte, waar de omstandigheden voor eigen behoud of zelfs voeding gunstig waren, actief op te treden.
Van hieruit lijkt mij de stap naar het bezielen van een groter of kleiner aantal cellen, die immers een zelf van de omgeving afgesloten geheel vormen, niet zo groot meer. Mij dunkt dat het zich bergen in cellen, de mogelijkheid schept tot materiële aanpassing en reactie. Wij moeten hierbij niet vergeten dat de ingewikkelde moleculen en ketenen van moleculen die in de celkernen voorkomen, eveneens een reeks van velden en spanningen, zij het zeer klein, omvat. Het is dan ook zeer wel denkbaar dat een bepaalde entiteit die uit zuiver kracht bestaat, op een gegeven ogenblik ontdekt: in de kern van de cel bestaan krachten waarmee ik mijn wezen op harmonische wijze kan verbinden, ja, tijdelijk zelfs geheel kan verenigen.
Hiermede komen wij dan tot een bezield stoffelijk leven op aarde. Dit is de kern en die kern zal volgens mij in het begin genoeg hebben gehad aan een zeer eenvoudige schuilplaats. Naarmate echter de verschillen in het milieu en de gevoeligheden en mogelijkheden van de geest groter worden, waren de gevaren eveneens groter. Dit zal hebben gevoerd tot het zoeken van een steeds complexere zekerheid. Ik meen dat wij die kunnen vinden in een zich één gaan voelen met koloniën van cellen of zelfs koloniën van wezens. Ik kan mij zeer wel voorstellen dat een entiteit tegen invloeden van buitenaf bescherming zoekt, door zich te vereenzelvigen met bijvoorbeeld een kolonie van poliepen die elk voor zich wel een afzonderlijk levensverschijnsel in de stof zijn, maar toch zozeer als eenheid tegenover de buitenwereld optreden, dat zij als een eenheid beschouwd kunnen worden. De geest zal dan reageren: voor mij is dit een geheel, omdat een harmonie in leven en levenservaring van de eenheden bestaat, terwijl sprake is van een gelijke waarneming van en reactie op alles wat van buitenaf komt. Van hieruit zal men komen tot meer gespecialiseerde organismen met steeds meer mogelijkheden. Wij denken dan aan planten, dieren en op de duur aan mensen.
De eerste vereenzelviging zal waarschijnlijk hebben plaatsgevonden met dieren: de geest is in zich een bewegelijk wezen te midden van een beweeglijk milieu. Ik neem niet aan dat zij er snel toe zal komen zich meer blijvend te verankeren in materie die weinig of geen beweging meer kent. De eerste vormen op aarde kunnen wij, naar ik meen, als dieren aanspreken. Hierbij hebben wij te maken met mineraaleters en jagers die zich met de mineraaleters voeden. De eerste ontwikkelen zich tot meercellige groepen die een meer statisch bestaan voeren: zij worden de planten die steeds meer deel gaan uitmaken van het bestaan van de aarde, terwijl de andere levensvormen steeds meer gaan jagen en zelfstandig bewegende eenheden blijven in het milieu, waarbij dit milieu niet zonder meer en in alle opzichten voor de mogelijkheden van dergelijke eenheden bepalend is. Dit lijkt mij voor de meer bewuste vormen van geest een juistere mogelijkheid.
Je bent als ziel of geest een van de omgeving afgesloten vorm van energie met bepaalde eigenschappen. De mogelijkheid je in het milieu te bewegen, schept het vermogen alle minder prettige of minder gunstige invloeden uit het milieu te ontwijken, terwijl je aan de andere kant op betrekkelijk eenvoudige wijze van de omstandigheden gebruik kunt maken, om eigen zekerheid, en later het vinden van ervaringen die begrijpelijk zijn, te verzekeren. Ik meen dat dit gebruik maken van de omstandigheden kenmerkend is voor alle levensvormen op aarde en hun eerdere ontwikkeling. Zelfs bij het ontwikkelen van een soort mensachtig ras zien wij enerzijds een voortdurend verder gaande aanpassing aan het milieu, maar aan de andere kant een steeds sterkere poging tot beheersing van het milieu. Zo kom ik dan tot een kern van leven die vergelijkbaar is in zekere zin met het zich stoffelijk ontwikkelend leven. Ofschoon het – en dat mogen wij zeker niet vergeten – niet materieel definieerbaar is, daar het nu eenmaal een vorm van energie blijft. Het meten en berekenen van deze energie schijnt op aarde nog onmogelijk of zeer moeilijk te zijn.
Ik moet nog wat verder gaan. De levenskern in de materie is voor eenieder die in de materie leeft, moeilijk van de materie te scheiden. Maar wanneer ik nu naar een geestelijke wereld ga, kan ik misschien nog iets meer zien omtrent de mogelijke waarden van de levenskern. Ik ontdek nu in de sferen het volgende: zolang ik mij beperk tot mijn persoonlijke inhoud en eigenschappen, moet ik als geest alle grote invloeden van buitenaf afwijzen. Ik kan dus mijzelf blijven – men noemt dit: in ’t duister leven – maar ben daarbij dan ook alleen op mijzelf aangewezen. Daar staat tegenover dat, zodra ik als energievorm contact op ga nemen met andere energievormen – zielen – ik middels inductie een steeds grotere eenheid met de anderen bereik. Dit gaat zo ver, dat ik op de duur een deel van mijn eigen begrensdheid prijs moet geven. Het is als het ware of ik als oorspronkelijk eencellig wezen nu deel word van een meercellig wezen, waarbij de scheiding van die cellen niet meer geheel volledig schijnt te zijn en ik mij dus in een organisme in moet gaan passen. Dit sluit geheel aan bij het leven in een lichtere sfeer, waarbij naarmate de voorstellingen van het Ik minder concreet worden – meer abstracte, niet vormbepaalde waarden krijgen – ook de begrenzingen tussen entiteiten minder sterk kenbaar zijn.
Ik zou dan ook zeggen: Een vermenging van de potentiaalwaardeverschillen – op welke krachten die dan ook duiden – binnen een ego en een ander ego, kan voeren tot het vormen van een gezamenlijke begrenzing tegenover de buitenwereld. Redeneer ik zo, dan moet ik ook stellen dat er een punt komt, waarop de totale energie die zich eens in zijn delen ‘ik’ heeft genoemd, een gezamenlijke grens tegenover de buitenwereld zal verkrijgen en niet meer elk individu als ‘ik’ aanspreekbaar laat, in de zin waarin men dit woord op aarde gebruikt: namelijk afzonderlijk wezen, zelf reagerend en denkend. Wat ontstaat, is een soort geestelijk simulacrum van een organisme, waarvan ik mij voor kan stellen dat het op de duur ook wel zijn eigen grenzen zal verliezen.
Ik weet niet of dit gebeurt. De versmelting – tijdelijk of blijvend – van een aantal entiteiten, kennen wij in de geest. Of dit blijvend mogelijk is en verder gaat dan de eigen bewustzijnsgraden, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Maar het lijkt mij redelijk aan te nemen dat de mogelijkheid bestaat.
