Het ik bezien

 

‘De innerlijke weg’

Inleiding

De mens heeft een bewustzijn dat is opgebouwd uit het zgn. waakbewustzijn, het onderbewustzijn, de beïnvloeding door het gemeenschappelijke bewustzijn van voornamelijk de mensheid. Geestelijke voertuigen treden in het onderbewustzijn op en injecteren daarin ook geestelijke intenties, mededelingen en waarschuwingen.

Als wij de innerlijke weg willen beschouwen, dan zullen we rekening moeten houden met alles wat wij daarop tegenkomen. Dat is onder meer de wereld van onze voorstellingen, onze projectie. Het is onze poging om de werkelijkheid van ons wezen te ontlopen. Daarnaast zullen we ongetwijfeld ook worden geconfronteerd met de vele methoden die we gebruiken om toch dat innerlijk wat meer benaderbaar en beleefbaar te maken. Onthoud u daarom de volgende punten:

Verschillen die heel vaak worden gemaakt tussen meditatie en contemplatie, zijn voor ons doel eigenlijk niet zo belangrijk. In beide gevallen gaat het om een verdieping van het eigen innerlijke bewustzijn met een verhoging van de bewustzijnsdrempel naar buiten.

Er zijn andere toestanden denkbaar waarin dat innerlijk ook beter kan worden benaderd. Ze benaderen de trancetoestand hetzij zelf geïnduceerd, hetzij hypnotisch geïnduceerd. In al deze gevallen worden wij geconfronteerd met onszelf. Deze confrontatie met ons eigen ik kan in verschillende fasen uiteenvallen. Hiermee beginnen wij dan als eerste les

 

uit de cursus ‘De innerlijke weg’ (hoofdstuk 1) oktober 1983

Het ik bezien

Als u probeert een beeld van uzelf te maken, dan is dat zelden op de werkelijkheid gebaseerd. Het is een voorstelling waarin al datgene wat u graag zou willen zijn voor een deel wordt gevoegd bij datgene wat u gezien de feiten moet zijn. U ontloopt voor een groot gedeelte uw eigen werkelijkheid omdat ze moeilijk te aanvaarden is.

Wie nu de innerlijke weg wil volgen, zal allereerst moeten proberen erachter te komen wat bij de beschouwing van het eigen ik de belangrijkste factoren zijn.

Bespiegeling wil zeggen: het overwegen van jezelf. Maar in de bespiegeling, in de beschouwing van jezelf, heb je te maken met je innerlijke voorstellingen. Die zijn voor een deel illusie, ‑ ze zijn niet feitelijk waar op aarde. Je hebt te maken met allerlei halve beelden die met het verleden kunnen samenhangen. Dit zijn eigenlijk grotendeels fantasieën. Een kennis van mij heeft eens gezegd: “Het is opvallend hoeveel gereïncarneerden, die zich herinneren, koning, koningin, hogepriester, hogepriesteres etc. zijn geweest. Kennelijk waren er vroeger maar heel weinig slaven.” Ik ben geneigd dat te onderschrijven. Wij willen eenvoudig niet toegeven dat we in rang of in mogelijkheden minder zijn geweest dan de anderen.

In onze poging om onszelf te zien moeten we natuurlijk niet uitgaan van het standpunt dat we de mindere zijn van anderen. Wij moeten ons eenvoudig niet vergelijken met anderen. Op het ogenblik, dat we een vergelijking maken met wat wij zelf zijn en hetgeen er in de wereld bestaat, komen we als vanzelf tot een verkeerde waardering van ons eigen ik. Laat mij een voorbeeld geven:

Een jongetje droomt ervan voetballer te worden. Hij zou een uitstekend keepertje kunnen zijn, maar hij stelt zich steeds voor dat hij als een Cruyff in zijn beste tijd kan functioneren. Daartoe heeft hij echter niet de aanleg. Dan zegt hij: “Ik ben een aankomende Cruyff”, terwijl hij in feite misschien maar een aankomende Piet Schrijvers is.

Hier gaat het dus om het feit dat we niet altijd zijn wat we zouden willen zijn. Op het ogenblik, dat wij ons laten overrompelen door de beelden in de wereld buiten ons, gaan we de voorstelling van ons ik aanpassen aan iets wat we niet werkelijk zijn.

Om te komen tot een beeld van onszelf zouden we in een spiegel moeten kunnen kijken. Maar ook de spiegels die we hebben zijn meestal lachspiegels. In vele gevallen zal een spiegel, die een werkelijk beeld geeft, door ons als lachspiegel, als onredelijk, oneerlijk e.d. worden verworpen.

Als wij uitgaan van zeer oude stellingen die we in verschillende Indische geschriften nog kunnen aantreffen, dan geldt ongeveer het volgende: “Ik ben voor mijzelf het middelpunt van het heelal. Al wat ik doe, zend ik uit in dit Al. Maar mijn Al is begrensd. De begrenzing van mijn Al kaatst al datgene wat ik in de wereld zend naar mijzelf terug. Zo ken ik mijzelf aan al datgene wat ik buiten mij veroorzaak.”

De wereld kan een spiegel zijn. Het is geen prettige spiegel, hij vleit niet. Maar al datgene wat u als antwoord op uw daden uit de wereld ervaart ‑ of dat nu in overeenstemming is met wat u heeft bedoeld of niet ‑ kunt u nemen als een beeld van uw persoonlijkheid. Door deze spiegel regelmatig te gebruiken kunt u op den duur het beeld dat u van uzelf heeft zodanig corrigeren dat het iets dichter bij de werkelijkheid komt te liggen van uw innerlijke persoonlijkheid, van datgene wat u geestelijk bent. Deze benadering heeft u nodig, wilt u eigenlijk doordringen tot een nieuwe werkelijkheid die de innerlijke weg toch betekent.

Laten wij nu de zaken een beetje zakelijk aanpakken.

Een mens, die enigszins begint te begrijpen wat zijn werkelijke betekenis is tussen anderen, zal daarbij niet kunnen spreken over schuldgevoel of verdienste. Datgene wat je bent, ben je nu eenmaal. Het is geen verdienste.

Het is ook niet iets waarvoor je een “mea culpa” moet uitspreken. Datgene wat je bent, moet je aanvaarden. Je intenties, je bedoelingen zijn je persoonlijke zaak. Ze geven aan in hoeverre datgene wat je bent voor jezelf positief of negatief is. De intentie heeft echter weinig of geen inwerking op het resultaat van hetgeen je bent. Dit begrijpende is het mogelijk om jezelf een beetje te gaan afsluiten van de wereld, want de wereld om je heen is gevormd uit duizend‑en‑één illusies.

