27 oktober 1967
Kennis en wijsheid
U weet dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na, vorm uzelf een oordeel.
Dit is eigenlijk niet zozeer een onderwerp, maar voor mij eerder een gelijktijdige geloofsbelijdenis en necrologie van de beschaving. Maar ik zal hierover kort iets zeggen.
Over het algemeen worden de waarden kennis en wijsheid door de mensen van heden met elkander verward. Men neemt aan dat iemand die veel kennis bezit, ongetwijfeld ook zeer wijs moet zijn, terwijl men omgekeerd ook aanneemt dat een wijze van zeer vele dingen kennis moet hebben. Deze misvatting komt voort uit de misleidende wijze waarop men tegenwoordig kennis etaleert en aanbeveelt. Want wat omvat het begrip kennis: feiten, maar ook stellingen. Het geheel van de kennis is gebaseerd op eigen ervaringen, maar evenzeer op de kennis of vermeende kennis van mensen die desnoods geslachten geleden geleefd hebben. Tot kennis rekent men ook het als onmiddellijk geldend aanvaarden van de stellingen van mensen die elders, onder geheel verschillende condities, ontdekkingen hebben gedaan, mits hun naam reeds eerder als bron van ‘kennis’ genoemd werd. Kortom: kennis omvat zowel de erkenningen van eigen bestaan als vele stellingen en zelfs veronderstellingen van anderen die in feite niet onder het begrip kennis zouden mogen vallen, daar zij in wezen niet veel meer dan veronderstellingen zijn.
Ofschoon men kennis dus aanvaardt als een op feiten gebaseerd weten, is zij dit zeker niet. Ik spreek nu nog maar niet over de vele vervalsingen van de bestaande feiten die wij als kennis plegen aan te treffen. U wenst hiervan toch een voorbeeld? Goed.
Wanneer wij de publicaties over het geschil Israël- Arabië bezien, zo treffen wij van beide zijden vele voorbeelden van geschiedenisvervalsing aan, zelfs nu reeds. Dat de gegeven voorstellingen op grond van de emoties aanvaardbaar of nuttig kunnen zijn, wil ik graag aannemen. Indien men echter het weten omtrent dergelijke stellingen als zuivere kennis beziet, vergist men zich. Hetzelfde zou kunnen gelden ten aanzien van het optreden van de eerste Oranjes in Nederland en hun houding tegenover het Spaanse gezag. Ook hier hebben wij in vele opzichten niet te maken met een weergave van feiten, maar met een door emotie bevorderde legendevorming.
Men vergeet steeds weer dat kennis niet op de feiten alleen betrekking heeft, maar wel degelijk een stellingname inhoudt die op zich onredelijk is. Indien men bv. oorlogvoering beziet, zal men, indien men eerlijk is, moeten toegeven dat de heldendaden van de eigen partij en de oorlogsmisdaden van de tegenpartij in vele opzichten op elkander gelijken. Het gegeven beeld wordt echter als feitenmateriaal, het weten, daarom als kennis beschouwd, ook wanneer men niet bereid is te erkennen of toe te geven dat het hier gaat om eenzijdige belichtingen en vaak verwrongen standpunten.
Kennis baseert zich in vele gevallen op hetgeen men zelf kan en men is bereid de feiten van andere aard terzijde te schuiven of hun belangrijkheid te ontkennen. Zo zal men toegeven dat er vele feiten zijn die zgn. geestelijke- of geloofsgenezing als bijzonder waardevol kunnen zijn, daar zij onverwachte snelle en goede resultaten kunnen voortbrengen.
Maar de bezitters van “kennis” zullen onmiddellijk na een dergelijk toegeven van de mogelijkheid toegeven dat zij tegen deze wijzen van genezen zijn, omdat men eenvoudig niet over een voldoende kennis, een voldoende voor hen duidelijk en controleerbaar feitenmateriaal beschikt om de toepassing toe te laten. Men wenst niet slechts de feiten te kennen, maar eist verder dat men in staat zal zijn deze voor zich toe te passen, te rubriceren en te controleren. Er zijn veel situaties in het leven waarbij men ofwel zal moeten toegeven dat men er niets van af weet, dan wel op de feiten zal moeten afgaan. Zolang kennis gebaseerd is op eigen ervaring en proef- neming en voorwaardelijk de stellingen van anderen aanvaardt, waarvoor men nog geen tegenbewijs of bewijs heeft gevonden, zo is zij waardevol. Zij maakt immers een gericht voortgaan in het eigen leven volgens de stoffelijke mogelijkheden en omstandigheden benaderbaar, maar dit is nog lang geen wijsheid.
Filosofie omvat vaak een element van wijsheid. Om goed te kunnen filosoferen zal men moeten uitgaan van bestaande feiten, van kennis, maar deze feiten moet men dan samenbrengen in een verband waardoor men inzicht kan gewinnen in alles wat achter de uiterlijk kenbare feiten en de geponeerde stellingen kan liggen. Hier ligt m.i. het grote verschil: Wijsheid zoekt en vindt de kern der dingen, wordt tot begrip, terwijl kennis zich bezighoudt met de fenomenen, de uiterlijkheden en hun consequenties alleen. Zelfs indien de kennis leert doordringen tot de kern van een zaak, doet zij dit nog steeds aan de hand van een fenomenologie. Dat wil zeggen dat men blijft uitgaan van – en zich nog steeds blijft baseren op – de verschijnselen. Wanneer de wijsheid tot de kern der dingen doordringt doet zij dit aan de hand van een inzicht, een begrip dat innerlijk ontstaat, zelfs wanneer de uiting van de wijsheid later aan de kenbare fenomenen wordt aangepast.