Dan zou ik nu willen stellen: het geheel van de verschijnselen, geestelijk en anderszins, ontstaat door een verstoring van evenwicht in de op zich evenwichtige kracht of ruimte, die in den beginne is. Doordat alle delen in zichzelf een zekere evenwichtigheid gewinnen en in samenwerking met andere herstellen, zal een steeds grotere hoeveelheid van evenwichtige energie ontstaan die dus niet meer naar buiten toe als verschijnsel kenbaar wordt. Zo verenigt zich waarschijnlijk op de duur alles weer, tot het Al een soort stasis bereikt, waarbij naar buiten toe geen veranderingen meer ontstaan en het geheel – ongeacht de inhouden – door gebrek aan verschijnselen zonder meer als ‘ruimte’ zal kunnen worden aangesproken. Dit duurt tot het moment waar, op welke wijze dan ook en waar dan ook, het evenwicht wordt verstoord, waarop het proces opnieuw begint.
Dit lijkt mij een aardige technische uiteenzetting die slaat op de dagen en nachten van Brahman. Gelijktijdig lijkt mij dit alles een verklaring van het scheppingsverhaal. Wanneer je hoort over wezens die bestonden voor de mens als engelen en duivelen, tracht men als mens natuurlijk daarvan een soort menselijke wezens te maken. Dit brengt ons vele moeilijkheden. Zo is het niet goed mogelijk een antwoord te vinden op de vraag, waarom bijvoorbeeld Lucifer door zijn val opeens anders geworden zou zijn. Nu wordt het echter begrijpelijk: engelen zijn entiteiten die een zekere eigen inhoud hebben, maar geen algehele begrenzing ten aanzien van de totale energie bezitten waarin zij bestaan, zodat zij afhankelijk blijven van dit geheel, variabel zijn in vorm en mogelijkheid, maar geen eigen vorm blijvend schijnen te bezitten. De duivels zijn dan degenen die door een groter zelfbehoud zich voor de buiten hen bestaande energieën geheel afsloten. Het spijt mij overigens u mede te moeten delen, dat volgens deze redenering de meeste mensen van duivelen af moeten stammen, althans wat de kern van hun leven betreft.
Met dit betoog hoop ik duidelijk gemaakt te hebben: Wij kunnen de kern van het leven overal zoeken waar wij willen, daar het ons onmogelijk is een punt aan te wijzen waarvan wij met zekerheid kunnen zeggen: Dit is het werkelijke begin. Wij kunnen het begin, dat er volgens ons geweest moet zijn, wel vaag aanduiden, maar wij weten niet wat het betekent en wat het is. Wij kunnen ten hoogste stellen in ons geval: er is energie, er was energie. Maar waar die vandaan is gekomen, weet ik niet. Deze energie schept ons totaal aan mogelijkheden. Die mogelijkheden kunnen het aanzijn (leven, bestaan, red.) geven aan persoonlijkheden. Deze persoonlijkheden blijken bij een verdere gang van zaken zich weer langzaamaan tot grotere persoonlijkheden te verenigen die zich mogelijk ook weer in het grotere op kunnen lossen, tot alles weer deel is geworden van de totale energie.
Heeft dit alles iets te maken met God, of met een goddelijk plan? Het is natuurlijk prettig dit aan te nemen, maar bewijzen kun je het niet. Het enige wat wij kunnen zeggen is: dat het geheel van deze reacties in de grondwaarden, de grondeigenschappen van de eerste potentiële – dus niet manifeste – energie moet liggen, die er moet zijn geweest voordat de eerste verschijnselen optraden, de potentiële energie die wij nu maar ‘de ruimte’ hebben genoemd, maar die je evengoed God zou kunnen noemen.
Als je de kern van het leven zo beschouwt, moet je je als mens of geest mede afvragen: wat betekent dit voor mij? Ik meen deze betekenis in enkele punten op te kunnen sommen:
- Ik word beheerst door mijn behoefte tot zelfbehoud. Ik zal dus trachten zoveel mogelijk mijzelf gelijk te blijven.
- Mijn contact met de omgeving – zover ik dit niet afwijs – zal mij er toe brengen mijzelf en de inhoud van mijn wezen voortdurend te veranderen.
- Daar alleen deze verandering voor mij een continu besef van leven mogelijk maakt – anders bereik ik stasis, waarin besef geen betekenis meer heeft – moet ik in de eerste plaats verandering zien als het kerndoel van mijn bestaan. Dat deze verandering uiteindelijk eveneens uit zal kunnen lopen op een vorm van stasis is wel aanvaardbaar, maar op het ogenblik voor mij van geen belang, daar ik mijzelf slechts handhaven kan, bewust blijvende van mijzelf, door voortdurend te veranderen en in die verandering een voortdurend groter besef van – en deelgenootschap aan – de wereld rond mij te bereiken.
Ik zeg dan verder: de kern van het leven is voor mij een Kracht die ik wel een naam kan geven, maar die ik verder niet kan omschrijven of erkennen. De kern van het leven wordt voor mij uitgedrukt door de beleving – registratie van mogelijkheden en voortdurende aanpassing – waaruit ik op de duur een bewustwording bereik, een toestand waarbij ik niet meer alleen op mijzelf sta, maar in deelgenootschap met grotere delen van diezelfde Kracht voortbesta.
Naar ik meen, is dit voldoende voor dit onderwerpje. Als u vragen hebt kunt u die nu dus rustig afvuren.
Vragen
In het begin stelde u dat de ontstane afzonderlijkheid op de omgeving reageert. Dan moet het pluriform zijn.
In de zin dat naast het ik het niet-ik bestaat. Door de begrenzing alleen is een verschil aanwezig en reactie mogelijk. Breng in een tobbe water een druppel water, waarin een oplossing van een stof. De druppel zal zich weer vermengen met het geheel natuurlijk. Maar gedurende de tijd die nodig is om de begrenzing tussen de massa van het water en de druppel op te lossen, gedraagt deze zich als een afzonderlijke eenheid. Toch is de substantie hetzelfde, zelfs indien misschien in de druppel bepaalde bestanddelen sterker aanwezig zijn dan in het geheel waarin zij echter eveneens voor komen.
Ik geloof dat je zou moeten zeggen: Eén Ik is reeds voldoende. Daaruit zouden misschien andere Ik-heden voort kunnen komen, in een sequentie bijvoorbeeld, maar de meest waarschijnlijke theorie lijkt mij wel die, welke stelt dat alle ego’s gelijktijdig zijn ontstaan. Men stelt dan dat al deze ego’s zich in een milieu bevonden, waarin andere ego’s en waarden actief waren, maar dat niet al die Ik-heden op gelijke wijze en in een gelijke tijdschaal de mogelijkheid tot besef en ervaring vonden. In het geheel blijven de mogelijkheden gelijk en zal voor alle Ik-heden de eindvorm de gelijke zijn, maar wij zouden dus, gezien vanuit tijd en ruimte, daarin verschillende reeksen van ontwikkelingen kunnen aantreffen en waarschijnlijk zelfs door onevenwichtigheden die wij zelf ook rond ons zien, kunnen besluiten dat gelijktijdig Ik-heden met geheel verschillende inhouden en potenties kunnen bestaan. Hierdoor zou natuurlijk de reactie op omstandigheden een andere zijn en zou ook de keuze van voertuig beïnvloed kunnen worden.
