De menselijk psyche

uit de cursus ‘De menselijke psyche 2’ (hoofdstuk 1) – februari 1957

Bij het beschouwen van de menselijke psyche hebben we al heel veel verschillende factoren opgemerkt, maar we zijn eigenlijk nog nooit terecht gekomen bij een ontleding van de kwaliteiten van de geest en de manier waarop die ook in het menselijke spelen en werken. Ik wil proberen dat tamelijk kort te doen.

Wanneer wij spreken over de geest, dan is dit in feite de kernkracht (of ziel) met verschillende voertuigen. Het voertuig dat het dichtst bij de ziel ligt, draagt in zich het essentiële bewustzijn van alle vormen. Maar elk nieuw voertuig betekent een detaillering van een gedeelte van het in de kern aanwezige bewustzijn.

Dit houdt dus in dat elk voertuig van de geest zijn aparte eigenschappen en kwaliteiten heeft. De geest, zoals zij in het menselijk lichaam tot uiting komt, heeft dus zeer veel verschillende factoren. Die factoren liggen elk op een verschillend plan van waardering, bewustzijn en ervaring.

Wanneer nu het contact tot stand komt met de mens, dan ligt dit contact over het algemeen in het gebied der levens stralingen, dat ook nog tamelijk ver­want is met het astraal gebied. Dat betekent, dat deze laatste fractie van het geestelijk reeksje van voertuigen in feite net zoveel angsten en begeerten kent als de mens, maar alleen uit een andere oorzaak. Wat voor de mens angstwekkend is, is voor het astrale helemaal niet zo. Wat stoffelijk begerenswaardig is, kan astraal eerder afstotelijk zijn. De levenskracht, het lichaam en het as­traal lichaam, dragen dus een bewustzijn, dat corrigerend optreedt t.o.v. de stoffelijke waarderingen die je hebt. De stoffelijke waardering bestaat uit het be­wuste aanvaarden plus de onderbewuste reactie en de bovenbewust daaraan opgeleg­de waarderingen van de gemeenschap.

Wanneer wij dus nu gaan zien, dat de geestelijke waardering in de laagste fase een afkeer kan scheppen, waar een stoffelijk aanvaarden noodzakelijk zou zijn en omgekeerd, blijkt ons, dat hier een bron ligt voor veel tweestrijd in onszelf. Ware dit alles, dan zouden we ongetwijfeld al heel wat moeilijkheden kunnen hebben geestelijk. Maar er is meer. Want boven dit levenslichaam, zoals men het noemt, liggen andere lichamen, die elk voor zich een waardering hebben voor het leven.

Nu wenst de mens over het algemeen hoofdzakelijk zijn stoffelijke waardering en het daaruit voortvloeiend geestelijke te beleven. Maar wanneer hij zover stijgt in zijn poging tot bewustzijn, dat hij over het levensgebied en het astraal gebied heen grijpt in het gebied, dat men zou kunnen noemen “die reine Gedanke”, van de zuivere gedachte, dan komen, wat men op aarde filosofische, esoterische en mystieke waarden noemt sterk in het beleven op de voorgrond en worden wederom geprojecteerd tegenover de ‑ door het geestelijk leven bepaalde ‑ begeerten en ang­sten, aanvaardingen en verwerpingen en ook op de stoffelijke. Soms staat daar dan een drieledige probleem mogelijkheid. Verder dan dat zullen we vandaag niet gaan, want dan maak ik het te ingewikkeld.

Nu even, stellende dat je als mens deze problemen in jezelf vaak aanvoelt, zul je daartegen maatregelen moeten treffen. En het treffen van die maatregelen moet in de eerste plaats wel bestaan in het vinden van een voor jou aanvaardbare overeenkomst tussen de begeerten en angsten, die zuiver lichamelijk en in het laagst‑geestelijke lichaam bestaan. Kun je die twee met elkaar in overeenstemming brengen ‑ onverschillig op welke wijze – dan heb je een eenheid van handelen ge­vonden in de stof, die het je mogelijk maakt om een aanvaarding van een eventueel mystieke beleving uit te drukken in een stoffelijk zonder strijd verlopend proces. Ben ik duidelijk?

Geestelijk beleven op hoger plan kan dus alleen zonder schade worden volbracht, wanneer men zijn laag‑ geestelijke en stoffelijke impulsen voldoende beheerst en tot overeenstemming brengt, zodat deze niet meer strijdig zullen zijn met de waarden die uit het mystiek ervaren voortkomen.

Krijg ik daar nog commentaar op van de een of ander, of kan ik doorgaan?

Wat noemen wij een mystiek ervaren? Dit verschijnsel, dat in het menselijk denken zich voordoet als een ontrukt zijn aan de wereld, ofwel een geheel nieuw aanschouwen van deze wereld in andere betekenis en waardering, komt voort uit ons geestelijk aanvoelen, dat de verwantschap vaststelt van alle vorm en vorm-ervaren met de kleuren en klanken van een daarboven gelegen sfeer. Hierdoor kan het ik zozeer ontrukt worden aan de werkelijkheid, dat leven wordt ervaren waar voor de mens dood heerst, terwijl omgekeerd sommige levensprocessen een gruwelijk doods uiterlijk krijgen.

In een stoffelijk leven kun je dat zonder meer niet verwerken, tenzij je er van bewust bent, dat al hetgeen als doods wordt getoond, in overeenstemming is met hetgeen je stoffelijk en laag geestelijk reeds van je af wenst te zetten. Terwijl elke levende kracht, die uit de kleur‑klank‑wereld voortkomt, in overeenstemming is met hetgeen je wenst. Is dat niet het geval, dan zal een mystieke beleving een zodanige angst in de persoonlijkheid wekken, dat ze er aan ten onder gaat.

Het streven naar hoog-geestelijk en hoog-mystiek beleven kan dan ook alleen gerechtvaardigd geacht worden, wanneer de mens allereerst pogingen heeft gedaan om zichzelf fysiek en psychisch te ontdoen van te grote problemen. En de grote problemen daarvan zijn wel gelegen in: onbeteugelde begeerten, die verstandelijk worden verworpen; onbeteugelde begeerten, die geestelijk worden verworpen; begeerten, die geestelijk aanvaardbaar zijn (lang‑geestelijk) en om de een of andere reden lichamelijk verworpen worden.

Het is praktisch onmogelijk om een juiste verhouding te vinden tussen je angsten en begeerten, tenzij je begint met deze angsten en begeerten stoffelijk zoveel mogelijk te verminderen. Degene die leert zijn begeren te beteugelen, verliest al zeer snel de angst dat hij zijn begeren niet zal vervullen. Daarmee is één van de grote angstwaarden in het menselijk leven teniet gedaan.