Er is een werkelijkheid. Maar die werkelijkheid wordt zodanig vertaald dat ze nooit wordt weergegeven in haar werkelijke zin en betekenis. Daarom: sluit de wereld een beetje uit. Je keert dan in tot jezelf. In jezelf zijn een ontelbaar aantal mogelijkheden en werelden. Het is alsof je in jezelf leeft met een bijenkorf vol dromen, waarvan elke droom op zichzelf je toch weer maakt tot een centraal punt en je het ene ogenblik verheerlijkt tot je bijna goddelijk bent, het volgende ogenblik je uitwerpt zodat je in de diepste modder ligt te spartelen. Al deze dromen zeggen iets over jezelf, maar ze zijn geen feiten.

Wanneer wij in onszelf keren, dan is de eerste wereld die we zullen ontmoeten de wereld van fantasie. Als we denken aan een hemel, dan denken we niet aan een werkelijkheid, dan denken we a.h.w. aan een sprookje. Het is zoiets alsof we ons duizend‑en‑één nacht bezighouden als een moderne Scheherazade en steeds weer vrezen dat, als het sprookje uit zal zijn, wij onthoofd zullen worden omdat de werkelijkheid dan niet meer is tegen te houden. Van die angst moeten we afkomen.

De fantasiewereld is aanvaardbaar omdat ze iets zegt over onszelf. Datgene wat u bestrijdt, is datgene wat u ergert. Onthoudt u dat goed. Ook als u druk bezig bent anderen te helpen, moet u eens opletten wat u feitelijk bestrijdt bij die anderen of voor die anderen. U zult tot de conclusie komen dat er een deel is dat in het leven voor u negatief is. En dat is natuurlijk weer een bespiegeling waardoor u zichzelf beter leert kennen.

Er zijn ook dingen die u steeds weer probeert te bereiken, maar die u ontsnappen. Het zijn uw dromen die duidelijk maken dat u wel een hoog doel heeft, maar dat u het op een verkeerde manier benadert. Vraag u eens af hoe die mislukkingen altijd verlopen. Waarom het net niet helemaal gaat? Waarom wat een lichte trip schijnt te zijn, opeens omslaat in de meest sinistere duistere trip die u zich maar kunt voorstellen. U zult tot de conclusie komen dat u op dat ogenblik uzelf eigenlijk niet kunt aanvaarden.

Een duistere trip is altijd het gevolg van een zelfverwerping. Ga uit van het standpunt: al datgene wat ik als positief ervaar van fantasiebeelden en dromen en wat ik verwerp en als door mij verworpen leer kennen, zullen mij een beeld geven niet alleen van wat ik ben, maar ook van de mogelijkheden die in mij berusten.

Om de innerlijke weg te gaan, moet je tenminste weten welke richting je moet inslaan, want er is geen algemene norm te vinden waarmee voor elke mens precies dezelfde weg mogelijk is.

Misschien heeft Jezus eens de weg goed omschreven toen hij zei: “Ik ben de weg en de waarheid” menende: “volg dat wat ik ben en gij zult de waarheid vinden”. De waarheid is datgene waardoor we niet meer gebonden zijn aan onszelf, waardoor wij kunnen opgaan in een gevoel van kosmische zinvolheid zonder gelijktijdig daarbij ons eigen voordeel of onze eigen belangrijkheid op de voorgrond te stellen. Het duurt lang voordat je zover komt.

Vraag je eens af wat het resultaat is van een meditatie, als je alleen uitgaat van veronderstellingen die ten aanzien van jezelf niet juist zijn. Je komt in een dromenland terecht. Je komt terecht in een wereld waarin je in feite alleen nog maar vecht tegen de monsters die niet bestaan en gelijktijdig voorbijloopt aan het goede dat voor jou reëel is. Een meditatie, die is opgebouwd op algemene begrippen kan ongetwijfeld het innerlijk wat verrijken. Maar een meditatie, die is opgebouwd op de werkelijke grondslagen van je persoonlijkheid, is er een die je doet doordringen in een innerlijke werkelijkheid die langzaam maar zeker een samenvoeging tot stand brengt van al datgene wat in je psyche als factor een rol speelt.

Dan kun je zelfs als mens de geestelijke waarden aanvoelen en kennen. Misschien niet vertalen in waarden, maar aanvoelen en daardoor je eigen plaats en betekenis in het geheel juister leren kennen. Het is de juistheid van dat wat we zijn die voor ons het meest belangrijke is. Want op het ogenblik dat wij datgene wat in geheel ons wezen als een drang, als een soort bevel bestaat, weten te vervullen, dan vervullen wij tevens al datgene wat nodig is om contact te krijgen met een totaliteit.

Het is reuzeleuk om jezelf dan op de ontleedtafel te leggen. Er zijn heel veel mensen die dat doen en ze zeggen dan: “Kijk, de hele we­reld is zo slecht. Als ik niet slecht ben, dan wordt de wereld ook niet beter. Maar als ik slecht ben, dan word ik er wel beter van in de wereld”. Dat is natuurlijk wel waar, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat er niet om of datgene wat er in de wereld gebeurt goed is of slecht. Het gaat erom of datgene wat u beleeft, wat u voor uzelf waarmaakt zo is te groeperen dat het voor uzelf voortdurend een aanvaardbaarheid heeft. Zodat u zich niet behoeft te verontschuldigen, maar dat u gewoon kunt zeggen: zo ben ik.

De hele wereld is gevuld met allerlei regels. Dat zal u zo langzamerhand zeker wel bekend zijn. Die regels en reglementen zijn zeker sociaal noodzakelijk. Maar een algemeen geldende moraal is gelijktijdig een verkrachting van de werkelijkheid voor een groot deel van degenen die aan die moraliteit onderworpen zijn.

Er is geen algemeen geldende zedenleer. Er is alleen een maatschappelijke zedenleer. Leren erkennen wat u bent, betekent ook begrijpen waar u zelf feitelijk staat ten aanzien van al die wetten en voorschriften welke u in uw leven nolens volens dan maar moet accepteren. Het betekent doordringen tot de werkelijke betekenis die voor u gelegen is achter al datgene wat volgens allerlei moraliteiten u wordt voorgesteld als het summum summarum van een geestelijk verantwoord leven.

Ik kan mij voorstellen dat er mensen zijn die in een klooster gaan, die zich van de wereld afzonderen en daardoor werkelijk kunnen beantwoorden aan datgene wat ze innerlijk moeten zijn. Maar ik weet ook dat ze slechts een kleine minderheid zijn onder hen die in de vele kloosters vertoeven. Hun gehoorzaamheid, hun zelf‑ontzegging, hun zelfkastijding zijn in vele gevallen eerder een vlucht voor dat wat ze zijn dan een waarmaken van hetgeen er in hen als hoogste waarheid leeft.

In vele rangen en standen in dit leven gebeurt precies hetzelfde. Je zegt tegen jezelf: zo moet je het toch wel doen. Zo is het. Het kan niet anders. Best. Uiterlijk moogt u eraan beantwoorden. Maar als u uw innerlijk een beetje begint te benaderen, als u eindelijk eens kijkt in de spiegel van wat er rond u gebeurt en waaraan u op welke wijze dan ook toch heeft meegewerkt, waarvoor u zeker ook medeverantwoordelijkheid bezit, dan zult u toch misschien anders reageren.