Kan ik aannemen dat het verschijnsel ‘leven’ een voortdurende verandering inhoudt?
Ja. U kunt zelf nog verder gaan en zeggen dat leven, zover het bewustzijn inhoudt, niet anders kan bestaan dan door middel van voortdurende verandering. Want waar de verandering ophoudt, houdt de ervaring op en daarmede al heel snel ook het bewustzijn.
Zijn er geen oudere, hogere entiteiten?
Wij kunnen aannemen dat gezien een verschil in tijd bij de ontwikkeling, sommige entiteiten reeds de trappen van besef hebben afgelegd die wij nog moeten betreden. Maar de vraag is, of zij ons kunnen voorlichten over alles wat er in ’t begin is gebeurd. Want dit veronderstelt een geheugenfunctie. Indien deze aanwezig is, zal zij toch eerst beginnen op het ogenblik dat de werkelijke ervaring bewust wordt beleefd. Een kind zal bijvoorbeeld niet in staat zijn iets te vertellen over het ervaren tijdens de prenatale periode. Bij ouderen zien wij dat werkelijk pregnante herinneringen uit het eerste, ja, uit de eerste twee levensjaren zeer zelden zoal voorkomen. Indien wij ook hier het bestaan van een parallel aannemen, betekent het dat van de werkelijke ontstaansperiode van geesten ook bij de hoogsten onder hen betrekkelijk weinig herinneringen aanwezig zullen zijn. Een dergelijke kennis kan wel bestaan in de totaliteit, maar m.i. niet op een voor ons afleesbare wijze in separate entiteiten.
Zijn dergelijke entiteiten nog bereikbaar?
In de geest zijn zij ongetwijfeld bereikbaar. De grote moeilijkheid is dan altijd weer dat wij te maken krijgen met het eindproduct van een ontwikkeling en zelden of nooit tot de origine daarvan terug zullen kunnen gaan. Ergens is een grens. Achter die grens bestaat geen persoonlijk besef en dus ook geen herinnering. Het beste wat men van een dergelijke geest dus zal kunnen horen is: ik was er wel, maar hoe het was en wat ik toen was, weet ik niet.
Zijn er nog meer vragen over dit onderwerp? Zo neen, dan komen wij aan de door u gestelde onderwerpjes.
Het doorlichten van de piramides
Nu men beginnen wil bepaalde piramides door te lichten om verborgen ruimten te kunnen ontdekken, zo deze aanwezig zijn, is het misschien goed ons eerst te realiseren dat de eerste piramideachtige bouwsels op aarde, tempels waren en geen grafheuvels. De mensen vergeten dit vaak. Maar reeds voor de eerste piramides werden gebouwd, waren overal op de wereld reeds ziggoeratachtige bouwwerken aanwezig, waar bovenop de god werd vereerd en waarin zich veelal ruimten bevonden waarin aan andere, mogelijk ondergeschikte, goden werd geofferd of priesterlijke functies, met de godsdienst verbonden, konden worden uitgeoefend.
Nu kunt u begrijpen waarom men in Egypte tot de piramide kwam als grafteken, wanneer u zich realiseert dat de farao en zijn familie goddelijk was. De vorst was een incarnatie van de tweede voornaamste godheid op aarde, en daar op de top van de ziggoerats steeds weer een tempel voor een soort licht of zonnegod aangetroffen wordt – als bijvoorbeeld in Babylon Bel, de heer van donder en licht – is begrijpelijk dat de eerste vorm van piramidebouw de trappenpiramide was. De vorst werd te ruste gelegd in een tempelgraf, waarop men waarschijnlijk offers bracht aan de zon. Zoals u weet is farao een incarnatie van de zon, zodat de samenhang begrijpelijk en duidelijk is. Het is echter mogelijk dat een dergelijke vorst op een of andere vreemde wijze niet de incarnatie is van de zonnegod, maar van de god van het duister. In dat geval zal men hem begraven in een inverte piramide die dus naar beneden toe wordt gebouwd – in de grond dus. Beide vormen van graven komen voor.
Wanneer wij deze graven bezien valt op dat zij, zoals de oudere tempels, gangen bevatten die wat labyrintachtig aandoen, terwijl men er bovendien verschillende ruimten aantreft die in vorm en structuur zover verschillen, dat zij wel een weergave van de in de oude tempels aan verschillende goden gewijde ruimten zouden kunnen zijn. Verder zijn die ruimten met elkander verbonden – soms door structuurwijzigingen, gangen of putten. De grote moeilijkheid bij het vertalen van alles wat wij vinden, is veelal dat de bouwers dergelijke piramides, zeker wanneer die als graf werden gebruikt, af moesten sluiten, terwijl die afsluiting zodanig zeker moest gebeuren dat zij van buitenaf niet zonder meer te vinden of te openen was. Daar niet velen bereid waren zich tot dit doel in te metselen, moest men vaak een tweede uitgang laten die door het vallen van steenbrokken van grote omvang konden worden vergrendeld.
Dit heeft bij de structuur van de labyrinten in de graftomben gevoerd tot afwijkingen van de norm die wij in tempels aantreffen. In enkele gevallen maakte men gebruik van vluchtgangen die een plafond van losse stenen hadden dat, door het in brand steken van het opgeslagene, of als stut geplaatste hout, tot instorting konden worden gebracht. Dergelijke gangen zijn, zover mij bekend, nog niet veel gevonden, maar bij het onderzoek van de piramide van Snofroe moet volgens mij het bestaan van dergelijke gangen toch blijken.
Enkele grotere piramides, waaronder die van Gizeh, werden echter niet als graftempels gebruikt. Zij werden wel oorspronkelijk als zodanig opgezet, maar men kreeg geloof aan grote ingewijden en priesters die op hun beurt een zeker deel van de zonnekracht in zich droegen. Dezen vinden een inwijding door in het graf te gaan – als mens dus symbolisch te sterven – en na enige tijd daaruit te voorschijn te komen als ingewijde, dus als het ware als zonnegod te herrijzen. Dergelijke inwijdingen vonden reeds plaats in oudere, afgeplatte piramides. Daar deze echter niet uit natuursteen, maar uit een betrekkelijk slechte kwaliteit tichelsteen werden gevormd, zijn zij uiteen gevallen. Buiten misschien de kern daarvan is er weinig van overgebleven. In dergelijke inwijdingstempels moesten ook bepaalde cultusruimten aanwezig zijn, omdat degene die de inwijding onderging, beproefd en gecontroleerd moest worden, terwijl daarnaast in vele gevallen de inwijding vaak mede de kennismaking met bepaalde technieken inhield. Wij moeten dus wel aannemen dat in een piramide als die van Gizeh, ruimten aanwezig zijn die kunstig verborgen zijn – en mogelijk later zelfs voorgoed werden afgesloten – waarin zich bepaalde cultusaanwijzingen en mogelijk zelfs wetenschappelijke producten bevonden en naar ik aanneem deels nog wel zullen bevinden.