De tweede noodzaak is te leren je eigen leven niet te zien als een brokstuk of periode die belangrijk is, maar als een zeer onbelangrijke fase in een continuïteit van bestaan. Gelukt u dit overtuigd te beleven, dan zult u niet meer bang zijn voor de dood. Weer een waarde van angst en dus van conflict uitgeschakeld. Gelijktijdig ook een verzachting van het nog blijvend begeren, waar dit – zo het heden niet vervuld wordt ‑ een eeuwigheid heeft, waarin de vervulling alsnog mogelijk wordt.

Dan ga je proberen om je voor te stellen, dat lijden ‑ lichamelijk en laag-geestelijk lijden ‑ niet met de eigen persoonlijkheid heeft te doen, doch slechts een zeer onbelangrijk deel daarvan aantast. Voor een mens kan de realisatie, dat lijden slechts tot een bepaalde grens gedragen kan worden en daarboven een uitschakeling van het ervaren ‑ stoffelijk ‑ met zich meebrengt, hier vaak van nut zijn.

Wie zich ontdaan heeft van de angst voor lijden en eventueel ook misvorming, zich er van bewust, dat de vorm dus weinig betekent in de totaliteit van bestaan, is zozeer bevrijd van angsten, dat hij in het mystiek beleven volledig kan opgaan en zelfs verder kan stijgen in zijn eigen geestelijke beleving (dus de projectie van zijn geestelijke voertuigen in het bewustzijn van zijn laagste stoffelijke voertuig) dan klank en kleur. Hij kan dan soms komen tot de sfeer van wit licht.

Deze sfeer van wit licht brengt met zich mede, dat ‑ op het ogenblik dat dit beleefd wordt ‑ het totaal van krachten in de mens wordt versterkt; het totaal van denken echter, bewust en onderbewust, wordt betwist. Het resultaat is vaak, dat na een dergelijke mystieke beleving een gedeelte van het herinne­ringsvermogen anders is gegroepeerd, terwijl bovendien de eigen reactie op de wereld een andere wordt.

Vragen

  • Kunt U misschien een voorbeeld geven?

Ik zal een voorbeeld geven van mystieke beleving. Laten we het nemen in de kerkelijke vorm, waarin het meestal voorkomt. Een beleven van het zuiver witte licht doet voor de mysticus Jezus verschijnen. Jezus is voor hem n.l. het symbool, de verzinnebeelding van de zuivere, lichtende kracht met onmiddellijke goddelijke waarde. Dat kunt u zich voorstellen.

Nu is het zo, dat dit beleven wordt vastgelegd in een zekere vorm. Onge­twijfeld. Maar in feite zal na dit beleven deze mens minder vrezen en be­geren op aarde dan voordien. Hij zal zich veel dingen, die hij vroeger be­langrijk vond, niet eens meer herinneren. Het belang is zozeer voor hem weggevallen, dat tijdens dit beleven gewoon de herinneringscellen van de hersenen gereinigd werden van deze indrukken; waardoor zijn herinnerings­vermogen voor belangrijke zaken zich uitbreidt en hij meer en belangrijker waarden in zich kan opnemen. Voldoende? Het is maar een klein voorbeeld.

  • Welke soort van begeerten bedoelt u?

Nu, dat gaat van het zuiver dierlijke af tot de begeerte om bv. ‑ laten we nu eens een goed begeren nemen, dat in zich menselijk buitenge­woon goed is en toch geestelijk weer gedeeltelijk te verwerpen ‑ het willen genezen. Dus zelf willen genezen. Dat is een begeren dat fout is, omdat het de op zichzelf goede impuls, het scheppen van vrede en geluk in de wereld, concentreert in het ik. En men het dus belangrijker vindt, dat “ik” kan genezen, dan men het in werkelijkheid vindt dat de wereld gezond is. Men realiseert zich dat zo niet. Maar daar heeft u het dus op een hoger plan uitgedrukt.
En het lager‑plan‑begeren? Niet alleen maar genoeg willen eten om te blij­ven leven, maar lekker willen eten. Begint het duidelijk te worden?

  • Dit is allemaal zo menselijk. Worden we dan niet bovenmenselijk?

Och, het ligt wel in de bedoeling, dat u op een gegeven ogenblik toch zover komt. Maar ik wil u gerust stellen. U zult zeker het dringende begeren leren beheersen, maar u zult nooit de bevrediging van een goed maal bv. helemaal kunnen wegdrukken. Met andere woorden het totaal be­geren overwinnen, het wegvagen uit je wezen, gaat niet. Maar je kunt het zover beheersen, dat het jou niet meer beheerst. En dat is belangrijk. En als je dat doet, dan ben je nog heus een mens. Dan ben je alleen een beter mens dan de meesten.

Existentialisme

Het existentialisme is eigenlijk te vertalen als bestaansleer. Vandaar dat er heel wat soorten existentialisten zijn. De meeste mensen verwarren het exis­tentialisme met een “laat‑maar‑waaien”‑leventje, dat dan in het volste pessimis­me met de nodige lange haren gevoerd wordt ergens in de kelders van een wereldstad. Nou spijt het me voor degenen die daar illusies over hebben, zo is het zeker niet.

Het bestaan op zichzelf vraagt een zekere rechtvaardiging. Zo maar te leven zonder meer is niet voldoende. Er zijn dan ook heel veel denkers geweest, die in feite reeds existentialisten waren. Wanneer ik u ga vertellen, dat de oude Zeno (een denker in Rome) ook eigenlijk een existentialist was, dan zult u waarschijnlijk het hoofd schudden en zeggen: “Er is weer niets nieuws onder de zon.” En toch is het waar. Zeno bouwde n.l. eens een keer de volgende leerstellingen op: “Leven is slechts leven, wanneer het ervaringen insluit. Een leven zonder ervaring heeft geen doel. Het moet dus ons doel zijn ons leven zo te vullen met ervaring, dat dit voor ons bevredigend is, terwijl het leven voor ons en de we­reld betekenis krijgt.” U begrijpt wel, dat die stelling eigenlijk nog doorklinkt tot in deze dagen toe.

U zou zeggen, dat bv. de kerk van Rome weinig te maken heeft met het existentialisme, maar ook daar vergist u zich in. Weet u wie een van de grootste existentialisten is van de R.K. kerk? De stichter van de Jezuïeten, Ignatius de Loyola. U zult misschien zeggen: “Ignatius was toch eigenlijk een mysticus.” Ja, maar hij was in de eerste plaats existentialist. Want hij bouwde de volgende bestaansleer op: “Wij worden door God in het leven gesteld. Dan is het onze taak om dat leven zo te gebruiken, dat alle mogelijkheden daarvan volledig uitgebuit worden binnen datgene, wat God ons toestaat te volbrengen.”