Er zijn vele voorbeelden te vinden van kennis en wijsheid die met elkander in wezen strijdig zijn, vooral in hun conclusies. Wanneer de wijsheid preekt over de mensen van deze tijd, erkent zij dat deze mensen behoefte hebben aan een mogelijkheid tot zijn, die zich het beste uit in een wat barok, en misschien ouderwets milieu. Juist in de doelloze krinkels en versierselen daarvan vindt de mens van heden een ontspanningsmogelijkheid, een kans om de te rechtlijnige geladenheid en drang van zijn tijd even te vergeten en meer zichzelf te worden. Wanneer ik vanuit dit standpunt van begrip en wijsheid bv. de moderne stedenbouw bezie, ben ik geneigd uit te roepen: Arme ziel van ’t volk, je wordt gemummificeerd in chroom, staal en beton. Arm geweten van het volk, je wordt begraven onder leuzen… Vanuit het standpunt van de wijze is dit geheel juist. De kennis echter stelt: wij moeten ons trachten aan te passen aan de moderne tijd. Wij moeten dus ook hier uitgaan van moderne normen, van hetgeen wij geleerd hebben omtrent moderne stedenbouw, architectuur, de beste wijze om mensen te huisvesten en onze vorm van samenleving ordelijk te doen verlopen. Wij moeten uitgaan van de feiten in het heden, de fouten van het verleden vermijden en zo een ideale richtlijn vaststellen.
Het verschil tussen deze beiden standpunten is wel, dat de wijsheid niet uitgaat van de uiterlijke verschijnselen en behoeften, maar eerder zich baseert op de werkelijke levensbehoefte van de mens, die niet redelijk maar grotendeels emotioneel is. De wijze voelt de innerlijke verwarringen van de mens aan en constateert daarom dat er geen behoefte is aan dingen die al te redelijk, zakelijk en rechtlijnig zijn. De wijze beseft de behoefte van de mens aan bepaalde tegenstellingen, zelfs indien dezen onredelijk zijn. De kennis zal dit niet of slechts schoorvoetend doen. De wijsheid zegt, dat wij rekening moeten houden met de behoeften van de mens, de kennis dat wij de behoeften van de mens maar moeten aanpassen. De kennis gaat uit van de verschijnselen die alleen tot op heden bestonden en veronderstelt dat deze oude problemen of varianten daarvan ’t enige zijn wat men ook in de toekomst kan ontmoeten.
Dat in de praktijk steeds weer geheel nieuwe en onverwachte problemen oprijzen, waarmee men met alle kennis geen rekening wist te houden, terwijl de wijsheid juist van deze problemen als grootste mogelijkheid uitging, bewijst dan steeds weer dat de wijsheid, ofschoon zij als begrip zeer vele niet redelijke of redelijk verklaarbare punten omvat, het van de zgn. concrete kennis wint. Wijs zijn betekent niet dat je ook veel weet.
Er zijn veel mensen die menen dat je pas wijs kunt zijn wanneer je eerst veel geleerd hebt. Maar een eenvoudige analfabeet, die zijn gehele leven hetzelfde stukje grond bewerkt, kan een levenswijsheid bezitten die hem in staat stelt een oordeel over vele zaken, die hij voor het eerst leert kennen, te geven op een wijze waaraan menig professor niet zal kunnen tippen. Waarom? Omdat de eenvoudige mens het ritme van het leven aanvoelt en zo niet alleen maar rekening zal houden met de uiterlijkheden, maar de essentie beseft. Hij kan zijn oordeel misschien niet redelijk aanvaardbaar maken, maar heeft maar al te vaak gelijk, omdat hij deel is van het natuurritme en de kern der dingen beziet. Ook heeft een dergelijk eenvoudig mens meestal de tijd en de gelegenheid zich een eigen oordeel te vormen over alles, terwijl degenen die veel willen leren omdat zij grote kennis boven alles stellen, daartoe niet komen en zich tevreden- stellen met de al dan niet eerlijk gegeven meningen van anderen.
De eenvoudige mens zal niet zoveel weten en veel niet kunnen begrijpen, daar hij geen kennis heeft daarvan. Maar het oordeel dat hij geeft, de wijze waarop hij reageert, vloeit voort uit de erkende essentie van eigen bestaan en het leven rond hem. De reactie van een boer of eenvoudig mens zal juist hierdoor vaak voor de geleerde bol ontstellend zijn omdat hij de eenvoudige kern van de dingen aanroert die de geleerde in een veelheid van feiten over het hoofd zag. Het is dan ook wel pijnlijk voor een veelweter wanneer een eenvoudig mens die door hem niet hoog wordt aangeslagen door het gebrek aan kennis, dat deze constateert, op het speciaal gebied van de geleerde bol dan met een oplossing aan komt dragen. Wijsheid herleidt namelijk de dingen steeds weer tot het eenvoudigste beginsel. De wijze tracht alles terug te brengen tot een eenvoudig kenbaar iets, gebaseerd op een innerlijk erkennen en weet het erkende dan ook dankzij de vereenvoudiging, om te zetten in de meest juiste oplossing of reactie.
Een recent voorbeeld van een dergelijke eenvoudige reactie op de plannen van de geleerde bollen, overigens vastgesteld door een collega van mij die hoofdzakelijk in Sleeswijk-Holstein werkt: In Groningen vecht men over het al dan niet afbreken van een oud gebouw: de Harmonie. De akoestiek daarvan schijnt het belangrijkste argument te zijn, het gebouw is echter bouwvallig. Een eenvoudige man merkte op: Wanneer ze zoveel kunnen, zouden zij best omheen de concertruimte een nieuw gebouw kunnen optrekken zonder deze ruimte aan te tasten of te veranderen. En dan zou iedereen zijn zin hebben. Vernieuwers – en dat zijn mensen die menen over veel kennis te beschikken – zullen een dergelijke oplossing niet kunnen aanvaarden. Zij willen iets geheel nieuws hebben. Of dit nu beter is of niet, doet in feite voor hen niet ter zake. Het moderne omvat voor hen de uitdrukking van de hedendaagse kennis. Ongeacht de resultaten moet dus het nieuwe beter zijn. Al het andere is sentiment, overschatting van het oude enz. De wijze houdt daarmee rekening, degene die alleen kennis heeft gaat eraan voorbij, zelfs indien een eenvoudige oplossing mogelijk is. Hij zal een dergelijke oplossing alleen aanvaarden wanneer hij geen andere uitweg meer ziet.