Wij zullen verder ontdekken dat in de bouw bepaalde structuurkamers aanwezig zijn. Maar dergelijke uit bouwkundige overwegingen noodzakelijke kamers werden toch steeds weer volgens de opzet en het principe van de cultus aangebracht. Wanneer wij bijvoorbeeld drie bouwkamers aantreffen boven de centrale grafkamer, dan moeten wij hierbij denken aan de drie voertuigen die nog aanwezig zouden zijn. Men had immers de ‘ba’, een astraal voertuig; een tweede voertuig dat men een soort levenslichaam kan noemen en de eigenlijke ik-heid, de werkelijke herrezen Osiris, die niet meer materieel van vorm heet te zijn. Dergelijke kamers zullen wij, naar ik meen, ook moeten aantreffen bij de vaak in het lagere deel van een piramide aanwezige – en soms zelfs niet verder afgewerkte – z.g. chaotische ruimten. Daar de uitbeelding van de dood en het dolen door de rijken van de duisternis bij bepaalde inwijdingen zeer belangrijk was, zouden wij aan mogen nemen dat in de ruimten die schijnbaar nooit werden gebruikt, toch toegangen tot ruimten aanwezig moeten zijn, waaraan cultusvoorwerpen verbonden waren of in werden opgeslagen.
Wij moeten verder rekening houden met het volgende: de zonneboot, waarin de nieuwe ingewijde werd gedragen, langs een met symbolische figuren versierde weg die voerde naar water, hetzij het stromende water van een rivier, of bijvoorbeeld een putwater als symbool van leven, die altijd buiten de piramide werd verborgen. Hij werd dus niet naar binnen gebracht. Bij begrafenissen zien wij eveneens dat de zonneboot zelf niet in het graf wordt gebracht maar daarnaast blijft rusten, terwijl in het graf slechts een afbeelding of verkleinde versie wordt geborgen. Overigens kunnen wij hieruit weer afleiden dat men kennelijk een verschil maakte tussen de symbolische boot van de dode en de werkelijke zonneboot die, als deel van de hemel, geen plaats kon vinden in een graf.
Dan dient men het volgende voor ogen te houden: om als ingewijde te kunnen verschijnen voor het volk, moet men zijn waardigheid tot uitdrukking kunnen brengen. In primitieve culturen en vele beschavingen pleegt men het bereiken van een zekere waardigheid of graad aan te geven met een bepaalde kleding of bepaalde sieraden. In uw eigen maatschappij doet men dit nog: professoren zijn normaal mensen die veel weten, maar zich verder van anderen niet onderscheiden. Bij gelegenheden waar hun rang of waardigheid moet worden uitgedrukt, dragen zij echter een talaar of toga plus een uitzonderlijk hoofddeksel, om duidelijk te maken wie en wat zij zijn. De middelen om aan eenieder duidelijk te maken dat de ingewijde anders dan anderen was geworden, dat hij een zekere graad had behaald, zullen dus uit kleding of sierraden hebben bestaan.
Daar het gebeuren voor het volk bovennatuurlijk moest blijven, kunnen wij niet aannemen dat men dezen eenvoudig in de piramide binnen bracht voor de ingewijde tevoorschijn kwam. Wij mogen aannemen dat dergelijke tekens in een ruimte in de piramide verborgen waren en mogelijk daarin zelfs steeds werden bewaard.
De ingewijde zou dan bij zijn herboren worden – tevoorschijn komen – oude, met manna geladen kledingstukken en sierraden gedragen hebben, die later weer heimelijk in de daarvoor bestemde ruimten werden teruggebracht. Een dergelijke ruimte moet dus goed verborgen, aanwezig zijn. Het is de vraag of daarin de resten van sierraden en kleding zich nog bevinden, maar ik neem aan dat dit wel het geval zal zijn.
Verder moeten wij nog rekening houden met het wel bekende feit dat men sommige sfinxen als een soort heilige bergruimte gebruikte. In bepaalde sfinxen werden offergaven ingemetseld, in andere werden bijzonder cultvoorwerpen ingelegd, op een wijze die latere aanvulling of verwijdering mogelijk maakten. Dit had zeer waarschijnlijk ten doel de sfinxen tot werkelijke magische beschermer te maken.
Om dit iets te verduidelijken: in andere culturen, bijvoorbeeld de vroeg-Perzische, treffen wij soortgelijke figuren aan als wachters op stadsmuren nabij de poorten; zij werden vaak met bloed gewijd. Onder of bij die figuren, eveneens gewijd, trof men dan voorstellingen aan van bijvoorbeeld wapens als speren, schilden of zegels. Wij kunnen ons misschien wel voorstellen dat dergelijke wapens, zegels en dergelijke of verkleinde uitvoeringen daarvan, in sommige sfinxen werden verborgen om het hen mogelijk te maken hun taak als beschermers en wachters goed te vervullen. Bij sfinxen die uit één stuk waren gemaakt, boorde men voor dit doel wel een gat dat later werd opgevuld met een soort cement. Vaker kwam het echter voor dat men in het afzonderlijke voetstuk een ruimte had vervaardigd, weer door steen gesloten, waarin de offergaven en symbolen geborgen konden worden.
Ik wijs er met nadruk op, dat dit alleen in bepaalde sfinxen werd gedaan, maar wij kunnen op grond hiervan toch wel veronderstellen dat bijvoorbeeld de grote sfinx van Gizeh een dergelijke functie als wachter of beschermer had en dat daarin ruimten zullen bestaan. Het is aannemelijk dat zich daarin of daaronder ruimten bevinden die door priesters en ingewijden gebruikt werden als bergplaats van voorwerpen etc., die als zeer heilig of voor de gemeenschap van zeer groot belang werden beschouwd. Men kan zich voorstellen dat deze zeer geheime ruimtes bijvoorbeeld dienst deden, wanneer vijanden de zekerheid van tempel, eredienst, of volk bedreigden. Ik kan mij eveneens voorstellen dat onder die voorwerpen magische zegels, beelden enz. zijn geweest.
Maar daarnaast zal men wetenschappelijke en magische apparaten, als bijvoorbeeld hetgeen men toen gebruikte als de helderziende, nu zijn loodglasbal hebben gebruikt. Bedenk dat glas in die dagen zeer kostbaar was. Recepten en voorwerpen die voor het aanroepen van de goden werden gebruikt, zullen eveneens dergelijke bergplaatsen gehad hebben. En nabij de sfinx bevonden zich tempels. Ik meen zonder meer te kunnen stellen dat dergelijke voorwerpen, mogelijk ook replica’s van dergelijke voorwerpen, in de sfinx zijn verborgen, omdat deze immers als een magisch wachter dienst deed. Zo moeten wij wel aannemen dat ook in de grote sfinx iets dergelijks aanwezig zal zijn. Daar deze betrekkelijk dicht bij de grote piramide ligt, zou men zelfs kunnen veronderstellen dat er een zekere verbinding is, of is geweest, tussen de piramide en de sfinx. Ik meen wel dat deze dingen binnen afzienbare tijd aan het licht zullen komen.