Vandaar dat Ignatius met zijn Jezuïetenorde ook zoveel moeilijkheden had. Want hij filosofeerde niet alleen. Hij stelde geen mooie overpeinzingen op en scherpe redevoeringen, maar hij handelde ernaar. Wanneer men bij Ignatius kwam, dan zei men: “Wat moet ik doen?” En dan zei hij heus niet in de eerste plaats: “Ga je verzinken in God.” Dan zei hij: “Kijk eens, het leven bestaat uit een paar delen, en die moeten we met elkaar weten te verenigen. In de eerste plaats leeft elke mens in de geest. Zo moeten wij de geest vullen met waardige gedachten. Maar op een zodanige manier, dat wij ze zelf ervaren en ondergaan.”

Dat is niet alleen maar een leerstelling van hem. Want als u op het ogen­blik misschien nog in de gelegenheid bent om de voorschriften, die hij voor zijn Orde maakte, door te lezen, dan zult u ontdekken, dat deze Ignatius, wiens Orde zo’n klein beetje in diskrediet is, een reeks mentale oefeningen heeft voorgeschreven, een reeks van meditatie en contemplatie oefeningen, met daarbij gepaard bepaalde lichaamsoefeningen, die zeer dicht bij het yogi‑systeem komen, maar dan natuurlijk in de zin van zijn kerk. Daarnaast zei hij: “Voordat je daar­ mee begint, ga maar naar de keuken en begin af te wassen. En schrob de plavui­zen maar.”

Het was ook Ignatius, die juist omdat hij ‑ laten we dat niet vergeten existentialistisch dacht, de regel gaf dat niemand langer dan een bepaalde tijd een functie kon bekleden. Op het ogenblik is dat nog zo. Je bent bij de Jezuïeten vandaag pater econoom, het volgend jaar nog pater econoom en dan ineens, tot je ontsteltenis, ben je de man die de vloeren schrobt of die de deur opendoet elke keer wanneer er de een of ander belt. Dat is natuurlijk niet altijd prettig, maar het leert je, het leven zelf te beleven en je niet vast te houden aan de functies van het leven.

Nu komen we meteen een beetje naar het moderne existentialisme toe. Ik weet dat men een groot gedeelte daarvan aan Sartre toeschrijft. Nou is deze grootmeester van het pessimisme in mijn ogen geen existentialist, maar alleen een grote zuurpruim. U moet me niet kwalijk nemen, dat ik dat zo zeg, maar dat meen ik nu uit het volst van mijn hart. Want wat zegt Sartre? “Er is in het leven toch eigenlijk niets te beleven, er is geen doel. Dus het doel van het leven is je uit te leven; en wel op zo’n manier, dat je er zo goed mogelijk af komt.” Daar hebben zijn leerlingen van gemaakt. “Dus doe en laat maar wat je wilt, vertrap alle regels met handen en voeten; en doe dan maar, alsof je zeer vergeestelijkt bent.” Onzin natuurlijk, maar dat zien we altijd met die richtingen. Zoals er bij de Jezuïeten zijn geweest, die Ignatius’ leer van het doelbewuste leven omvormden tot het leven voor het doel ‑ ongeacht de middelen ‑, zo heeft men de pessimistische wereldbeschouwing van Sartre, die in het leven nu eigenlijk niets ziet dat het leven waard is, omgevormd tot een soort van uitspattingen theorie, waarbij je als uniform zo vuil en zo slordig mogelijk gekleed moet zijn.

Het moderne existentialisme, dat een reden heeft, dient zich meestal maar aarzelend of helemaal niet onder die term aan. Wist u dat er een humanistisch existentialisme bestaat? Humanistisch, dat is menswaardig; existentialisme is bestaansleer. Dus een menswaardige bestaansleer, zou je kunnen zeggen. Maar nu kun je dat humanisme natuurlijk op verschillende manieren beleven. Laten we vaststellen, dat er heel veel humanisten zijn, die beginnen met mooie praatjes. Dat zijn geen humanisten. Dan heb je humanisten, die menen dat zij voldoende doen, wanneer ze proberen voor een medemens het leven levenswaardiger te maken. Maar de humanistische existentialist gaat nog een stap verder. Die zegt: “Het leven betekent alleen wat, wanneer ik met mijn hele wezen in dienst der mensheid voor mijzelf de voldoening van het leven weet te verwerven.” Daar gaat de weg naar toe.

Er zijn natuurlijk altijd grenzen. Een existentialist erkent deze, voor zover ze voor hemzelf van toepassing zijn. Maar hij heeft zijn visie, zijn gedachten, zijn ideaal. En zijn hele existentie, zijn hele bestaan, wordt door hem ‑ want dat is het existentialistisch denken ‑ in dienst gesteld van deze gedachte. Dan gaat hij gewoon zijn hele wezen daarop instellen.

Een aardig staaltje van humanistisch existentialisme, dat nog niet zo lang geleden op schrift werd gesteld, vertelt ons: “Een humanist tracht te leven op een wijze, die de mensheid waardig is. Er kan geen ogenblik in het leven zijn, dat deze gedachte hem niet vervult en doordringt, zodat hij voortdurend en te allen tijde zal zoeken naar een daadwerkelijke mogelijkheid om het menswaardige uit te drukken. Metterdaad.” Daar heb je nu het existentialisme metterdaad.

Leven, dat is op zichzelf voor sommigen een onaangenaam, voor anderen een aangenaam iets. Ieder bekijkt dat zo’n beetje op zijn manier. Maar werkelijk leven, dat wil toch wel zeggen: voortdurend bezig zijn. Bezig zijn met datgene dat je bezighoudt. Je leven dus maken tot een actief iets.

Bij de communistische partij vinden we ook existentialisten. En nu moet u eens opletten, hoe eigenaardig de absolutistische gedachte tot een vervormd existentialisme leidt. Er bestaan op het ogenblik hogere kringen in Rusland, hoofd­zakelijk samengesteld uit erfgenamen van kunstenaars, wetenschapsmensen en derge­lijke. Dat zijn kinderen, die voor de daar geldende normen rijk zijn. Die houden er een eigen landhuisje op na, enz. Deze jonge mensen kunnen geen communist meer zijn. Want als bezitters past het communisme niet bij hen. Maar zonder drijfveer binnen dat communisme moeten ze toch proberen iets te vinden om voor te leven. En zo werd dan oorspronkelijk de theorie ontwikkeld, dat het leven omwille van de daad belangrijker is dan het leven omwille van de idee of de verdienste.

Men zei daar bv. : “Niets doen, alleen maar wat feestvieren en zo (u zou niet zeggen, dat dat bestaat achter het ijzeren gordijn, maar het is er toch heus), dat is eigenlijk geen leven. Dus werk, maar werk voor niets. En werk zo, dat je op elk ogenblik weg kunt lopen.”