Hierin ligt nu de essentie van het gestelde onderwerp. Ik meen dat het beter is wijs te zijn, begrip te hebben ook voor verborgen of onredelijke waarden, wat beter is dan alle kennis te bezitten. Wanneer ik de moderne samenleving bezie, word ik steeds weer getroffen door een eenvoudige maar op zich juiste reacties van mensen die toch werkelijk van politiek, economie en sociale wetenschappen geen steek snappen. Hun vragen worden nu nog voorbij gezien door degenen die menen voldoende kennis te bezitten, om alles te beheersen. Maar de eenvoudige, maar wijze mensen vragen reeds nu steeds vaker: Indien alles gedaan moet worden voor de gemeenschap, waarom spreekt men dan steeds van de belangen van groepen, maar houdt men steeds minder rekening met de behoeften en wensen van de mensen zelf? Het zijn toch de mensen die de gemeenschap vormen, terwijl groepen alleen maar een beperkte uiting van gemeenschapsvorming zijn, waarin gezamenlijke, maar van de normen afwijkende behoeften worden beleefd of geuit?
Zoals de eenvoudige mensen steeds luider gaan vragen: Je wilt nu wel alles gaan veranderen, maar maak je het daarmee ook beter? En dezelfde eenvoudige zielen hebben de moed in deze tijd nog te stellen, dat nu meer uitgeven dan je hebt, erop neerkomt dat je zo dadelijk schulden zult moeten betalen die je waarschijnlijk niet aankunt.
Men heeft dan natuurlijk in het kamp van degenen die kennis bezitten, redenen genoeg om dergelijke opmerkingen weg te lachen of voor ouderwets, dom en onredelijk te verklaren. Zoals in het probleem der toenemende werkeloosheid de wijze zal vragen of degenen die wel ander werk kunnen krijgen, maar dit om aanzien, salaris, of plaats van arbeid weigeren, nu wel werkelijk werkelozen zijn? De eenvoudige mens zal opmerken dat iemand die erop staat gelijkwaardige en gelijk lonende arbeid te krijgen in de plaats van inwoning, terwijl er elders een mogelijkheid tot werken voor hem bestaat, niet opkomt voor zijn rechten, maar eenvoudig te dom of te lui is om in te zien dat het feit dat je werkt en niet waar of hoe, je waarde voor de gemeenschap uitmaakt.
Een wijze zou geen rekening houden met pressiegroepen en grote monden, maar eenvoudig zeggen: Zolang er ergens werk is wat je kunt aannemen en volbrengen, kun je niet waarlijk werkeloos zijn. Wanneer je daar geen zin in hebt, is dat je eigen zaak. Maar zie dan ook maar hoe je zelf op andere wijze aan de kost komt. Eerst wanneer er geheel geen mogelijkheid voor je is werk te vinden dat je kunt doen, heb je recht van spreken. Het is natuurlijk jammer wanneer je aangeleerde bekwaamheid niet of niet geheel kunt gebruiken, maar wanneer je eerst maar eens aanpakt, zul je die kennis misschien later kunnen gebruiken om je toestand te verbeteren. Dus doe eerst maar eens wat er voor je te doen is, voor je komt klagen. Maar degenen die kennis het belangrijkste schatten, spreken dan over rendementen enz. In feite willen zij kunde en kennis heilig en onaantastbaar verklaren. Men gaat zelfs zo ver dat men stelt dat iemand volgens zijn kennis en kunde een plaats binnen de gemeenschap moet vinden. Dit eist, zo zegt men dan, de menselijke waardigheid.
De wijze ziet de essentie van het leven en dus ook van menselijke waardigheid als nut hebben, betekenis hebben voor anderen. Het hoe, het waar is daarbij minder belangrijk. Degene die kennis vooropstelt, meent echter dat je mogelijkheden – en dus niet wat je feitelijk bent – bepalend zijn voor de menselijke waardigheid. Een dominee die straatveger wordt, verliest in hun ogen zijn waardigheid. Een draaier die alleen een baan kan krijgen als lorrievoerder op een terrein, zou door dit te aanvaarden in waardigheid afnemen enz. Niet dat deze punten werkelijk van belang zijn. Wij geven alleen weer dat er verschillende benaderingen van het leven mogelijk zijn. Maar interessant zijn deze verschillende wijzen van levenswaardering wel, vooral wanneer het bv. gaat over godsdienst.
De mens die kennis zoekt, wil zijn geloof ontleden. Hij wil weten wat een engel, een duivel, een hemel, een hel eigenlijk zijn; hij wil de samenhangen erkennen, wil het leven in het hiernamaals geheel kunnen omschrijven en definiëren. De wijze echter zal zeggen: mijn geloof blijft mijn geloof, of ik het nu ontleed of niet. En wat de rest betreft, laat ik vandaag het beste doen wat mogelijk is, dan zal ik morgen ook wel iets goeds mogen verwachten. De wijze beseft zeer wel dat een geloof niet gedefinieerd kan worden. Hij zal stellen: wanneer ik mijn geloof ontleed en vastleg in menselijke termen, blijft mij geen waarheid meer over, maar slechts een toren van Babel van onredelijkheden waarin ik mijn werkelijk geloof slechts zal vergeten. Wat ik in mijzelf als waar en heilig draag, zal echter onaantastbaar zijn en mij steeds een bron van kracht vormen, zolang ik het niet in snippers deel. De zoeker naar kennis meent dat men naar kennis moet streven om zo twijfels uit te bannen. De wijze reageert hierop: ja, als je er de tijd voor hebt. Maar gebruik liever je kennis van heden om eerst zo goed mogelijk tot stand te brengen wat vandaag nodig is. Dan leer je vanzelf door je fouten en successen, zodat je steeds juister zult kunnen reageren.
Beide benaderingen zijn geheel verschillend. Ik wil dit betoog dan ook als volgt afsluiten:
Wijsheid vergt geen verstand, maar een groot hart. Wie hart heeft voor het leven en zijn medemensen, komt tot wijsheid. Hij begrijpt de dingen, ook al kan hij ze niet uitleggen.
De man met kennis heeft veel verstand nodig. Hem ontbreekt echter vaak het hart. Hij meent dat de rede boven alles moet zegevieren en maakt zo zichzelf en anderen vaak tot het slachtoffer van hetgeen hij verstandelijk als onvermijdelijk beschouwt, al weet hij in zijn hart wel, dat het anders zou moeten zijn.