Een andere vraag is wel of een dergelijke ontdekking voor deze tijd zo erg belangrijk is. Men heeft in deze dagen wel de gewoonte steeds verder en nauwkeuriger terug te speuren in het verleden, maar men schijnt niet al te sterk te zijn in het trekken van juiste conclusies uit het verleden ten aanzien van het heden, laat staan het toepasten van de lessen die het verleden de mens toch geeft. Wanneer wij bijvoorbeeld denken aan de radicale methode die Nero gebruikte om de woningnood, ontstaan door het te veel bouwen van te licht gebouwde flats, in Rome op te heffen door een brand, zouden wij ons kunnen voorstellen dat dergelijke saneringsplannen ook in het heden bepaalde mogelijkheden zouden bieden, vooral wanneer men, evenals Nero eens, tevoren had gezorgd voor de mogelijkheid op korte termijn in voldoende mate hulp te bieden. Vele grote plannen lopen deze dagen verkeerd uit. Maar wanneer men ten aanzien van bestaande noden en noodzaken zou improviseren, zou men waarschijnlijk zeer snelle en redelijke oplossingen kunnen vinden wanneer men maar rekening zou willen houden met de lessen van het verleden.
Wanneer een erkennen van de lessen uit de piramides neer zou komen op het herscheppen van magische waarden en een beter begrip voor de innerlijke eigenschappen van de mens – die je niet geheel kunt registreren en vastleggen – dan zou de wereld van heden daarvan veel nut kunnen hebben. Maar daar men alles, wat te moeilijk, te verschillend, of zelfs maar te weinig onmiddellijk stoffelijk bewijsbaar is, terzijde pleegt te leggen, of zelfs bespottelijk pleegt te maken, lijkt het mij onvoorstelbaar dat de wereld van heden uit dergelijke ontdekkingen praktische lessen trekt en daardoor zichzelf leert verbeteren. Toch zou dit volgens mij het enige zijn wat van belang is en het enige waardoor een werkelijke verbetering van de situatie aan de hand van dergelijke ontdekkingen zou kunnen ontstaan.
Mijn eindconclusie luidt dan ook: Ik meen dat bij een dergelijke doorlichting van de piramides wel degelijk tot nu toe niet bekende ruimten zullen worden ontdekt, waarin soms, maar niet in alle gevallen, zich voorwerpen of resten van voorwerpen bevinden. Ik ben ervan overtuigd dat een doorlichten van de piramide te Gizeh buiten dergelijke ruimten ook een aantal verbindingen of gangen zal doen erkennen, die echter, gezien het verloop van langere tijd, wel niet alleen meer onmiddellijk open en bereikbaar zullen zijn. Ook hier zullen voorwerpen gevonden worden. Ik denk daarbij in het bijzonder uit metaal en mineraal vervaardigde sierraden, gebruiksvoorwerpen, gegraveerde stenen. Ik geloof echter niet dat men schrifturen van groot belang zal aantreffen, daar de kennis van de ingewijden nimmer berust heeft op dingen die op schrift stonden, maar eerder voortkwamen uit de persoonlijke beleving van een hogere waarheid en eventueel mondelinge toelichting van andere ingewijden. De ingewijde legde dergelijke kennis niet vast, maar gaf deze alleen vanuit zich aan anderen, daarvoor bestemd, verder.
U zinspeelde op een apparaat dat daar aanwezig is geweest, of is. Is het vreemd een verband te trekken tussen dit apparaat en de vreemde invloed rond de piramide, waardoor het aardmagnetisch veld er in een boog omheen loopt?
Er is geen reden om aan te nemen dat een dergelijk technisch instrument daar in een voor de moderne mens kenbare urn zal worden aangetroffen. Ik heb, zover ik mij bewust ben, dan ook op iets dergelijks niet gezinspeeld. Wel kan men gevoegelijk aannemen dat, door het gebruik van de piramides voor bepaalde doeleinden, spanningen zijn ontstaan en dat men van bepaalde – meer paranormale – generatoren gebruik heeft gemaakt om die krachten te versterken. Misschien is accumulatoren hier nog een betere aanduiding, daar deze voorwerpen de kracht niet slechts voortbrengen, of in stand houden, maar ook bepaalde krachten opnemen om die later, onder bepaalde omstandigheden, weer af te geven. Maar eerlijk gezegd vraag ik mij wel af of de moderne mens, met dergelijke dingen geconfronteerd, in staat zal zijn deze als zodanig te herkennen.
Daar u op mijn onderwerpje kennelijk geen verdere commentaren wilt geven, eindig ik met de hoop dat ik mijn taak als inleider op deze avond goed volbracht heb. Ik ben u dankbaar voor de mij verleende aandacht en verontschuldig mij voor het feit, dat ik weigerde mij van het eigenlijke onderwerp af te laten leiden. Wanneer men met dergelijke niet passende vragen begint, heb ik echter altijd ongeveer het gevoel dat een stier moet hebben in de arena, wanneer iemand met een rode lap zwaait – misschien zonder te weten, wat men daarmee nu precies bedoelt. Je hebt de neiging erop af te stormen, maar de gevolgen kunnen onverwacht en desastreus zijn. Vandaar dat ik er de voorkeur aan gaf niet te rennen. Nogmaals dank voor uw aandacht.
Deel 2
Misschien hebt u ook voor het tweede deel een onderwerp dat dan echter wel van meer geestelijke of esoterische aard moet zijn.
Stralingen
Hierover kan ik natuurlijk slechts spreken in meer geestelijke of esoterische zin. Een beperking heb ik u immers reeds ten aanzien van het onderwerp gesteld. Kijk dus a.u.b. niet nijdig wanneer mijn betoog niet handelt over die vormen van radiatie, die zo hard zijn als een moderne voetbalwedstrijd en even bekend zijn.
Straling is moeilijk uit te drukken. Wat immers betekent straling precies? Is het een emissie van iets, een uitwerpen met grotere snelheid van deeltjes of invloeden? Is het misschien eerder een trilling, een soort vibratie? Men is daarover nogal eens verdeeld in zijn opvattingen. Maar wanneer wij het geestelijk bezien, zou ik willen pleiten in de eerste plaats voor de emissie: dus het tot uiting brengen van bepaalde dingen die zich, buiten de bron gekomen, met grote snelheid verplaatsen. Want wanneer wij te maken hebben met werkelijk geestelijke stralingen, krijgen wij al snel te maken met wat men hogere krachten pleegt te noemen. Die hogere krachten kunnen wij dan in bepaalde werkingen bijvoorbeeld op aarde constateren. Maar indien er nu kan worden voorgesteld dat iemand, een mens bijvoorbeeld alleen maar denkt, dan kan die gedachte wel worden uitgestraald. Dit echter is geen werkelijke emissie, maar eerder een verdringingsverschijnsel, zoals men dit kent bij de moderne zendantenne. Hebben wij te maken met geestelijke straling, dan is er geen sprake meer van iets wat door een vaste reeks van gedachten wordt uitgedreven of in aard bepaald wordt. Er is geen sprake van een opeenvolgende reeks, maar eerder van één compleet geheel, dat als een soort pakketpost eerst geheel in een bepaalde entiteit of kracht wordt opgewekt, afgewerkt en eerst dan volledig afgezonden.