Toen kwamen er anderen, die zeiden: “Ja, maar laten we nu alsjeblieft niet zo kinderachtig zijn om alleen maar te gaan werken om te werken. We willen er aardigheid van hebben. En wanneer wij eens een keer wat werken, dan moeten daar feestjes of uitspattingen en genietingen uit voortkomen.” En dat is ook gebeurd. Zo heeft men eigenaardig genoeg in de bovenste klasse van Moskou hetzelfde gedegenereerd existentialisme, dat we in St. Germain des Prés tot voor kort vonden.

Nu zijn er ook Nederlanders die existentialist zijn. En een existentialist is ‑ ofschoon men dat meestal wil vergeten ‑ een eenzijdig mens. Want het leven en de daad plus zijn gestelde doel vullen alles in hem. Er blijft geen tijd voor wat anders over. Niet in theorie, maar in de praktijk. Zo was bv. Jan Pietersz. Coen eigenlijk ook een existentialist. Want hij zette zich een doel, vulde daarmee al zijn uren en wist uiteindelijk ten koste van wat – daar praten we niet over – zijn ideeën te allen tijde te verwerkelijken of bijna te allen tijde dan. Hieruit krijgt u vanzelf al een klein beetje inzicht in wat het beruchte woordje, dat ik nu al zo veel gebruikt heb, betekent.

Laten we nu eens even nagaan, hoe wij het existentialisme zouden moeten gaan vertalen in bv. de termen van onze Orde. “Elke daad,” zouden we dan moeten zeggen, “is zo belangrijk, dat niets doen, terwijl een daad mogelijk is, eigenlijk een misdaad is. Het stellen van de daad geschiedt omwille van de daad. Maar bij elke daad stelling worden we geleid door een ideële gedachte. De algemene wetten en regels gelden voor ons niet.”

Dat is typisch existentialistisch. In het bestaan verwerp je alle regels en wetten, die niet passen bij je streven. Want ze zijn belemmeringen om tot de daad te komen. En zo zouden we dus vanuit de Orde moeten zeggen: “We ver­werpen alle wetten en regels, behalve de regels die wij in onszelf volledig voor waardevol en goed erkennen. En deze maken we tot deel van ons daadwerkelijk leven.”

Nu gaan we weer een eindje verder en dan gaan we ons afvragen: “Wanneer dat nu voor de Orde zus is en voor de Katholieke kerk zo, wanneer oude filosofen en moderne, uit het lood geslagen jonge mensen, zich aan deze levensgedachte vastklampen, wat moet daar dan de achtergrond van zijn?”

Nu geloof ik, dat we die achtergrond zo hier en daar kunnen vinden bij verschillende denkers. Spinoza zegt bv.: “Het recht is het hoogste goed, wanneer het recht niet uit de menselijke gedachte, maar uit het menselijk bewustzijn wordt geboren.” Dat schrijft hij in een van zijn brieven. Daar zit ook weer iets in, waar we houvast aan hebben. Het existentialisme is dus een leven vanuit ons bewustzijn

Waar vinden we nog meer? We vinden het bij Sri Krishna.

Vragen

  • Is het dezelfde als Sri Ramakrishna?

Nee, Sri Ramakrishna is weer een ander. Maar die hoort in dezelfde klasse. Alleen heeft hij ‑ als ik me niet vergis ‑ wat vroeger geleefd. Want de persoon, waarover ik het heb, is nog niet zo erg lang in onze wereld. Hij heeft wel lang geleefd. Ik geloof dat hij zo iets van 120 jaar geworden is. Maar daar ga ik niet over praten. Want dan gaan we praten over de “gezonde oude dag” i.p.v. over het existentialisme.

Maar goed hij stelde dan, op grond van oude geschriften, in moderne termen dit: “Bestaan is een opeenvolging van handelingen. Elk niet handelen wordt bij ons tot handelen op het ogenblik, dat het niet handelen voortkomt uit een bewust willen. Op het ogenblik dat het niet handelen of het handelen onbewust tot stand komt, is het niet waardevol en moet verworpen worden. Slechts het bewuste leven geeft ons de mogelijkheid om alle grenzen te breken en de werkelijkheid te aanvaarden en te aanschouwen, boven alle schijn en begoocheling die rond ons zijn.”

Ik geloof, dat die oude Sri daar een heel aardig punt aanroert. Existentialisme is niet alleen maar het stellen van daden. Leven is niet alleen maar een opeenvolging van daden. Maar het is het doelbewuste, overlegd en beredeneerd stellen van daden, of bewust niet stellen van daden. Dus je doet niet niets, omdat het toevallig zo uitkomt. Maar je doet niets, omdat je een reden hebt om niets te doen. Je hele leven wordt gedicteerd door de redenen, die uit je bewustzijn voortvloeien. Dan kunnen we ook begrijpen, hoe hij uit die oudheid aan zijn leerstellingen, die ik toch ook onder de Brahmans‑existentialistische gedachte zou willen rekenen (hij stamt n.l. ook uit een Brahmaans geslacht), hoe hij daar eigenlijk aan komt. Want in de oudheid leerde men dergelijke dingen ook. Alleen in de oudheid was het makkelijker om die dingen door te voeren. Het is nu wel heel aardig om tegen u te gaan zeggen: ‘Word maar eens existentialist; ga elke daad overwegen.” Maar je komt er zo moeilijk toe.

Daarom vinden we onze troost bij een heel oude; bij Raj Ala. Deze oude heer, een Kopt, heeft zo ongeveer een 200 jaar na Christus’ geboorte eens neergeschreven: “Het is niet het volledig bewust Jezus’ leer volgen, dat voor ons betekenis heeft, maar ons streven naar het bewust volgen van zijn leer.”

Kijk, daar komt weer iets, wat binnen het existentialisme ook toepasselijk is. Want wij kunnen in de moderne tijd ‑ of in de oude tijd, wat dat betreft ook misschien ‑ nooit zeggen: “Wij zijn volledig bewust, wij weten alles, wij overleggen alles; en er gebeurt nu eens niets, waar wij van tevoren niet over beslist hebben.”

Maar daar gaat het niet om. Want dan zouden we ook weer statisch zijn. We zouden ook weer niet verder komen. Dan zou je een zekere methode van leven hebben en daarin vastkleven. Nee. Ik voor mij, ik geloof, dat het streven, dat streven naar dit doel, belangrijk is. Dat je een weg hebt die je kunt gaan. Dat zijn punten, waar we eigenlijk nog eens heel rijpelijk over moeten nadenken. Nu wil ik u nog een paar aardige kleine voorbeelden geven, voor wat men eventueel existentialisme zou kunnen noemen. “De bestaansleer behoort uit te drukken een continuïteit van bestaan, die wordt beleefd in een voortdurend stijgend bewustzijn, met een steeds grotere beheersing, zonder voleinding. Op het ogenblik, dat er een voleinding komt, is het bestaan als zodanig ten einde en blijft er een zijnstoestand over, die niet vergeleken kan worden met onverschillig welke bestaanstoestand.”