Moet u tussen deze beiden kiezen, kies dan de wijsheid. Want wijsheid is eigenlijk de uiting van een innerlijk contact met het hogere zelf, met de goddelijke wereld. Kennis daarentegen is slechts de onvolkomen omschrijving van eigen wereld die je niet eens geheel begrijpt, vaak verkeerd zult interpreteren, terwijl je door de kennis maar al te vaak de neiging zult hebben een enkel gebeuren of enkele gebeurtenissen als maatstaf te beschouwen voor alle ontwikkelingen, ofschoon dit juist enkele uitzonderingen op de werkelijke regel waren.
Leven na de dood
Dit is natuurlijk een onzinnige titel. Je zou kunnen zeggen: de stoffelijke dood als verschijnsel in het leven. Dat zou dichter bij de waarheid komen. Degenen die een leven na de dood bewezen willen zien vanuit een stoffelijk redelijk standpunt, zullen altijd weer bedrogen uitkomen. Het is eenvoudig niet mogelijk de mens te bewijzen dat er een werkelijk voortbestaan is, omdat elk hiervoor aan te voeren bewijs op zoveel verschillende wijzen kan worden uitgelegd, dat de waarde als bewijs hierdoor teniet wordt gedaan.
Wat is eigenlijk ‘leven’? Het is een besef, een bewustzijn. Leven is bovendien een bewustzijn dat kennelijk nog iets verder gaat dan de gekende verstandelijke vermogens. Met de moderne wetenschap is men er reeds achter gekomen dat in elke mens een onbekend gebied ligt, een vreemd punt, waarvan men niet meer kan zeggen dat het materiële waarden omvat, of onder de invloed van de menselijke emoties valt. Men kan dit gebied in het menselijke bewustzijn eventueel wel omgrenzen, zo de omvang daarvan in het stoffelijk bewustzijn enigszins vastleggende, maar waarin een doordringen ook voor de beste dieptepsychologen van heden onmogelijk is.
Menselijk redelijk kan men anderzijds aantonen dat het lichaam voor en na de dood even zwaar blijft, zodat het denkbeeld dat er een ‘lichaam’ uit de stof zou verdwijnen, onzinnig lijkt. Maar wat zijn hierbij de feiten? Kun je een gedachte wegen? Neen? Maar wat is het werkelijke Ik dat wat je tot mens en ego maakt, anders dan een reeks van gedachten? En kunt u mij zeggen dat bv. een kilowatt elektrische energie zoveel gram weegt? Energie heeft geen gewicht. Moet ik daarom nu zeggen dat deze energie er dus niet werkelijk is, omdat de generator daarvan in rust en in actie even zwaar blijft? Er is geen verschil in gewicht en toch kun je met één kWh veel doen. Dames kunnen bv. daarmede een uur lang hun was strijken….
Steeds meer blijkt dat er vele dingen zijn die je niet wegen en niet zien kunt, maar die toch wel degelijk bestaan. Waren die dingen er dan soms niet, voor men in staat was hun aanwezigheid met instrumenten of berekeningen vast te stellen? Nu dan, waarom zou ik dan niet zeggen: De geest bestaat werkelijk. Of beter nog: het werkelijke Ik, het werkelijke leven, bestaat, ook al is het niet meetbaar of weegbaar voor de mens van heden. Want om te kunnen wegen, meten enz. zou men eerst iets moeten hebben om de geest mee te vergelijken. En dat heeft men nu eenmaal tot op heden nog niet gevonden op aarde.
Wat meer is, de geest heeft geen vorm, althans niet iets wat in termen van het menselijke vormbewustzijn kan worden uitgedrukt. Als je een beeld moet geven, zou je nog het beste kunnen spreken van een radiatie, waarvan de centrale bron niet verder te omschrijven is. Kortom: de geest is menselijk redelijk niet aantoonbaar of voorstelbaar; redelijk gezien, beweert men kan zij dus niet bestaan.
Maar wat dan te denken van het geloof? Overal op de wereld predikt men een voortbestaan, al variëren de beelden die men daarvan geeft nogal eens. Een mohammedaans paradijs wordt nogal eens voorgesteld als een soort verbeterde moderne nachtclub in de openlucht, terwijl een christelijk paradijs vaak wordt uitgebeeld als een m.i. zeer vervelende woestijn van goud, kristal, engeltjes, en lammetjespap. Maar hoe de voorstelling ook zij, het grootste deel van de mensen op aarde gelooft dat er iets meer is dan het aardse leven alleen. Dat iets meer is kennelijk niet kenbaar of naar waarheid omschrijfbaar. Laat ons eens zien, waar dit denkbeeld vandaan kan komen.
Misschien stamt het wel uit een tijd die ver achter u ligt, een aantal miljoenen jaren geleden. Toen besefte men voor het eerst dat er in de mens een grootheid kan schuilen die niet alleen door het lichaam kan worden bepaald, zoals wijsheid of macht. Men meende dat dergelijke eigenschappen niet kunnen ten onder gaan en besliste daarom dat de werkelijk groten onder de mensen niet kunnen sterven. Er moest iets daarvan blijven, al wist men niet hoe. Daarom maakte men beelden, kunstlichamen voor hen, zoals de beelden op de Paaseilanden. Elders heeft men het voortbestaan geprojecteerd in dieren of plaatsen. Men heeft totems gemaakt, waarin de krachten van het voorgeslacht werden uitgebeeld. Maar al deze mensen hebben daarbij gedacht aan dingen in mensen die meer zijn dan zuiver materie. Waarden die men niet materieel kan vangen.
Ik zeg nu: een voortbestaan na de dood is in feite het leven van dit niet menselijk vastlegbare of vangbare. Wat voor velen de aanleiding is voor de vraag: Waar gaan wij dan heen? Wij hebben daarbij voorstellingen van een overgaan in bv. een lichter, een astraal gevormd lichaam. Men stelt zich dan daarbij vaak nog voor dat men daar enige tijd in een soort halfduister rond zal lopen, allerhande monsters zal ontmoeten en van daaruit langzaam maar zeker een soort hemelwereld zal bereiken. Ook deze beelden stammen uit oude godsdiensten en zijn in feite gebaseerd op de magische dogma’s van rond 4000 jaren geleden. Wanneer je dergelijke gelovigen hoort spreken over het leven na de dood, lijkt het er vaak op of een soort pseudo Dante, zonder voldoende woordenkennis, tracht opnieuw een louteringsberg en een hemelweide te schetsen, (deze laatste waarschijnlijk zelfs compleet met een Beatrijs).