Het lijkt wel, of ik bezig ben met voornamelijk uiterlijkheden, maar vergeet niet, dat het volgen van de innerlijke weg het beklimmen is van een soort Jacobsladder die reikt tot in de hemel. Daarvoor moet je eerst een plaats hebben waar ze stevig kan staan. Als we niet het fundament hebben van een reële benadering van het eigen ik, hoe kunnen we dan door alle sferen die in ons vertegenwoordigd zijn, door alle wereldvoorstellingen die er in ons heersen doordringen tot de feitelijke werkelijkheid die op de achtergrond staat?

Leven is meer dan bestaan alleen. Bestaan is gemakkelijk genoeg: het vraagt weinig weerstand. Je kiest steeds de weg van de minste weerstand. Je stelt iedereen en alles verantwoordelijk voor alles wat je overkomt en je zegt tegen jezelf dat jij toch zo goed bent. Maar de werkelijkheid van je eigen wezen is juist, dat je tegen al die tendensen in iets moet waarmaken van jezelf, dat je niet deel kunt zijn van een massa: dat je een eenling bent. En dat je als eenling je eigen innerlijke wet hebt, je eigen innerlijke kracht bezit, je eigen doelgerichtheden kent. Zolang je niet weet wat ze zijn, kun je ook niet al datgene wat in je bestaat samenvoegen tot een geheel.

Natuurlijk, u bent deel van de mensheid. Als alle mensen denken en waarschijnlijk ook de gedachten van de vorige geslachten, want die blijven ook nog wel aanwezig, dan beïnvloeden die u. Dat is zonder enige twijfel waar.

Wanneer u stoffelijk leeft, bent u stoffelijk onderworpen aan al die eigenaardige en kleine variaties in aantrekkingskracht, in magnetisme, in lucht elektriciteit waardoor uw handelingen wel degelijk mede worden bepaald. Een astroloog zou u dat zeker kunnen vertellen. Maar dit zijn uiterlijkheden.

Op het ogenblik dat u die dingen maakt tot de dwingende factoren van uw bestaan, onderwerpt u zich; dan maakt u zich tot een wezen dat niet verder kan gaan dan het zuiver stoffelijke. Dan is elke poging tot zelfrealisatie, tot zelferkenning gedoemd schipbreuk te lijden, want het onverklaarbare is niet te verklaren.

Je noodlot vraagt om een droom waardoor het betekenis krijgt. Want de werkelijke betekenis van die dingen, de werkelijke samenhangen van het gehele kosmische spel kun je toch niet overzien.

U leeft. Wat is in uw leven belangrijk? En dan kunnen we dat menselijk opsommen: geld, bezit, seksualiteit, rang, stand, status, voldoening. Al die dingen tellen mee. Waarom? Omdat ze een vervanging vormen voor een zelferkenning die gelijktijdig de dwang van al deze factoren wegneemt. Wij kunnen het heel eenvoudig stellen.

U heeft een onderbewustzijn dat is geconditioneerd. Daar zitten allerlei factoren in die u al lang vergeten bent, maar die uw handelen wel mede bepalen. U heeft een waakbewustzijn dat eveneens voortdurend wordt geconditioneerd, d.w.z. het wordt gevuld met gegevens die maar voor een klein gedeelte waar zijn. Het grootste gedeelte berust op interpretatie. Daarachter ligt het bovenbewustzijn dat alleen in overeenstemming met hetgeen in u bewust leeft (dus ook in uw waakbewustzijn) een aanvulling, een versterking van kracht of gegevens voor u kan realiseren. En achter al die dingen zit het werkelijke ik, het geestelijke ik.

Dit geestelijke ik is wederom niet een volledige persoonlijkheid. Het geestelijke ego is eigenlijk geest: het is bewustzijn. In dat bewustzijn zitten allerlei hiaten, allerlei onevenwichtigheden en onregelmatigheden. Het feit dat u op aarde leeft is juist gebaseerd op de noodzaak die onregelmatigheden te corrigeren, het verloren evenwicht te herstellen. Maar in die geest zit ook datgene wat je werkelijk bent: de relatie die je innerlijk hebt ten aanzien van de gehele kosmos. Deze kosmische relatie zal je tot uitdrukking moeten brengen, al is het alleen maar in jezelf.

De innerlijke weg voert niet tot God zoals de mensen zeggen. Ze voert eenvoudig tot het prototype waarvan alle levens en levensverschijnselen, die je bewust en onbewust hebt gekend, niets anders zijn dan een uiting. Op het ogenblik, dat je doordringt tot het beeld van wat je Werkelijk bent ‑ hoe beperkt dat dan ook moge zijn ‑ kun je ook beginnen het te projecteren. Dit is een van de factoren die ik vandaag nog wil aanstippen.

Een mens, die onverschillig wordt voor de werkelijkheid van alle dag, zal daardoor misschien allerlei fouten maken, misschien ook niet. Maar op het ogenblik, dat deze mens dat doet met het besef van zijn eigen innerlijk, van zijn doel, verandert de zaak. Dan kan hij dat doel a.h.w. van zich uitstralen. Het is alsof hij zijn wezen, zijn mogelijkheden, zijn tegenwoordigheid verveelvoudigt.

De zelfprojectie is dan ook niet alleen bepaald tot de invloed die je hebt op je medemensen. Ze dringt door in de werelden van de geest. Ze is werkzaam in de astrale wereld. Die zelfprojectie moet dan ook wel overeenstemmen met wat je bent. Want als dat niet het geval is, dan schep je niet een voertuig waarmee je verder kunt komen, maar slechts ketenen waarmee je alleen maar vaster wordt gebonden aan illusies die in feite de realisatie van hetgeen je bent onmogelijk maken.

Dus: zelfprojectie kan alleen gebaseerd zijn op zekerheden die je mentaal voor jezelf hebt gevonden, die in je beste weten en ervaren door de reacties van de buitenwereld op je persoonlijkheid worden bevestigd en die voor zover je je dit maar kunt voorstellen ook met je werkelijke mogelijkheden en vermogens in overeenstemming zullen zijn. Heb je dit eenmaal, dan begin je je daarvan een intens beeld te maken.

Zeker, het is een beetje fantasie, maar aangezien het doorwerkt in de astrale wereld ook een klein beetje werkelijkheid. Bouw de schil (dit beeld) zo sterk op dat het voor u in uw gevoel een eeuwige metgezel wordt. Deze zelfprojectie werkt dan corrigerend. Op het ogenblik dat u ‑ gedreven door allerlei omstandigheden – buiten u uw werkelijke persona zou gaan verraden, dat u begint te rationaliseren, begint u te verontschuldigen, zult u vaak ontdekken dat de wereld het u onmogelijk maakt datgene wat u innerlijk werkelijk bent en wat u heeft ontdekt helemaal waar te maken in de wereld. Ook hier is die zelfprojectie van groot belang.