Nu is dat een heel scherpzinnig onderscheid, maar u weet hoe die vaklui zijn op dat gebied. Als u spreekt over een flesje met bleekwater, dan gooien zij vijf chemische formules er bij en spreken zij over een ampule van CHOD c4 H32O. Dat hoeft u overigens niet na te zoeken, die formule, want die bestaat niet. Wat dat betreft is het net als met de wijsheid van vele wijzen: die klinkt aardig, maar die bestaat in feite ook niet. Het verschil tussen bestaan en zijn wordt uitgedrukt in het verschil van beleving, dus van innerlijke toestand. Zijn kan bestaan insluiten. Maar bestaan op zichzelf kan nooit zijn zonder meer betekenen. Het zijn stelt een bewustzijnstoestand. Het bestaan stelt een vorm en een handelingsmogelijkheid en een conti­nuïteit, meer niet. Dus in het bestaan treedt de tijd op, de bewustwording, de ontwikkeling. In het zijn zelf kunnen deze optreden, maar zijn ze niet noodzake­lijk. Dat wilde men zo uitdrukken.

Het is ook logisch. Wij bestaan op het ogenblik, want we zijn beperkt. Wanneer we met alle dingen één zijn, dan kunnen we niet meer zeggen: “Dit ben ik en dat bent u.” Dan kunnen we alleen maar zeggen: “Ik ben.” Op het ogenblik zeg ik wel eens zo: “Nu, daar moet je de oude Frans geen verwijt van maken.” Maar als ik zover kom, durf ik dat niet meer te zeggen. Want dat deel van mijn wezen heeft Jantje geheten; en dit deel heette Kees, en dát Janus en dát Pierre, en dat Jean, en dat Gincomo. Dus de naam, de persoonlijkheid, enz. valt weg. Maar zolang als­ ik nog beperkt ben, heb ik een doel waarheen ik streef. En dus vul ik mijn hele­ zijn met belevingen, die elk voor zich dienen voort te komen uit een bewust stre­ven van mijn kant. Ik kan niet alle gebeuren beheersen, maar ik kan wel bewust streven in een bepaalde richting en trachten alle gebeuren en beleven onderdanig te maken aan dat doel.

  • Mag ik nog een paar dingen hierover vragen? Bij al die verschillende exis­tentialisten: Sartre, Heidegger, Kierkegaard, allemaal, is me opgevallen, dat er overheersend in hun beschouwingen een soort van angst is, levens­angst. En daar begrijp ik niets van. Want als we Sartre nu nemen, die het leven “een walglijke zinloosheid” vindt, dan begrijp ik niet, waarvoor die angst dan nog verder dienen moet. Als er geen enkele norm is, als je hangt boven een luchtledig of in een luchtledig,” dan heeft angst geen zin.

Ik heb zonet al gezegd: Ik vind die oude Sartre, maar een zuurpruim. Want dat is nou juist het ellendige. De existentialist in negatieve zin (zo zijn er jammer genoeg ook) zegt het leven te ontkennen, maar acht zichzelf in zijn levensontkenning zo belangrijk, dat hij alles aan die levensontkenning en aan zichzelf tracht te ontroven. Dus is er geen angst voor het leven. Nee, er is een angst, dat het leven de gedachtegang van of het nou Heidegger is, of Sartre of een ander ….zou kunnen wraken. En dat is nu juist de eigenaardige tegenstelling die we vinden tussen de positieve exis­tentialisten en de negatieve. Heeft u de positieve ook gevonden?

  • Ja, wel degelijk. Marcel bv. Maar er is in Sartre iets, wat ik buitenge­woon boeiend vind: de tegenstelling die hij maakt tussen het “en soi” en het “pour soi.” En daarin heb ik om zo te zeggen de Orde terug gevonden wat betreft de kosmologie. Als hij begint met te zeggen, dat het zijnde in zich alleen maar het volstrekt zijnde is, zonder enige deling, en dat als het over zichzelf gaat denken, het zich buiten zich gaat projecteren en dat we dan het “pour soi” krijgen, dat is eigenlijk de hele kosmologie, die de Orde ook leert.

Ja zeker. Maar welke consequentie trekken ze er uit? Daar gaat het nu juist om.

  • Ja, de vreemde conclusie dat “pour soi” en “en soi” nooit samen kunnen vallen, dat dat waanzin, absurd is. Dat lijkt mij nu juist absurd.

Ja, dat lijkt mij ook. Kijk eens, wanneer men nu eens redelijk gaat overwegen. Wanneer ik leef in het grootkosmische, dan kan ik wel zeggen, dat het zinloos is in mijzelf te leven, maar dat is het alleen wanneer ik mijn ogen­blikkelijk leven en mijn ogenblikkelijke persoonlijkheid ontken. En als ik dat zou doen, zou ik de consequentie ervan moeten trekken en zo voortdurend zelfmoord moeten blijven plegen ‑ onverschillig in welke sfeer ik ook kom ‑ dat ik op de duur niet meer afzonderlijk besta. Wie van ons wil deze consequentie trekken? Sartre niet, dat weet ik wel zeker. Dus, wat is de enige andere richting? Ik zou zeggen: de richting, die wij kiezen. Het je­ zelf beschouwen als onbelangrijk binnen het grote, maar belangrijk voor je­ zelf.

Ik leef. En ik moet in dat leven alles zien te vinden wat voor mij van belang is. Daar hoort van alles en nog wat bij. Daar hoort bij mijn eten en mijn drinken, zeker, maar ook mijn denken, mijn vermaak, kortom alles. Wanneer ik die dingen niet heb en ik lijd daar armoede aan, dan kan ik daar geestelijk soms nog een tegenwicht tegen vinden. Maar heb ik dat ook niet, ben ik dan niet meer? Ben ik dan alleen deel van het grote zijn? Neen. Kan ik dat dan voldoende maken voor mijzelf en zeggen: Ik ben deel van al­les! Ook niet. Stelt u zich nu voor, dat ik tegen u zeg: “Hoor eens, u hoeft niet meer te eten, want alle eten, wat er op de wereld is, is deel van u.” Zou u dan minder honger krijgen na een paar dagen?

  • Stellig niet.