U kent allen de bij ons gebruikelijke aanduiding van bepaalde geestelijke golven die wij plegen te onderscheiden door daaraan een kleur te verbinden. Ik neem tenminste gemakshalve maar aan dat de meesten van u deze wijze van omschrijving wel kennen. Deze kleuren geven eerder de mentale werking aan die de straling op aarde ten gevolge heeft, dan de werkelijke waarde en inhoud daarvan. Dat moet u bij dit alles niet uit het oog verliezen. Ik kan dan zeggen: er heerst op het ogenblik een rode straling en deze zal nog een zekere tijd werkzaam blijven. Dat betekent dat bijvoorbeeld de volgende maand – en een groot deel van deze maand, wat dat betreft – de mensen nogal aan de hartstochtelijke kant zijn. En nu moet u niet alleen denken aan de knuffelhartstocht of iets dergelijks, maar ook aan driftbuien, onredelijkheid, aan een sterke wisseling van stemmingen en dergelijke. Want dit zijn de onder deze invloed steeds weer op de voorgrond tredende verschijnselen.
Wij kunnen deze nu heersende tendens misschien als voorbeeld nemen om eens na te gaan hoe dergelijke beïnvloedingen eigenlijk tot stand kunnen komen.
Er is ergens in het Al een plaats waar een kracht bestaat. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een straling die veroorzaakt wordt door een aantal kosmische wolken. Deze wolken worden soms sterk in hun werking gestimuleerd. Deze stimulans omvat een zekere inwerking van bewustzijn, zodat wij deze eenvoudigheidshalve maar geestelijk zullen noemen. Wanneer die wolken sterk genoeg gestimuleerd worden, beginnen zij als het ware kleine delen van zichzelf, geladen af te vuren in de ruimte. Magnetische kracht is een woord dat hier niet geheel past, maar misschien kunnen wij de emissies toch wel enigszins hiermee vergelijken: denk aan een soort bolbliksem die magnetische afwijkingen kan veroorzaken en dergelijke. Deze ‘bolbliksems’ zijn natuurlijk niet zichtbaar. Zij worden uitgestoten in alle richtingen, of in een bepaalde richting, bij voorkeur naargelang de stimulans die op de wolk inwerkt. Je zou kunnen zeggen – al blijft het een vergelijking – dat gedachten ergens de richting van de emissie bepalen, terwijl de ‘bolbliksem’ bestaat uit kracht die in essentie de gedachte weergeeft.
Nu wordt de tijd en de frequentie, waarop en waarmee de bolbliksems worden afgevuurd, bepaald door de ‘denker’.
Maar elke bolbliksem in zich zal dus de gehele gedachte omvatten en niet slechts een klein deel daarvan in zich dragen. De emissie vindt plaats in de ruimte, stel in de richting van de aarde. Maar hier komt er een ster op de baan, die een pakketje met gedachten ontvangt, daar is er weer een planeet enz. Alles wat dus in het pad van de delen van de emissie komt, kan hierdoor worden getroffen en zal dan de invloed van de kracht, die in het geëmitteerde deel ligt, ondergaan. Zo kan het zijn dat uw eigen zon door een dergelijk geestelijk projectiel wordt getroffen. De reactie hierop is, dat de zon in haar eigen uitstraling – die bestaat uit de emissie van verschillende soorten deeltjes met verschillende snelheden – een wijziging brengt. Een dergelijke wijziging is niet zo buitengewoon groot en kan niet vergeleken worden met de stralingswijzigingen die bijvoorbeeld door zonnevlekken kunnen worden veroorzaakt. Maar zij zijn groot genoeg om iets van de ontvangen energie, zij het wat vertraagd, naar alle planeten en alle ruimte rond de zon over te brengen.
Voor de aarde betekent dit een betrekkelijk algemene tendens met een in verhouding zeer korte werkingsduur. De zon zal het grootste deel van het ontvangene zelf verteren. Van het deel dat naar buiten toe wordt afgegeven, bereikt zo weinig de aarde, dat de uiteindelijke invloed vaag blijft. Nu zou men zich dan voor kunnen stellen dat tussen deze bolbliksem en bijvoorbeeld de zon juist de aarde staat. De aarde krijgt dan een voltreffer. Maar de aarde zelf is aan haar oppervlakte minder actief. Het gevolg is, dat de invloed op één bepaalde plaats het sterkste is en daar langere tijd actief kan blijven. Nu moet u niet aan een te kleine plek denken in dit verband. Bij een voltreffer is de omvang van het in eerste instantie en sterk beïnvloede gebied rond 1500 km. In dit gebied is de werking zeer sterk en plotseling kenbaar. Daar begint voor de rest van de aarde eigenlijk enkel een soort tendens.
Iedereen en alles wat onder invloed van deze sfeer komt, zal echter weer uitstralen, hoofdzakelijk als gedachtenkracht en dergelijke. Men zou kunnen redeneren: hier wordt de rauwe energie ontvangen en ondergaat een verandering door emotionele beïnvloeding van de individuen die de invloed ondergaan. De plek begint als het ware de oorspronkelijke invloed te reflecteren, maar nu in de vorm van gedachtekracht, een soort trilling in vergelijking met de emissie, die oorzakelijk daarvoor was. Het is duidelijk dat hierdoor in tijd en werking verschillen zullen optreden ten aanzien van invloeden die via de zon de aarde bereiken. Deze laatsten lopen in rond 24 uren rond de wereld en blijven ten hoogste enkele weken actief.
Hebben wij te maken met invloeden die op aarde zelf door een voltreffer zijn ontstaan, dan zal die verplaatsing aanmerkelijk trager geschieden. Er moet immers eerst een invloed worden geschapen die andere groepen beïnvloedt, voor deze op hun beurt als in een soort kettingreactie, de gedachtekracht weer verder door kunnen geven. Er bestaan wel enkele regels waarmee men dit alles kan weergeven, maar de eenvoudigste manier om het duidelijk te maken lijkt mij dit: De eerste uitstraling is in zijn werking veelal eenzijdig, nimmer geheel evenwichtig. De uitwerking zal dus aan een kant de sterkste zijn. Naast het getroffen gebied ontstaat dus een tweede stralingsbron die sterker is dan de verdere omringende reacties. Deze nu zal in het reeds deels aangesproken gebied weinig onmiddellijke invloed kunnen hebben, maar zal daar, waar geen invloed nog aanwezig was, zich duidelijk uitdrukken en kenbaar worden. De tegenstelling heeft dan weer tot gevolg, dat het proces van emotionele reactie zich herhaalt, waarbij de reeds beïnvloede gebieden werken als een soort reflector. Het eindresultaat is dat wij een sterk kenbare progressie van de invloed zien in een bepaalde richting. Een dergelijke invloed loopt, wanneer zij zeer sterk is, rond de wereld in minstens 50 à 60 dagen, maar deze cyclus zal zich dan meerdere malen herhalen.
Er kan ook sprake zijn van een invloed van kleinere intensiteit, die echter bijvoorbeeld een inwerking heeft die de mensen bijzonder sterk aanspreekt. Dan kan een dergelijke cyclus voor een gang rond de aarde tot drie jaren vergen. Een herhaling van deze cyclus is echter dan minder waarschijnlijk, terwijl de werking zwakker wordt, naarmate het punt van origine weer meer benaderd wordt. Wie zich daarvoor interesseert, kan zien hoe bepaalde verschijnselen als het ware van land tot land, van staat tot staat, in een bepaalde richting verschuiven.