In werkelijkheid ligt de zaak anders. Wanneer u leeft, leeft u mede als mens door uw denken. Het is uw bewustzijn dat u uiteindelijk tot mens maakt. Wat doet nu de mens met zijn menselijk bewustzijn? Hij interpreteert. U ziet de dingen wel, maar niet precies zoals zij zijn. U geeft er een soort bijsmaak aan. Men zou kunnen stellen dat het menselijke denken de kruiderij is waarmee men de soep van het leven kan bederven of bijzonder smakelijk kan maken. De interpretatie wordt op aarde door de zgn. vaststaande feiten voortdurend gecorrigeerd. Je kunt niet eeuwig weg blijven dromen volgens je eigen interpretatie, omdat men steeds weer met onveranderlijke, althans voor het ik, onveranderlijk schijnende feiten en omstandigheden wordt geconfronteerd.
Stel u nu eens voor dat dit bewustzijn komt in een wereld waarin buiten het Ik geen kenbare onveranderlijke werkelijkheden meer als maatstaf kunnen dienen. Een wereld waarin alleen maar kracht rond je is, die zich gemakkelijk zal voegen naar de pressie die u door uw denken – uw oordeel – daarop uitoefent. Dan leeft u in een geheel eigen wereld. Men zou kunnen zeggen, dat het ‘voortbestaan na de dood’ in wezen het eigen leven van de mens is, zijn denken, maar dan gemaakt tot zijn eigen wereld. En in het denken van de mens liggen hemel en hel dicht naast elkander. De afgronden van wanhoop en de toppen van vreugde zijn deel van één en hetzelfde landschap, zoals ook de tuinen van rust en de voortdurende strijd rond een soort walhalla een voortdurend deel zijn van menselijk besef en leven. Het is met deze wereld dat u wordt geconfronteerd. Het is de eigen wereld van het Ik.
Men moet het eigen Ik aanvaarden, want na de stoffelijke dood wordt dit voor de mens de eigen wereld, althans voorlopig. Wat de oorzaak is van de meeste moeilijkheden die na de stoffelijke dood optreden.
Want vele mensen kunnen zichzelf niet aanvaarden. Zij hebben zichzelf vaak kunstmatig verminkt, eigenschappen, verschijnselen, erkenningen onderdrukt en verworpen. Er zijn bv. mensen die zo vroom zijn dat zij, wanneer zij schimmen zien deze eenvoudig niet willen zien, omdat het niet mag van hun geestelijke leiders. Anderen denken kennelijk: dit is niet zoals het hoort, daarom doe ik maar alsof het niet waar is. Maar later kun je die dingen niet meer ontkennen, zelfs als je dit zou willen. En daaruit ontstaat dan een strijd, waarbij de mens bang wordt voor deze dingen die nu niet meer gebannen kunnen worden. Er zijn mensen die voor zichzelf een beeld van respectabiliteit, heiligheid en charme hebben opgebouwd, terwijl zij in hun hart wel weten dat zij anders zijn. Indien deze mensen niet kunnen aanvaarden wat zij werkelijk in waarheid zijn, zullen zij een wanhopige strijd voeren in die geestelijke wereld om anders te zijn dan zij zijn. Maar de wereld komt voort uit de werkelijkheid die in hen bestaat, zodat hun hele wereld hen dan voorkomt als een voortdurende aanval op hun wezen en waarden. Zij leven dan in een soort hel.
Er zijn ook mensen die vrede met zichzelf kunnen hebben. Wanneer zij de dingen doen, is hun bedoeling goed. Falen zij, dan voelen zij daarover geen berouw, maar reageren met een: ik bedoelde het goed, een volgende keer zal ik juister en beter handelen. Dergelijke mensen zullen wanneer zij in de toestand die men hiernamaals noemt komen te verkeren, zichzelf niet afwijzen. Zij hebben in zich en in het leven steeds weer de positieve kanten gezocht. Hun wereld is zelfs niet als een soort Zomerland te omschrijven. Zij kunnen in zich voor hun wereld steeds weer de mooie, de goede, de hoopgevende dingen kiezen, zodat zij al snel verkeren in een bewustzijn, dat doet denken aan een hemelrijk. Er zijn mensen die gelovig zijn. Zij hebben echter een bepaalde voorstelling van God en hemel. Hun dood is voor hen het binnengaan in een hemelrijk. Maar de god die zij er zich dromen kan niet werkelijk tot hen komen, want hij bestaat niet. Daarom zien zij voor die god in feite alleen een vage schim die de projectie van eigen wezen is. In vele gevallen zien zij in die god dan de dingen van eigen wezen die zij afgewezen en verworpen hebben. Vandaar dat hun hemelbeleving een droom vol verveling is die vaak al snel voert tot een vlucht.
Het zal u nu wel duidelijk worden, dat het niet zo gemakkelijk is voor mij om over het leven na de dood te spreken, zoals u misschien veronderstelde. Het geven van een mooi dogmatisch beeld over alles wat er ‘na de dood’ bestaat, is eenvoudig genoeg. Maar dergelijke beelden zijn niet juist. Wat voortbestaat na de dood, is het ware Ik. De wereld waarin u leeft na de stoffelijke dood is eveneens uw Ik. De contacten met anderen die mogelijk zijn, komen alleen tot stand doordat men tijdelijk een soort fusie met de anderen aangaat, zodat men zijn innerlijke wereld of althans een deel daarvan met de ander kan delen. Men moet gezamenlijk een innerlijke waarde en een begrip hebben. Harmonie is noodzakelijk voor communicatie. Het is duidelijk dat in vele gevallen een grote zelfbeperking noodzakelijk is, wanneer men als geest met anderen in contact wil treden. Men moet dan vele voor het Ik belangrijke dingen als het ware vergeten, zodat zij als actieve waarden in je wereld geen rol meer spelen en ten hoogste als vage herinneringen nog achterblijven. Met hetgeen aan beelden en besef nog actief blijft, kun je dan een ander benaderen, waarin soortgelijke waarden bestaan en met deze, zelfs als hij ‘lager’ is dan jij, spreken.