En dat is nu juist hetgeen men daar over het hoofd ziet. We moeten logisch zijn. Ons eigen leven is voor ons belangrijk, door de beperking van onze be­wustwording, ons bewustzijn. In deze beperktheid moeten wij leven, ook ter­wijl we eigenlijk weten direct deel van het ondeelbaar Groot‑Zijnde te zijn. Voor onszelf zijn we deel. Voor het Groot‑Zijnde zijn we eenheid met het IK. Dat weten we. Maar hebben we daar wat aan? Zolang we het ons niet reali­seren, niet. Dus we baseren ons op het zelf‑leven. En nu blijkt ons, dat dit zelf‑leven voor ons de bevrediging meebrengt, dat we uiteindelijk zonder een ondergang, de eenheid realiseren van het zijnde. Dat wil zeggen, dat ons wezen bewust in het geheel opgaat en dan wel daadloos wordt, maar lang nog niet bewusteloos. Dat klinkt misschien wat gek, dat bewusteloos, maar het bedoelt zonder bewustzijn. Bij ons is het dus positief. En waarom kunnen wij in dat positieve ‑ wat u toch hoop ik zult onderschrijven ‑ geestelijk heel veel rust, heel veel kracht, een veel redelijker levensaanvaarding aan u leren? De oplossing is zo simpel, als het maar kan. Omdat wij uitgaan van wat voor u het enige uitgangspunt is: Uw persoonlijkheid. Uw wezen. We gaan ook van ons wezen uit. Het is mooi om te praten vanuit het kosmische, of vanuit het Zijnde. Het is goed om ons er eens mee bezig te houden en ons dat voor te stellen. Maar als het er op aankomt, wat kunnen we anders doen dan van onszelf uit­gaan? Wat hebben we anders voor een aanknopingspunt? Niets. En juist door dat te doen, komen we dus tot een existentialisme waar ik dadelijk nog wat meer over zeg, als ik uitgepraat ben hier met de discussies.
Dus is er nog iemand, die er wat over heeft op te merken? Ik heb een vergelijking gemaakt tussen India en het Westen. Er is toch verschil tussen beider opvatting. Laten we dat dan eens eventjes zuiver stellen. Wat is het enige verschil? De manier, waarop we van onszelf uitgaan. En dat is heel logisch. Want nu kunnen wij wel begrijpen hoe ze in India denken, maar we kunnen het niet beleven. En zo gaat het met veel andere dingen ook. Kijk eens, dan komt men weer op hetzelfde neer, een existentialisme moet van de eigen existentie uitgaan. Op het ogenblik dat het een algemene stelling wordt, die dus uni­verseel moet worden toegepast en moet uitgaan van een universeel punt, dan lopen we vast.

  • Ja, dan gaat men van buitenaf beginnen i.p.v. van binnenuit.

Ja. Weet u, ze zeggen altijd: God schiep hemel en aarde. En van God uit was het logisch, dat Hij eerst de hemel schiep en toen de aarde. Maar als een mens nu eens dit had moeten maken, hoe was hij dan begonnen? Dan had hij de aarde gemaakt en daarna de hemel. Wanneer nu een mens op een gegeven ogen­blik die aarde wil gaan beschrijven en erkennen, wat eigenlijk hetzelfde is, wat een existentialist dan wil doen met het zijn, met het leven, met het bestaan, dan is hij toch een grote dwaas als hij probeert ‑ wat hij niet eens kan ‑ eerst te komen op de plaats, waar God stond op het ogenblik van de schepping, om dan de hemelen na te gaan en dan eindelijk het kleine stukje aarde te zien. Dat is heel aardig; dan zeg je: “Nu, zo’n stofje in de ruimte, daar leef ik nu op; wat is daar nu aan?”

Ja, maar draai het nu eens om. Ga eerst eens die aarde leren kennen met al haar wonderen. En ga met de kennis van die wonderen ‑ de wonderen van het kleine a.h.w. ‑ nu eens de sterren zien. Dring vandaar door in de kosmos. Dan wordt die hele kosmos veel wonderlijker voor u. Maar die aarde verloochent u niet. U ziet haar nietigheid, maar ook haar schoonheid. Wanneer wij ons eigen leven helemaal leren kennen, ons eigen wezen le­ren doorgronden, wanneer wij de ervaringen hebben opgedaan, die voor ons nodig zijn, dan weten we zoveel over het leven, dat we de onbelangrijkheid van ons eigen leven misschien kunnen beseffen, maar de schoonheid daarvan, de schoonheid van de zijnsuiting vanuit het Goddelijke, nooit zullen verge­ten. Dan heeft het leven wel waarde.

  • Mag ik nog even dit vragen: Zoals Kant bv. zegt: “Het Ding an sich is nooit te peilen door ons, want we komen nooit buiten onze eigen innerlijke belevingen, onze bewustwordingen,” zo redeneert toch eigenlijk Sartre ook, als hij zegt: “Wij kunnen toch nooit verder reiken dan onze eigen menselijk­heid. Het andere kunnen we misschien als middel gebruiken om er iets mee te doen; maar verder dan onszelf kunnen we niet gaan.”

Ja. Dat is tot zekere hoogte waar. Kant zegt: “Das Ding in sich kan men niet kennen.” Maar zodra men zegt: “Das Ding in mich, in mij,” dan kan ik het wel kennen. Dus m.a.w. Kant laat de mogelijkheid tot absorptie open, die Sartre ontkent. En daar ligt nu juist het eigenaardige. Denkt u zich nu eens in, heel gewoontjes en nuchtertjes, dat men als mens leeft volgens die opvattingen, dan kan men zeggen: “Ik heb een ander mens lief, maar ik kan die mens nooit kennen.” Dat is ten dele waar. En ook ten dele onwaar. Want al zult u misschien die mens niet redelijk kun­nen verklaren, u zult er onnoemelijk veel van weten. U zult heel veel van die dingen uzelf eigen maken.

U weet wel, wat ze zeggen als een echtpaar de eerste 70 jaar huwelijkstrouw achter de rug heeft. Dan zijn het geen echtelieden meer, dan zijn het tweelingen. Zozeer zijn ze op elkaar gaan lijken, hebben ze zich bij elkaar aan­gepast. Zouden we dat dan misschien ook zo kunnen zeggen i.v.m. die opmer­king over Kant van u. Je kunt doordringen in een andere persoon en een volledig deelgenootschap krijgen, waardoor het deel‑ik van de oorspronkelijke persoonlijkheid nu opgaat in het gezamenlijk ik, dat door de tweeheid wordt uitgemaakt. Zo kan ik verdergaan.

  • Ik meende, dat als iemand zegt, dat hij een ander liefheeft, hij meestal de voorstelling, die hij van de ander heeft, liefheeft.

Ja, maar laten we nu eens eventjes verder kijken. Is het mogelijk de illusie, die je op de eerste dag van het huwelijk hebt, tien jaar te bewaren? Wat denkt u?

  • Neen, dat verandert altijd.