Op het ogenblik dat u zelf niet in staat bent om de dingen zonder meer waar te maken, kan die projectie met haar astrale mogelijkheden, die verder gaan dan de stoffelijke, als het ware aanvullend optreden. Een eenvoudig voorbeeld:

Genezing op afstand. Als u een beeld heeft van uzelf als genezer, u denkt aan een patiënt en u vraagt zich af of u op die afstand de patiënt zou kunnen bereiken, dan heeft uw projectie die afstand reeds overbrugd; dan bent u in feite ‑ zij het astraal ‑ direct bij die patiënt tegenwoordig. Alle krachten, die u aan die patiënt overdraagt, lopen dus via dit astraal en daardoor, alsof er geen werkelijke afstand zou bestaan tussen u en uw patiënt. Dit is slechts een enkel voorbeeld.

Wanneer u zich realiseert dat deze ego‑projectie niet een geestelijke maar alleen een stoffelijke corrigerende factor is, dan gaat u ook begrijpen dat ze voor uw eigen bewustzijn juist als mens van groot belang is. Daarnaast vergroot zij uw mogelijkheden, maar dat is eigenlijk niet zo belangrijk.

Blijf u nu steeds spiegelen aan de werkelijkheid.

Kijk steeds weer wat de dingen die u bewust en vrijelijk heeft gedaan voor uitwerking hebben. Kijk steeds weer wat de wereld u teruggeeft voor hetgeen u geeft. U zult vaak tot de conclusie komen dat u meende betaald te zullen worden in guldens, maar dat u werd betaald in aardappelen of misschien in een gevoel van dankbaarheid of iets anders.

Ga beseffen dat uw verwachting, voor hetgeen de wereld moet teruggeven niet gelijk is aan hetgeen de wereld feitelijk schenkt. Hierdoor bent u in staat de projectie steeds fijner af te stemmen. Gebruik een soort meditatieve of suggestie techniek, wanneer u bezig bent het ik te projecteren en op te bouwen door als volgt te handelen:

  • Ontspan u zoals gebruikelijk.
  • Concentreer u: de wereld is van geen belang meer. U heeft nu te maken met de voorstelling van uzelf. Probeer de voorstelling te vereenvoudigen totdat er niets meer is waarvan u zegt: Dat kan er nog af, ik blijf het toch zelf.

Probeer dit beeld zo intens mogelijk voor u te zien zodat het is alsof u eigenlijk met gesloten ogen toch in een soort spiegel kijkt. Op dat ogenblik vormt u en projecteert u een astraal beeld naar uw eigen gelijkenis. Daar u allemaal een astraal voertuig bezit dat op uw normale ik-voorstelling is gebaseerd, zal dit erbij betrokken zijn. Het ondergaat wijzigingen, het verliest bepaalde factoren, het neemt soms andere kwaliteiten of eigenschappen aan. Deze astrale relatie weerkaatst zich direct op uw levenslichaam.

Het levenslichaam van een mens bestaat hoofdzakelijk uit energieën die men voor een groot gedeelte opneemt ten dele uit de atmosfeer, ten dele uit bepaalde stralingen, ten dele zelfs uit een geestelijke wereld. Nu is dat levenslichaam meestal afgestemd op datgene wat u denkt te zijn. Het beantwoordt dus niet aan uw feitelijke behoeften en noodzaken maar aan uw veronderstelde behoeften en noodzaken. Daar waar uw geestelijke of astrale kwaliteiten “in strijd zijn” met die voorstelling ontstaat ook in uw levenslichaam een onevenwichtigheid. Door nu steeds een zo eenvoudig mogelijk beeld van uzelf u eerst voor te stellen en dan te projecteren, terwijl u het ook steeds weer toetst aan uw werkelijke relatie met de wereld, uw beleving in de wereld, bereikt u dat het levenslichaam zich steeds weer gaat afstemmen op de werkelijke persoonlijkheid die u bent.

Het betekent dat de innerlijke betekenis die vanuit het hoogste geestelijke voertuig en uit alle voertuigen (dus ook die in de stof) is geprojecteerd juist in de krachtsverhoudingen van het levenslichaam mede tot uiting komt. En dit betekent weer dat u over een veerkracht begint te beschikken op het ogenblik dat u die nodig heeft om uzelf te zijn. Het betekent ook, dat u over grotere energieën kunt beschikken, wanneer u iets van uw eigen grondeigenschappen de wereld in zendt. Het houdt ook in dat u gemakkelijker al datgene wat met u harmonisch is, zult erkennen en datgene wat disharmonisch is gemakkelijker afweert niet zonder het te erkennen maar zonder het te aanvaarden.

Hiermee zijn we gekomen aan een punt dat het ons mogelijk maakt te zeggen: Wanneer ik een juiste projectie heb, wanneer ik een evenwichtig en op mijn werkelijk ik zoveel mogelijk afgestemd levenslichaam heb, zal ik niet alleen in staat zijn in mijn wereld zo goed mogelijk te leven, maar ik beschik ook over steeds meer mogelijkheden om mij op de kern van mijn persoonlijkheid af te stemmen.

De innerlijke weg begint dan. Het is nog steeds een proces dat vlak bij de wereld ligt, vlak bij uw eigen werkelijkheid. Wij zullen dan stap voor stap verder moeten worstelen. En elke keer zullen we te maken krijgen met onze fantasiewerelden, met onze zelf geschapen sferen en wereldjes, met onze indelingen.

Maar dat hindert niet, want wij leren ze steeds weer aan te passen aan hetgeen wij zijn. En langzaam maar zeker, als we steeds meer bijzonderheden terzijde schuiven en ons aan de hoofdzaken houden, komen wij tot een besef van een innerlijke werkelijkheid waarin steeds hogere krachten maar vooral ook een grotere verbondenheid met het Al en een juister besef van de betekenis van alle leven in ons doordringt.

Ik hoop dat u dit alles zult willen overwegen. Ik kon niet alle retoriek vermijden, omdat bepaalde zaken nu eenmaal beter in gevoelens kunnen worden overgedragen dan in het zuivere “woord” alleen. Toch hoop ik ze geformuleerd te hebben dat u bij herlezing in staat zult zijn u een beeld van uzelf te maken en te beginnen aan het vormen van deze eerste passen voor het volgen van de innerlijke weg.

Ik hoop, dat u een volgende keer ook tevreden zult zijn, als we meer gedetailleerd de innerlijke weg proberen te beschrijven en de procedures die daar bijhoren ook nog nauwkeuriger zullen beschrijven.

Ik hoop verder dat de 2de spreker die een aanvullend onderwerp zal brengen, in staat zal zijn u duidelijk te maken, hoe alles in ons bestaan samenhangt met datgene wat wij “de innerlijke weg” noemen: de erkenning van die eeuwig blijvende waarheid waarvan wijzelf een deel zijn.

De rol van de fantasie

Elke mens heeft een mate van fantasie. Juist degenen, die denken dat ze het niet hebben, zijn vaak degenen die het meest fantaseren. Alleen doen zij zo oprecht alsof het echt is dat iedereen er te laat achter komt dat het waar is. En dan krijg je van die grote bankschandalen en dergelijke.