Vele mensen zullen nu vragen: maar wij zullen na de dood toch onze geliefden aantreffen? Het antwoord is: Ja. Wanneer zij een wezenlijk deel van uw leven uitmaakten, zult u ze zeker aantreffen. Maar zijn dit dan de werkelijke personen? Zijn het niet vaak alleen maar schimmen die men van uit zichzelf voortbrengt? Eerst wanneer je de ander kunt aanvaarden, niet alleen zoals je die ander ziet, maar als een wezen met geheel eigen waarden, iets wat je misschien benaderen kunt, maar waarin altijd een aantal voor jou onbekende factoren zal blijven bestaan, is er een werkelijk contact in de wereld van de geest mogelijk. Zolang je alleen maar de man of de vrouw van je dromen terug wilt zien, heb je geen enkel reëel contact en is de persoon waarmee je meent verbonden te zijn, niet veel meer dan een ledenpop, een soort kosmische lijs die je zelf hebt geschapen en waarmee je een tijdlang kunt omgaan voor je tot de ontdekking komt dat die ander niets meer geeft dan een stupide beantwoording aan je eigen reacties en wensen.
Vele mensen zullen na de dood dergelijke dingen eerst moeten erkennen, overwinnen en verlaten, voor zij na de dood tot een voor hen geheel werkelijk contact met andere levende entiteiten kunnen overgaan.
Een contact met anderen is in de geest na de stoffelijke dood dus alleen in volledige zin mogelijk. Wanneer je leert om jezelf, precies zoals je bent, te geven zonder voorbehoud en als het ware een soort dwaaltuin vormt, waarin de ander naar eigen wil te gast kan gaan, wanneer je geen gedachten meer wilt verbergen en geen eigenschappen meer wilt onderdrukken, maar al je herinneringen en dit zelfs van alle levens die je eventueel gekend hebt, durft openleggen ter inspectie voor eenieder waarmee je in contact kunt komen, kan er sprake zijn van meer dan een eenvoudig erkennen dat de ander bestaat. Dan eerst is een perfecte harmonie tussen twee wezens mogelijk en daarmee een samenwerking die bijna geen beperking meer kent. Alleen onder die condities kan men immers beseffen hoeveel men gemeen heeft. Het gevolg van een dergelijk contact, al dan niet gevolgd door een samenwerking, houdt in dat men nimmer meer van elkander gescheiden is. Contact zal steeds mogelijk zijn en blijven, hoezeer men volgens menselijke systemen en misschien in sfeer of ontwikkeling zal verschillen.
Er is een leven na de dood, al kan men dit nu nog niet volgens menselijke redelijke maatstaven aantonen. Het leven na de dood is beter, mooier, meeromvattend, dan ik u kan zeggen. Maar het is gelijktijdig verschrikkelijker dan iets wat u zich voor kunt stellen, omdat het je de kans niet geeft enige consequentie van eigen zijn en denken te ontlopen, je de mogelijkheid ontneemt, blind en doof te zijn voor iets. Leven na de dood is waarheid. Allereerst de waarheid van je eigen wezen. Langzaam daarna een begrip voor de waarheid van anderen en zo, langzaamaan, een besef dat niet gewogen en gemeten kan worden, maar wel in staat is werelden te omspannen, een heelal te vullen en zich toch desnoods in een astrale sfeer een tijdelijk voertuig kan bouwen, een hulpmiddel, waardoor men anderen iets van zijn identiteit kan tonen, zelfs in de aardse wereld waarin met menselijk verstand men nog niet in staat is de waarheid te erkennen of te verdragen.
Wanneer u mij dan ook vraagt om over het leven na de dood te spreken, moet u van mij geen bewijs verwachten dat er een hiernamaals bestaat. Het enige wat ik kan zeggen, is dit: Er komt voor iedere mens een ogenblik waarop hij zijn lichaam achterlaat – en dit is zelfs voor de meest gelovige mensen waar – en dan met een zekere verwondering ontdekt dat hij nog voortbestaat. Wanneer u vandaag met uzelf weet te leven op een wijze waarmee u tevreden kunt zijn, zonder onder een innerlijke verdeeldheid te lijden, dan zal het hiernamaals voor u zonder meer ook vrede en onverdeeld bestaan in zich dragen. Wanneer u vandaag nog voortdurend conflicten met uzelf moet uitvechten, voortdurend dingen van uzelf of in uzelf terzijde meent te moeten schuiven, of besefte waarden te verdringen, dan zult u later, hoe goed u het misschien nu meent, in een wereld leven waarin u met zeer vele problemen en onaangenaamheden wordt geconfronteerd.
Ik zou haast willen zeggen dat vanuit een geestelijk en menselijk standpunt de stoffelijke dood de doop der waarheid is. Een doop waarbij men niet meer kan leven in de leugen, waarin men niet meer kan ontkomen aan een erkennen van de werkelijke betekenis en waarde van eigen bestaan, eigen reacties en acties. Na de dood is het Ik dat rest, in feite alleen nog besef. Maar dan een besef dat alle dingen omvat die er voor dit Ik ooit in de stof hebben bestaan en meer – niet meer zo geregeld en georganiseerd als men als mens zou willen zien, maar als een natuurlijke en totale samenhang, die je tot een wereld wordt.
En hiermee meen ik ook het mij gestelde onderwerpje redelijk te hebben belicht. Indien u iets wilt vragen over deze twee onderwerpen kunt u dit nu doen.
Vragen
Als nu iemand overgegaan is in de vaste overtuiging dat er geen hiernamaals is, wat dan?
Ik kan hier antwoorden met een parabel: Er was eens een man, die meende zichzelf zodanig te kunnen beheersen dat hij geen pijn meer voelde. Hij zei dat hij de pijn voorgoed verbannen had en kon dan ook slapen op een spijkerbed, zich wentelen in glasscherven, zonder dat hij daardoor ook maar enige pijn leed of enige wond opliep. Op de duur raakte hij ervan overtuigd dat alle pijn alleen maar een illusie was en besloot dit aan de mensen te leren. Toen hij, omgeven door velen, zijn stellingen verkondigde en zich bereid verklaarde het bewijs daarvoor aan eigen lijf te tonen, trapte een van de omstanders hem onverwacht maar hard op de tenen, waarop de leraar een sprong in de lucht maakte en naast enkele minder fraaie woorden uitriep: Aaauu!