Juist. Dus je begint inderdaad met de zelfprojectie in een ander te bemin­nen, dat is waar. Maar je komt tot het accepteren van de ander; dat is het einde. Langzaam maar zeker wordt de werkelijkheid dus meer en meer tast­baar. Je zou het je zo kunnen voorstellen: neem twee soorten water, twee hoeveelheden water. Scheid die door een schotje, dat een beetje poreus is. Zeg nu : Hier doe ik wat aniline in; dat laat ik blank.” Wat zie je na ver­loop van tijd? Beide zijn gelijk. De aniline is door het filter heen ook bij de ander terecht gekomen. En vanaf dat ogenblik kunnen ze zeggen, dat ze elkaar kennen, omdat ze elkaars evenbeeld zijn. Zo, op het ogenblik, dat ik iets leer kennen en begrijpen, zal ik iets van die eigenschappen gaan aannemen; daar ontkom ik niet aan. Maar ik zal de dingen ook gaan begrijpen. Ik kan dus bepaalde dingen in de kosmos wel degelijk leren kennen. Niet zolang ik ze beschouw als “das Ding in sich,” als het ding, dat buiten me staat. Maar zodra ik ze als deel van mezelf ga beschouwen, leer ik ze kennen, kan ik er doordringen en kan ik er één mee worden.

Zo zou in theorie ‑ en in die praktijk, naar men mij verzekert, ook ‑ de geest langzaam maar zeker steeds hoger gaande, steeds intenser zich mengende met andere levensdelen, groter worden in persoonlijkheid, terwijl die persoonlijkheid in zich veel meer factoren sluit. Maar dan is het bewustzijn van alle in dat groot geworden “ik” bevatte factoren alomvattend. Dat is nu juist de leer, die wij eigenlijk brengen op dat gebied. Pro­beer zoveel mogelijk met andere dingen één te worden. Droom er niet over. Meen niet dat je ze apart kunt zetten of zo. Zoek de overeenkomsten met uw persoonlijkheid. Begin met te verdragen, opdat u leert begrijpen. En wat is begrijpen? Iets begrijpen wil zeggen: waarden, die in het ik aanwezig zijn, in een ander, buiten het ik, erkennen. Dan hoeft er geen projectie meer te zijn, al is in het begin heel vaak een gedeeltelijk begrijpen slechts een projectie van eigen waarden in een ander, waar ze niet zijn. Maar op de duur leert u, wat van u daar werkelijk in bestaat en wat, niet. Dan kent u een heel klein deel van die wereld, die mensen, die dingen, die planten, die bomen, die dieren, die geesten, enz.

Nu kunt u door dat weinige van uzelf, dat u in een ander terugvindt, die ander liefhebben. Dan zult u ontdekken door deze aanvaarding – want de liefde, gebaseerd op enkele punten, is door zijn eigenaardige structuur alomvattend, dus neemt het niet‑gekende erbij op de koop toe ‑ dat u lang­zaam maar zeker gaat doordringen in waarden, die niet meer blijken te zijn weerkaatsingen van uzelf, maar complementen, aanvullende waarden van in uzelf levende factoren. En waar een aanvulling plaats vindt, daar kan het geheel overzien worden.

Zo groeien we allemaal. Misschien nu als eenling, morgen misschien als deel van een veelheid, die wel als eenheid optreedt, maar die in zich de zielen van 20, van 100 mensen bergt. Uiteindelijk één met de schepping, waarin het totaal van het zijnde bevat is en waarin wij door ons deelgenootschap het volledig bewustzijn kunnen verwerven. En daarom juist moest ik Sartre afkeuren. Juist daarom moest ik het existentialisme in negatieve zin afbreken, omdat het in positieve zin o.i. aangeeft de enige werkelijke weg tot bewustwording. De weg, die voert door beleving, door zoeken, door voortdurende daden en voortdurend streven tot een steeds grotere eenheid, een steeds groter begrip van de wereld, van de mensheid, van de kosmos – waarin alle sferen ‑ uiteindelijk van het Groot‑Zijnde, waarin de Schepper Zelf Zich onmiddellijk openbaart.

  • De neiging van de existentialist om geen andere normen te erkennen dan zijn eigen normen, is iets wat wij toch eigenlijk ook doen in de Orde?

Ja, natuurlijk. Wij erkennen ook alleen onze eigen normen. En dat is ook heel logisch en heel redelijk. Want we hebben zojuist gezegd: “We moeten van binnen uit beginnen met leven.” En als we nu van buitenaf regels gaan invoeren, waar we het van binnen niet mee eens zijn, dan gaan we a.h.w. onze benen afhakken, terwijl we willen gaan wandelen. Dus dat is dwaas. Kijk eens, men moet het zo bekijken:

Een gemeenschap heeft normen die men moet aanvaarden, zo­ lang men wenst deel van die gemeenschap te zijn. Daaraan kan ook een exis­tentialist zich niet onttrekken. Maar buiten datgene, wat voor de gemeen­schap schadelijk of nuttig is en behoort tot uw functie als deel van die gemeenschap, zijn er heel veel dingen, waar die gemeenschap niets mee te maken heeft en waar ze zich toch druk mee bezig houdt.

Wat dat betreft is Holland altijd zo’n mooi land geweest. Mensen, die gluren achter horren en gordijnen en glimpen van blikken werpen over raamkozijnen, zoals de een of andere rijmelaar het eens zei. Zo klein, zo machtig klein. Nu, Holland is klein. Het is misschien eens machtig geweest, maar het is nu machtig klein, daar heeft hij gelijk in.

Zo zijn heel veel mensen, dus de maatschappij is ook zo. Wanneer die maatschappij je gaat vertellen met wie je naar bed mag gaan, met wie je mag eten, met wie je mag spreken en met wie je mag spelen, waar je mag werken en wat je mag drinken, hoe laat je naar bed moet gaan en hoe laat je moet opstappen, dan zeg ik, dat die maatschappij daar weinig mee te maken heeft. Daar heeft ze alleen wat over te zeggen, indien ze die maatschappij bedreigen. Dus voor de rest ben ik aangewezen op mezelf. En mijn eigen innerlijk beleven, mijn innerlijke toestand, dat zijn de werkelijke normen, waardoor ik een geestelijk bewustzijn kan verwerven.

Vanuit mezelf leer ik door ervaring steeds meer. Dit kan men wel en dat kan men niet. Maar dat klopt soms helemaal niet met die maatschappij. Wat dat betreft zijn we dus ook wel zeer getrouwe existentialisten; alleen met één verschil: de existentialist meent dat het verwerpen van de regel een plicht is. Voor ons is het een mogelijkheid. Zodra n.l. een regel of een plicht, ons opgelegd door anderen, voor onszelf een rem wordt tot verdere bewustwording, dan menen we die terzijde te mogen zetten. Tenzij een zeer grote schade voor anderen of voor de gemeenschap daaruit zou ontstaan. In dat geval moeten we een weg zoeken, waarbij beide partijen aan hun deel komen.