Fantasie is eigenlijk niets anders dan een aantal voorstellingen die met de werkelijkheid alleen maar een vage relatie hebben. Alles wat we doen en alles wat we beleven is toch eigenlijk met onze fantasie verbonden. Laten we de zaak maar eenvoudig aanpakken.

U kunt op een gegeven ogenblik een helderziende waarneming doen of een visioen hebben, dan zegt u bv.: ik zag opeens een groen gezicht. Nu bestaan er geen groene gezichten. Hoe komt het dan dat u wel een groen gezicht zag? Dan moeten we ons afvragen: hoe kunnen we dat beeld ontleden? Want fantasie is gelieerd met de werkelijkheid, maar het is niet de werkelijkheid.

Dat gezicht zal er dus niet echt zo zijn, maar er zal een persoonlijkheid zijn waar voor uw gevoel dat gezicht wel bij zou kunnen passen. En dan ligt het er ook maar weer aan, als u een beetje geërgerd bent of een beetje geschrokken, dan ziet het er niet zo leuk uit. Dat is hetzelfde als iemand wordt overvallen en later zegt: Het was een vent van 2 meter lang. Eigenlijk was het iemand van 1.65m. De enorme knuppel die hij bij zich had, was eigenlijk een gewone schroefsleutel, maar slaan kon hij wel. Op die manier ga je dan voor jezelf de zaak overdrijven.

En dan groen. Ja, wat betekent groen voor u? Het is ergens een beetje hatelijk, een beetje lijkachtig vaak. Voor anderen is het juist weer de kleur van de natuur. Vraag u nu eens gewoon af: wat is mijn associatie met die kleur groen? Kijk dan eens naar het gezicht en zeg: er was dus een persoonlijkheid. De kleur die ik gaf aan de persoonlijkheid was de relatie‑uitdrukking die er tussen mij en die persoonlijkheid bestond. Dan heeft u ineens van de fantasie een middel gemaakt om toch een beetje dichter bij de werkelijkheid te komen.

Nemen we bv. visioenen. Visioenen vind ik toch zo mooi. Er zijn mensen die vinden het erg dat ze aardgebonden zijn. En dan krijgen ze visioenen. In die visioenen komt God de Vader vertellen dat ze engelen zijn die op aarde worden gebracht en daar het een en ander te doen hebben. Voor je het weet zien ze het al vliegen. Dat kennen wij. Dat is natuurlijk fantasie.

Zo iemand heeft een gevoel van onvermogen. Maar gelijktijdig is het ook iemand die niet zelf de zaak wil regelen. Er is dus een vaderfiguur nodig. Die vaderfiguur moet a.h.w. de bevelen geven, want dan ben je niet verantwoordelijk. Dus heb je eigenlijk alleen door dat fantasiebeeld al heel veel gezegd over de persoon.

Dan wat voor opdracht heb je gekregen? Die opdracht zal steeds samenhangen met iets wat ook voor jou op dat ogenblik begeerlijk en belangrijk is. 0 zeker, je vindt het niet altijd prettig. Er kunnen opdrachten bij zijn waarvan je zegt: dat doe ik niet. Je had liever dat een ander dat zou opknappen. Maar het zijn wel dingen die je gedaan wilt hebben.

Fantasie is verbonden met de werkelijkheid, ook al is ze niet de weergave van de werkelijkheid. Op deze manier kun je dan heel veel verschijnselen opeens verklaren. Zelfs waarom er sommige mensen zijn die in een huis wonen waar voortdurend “rappings” zijn. Wij zeggen dat in het Engels, want als je zegt: er wordt geklopt, dan vinden ze dat veel te gewoon. Waarom komen die klopgeesten juist bij bepaalde personen voor?

Dat is begrijpelijk. Die mensen hebben in hun gevoel wel een relatie met de geest, maar gelijktijdig zijn ze bang om die relatie te erkennen zoals ze is. Er moet dus op de een of andere manier iets naar buiten worden gebracht. De kans dat een geest die rappings veroorzaakt is op z’n minst genomen net zo groot als wanneer ze het zelf doen. Met andere woorden, dat hun eigen spanning, hun reactie op een erkend signaal die rappings tevoorschijn brengen. Maar als ze buiten hen bestaan, dan kunnen ze allerlei denkbeelden daaraan verbinden van ergernis, van verwerping, van verheerlijkt zijn, van weten dat nu “die” in de buurt is.

Het hele complex van aangrenzende gedachten is dus eigenlijk alleen maar een manier om aan jezelf te vertellen wat je prettig zou vinden, niet wat er is. Dat is ook weer belangrijk. Want per slot van rekening, als we naar de mensen kijken, dan is ongeveer 30% op het ogenblik in meer of mindere mate helderziend. De meesten merken het niet, maar dat komt omdat ze zo druk bezig zijn met de dingen die ze niet kunnen zien, dat ze niet zien wat ze zien en daardoor denken dat ze niets zien. De meeste mensen onderdrukken het. Ze weten er geen raad mee. Dus doen ze of het niet bestaat. Dat is ook fantasie. Ontkenning van het bestaan van iets is ook een fantastisch werken, ofwel ze geven er een betekenis aan die helemaal niet strookt met hetgeen er werkelijk is.

Er zijn duizend‑en‑een van die gevallen te noemen. Laat mij maar weer in de voorbeeldenzak grijpen.

Een huis. In het huis heeft iemand gewoond. Die iemand is daar blijven hangen. Meestal is het een astrale schil. Ik wil niet zeggen dat daar iemand gehangen is. Het kan best opoe zijn die in uw beste stoel zit te breien zodat u zich doodschrikt, als u gaat zitten omdat u dacht dat daar al iemand zat.

Hoe komt die figuur daar? Die figuur hoort bij het huis. U bent gevoelig voor de invloed van het huis. Daardoor concretiseert u voor uzelf die gestalte. Die gestalte is niet zonder meer te zien. U geeft haar echter de gelegenheid zich te manifesteren. U bent zelf oorzakelijk daarvoor. Dat is natuurlijk vervelend, want nu kunt u niet zeggen dat u een beschermgeest in huis heeft. Dat is veel goedkoper dan een hond: geen hondenbelasting, geen hondenvoer. Een goede huisgeest is de beste bewaker die je maar kunt hebben.

Er zijn natuurlijk wel allerlei invloeden waarvan je kunt zeggen: die zijn reëel.

Als een kris onder de goede condities is gesmeed en met juiste eerbied wordt behandeld, dus een poesaka, dan kan die kris inderdaad een soort persoonlijkheid bij zich hebben. Maar alweer, die persoonlijkheid wordt in stand gehouden door de erkenning van de betekenis van de kris. Als je die kris verwaarloost, dan lost die persoonlijkheid zich op. De uitbarsting die ermee gepaard gaat, kan voor een mens meestal negatief zijn. Daarom zeggen ze: zo’n geest brengt ongeluk. In feite verdwijnt ze

Dat zijn allemaal dingen waarbij de fantasie een grote rol speelt. En laten we eerlijk zijn, fantasie geldt overal.