Zo gaat het iemand die niet in een voortbestaan na de stoffelijke dood gelooft. Daar hij nog beseft – want dit is inherent aan het wezen en kan niet worden teniet gedaan, hoe dan ook – meent hij nog te leven in de stof. Maar zijn wereld beantwoordt dan niet meer aan stoffelijke normen. Zolang hij alleen in stoffelijke termen zoals in de stoffelijke wereld wil reageren is hij nu machteloos. Op de duur verkrijgt hij echter toch wel een contact met een van de andere entiteiten in de geest. De reactie is dan eveneens “au!” daar dit een pijnlijke ontdekking betekent en de noodzaak inhoudt om alles, wat men als droom beschouwde of als product van opkomende waanzin, als werkelijkheid te aanvaarden. Maar dan leeft ook zo iemand dus, ondanks alle protesten, weer bewust in de wereld van zijn geest.
Maar word je dan ook in dit geval niet opgewacht door iemand die je de ogen opent?
Zo gesteld, is het een van de meest geliefde sprookjes die men vertelt. Want men stelt zich dan de zaak ongeveer als volgt voor: Als je op sterven ligt, staan er rond je reeds lange rijen van familieleden, dierbaren, geestelijke meesters en anderen klaar, zo ongeveer als de bedienden van een ouderwets maar deftig hotel bij aankomst en vertrek, om je te ontvangen en duidelijk te maken wat er aan de hand is. Indien u echter goed geluisterd hebt naar hetgeen ik u omtrent de overgang, de toestand na de dood, zo-even vertelde, zult u begrijpen dat dit niet zo letterlijk waar kan zijn. Wat er wel bestaat en mogelijk is, moet je indien je de gehele waarheid wilt benaderen, als volgt voorstellen:
Er zijn harmonieën met mensen en krachten in de geest, die ook reeds tijdens het aardse bestaan voor u deel gaan uitmaken van je eigen wereld. Denk daarbij niet alleen aan een kind-ouder, man-vrouw, of meester-leerling verhouding. Je kunt soms een mens voor een ogenblik ontmoeten die je in de stof nooit weer zult zien. Door een gebaar, een handeling, kan de ander voor jou opeens een realisatie mogelijk maken, een gevoel wekken. Wanneer dit wederkerig was, is er sprake van een werkelijk contact. Zo iemand is deel geworden van je innerlijke wereld. Het is duidelijk dat dergelijke dingen niet zo heel vaak tot een geestelijk contact voeren. Maar mogelijk is het. Maar of het nu mensen zijn met wie je dagelijks contact hebt gehad, of mensen met wie je wel correspondeerde, maar die je nooit werkelijk hebt gezien, wanneer een deel van hun denken, hun besef, deel is geworden van je eigen innerlijke wereld, betekent dit dat na de dood deze persoonlijkheden en hun krachten beseft zullen worden en ook actief kunnen zijn. Daar een dergelijke harmonie is gebaseerd op bepaalde voorstellingen en denkbeelden, kan er in u en de ander iets bestaan, dat gelijk, dat harmonisch is. Er is dan sprake van een soort resonantie. Op het punt waarop deze resonantie mogelijk is, zal tussen het ego en de ander een contact bestaan.
Of dit nu een kwestie is van besef, dan wel van emoties als liefde, haat e.d., zolang het voor degene die overgaat van belang is, zal hierdoor een contact met de ander bestaan, zelfs voordat de nieuwe wereld en toestand wordt beseft. Hierdoor wordt de erkenning van eigen toestand en de aanpassing aan de nieuwe condities van leven natuurlijk aanmerkelijk vereenvoudigd. Het is zelfs mogelijk dat dergelijke contacten al actief zijn, voor het stoffelijke leven geheel en werkelijk ten einde kwam.
Wij zien dan het verschijnsel van stervenden die ‘doden’ zien, muziek horen enz. enz. Dit zijn menselijk redelijke reacties op de waarden die in het Ik reeds aanwezig waren en nu op de voorgrond treden met het wegvallen van de gevoelens van stofgebondenheid. Dergelijke personen zijn dan ook harmonisch met uw wezen en hun kracht, zover ook deze harmonisch is met uw innerlijke wereld, is de uwe. Zij kunnen daardoor in u bepaalde erkenningen en denkbeelden stimuleren. Deze ‘anderen’ maken u dus de ogen niet open na de dood, maar helpen u uzelf en eigen omstandigheden te zien. Hierbij zullen feitelijke harmonieën tot een sneller besef voeren dan alleen in het Ik bestaande voorstellingen, dat is wel duidelijk.
Hiermee heb ik zo goed mogelijk de waarheid omtrent het afhalen na de overgang of tijdens de overgang weergegeven, al besef ik zeer wel dat u innerlijk hiervan reeds iets moet aanvoelen, om geheel juiste conclusies te kunnen trekken uit het voorgaande.
Op aarde kan men met verschillende geestelijke stromingen in contact komen. Bestaat een dergelijk zoeken ook na de dood of is dit dan niet meer mogelijk?
Een dergelijke zoeken en contact vloeit uit uzelf voort. U kunt bv. hier komen en geboeid worden door de mogelijkheden die hier bestaan. Maar voor uw begrip, uw contact vinden met ons en onze pogingen tot het geven van lering, wordt bepaald door hetgeen u zoekt. U zoekt niet naar hetgeen als geheel wordt gegeven, maar alleen naar hetgeen voor u belangrijk is. De maçon zoekt hier zijn eigen denken terug te vinden, terwijl de theosoof alleen contact zal hebben wanneer hij ontdekt dat er veel is wat in zijn denken en de leer van de filosofie en theosofie die hij kent, past. Zelfs de realist kan verschillende dingen hier ontdekken die in zijn beschouwingen en denkwijzen passen. Maar in feite hoort eenieder onze woorden anders, eenieder ziet het geheel anders. Wanneer u met een groep harmonisch wilt zijn, is het niet noodzakelijk dat u het helemaal met die anderen in alle opzichten eens bent. Het is voldoende dat u met die groep of delen daarvan zoveel gemeen hebt dat een gemeenschappelijk denken en handelen mogelijk wordt. Hebt u bv. behoefte aan kracht omdat u anderen beter wilt begrijpen en daarom ook helpen, dan zult u bemerken dat u, maar dan alleen op dit punt, reacties krijgt van de Orde en er in feite deel van bent.