Achtereenvolgens herhaalt zich dus een soortgelijk gebeuren, soortgelijke emoties, in verschillende aangrenzende landen, terwijl de sterkste invloed altijd een rechte lijn schijnt te vormen. Andere, buiten deze lijn liggende gebieden, ondergaan de invloed kennelijk ook wel, maar in zoveel mindere mate dat de aandacht hierop zelden zal vallen.
Middels een dergelijke uit de kosmos stammende straling, ontstaat dus een beïnvloeding van de gevoelens en ook van de daden van een mens. Een mens kan daar eigenlijk zelf niet geheel voor aansprakelijk worden gesteld. Iemand die in de regen loopt zal nat worden. Heeft hij een goede paraplu, dan zal het alleen aan de voeten erg nat kunnen zijn. Heeft hij er geen, dan ligt het aan de kwaliteit van zijn kleren en de tijd die hij in de regen vertoeft, hoe nat hij wordt en in hoeverre het aan de buitenkant zal blijven of hij wel min of meer doornat zal worden. De mens zoekt het nat niet en kan dus niet aansprakelijk worden gesteld voor het feit dat hij nat wordt. Zo is het ook met de mens die onder dergelijke invloeden uit de kosmos tot daden komt. Hij is daarom licht aansprakelijk voor de eigen reactie op de invloed, zover dit binnen eigen besef en vermogen valt, maar niet voor de werkingen en veranderingen die buiten zijn wil en beheersing daardoor in zijn wezen en gedrag ontstaan.
Esoterisch zou je dit als volgt kunnen formuleren: bewust van de kracht die in ons ligt, zijn wij voortdurend gebonden aan de invloeden die ons van buitenaf bereiken. Voor de resultaten van die invloeden zijn wij allen in zoverre aansprakelijk, als wij niet in harmonie met de innerlijke krachten naar buiten toe daarop zouden reageren. Wanneer ik een driftgolf krijg, zal ik prikkelbaar worden. Ik zal dus niet kunnen voorkomen dat mijn gedrag tegenover mijn medemensen wat minder aangenaam wordt. Ik zal echter in staat zijn excessen te vermijden, daar ik innerlijk aanvoel dat dit toch niet de juiste houding is. Dan ben ik voor de resultaten van de invloed dus niet persoonlijk verder aansprakelijk. Wanneer ik echter de invloed voel en al weet ik dat het verkeerd is, handel in overeenstemming daarmee, ben ik wel aansprakelijk en wel door mijn gebrek aan beheersing, voortvloeiende uit verloochening van innerlijk besef en normen.
Het is voor een mens misschien wat moeilijk dit zo maar te begrijpen. Let daarom eens op deze dagen. In deze dagen zien wij zeer vele onbeheerste reacties. U hebt in de laatste periode na enkele meer aangename dagen al heel wat van die onredelijke benaderingen door anderen ondervonden en hebt ook zelf in vele gevallen onredelijkheid getoond. U hebt dan ook in de afgelopen tijd, naast enkele meevallers van meer impulsieve aard, heel wat erger en teleurstellingen kunnen boeken als gevolg van de houding van anderen. U zult misschien met problemen zitten die opeens zo erg acuut lijken, zonder dit nu ook werkelijk te zijn. Zij worden nu echter steeds meer dringend door uw eigen verkeerde reacties. Dit is alles uiterlijk kenbaar. Voor de mens is nu eenmaal een groot deel van zijn wereld niet beheersbaar, je kunt wel zeggen dat alle mensen broeders moeten zijn, maar dan gaat men terug naar een adamitische periode, waarin broedermoord schering en inslag wordt.
Wij kunnen namelijk de mens niet in aard veranderen. Evenmin kunnen wij de natuur bevelen op een bepaalde wijze te reageren. Je kunt niet tegen de zee zeggen: Je mag overal tegen de kust breken, behalve op dit punt, want hier staan strandtentjes. Je kunt de regen niet bevelen alleen in landbouwgebieden te vallen maar in plaatsen die wij voor de recreatie van belang achten, te mijden. Dat is misschien maar goed ook, want anders werd u al snel opgescheept met een ministerie van weerbeheersing en recreatieve ontwikkelingen. Wat ik hiermee maar wil zeggen, vrienden, is dat u uw milieu niet geheel kunt beheersen. U leeft in deze wereld. In deze wereld wordt u van buitenaf beïnvloed op wel 1000 verschillende wijzen. Die invloeden komen lang niet allen uit uw eigen wereld. Zij kunnen ook komen vanuit een geestelijke wereld, vanuit de ruimte, of ontstaan als gevolg van voor u bijna onbemerkbare wijzigingen in zwaartekrachtverhouding, enz. Een zeer kleine baanversnelling of afremming van uw planeet, die niet veel meer dan misschien hier en daar een aardbevinkje veroorzaakt, kan voldoende zijn om bij de mensheid de gehele redelijkheid tijdelijk weg te doen vallen.
Daarvoor kun je niet aansprakelijk zijn. Maar je kunt wel aansprakelijk worden geacht voor de wijze waarop je je door dergelijke impulsen zonder meer en geheel laat beheersen, zonder althans te proberen, ongeacht de invloeden, zoveel mogelijk jezelf te blijven.
In de meeste godsdiensten – want daarover moet ik ook nog iets zeggen – vinden wij steeds weer een zondebegrip – dus de definitie van de verkeerde handeling – als iets wat vastligt en dan ook is weergegeven in bepaalde regels. Maar die regels houden geen rekening met de omgeving en veranderingen daarin. Zij houden geen rekening met het gebeuren. Het is duidelijk dat wij een dergelijk schuldbegrip dus niet redelijk kunnen hanteren, zeker niet wanneer het gaat om een poging ons innerlijk wezen en onze innerlijke bereiking aan de hand daarvan vast te leggen. Er zijn mensen die in de ogen van de mensen niet zondigen en die innerlijk weten dat zij zo gemeen zijn, dat zij zich zelfs in hun gemeenheid over hun komende heiligverklaring verheugen, omdat zij voelen daarmee weer iemand een loer gedraaid te hebben. Dat nu, mijn vrienden, bewijst dat men op een andere wijze goed en kwaad, maar vooral ook onze eigen innerlijke status moeten leren bepalen. Anders dus dan dit godsdienstig en ook sociaal en dergelijke pleegt te gebeuren.
Wij moeten daarom erkennen: er zijn vele vormen van invloed, die ons als een soort straling, soms als een veld welke wij doorkruisen, bereiken. Boze invloeden veranderen ons eigen gedrag en daarmee ook de reactienormen, zowel voor ons als voor ieder ander. Daar geen vaste norm bestaat – gezien dus deze invloeden – moet ik vanuit mijzelf proberen steeds zo juist mogelijk te reageren en, zonder de invloed te verwerpen, daarvan steeds weer het beste te maken. Maar ik moet dan nog verder gaan: dan moet ik dit bewust trachten te doen, opdat ik vanuit mijzelf kan worden tot een soort stralingsbronnetje – al gaat het dan eerder om een verdringingsverschijnseltje – waardoor mijn gedachten anderen kunnen bereiken en bij voldoende harmonie kunnen beïnvloeden. Ik mag dan ook stellen: mijn gedachten moeten een ook emotioneel zo aanvaardbare inhoud hebben, dat ik anderen breng tot een meer reële en redelijke reactie binnen de optredende invloed.