Er zijn op het ogenblik heel knappe regeerders in Nederland die inderdaad een systeem hebben uitgedacht waardoor de Nederlandse gulden steeds harder wordt en gelijktijdig de welvaart steeds zal toenemen. Dat is natuurlijk fantasie! Maar voor hen is deze voorstelling de enige manier om voor zichzelf geheel aanvaardbaar te maken hetgeen ze doen.

Fantasie is vaak niets anders dan een stempel van goedkeuring die we bedenken om onze twijfelachtige zaken die stempel te kunnen opdrukken. U vindt het misschien vervelend als ik dat zo zeg, maar hoe vaak heeft u het zelf niet gedaan? Hoe vaak droomt u niet van dingen waarvan u weet dat ze eigenlijk niet echt zijn en niet echt kunnen worden?

U houdt zich bezig met bewust ontworpen dromen. In die droom komt hij of zij naar u toe. Misschien komt de Here Jezus aan uw bed staan om u te zegenen. Of komt de H. Maagd om u de weg te wijzen. Die dromen ontwerpt u zelf. Waarom ontwerpt u ze zelf? Omdat u met de feitelijke toestand geen vrede heeft.

Fantasie is heel vaak een ontvluchting aan de feiten. Wij proberen de zaak aan te vullen om het voor onszelf dragelijk te maken. Als u daarmee rekening houdt, dan kunt u ook begrijpen waarom de meeste mensen in deze tijd in meer of mindere mate fantasten zijn. Het zijn mensen, die denken werkelijk dat ze iets bereiken, als ze met een spandoek ergens midden in de stad gaan staan. Daar geloven ze heilig in. Maar waarom geloven ze daarin? Want dit is natuurlijk reëel gezien onmogelijk te denken dat je daarmee werkelijk iets bereikt. Omdat ze zich machteloos voelen.

Hun machteloosheid gaat in hun gevoel zover dat ze het slachtoffer zijn van een hele wereld die ze niet kunnen beheersen. Door zich nu voor te stellen dat zij door met een spandoek of desnoods rond te lopen met een leeg vogelkooitje die wereld kunnen beïnvloeden, maken ze hun gevoel van onmacht ten dele ongedaan.

U zult zeggen: dat is negatief. Neen, dat is niet negatief. Het is beter dat je het gevoel hebt dat je iets doet, dan dat je het gevoel hebt dat je niets kunt doen. Je kunt natuurlijk wel dingen doen, maar die zijn vaak niet in overeenstemming met wat je leuk en prettig vindt. Je zult vaak offers moeten brengen. Daar voel je niet voor. Of je zou misschien eisen moeten stellen en die durf je niet stellen. Dat weet je innerlijk heel goed en daarom ontwijk je die dus weer in je fantasiebeelden. Maar al compenseer je met dat fantasiegedoe een beetje, je kunt nooit volledig compenseren.

Nu weten we allemaal, en dat is de bekende stelling: in het droomleven compenseert de mens de spanningen van de dag om ze zo af te reageren en daardoor nog een mogelijkheid te behouden tot normaal reageren in de werkelijke omstandigheden.

Realiseer u nu eens even dat onze dromen ook iets zeggen over onszelf net zo goed als onze fantasie. Helderzienden pogen allemaal het onbekende in de wereld gestalte te geven, om datgene wat in de wereld voor jou ergens niet aanvaardbaar is zo om te buigen dat het net wel aanvaardbaar is, dat het toch nog zin krijgt. En dan kunnen we zeggen: fantasie is in vele gevallen toch ook, als we op weg zijn naar geestelijke bewustwording e.d., wel degelijk een methode om verder te komen, als we blijven beseffen dat het fantasie is.

Misschien dat dat een van de springende punten is in het hele betoog dat ik houd: wij moeten steeds weten wat fantasie is en wat echt is. Wij moeten altijd weer, durven terugkeren naar de werkelijkheid. Wij moeten tegen onszelf durven zeggen: wat ik heb gezien, is mijn vertaling van iets wat ik niet helemaal kon vatten. Wat ik meen te betekenen als ik iets doe, is niet reëel iets betekenen. Het is alleen mijn poging om aan betekenisloosheid te ontkomen. En dan kun je je misschien ook afvragen: kan ik dat ook op een meer werkelijke wijze doen?

Onze vriend de vorige spreker heeft al gezegd: Als je een ladder wilt opstellen waarop je kunt klauteren tot aan de hoogste innerlijke bereiking, dan moet je eerst een goed fundament hebben. Ik denk dat er niet veel mensen zijn die zo’n fundament kunnen produceren zonder de specie van een beetje fantasie. Je hebt de fantasie gewoon nodig om de verschillende erkenningen voorlopig bij elkaar te houden. Maar je moet weten wat het is. Je moet de fantasie niet verwarren met de harde werkelijkheid. Op het moment dat je dat doet, loop je vast.

Ik heb mij een hele tijd beziggehouden met het observeren van allerlei mensen, die zoals dat heet paranormaal begaafd zijn. De paranormale begaafdheid van de mensheid bedraagt over het algemeen 90%. Dus 9 van de 10 mensen zijn paranormaal begaafd, alleen weten de meesten het niet. Er zijn mensen die denken dat je elkaar gemakkelijk kunt begrijpen, als je niet gelijktijdig aanvoelt wat de ander bedoelt. Maar als we nu eens precies kijken hoe het in elkaar zit en we kijken alleen naar de woorden, dan snappen we elkaar niet. Dan komen we er gewoon niet achter. Dan zitten we in een situatie als de Russen en de Amerikanen in Genève. Wij praten wel met elkaar, maar we begrijpen elkaar niet. Dat de meeste mensen elkaar toch wel kunnen begrijpen is te danken aan het feit, dat ze eigenlijk aanvoelen (dat is al een klein beetje telepathie) wat de ander bedoelt. En zo komen ze tot het juist interpreteren van hetgeen er wordt gezegd en dat is heel erg belangrijk.

Ik heb gezegd: helderziendheid, helderhorendheid, helderwetendheid komen heel veel voor. Er zijn tegenwoordig zelfs een aantal mensen die een beetje in de tijd kunnen zien. Maar je moet al die dingen kunnen verklaren.

Het paranormale is eigenlijk de aanleiding tot extra fantasie, zo gek als het moge klinken. Niet omdat het op zichzelf fantasie is, maar omdat het alleen verkleed als fantasie kan worden binnengebracht in je leven, in je beleving. Misschien wel omdat de werkelijkheid voor de meeste mensen een bittere pil is. Als ze er dan een beetje suiker omheen doen, dan wordt het een dragee en is het wel te slikken. Met de fantasie vergulden we de zaak een beetje.