Vuur

Laaiende vlammen. Iets, wat verteert en verterend wordt tot een licht, dat leeft, dat veel aantast, maar buitendien ook weer warmte, gloed en leven geeft. Vuur kan branden op de wereld en het is het eerste geweest waarmee de mens de wereld leerde beheersen.

De eerste mensen, gezeten om het eerste vuur, waren meesters over de wereld geworden. Maar het was slechts het vuur buiten hen dat ze leerden beheersen. Want niet alleen in de natuur en buiten ons brandt het vuur. Maar in ons ‑ mens en geest ‑ komt het soms opstijgen, onweerstaanbaar als een kosmische storm. Dan laait het in ons als een helle gloed. Dan doet het ons licht uitstralen. Dan komt het als een begeestering en het klinkt in woord en gebaar en van alle kanten. Dan voel je je gedragen op onzichtbare vlerken, die misschien wel als geestelijke vlammen uitwieken. En je schiet de duisternis in, ergens je licht met je dragend, verterend jezelf, terwijl je leeft en levend, doordat je jezelf verteert.

Vuur. Vuur in een mensenziel. Vuur in een woord en in een gedachte. Een vurig streven, dat je voortstuwt.

Ach, alle vuur vraagt brandstof. Vuur is een verschijnsel. Een verschijnsel dat veel tot stand kan brengen, maar niet geboren kan worden zonder dat het eerst uit warmte, brandstof en zuurstof geboren is. Drie krachten zijn er altijd voor nodig om het vuur te doen branden. Ook in ons.

Want ons vuur moet ontstaan uit de brandstof van een bewustzijn. Een bewustzijn, dat zich verbindt met een voertuig, met materie en met geest. Het moet ontstoken worden door de goddelijke kracht die in ons werkt. De goddelijke kracht, die voor een ogenblik flitsend iets in ons leven beroerend, wegkaatsend weer, vóór je het gevangen hebt, ons zijn gloed achterlaat, een enkele vonk, die in het wezen begint door te werken en je omhoog en omhoog en omhoog stuwt, totdat het je uitslaat en je het niet anders meer kunt zeggen dan: “Zó is het, zó moet het zijn.”

En dan kijk je niet wat voor offers je brengt. Dan verteer je je leven en je bestaan. Wanneer je werkelijk in vuur en vlam staat voor iets, dan vraag je niet naar de consequenties, dan denk je niet na: “Wat zal men van me zeggen? Hoe zal men dit zien?” Dan weet je alleen maar: “Dit is goed. Zo moet het zijn.”

Het vuur in een mens wordt geboren uit de veelheid van krachten in hem. Soms misbruikt hij het. Dan wordt het vuur, dat in een mens laait, tot iets dat een wereldbrand kan doen ontsteken. Iets wat landen vernietigen kan en mensen in rouw dompelen. Maar degene die zijn vuur angstvallig behoedt en het niet gebruikt om de wereld aan te stoken, zodat ze mee laait in dezelfde brand, maar om als een baken licht te geven aan een ieder die een weg zoekt, die heeft iets gegeven van het licht, dat God hem geeft.

Dan verteer je misschien. Zeker. Dan zal de vlam eens flakkeren en dansen, het vuur een ogenblik smeulen om dan weer hoog op te schieten. Maar je zult een baken zijn voor ieder. Dan zul je het goddelijke Licht, dat een ogenblik je bewustzijn met je voertuig, met je leven in je sfeer verbond, gebruiken om anderen te leiden. Niet om anderen te laten lijden. Niet om jezelf te verhogen. Maar jezelf zijnde in deze kracht die in je werkt, voel je, hoe de vlam in je opstijgt.

Een mens kan dat soms voelen. Dan trekt het omhoog langs de ruggengraat, hoger en hoger, tot het schijnt als een laaiende tong door het hoofd uit te stoten en uit te grijpen naar de sterren. En dan weet je voor zo’n ogenblik: “Mijn stoffelijke werkelijkheid bestaat niet meer.” Dan weet je: “Nu leeft in mij een kracht, die eeuwiger is en groter dan mijn bewustzijn van dit ogenblik, mijn denken en leven kan bevatten.” En wanneer je dat weet, is het goed.

Wanneer je dat weet, wanneer je dat vuur kunt dragen in je als een heiligdom, het kunt behoeden en voeden, altijd weer ‑ ook al kost het je je hele wezen – en het doen uitstralen met al zijn licht, met al zijn warmte en gloed naar de wereld rond je, dan laat je de werelden van duister ontwaken en opgaan tot het licht, dankzij het baken dat jij voor hen bent. Dan kun je anderen voeren tot vreugde en geluk en bewustzijn.

Ja, dan kun je soms ‑ klein als je bent ‑ een geestelijke zon worden, waaruit Gods Kracht doordringt tot een nieuwe wereld en daarin leven en vruchtbaarheid geeft. Dat is vuur.

De mens heeft het vuur vroeger vereerd als iets goddelijks. Nu beheerst de mens het vuur in de natuur, ofschoon het hem soms nog dreigt te overrompelen. Het vuur in ons is goddelijker dan het vuur in de natuur. Maar we beheersen het te zelden. Wanneer je kunt leren om het geestelijk vuur te hoeden en te verzorgen, te gebruiken, zoals de mens thans het gewone vuur gebruikt, hoe zal de wereld dan doordesemd zijn van Gods Kracht, van Gods liefde, van Gods werken. Hoe zal dan uit de geest een nieuwe stofwereld geboren worden, die de volmaaktheid in zich draagt van het goddelijk Licht, van het goddelijk Vuur, dat reinigt, maar ook leven geeft.

Vrienden, moge dat Vuur altijd met ons zijn, in ons, als een Kracht die ons voort jaagt, ondanks inzinkingen, ondanks ogenblikken van twijfel. Steeds weer in ons gevende iets van het goddelijk Licht en ook steeds weer ons in staat stellend om voor allen rond ons iets te betekenen.

We hoeven niet zoetelijk of lief te zijn. Dat is het vuur ook niet. Het vuur kan fel zijn en wonden en bijten. Maar het doet dat alleen, wanneer het reinigen moet, het geestelijk vuur, ons geestelijk vuur.

Wanneer we dat bij ons mogen dragen, het zal ons zeker tot een zegen maken voor de wereld waarin wij leven, waar dan ook. En het zal meer zijn dan dat. Het zal ons louteren en reinigen en verteren, totdat wat in ons overblijft, de zuivere, bewuste essence van het mens‑zijn, van het geest‑zijn is, die opstijgt in God en in Diens verterend Licht zich thuis voelt, gelouterd, gelukkig, één,