Waarmee ik natuurlijk zwaar zit te zondigen tegen alles wat men met het stellen van dit onderwerp beoogde. Maar ja, put nu maar eens esoterische waarheid uit stralingen. Toch weten wij dat stralingen interessant kunnen zijn en zeer eigenaardige effecten kunnen bereiken. Stel bijvoorbeeld de laserstraling. Indien ik licht op een bepaalde wijze gelijk weet te richten, kan ik daarmede een gaatje branden in metaal en zelfs de hardste stoffen als diamant in korte tijd doorboren. Ik kan langs dezelfde methode grote afstanden afleggen met een lichtbron die eigenlijk te zwak zou moeten zijn om maar enkele kilometer ver zichtbaar te zijn enz. Misschien heb ik hier dan een voorbeeld van straling, dat voor esoterie misschien en zeker voor het geestelijke leven bruikbaar is. Indien wij een betrekkelijk zwakke lichtbron deze kracht kunnen verlenen, dan zou door het juist richten van de krachten die wij in onszelf dragen, eveneens een heel wat groter en beter resultaat bereikbaar moeten zijn.
De mensen kennen daarvoor enkele mooie woorden: Wanneer je geestelijk veel wilt bereiken, zo zeggen zij, moet je concentreren, contempleren. Ik zou stellen: de laser werkt dankzij een zeer speciaal richtprincipe, middels een zeer speciaal materiaal. Dan hebben wij niet veel aan de meer algemene zin van concentratie – laser voor afstandsoverbrugging – en contemplatie – laser om bijvoorbeeld een brandkast open te snijden – tenzij een richtprincipe kan worden gebruikt. Ik bedoel met het laatste op de brandkast van je innerlijk bewustzijn, want de meeste mensen zijn zo bang voor de waarheid dat zij die beter opbergen dan de USA zijn goud in Fort Knox.
Laat ons nagaan wat wij van node kunnen hebben om deze bijzondere gerichtheid te bereiken. Misschien dat dit onderwerpje dan toch nog enkele nuttige raadgevingen kan voortbrengen.
- Ik heb iets nodig om te richten. Dit zal een begrip moeten zijn dat qua structuur past bij de kracht die ik inzet. Zowel voor contemplatie als concentratie zal ik als punt van uitgang een begrip moeten vinden dat voor mijn wezen belangrijk en met mijn wezen harmonisch is. Dit begrip moet begrensd zijn. De een zal een dergelijk begrip vinden in bijvoorbeeld de Paus of J. Kennedy, de ander eerder in de overdenking van een aardig meisje, een algebraïsche formule, of een meetkundige figuur. Men zal dit voor zich moeten uitvinden. Men zal een dergelijk denkbeeld voor zich zo volledig moeten kunnen omschrijven dat men het als het ware ziet en voelt. Is dit bereikt, dan heeft men een gerichte begrenzing bereikt waarmee men werken kan.
- Nu men zich het onderwerp geheel kan voorstellen, zal men de gehele energie van eigen wezen daarin moeten uitstorten en als het ware moduleren. De eenvoudigste wijze is het geschapen beeld verder vast te houden, maar over het doel dat men nastreeft als het ware met dit beeld in discours te treden. Vertel wat je wilt uitzenden of beseffen. Het eigenaardige is daarbij, dat de zo geschapen figuur als een soort lens gaat fungeren en die energie in brandpunt brengt, ja, het geheel van de eigen energie gelijk gaat richten. Het beeld wordt nu de uitdrukking van het doel dat men zich stelt.
- Op deze wijze kan men de gehele aandacht tot één enkel onderwerp bepalen, zonder afwijking en zonder diffusering van eigen gerichtheid. Wanneer ik naar waarheid zoek en ik binnen het bepaalde beeld mijn waarheid omschrijf, zal mijn definitie van waarheid elk ogenblik veranderen. Dit betekent dat progressie ontstaat in de ervaring van waarheid en deze meer bruikbaar wordt. Er zijn ogenblikken, dat men meent: nu schiet ik flink op. Maar opeens komt men in iets terecht dat een ‘niets’ lijkt. Dit is begrijpelijk: zolang de laser bezig is om iets door te branden, zie je dat zij actief is. Zodra echter het materiaal doorgebrand is, gaat dit verschijnsel teloor. Misschien, dat achter de doorgebrande plaat nog wel iets gebeurt, maar dat zie je niet. Wanneer men dus in zijn geestelijk werken dit punt bereikt, moet men de laser afzetten en eerst eens de deur opendoen. Anders gezegd: laat elk beeld en elke concentratie verder rusten en tracht eerst eens dit ‘niets’ aan te voelen, daaromtrent een oordeel te vormen. U zult zien dat dit ‘niets’ dan vorm krijgt en betekenis heeft. In het begin lijkt het resultaat vaak wat op jezelf, maar later krijgt het meer en meer inhoud. Gaat het om het uitzenden van geestelijke krachten enz., dan is het voldoende de bedoeling middels het geschapen beeld in stand te houden, tot men het gevoel heeft dat geen verdere vooruitgang meer kan worden geboekt. Ga dan over op andere denkbeelden of ontspan uzelf, tot u het gevoel hebt dat het uitzaaien van de kracht opnieuw nuttig en noodzakelijk is geworden.
Hiermee heb ik u, naar ik meen, bewezen dat wij zelfs onderwerpen als stralingen enz. kunnen gebruiken als punt van uitgang voor meer geestelijke beschouwingen en, wat meer is, zelfs op grond daarvan tot praktisch bruikbare conclusies en aanwijzingen kunnen komen. Dit is niet zo verwonderlijk als u misschien aanneemt. Want esoterie, mijne vrienden, is als meer geestelijk zoeken naar waarheid, niet gescheiden van alle andere waarden en waarheden. Zij berust op een bepaald effect dat wij in alle dingen terug kunnen vinden. Wil ik dus esoterisch werken en denken, dan kan ik elk stoffelijk onderwerp nemen en daaruit de esoterie benaderen en vinden. Alle verschijningsvormen zijn uiteindelijk gerelieerd met de ene oervorm van alle bestaan, en alle denkbeelden die daaraan verbonden kunnen worden, zijn eveneens deel van de ene grote waarheid die in mij en buiten mij bestaat.
Is het dan een wonder dat ik, van welk punt ik ook uitga, ik iets van de waarheid in meer kosmische zin zal ontdekken, mits ik daarnaar maar streef? Onthoudt dus: Niets is zo gek of vreemd of wij kunnen er geestelijke waarheid en waarde in terugvinden. De betekenis van de dingen wordt niet slechts bepaald door een eigen verschijning, maar mede door de waarheid die in de verschijnselen leeft.