Er zijn mensen die zouden kunnen horen wat een ander denkt. Maar dat doen ze dan niet. Alleen maken ze weleens een vergissing. Dan zeggen ze ineens tegen een ander: zei je wat? Dan zegt de ander: neen. Dan denkt de eerste man: ik heb het zeker mis. Ik dacht dat hij dat en dat zei. Hij heeft een gedachte opgevangen. En als zo iemand zou toegeven: het zou waar kunnen zijn, dan zou hij het gevoel hebben niet normaal te zijn. Daarom fantaseert hij dat hij zo normaal is dat het paranormale voor hem niet bestaat.

Als u in uw eigen leven eens nagaat hoeveel gebeurtenissen er zijn die zuiver rationeel, dus redenerend uit de normale oorzaak‑en‑gevolgverhoudingen e.d. niet te verklaren zijn, dan staat u er wel even perplex. Dan vraagt u zich af: hoe ben ik tot al de voorstellingen gekomen waardoor ik toch normaal blijf?

Het antwoord is duidelijk: u heeft er het een en ander omheen gefantaseerd. U heeft de zaken aangekleed om ze aanvaardbaar te maken. En als u nu met een grote innerlijke vrede wordt geconfronteerd, dan is het heel duidelijk dat u die ook niet zonder meer kunt aanvaarden. Dan fantaseert u er wat omheen en maakt u er misschien een mooie inwijdingsroman van of u denkt terug aan de tijd dat u werd ingewijd in de tempel toen Nebukadnezar nog tot Baäl bad.

Als u nu met alles wat een feit is bezig bent, dan zult u de feiten moeten samenvatten. U moet een wereldbeeld hebben. Dat wereldbeeld is fantasie, want u kent niet alle feiten en daardoor voegt u vaak willekeurig bepaalde feiten en gebeurtenissen samen en maakt daaruit een sluitend geheel. Maar dat doet u ook ten aanzien van de geest.

Waarom denkt u dat er altijd zoveel gelovigen zijn? Niet dat ik iets heb tegen het geloof. Helemaal niet. De mensen geloven omdat ze een wereld nodig hebben die hun eigen wereld a.h.w. compenseert, aanvaardbaar maakt. De een gelooft in een uitverkiezing, de ander wil misschien geloven dat er een rechtvaardigheid is of een wet. Zolang er mensen zijn geweest is er geloof geweest. En dat zegt iets.

Maar is hetgeen u gelooft nu helemaal onwaar? Natuurlijk niet. Alleen, de waarheid past niet in uw wereld en niet bij uw persoonlijkheid. Daarom gelooft u dingen, want u kunt een vorm daaraan geven waardoor de feiten ineens wel passen in uw wereld. Laten we de meest simpele dingen van de wereld eens nemen.

Zeg tegen iemand: Herinnert u zich dat Jezus heeft gezegd: Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard vergaan. Dan zegt hij: Ja, maar dat heeft niets te maken met de wapenindustrie, want er staat niet: Je mag geen zwaarden maken. Dit is letterlijk gezegd op een van de bijeenkomsten vandaar dat ik het hier citeer.

Die mensen begrijpen niet dat een feit, een eeuwige waarheid, onveranderlijk is. Je kunt haar niet interpreteren, ze kan alleen bestaan. Maar een waarheid die bestaat grijpt zover in, in alles wat je gewend bent te doen en te beleven, dat je die waarheid eenvoudig niet zo kunt aanvaarden. Dus probeer je haar te bekleden.

Laten we zeggen dat de waarheid een röntgenfoto is van het bestaan. Dan zeggen we: Ja, maar dat is niet leuk, dus geef me maar een gewone waarheid waarvan ik de binnenkant niet behoef te zien. We kijken naar de uiterlijkheden en beseffen niet dat die uiterlijkheden alleen kunnen bestaan, indien er een onveranderlijk geraamte van wetten en van krachten binnenin zit.

Nu gaan we nog even terug naar de helderziende. De dingen die je ziet zijn of zinloos voor je of je geeft ze een betekenis die ze in feite niet hebben. Laten we dat nu goed onthouden. Maar als je waarneemt, dan moet er iets zijn. Een waarneming komt niet tot stand zonder dat er een prikkel is die de waarneming veroorzaakt.

De helderziende weet dus met zekerheid dat er iets is. Hij probeert de betekenis van dat iets te vatten in het geheel van zijn bestaan, maar dat kan meestal niet. Op het ogenblik dat je probeert de helderziende waarneming in te passen in je wereldbeeld en je manier van leven, vervals je datgene dat je hebt binnengekregen. Die fantasie is misschien nodig om te kunnen weergeven, om er iets mee te kunnen doen, maar het is en blijft een vervalsing.

Als we dat echter niet doen, dan komen we op een punt dat we zeggen: Het is er wel, maar het is zo zinloos. En dan begint het pas interessant te worden, want dan gaan we een klein beetje toewerken naar onszelf en toch ook een beetje naar onze innerlijke werkelijkheid.

Als u helderziende waarnemingen doet, dan bent u:

  • Punt 1. Gevoelig voor indrukken van niet‑stoffelijke aard.
  • Punt 2. U zult alle indrukken die u ontvangt vertalen in beelden die uit uzelf voortkomen.
  • Punt 3. Als u deze beelden niet kunt inpassen in uw werkelijke leven, dan komt dat omdat u in uw werkelijke leven bepaalde punten buiten beschouwing laat. Vraag u dus af: Wat is op het ogenblik mijn denken, mijn angst, mijn streven? En dan komt u meteen een stap verder.

Oudere mensen hebben vaak een periode waarin ze allerlei visioenen en soms geesten zien. Maar waarom vertalen ze die beelden dan in vreemde gezichten of onbekende personen of vaker nog in mooie lichtende figuren of juist heel duistere figuren? Dat is heel begrijpelijk.

Kijk, wanneer een mens een bepaalde leeftijd heeft, dan behoeft hij dat niet toe te geven, maar dan begint de dood dichterbij te komen. Voor de dood ben je misschien niet direct bang, maar je bent onzeker. Alle indrukken die je nu krijgt, wijzen op het feit dat je bezig bent met de dood en het leven na de dood. Het onderbewustzijn bepaalt dan de vorm. Als die vormen voornamelijk onaangenaam zijn, dan kun je zeggen: Ik ben bang. Als die vormen aangenaam zijn, kun je zeggen: Ik ben niet bang. Ik heb iets positiefs ervaren wat al tot een andere wereld behoort. Dan valt de betekenis van de vorm weg en ook het fenomeen op zichzelf is minder zinloos.

Dan kun je verder eens nagaan op welke ogenblikken zo’n verschijning optreedt. Als je elke keer een verschijning ziet, wanneer bv. lijn 9 voorbijrijdt, dan zou dat voor mij een reden zijn om lijn 7 of lijn 8 te nemen.

Niet dat ik zeg: Dat is een reële persoonlijkheid die hier staat. Het kan misschien, misschien ook niet. Maar het is wel degelijk: er is voor mij iets verbonden met die lijn 9 of lijn 8. Als het een engel is, dan is het een tram naar het hiernamaals. Als het iets lelijks is, krijg ik er misschien een ongeluk in. Op die manier kun je dan zeggen: Het heeft wel een betekenis in mijn werkelijke leven, maar die betekenis ligt anders dan ik dacht. Je gaat zien wat fantasie is, je gaat zien dat achter de fantasie steeds weer dat stukje zit dat aanhangt bij je persoonlijke werkelijkheid.

De helderziende, die heeft geleerd om al die beelden samen te voegen en te zeggen: de indruk die ik ervan heb is belangrijker dan het uiterlijk en de omschrijving ervan, komt als vanzelf tot een beeld van de eigen innerlijke toestand. En dat is heel dicht bij de werkelijkheid, geloof mij. Zelfs als je het vertaalt.

Elke vertaling in woorden en gedachten is natuurlijk ook weer voor een deel een beetje fantaseren. Je probeert er een vorm aan te geven die samenhangend is en een beetje past bij het beeld dat je van jezelf hebt. Desondanks kun je zeggen: Die waarnemingen zeggen iets omtrent mijzelf, niet in de eerste plaats over de geest.

De geest kan u helpen, zeker. Maar hoe kan de geest u helpen? Die geest kan u misschien bijstaan door u kracht te geven. Maar op een bepaald ogenblik neemt u meer van die krachten af dan u uit een andere wereld krijgt, wat eigenlijk redelijk is. En op dat ogenblik wordt u gestoord. Er is iemand die over uw hoofd strijkt, op uw rug klopt, in uw nek blaast of het tegen uw benen tocht. Dan bent u even onbehaaglijk en u bent er even uit. Het gekke is, dat u daardoor overschakelt op uw eigen energie. Het verschijnsel is dus zinvol.

Nu zijn er mensen die zeggen: Degene die over mijn haren strijkt, in mijn nek blaast, op mijn rug klopt enz. dat is een goede of een kwade kracht. Dat heeft daar niets mee te maken. U moet gewoon teruggaan naar de werkelijkheid. Ik leef ten dele met krachten die een ander mij op dit ogenblik geeft. Ik heb van die kracht te veel opgenomen of te veel verbruikt, dus moet ik de verbinding verbreken. Daardoor ontstaan de storingen. U ziet hoe werkelijkheid en fantasie ook op dit terrein samenwerken.

Er zijn ook mensen die zeggen: Ik geloof niet in de geest. Dat behoeft ook helemaal niet. Je hoeft niet in de geest te geloven. Als je doodgaat, merk je het vanzelf wel. Het enige waarin je moet geloven is, dat alles wat je beleeft, ook je eigen fantasie, zinvol is en betekenis heeft. Als je dat nu eenmaal te pakken hebt, dan ga je alles niet meer herleiden tot een vaste betekenis, maar je gaat kijken wat het voor uitwerking heeft. Die uitwerking is belangrijk. Zelfs als je voor je plezier zo’n dagdroom opbouwt.

Er zijn van die mensen die zich in halfslaap een hele feuilleton vertellen. Hoe het ook zij, als je zo’n fantasie opbouwt, dan ben je eigenlijk bezig om jezelf te vertellen wat je bent en wat je niet bent. En dat is nu juist hetgeen waaraan de meeste mensen voorbijlopen. Zij denken: fantasie is fantasie. Zelfs wanneer u een boek leest, een roman. Een roman is driekwart fantasie gemengd met wat eigen belevenissen en meestal met een stukje uit een krantenbericht. Hoe leest u dat boek? Wat voor beeld krijgt u ervan? Als u het met een ander bespreekt, dan blijkt vaak dat heel andere passages u hebben getroffen of dat u gevallen bent over heel andere gebeurtenissen. Ieder haalt er iets uit, iets wat bij hemzelf past, zodat je zelfs uit de fantasiebeelden van anderen alleen die dingen afleest die iets zeggen over jezelf.

Als ik erin geslaagd ben om u dat duidelijk te maken, dan kunnen we zeggen: Beste mensen, fantaseer maar rustig. Onthoud echter dat alle fantasie op zichzelf niet betekenisvol is, maar alleen als uitdrukking van datgene wat echt in u bestaat. U kunt over mogelijkheden fantaseren die nooit waar zullen worden, maar de mogelijkheden waarover u fantaseert vertellen iets over uw verlangens. Uw verlangens zeggen iets over datgene wat u tekort meent te komen. Vraag u dan af, of dat tekort reëel is en of u er iets aan kunt doen, dan komt u vanzelf verder.

Met een beetje fantasie zult u kunnen zeggen dat ik u toch nog het een en ander heb verteld over uzelf en over hetgeen u gebeurt. Zonder fantasie zou u bij ontleding misschien kunnen zeggen dat ik u een weg terug heb gewezen naar de werkelijkheid zonder dat u daarbij afstand behoeft te doen van uw heerlijke dromen.

Begin

Het begin is datgene wat het einde in zich bevat. Want een begin is altijd de consequentie van het voorgaande, maar het is gelijktijdig de weg die voert naar morgen, naar het verdergaan.

Deze avond is een begin geweest, maar geloof mij: u zult niet veel begrepen hebben van hetgeen er is gezegd, als u niet vele voorgaande betogen van deze aard ‑ onverschillig hoe en waar ‑ zou hebben gevolgd of gelezen. En als dit begin voor u ook het begin is geweest van een kijken naar uzelf, dan heeft u daarmee bereikt dat u uzelf beter leert kennen, maar ook dat u in uzelf meer dingen zult kunnen leren kennen en kunnen

De voltooiing van de cursus ligt in haar begin, niet in haar einde. Het einde van de cursus is alleen maar de bevestiging van het begin. Zo is het met alle dingen in het leven.

Je kunt niet zeggen: Ik begin iets nieuws. Je kunt alleen zeggen. Ik begin anders. Je zal niet kunnen zeggen: Ik begin een nieuw leven, want al wat je bent geweest, is bepalend voor hetgeen je in het nieuwe leven zult zijn. Je kunt niet zeggen: Dit is het einde van alles, want het einde van alle dingen is op zichzelf alleen maar de bevestiging van wat is geweest en daardoor het begin van wat zal zijn.

Beginnen betekent: zoeken naar het einde dat erin besloten ligt. Als u op deze manier vanavond bent begonnen, dan kan ik u garanderen dat uw einde op zichzelf weer een begin is. Een begin misschien van veel meer en veel beter.

Verwacht nooit dat een ander u alles kan geven. Wat een ander begint, zal een ander voltooien. Wat u begint, voltooit u zelf.

Denk niet dat u kunt ontkomen aan hetgeen u begonnen bent. Want al datgene wat uzelf als oorzaak heeft gesteld, zult u moeten verwerken en u zult de gevolgen daarvan op uw eigen manier verder gestalte moeten geven. Begrijp wie je bent en je zult van daaruit elk begin kunnen maken tot een verdere ontplooiing van een werkelijkheid waarin je harmonie en vrede vindt.