In de geest bestaat een soortgelijke mogelijkheid. Maar de harmonie is daarbij dus noodzakelijk. Deze berust op hetgeen in ons bestaat. Er kan dus niets door anderen in ons worden gelegd. Maar dat wat eenmaal in ons – in ons eigen wereldje – aanwezig is, zelfs wanneer het zo vaag is als en droom of verlangen, geeft de anderen een mogelijkheid tot reactie.
Ik geef u een voorbeeld: Een geest leeft in het ‘duister’, maar verlangt naar een oplossing, een uitweg en is daarbij bereid zichzelf te erkennen voor hetgeen hij werkelijk is. Zijn verlangen naar Licht is dus niet alleen maar een beeld van hem zelf, maar tevens een teken van een veranderde innerlijke gesteldheid. Iemand anders die zelf het Licht reeds kent en daardoor in harmonie kan zijn met de behoefte aan Licht in degene die nog in het duister is – resonantie is een vorm van harmonie – kan nu in degene die in het duister meent te leven, het bewustzijn van het Licht stimuleren, zodat deze zijn begrippen van duister en beperkingen achterlaat en zichzelf uiteindelijk ook openlijk aanvaardt zoals hij is. Waarmee hij dan op een voor de mens haast onwaarschijnlijke wijze opeens ‘in het Licht staat’. Op deze wijze kan het dus gaan met een enkeling, maar hetzelfde is ook denkbaar voor groepen.
Volgens uw leer van harmonie zou men dus tussen duizend indrukken alleen datgene opmerken, waarmee men harmonisch is?
Waarde vriend, tussen duizend mensen valt u alleen dat meisje met die mooie benen op. Is dat niet een voldoende bewijs voor het bestaan van een selectief proces in waarneming en erkenning? Zoals u een gehele etalage ziet, maar daarbij tussen de honderden artikelen alleen dat ene artikel zult onthouden waarvoor u een zekere affiniteit bezit? Op grond van deze voorbeelden kunt u, naar ik meen, uw vraag zelf wel verder beantwoorden.
Men zegt dat er vele duistere en Lichte sferen zijn in het hiernamaals. Nu vraag ik: wanneer er een affiniteit is met een zeer duistere sfeer, hoe ontstaat dan de reactie die noopt tot het zoeken naar Licht?
Tja, ik zal maar weer een gelijkenis gebruiken. Iemand is altijd gewend geweest om goed te eten. Hij komt nu in een omgeving waar niets anders is dan wat kakkerlakken. Nu zal het lang duren voor hij deze beesten anders ziet dan als ongedierte. Misschien sterft zo iemand wel van de honger. Maar het is denkbaar dat er een ogenblik komt waarop hij ze gaat zien als mogelijk voedsel en stelt: ik kan beter deze beesten eten dan helemaal niets. Door dit te eten krijgt zo iemand dan weer de kracht om naar ander voedsel te gaan zoeken. Hij komt nu tot de ontdekking dat er ook nog wat mos is in zijn kerker. Dit smaakt al wat beter en geeft nog meer kracht. Hierdoor vindt hij de kracht om de deur van zijn kerker open te breken. In de vele gangen die hij nu doorloopt vindt hij misschien wat zwammen of paddenstoelen die hem in staat stellen verder te gaan, tot hij uiteindelijk de tuin bereikt waar hij zich weer met enkele vruchten kan voeden enz.
Ik gebruik hier maar weer een parabel, omdat het zeer moeilijk is de feiten u duidelijk voor te stellen. Maar ten aanzien van dit voorbeeld kunnen wij nu verder stellen dat de kerker niets anders is dan de illusie van de mens dat hij niet verder kan gaan, een illusie die in sterkte afneemt door zijn bereidheid datgene wat aanwezig is te aanvaarden. Elke volgende beperking van vrijheid, als de vele gangen, geeft wederom een reeks van inperkingen aan die uit het bewustzijn voortkomen. Het voedsel daar is wederom het gebruik maken van alle middelen die men daarin vinden kan, om het besefte doel – het stillen van de honger naar Licht – te stillen.
Op deze wijze komen wij tot vele sferen van duister die echter in feite uit de mens voortkomen. Zij zijn dus geen objectieve werelden, maar subjectieve waarden. Daar de duistere werelden als mogelijkheid echter in zovele mensen bestaan en door zovelen in meerdere of mindere mate worden beleefd, worden zij echter meestal als objectieve waarden behandeld. Hierdoor wordt het mogelijk een theoretisch aanvaardbaar beeld van de mogelijkheden in het hiernamaals te ontwerpen. Wat niet wegneemt dat voor de mens die een duistere wereld betreedt na de dood, deze een subjectieve waarde blijft, een interpretatie van het bestaan, niet een feit van het bestaan zelf. Het is nu ook duidelijk hoe een duistere wereld door de eigen reactie van de mens van omvang, waarde en betekenis, kan veranderen.
Ik vroeg dit omdat het mij zo moeilijk lijkt uit het duister te komen tot de eerste reactie die dan weer verder voert.
Wanneer je nooit iets anders dan duisternis gekend hebt, is het je niet goed mogelijk naar Licht te verlangen. Er kan dan hoogstens sprake zijn van een onbestemd verlangen dat nimmer concreet genoeg wordt om tot actie te voeren. Iemand die op aarde met algehele duisternis en stilte wordt geconfronteerd, krijgt last van visioenen, zal stemmen gaan horen die alleen uit hemzelf voortkomen. Wanneer de mens in staat is daarop te reageren, zal hij niet alleen de deur openen, waardoor hij het duister verlaat en weer geluid kan horen, maar zal hij de normale wereld met een geheel nieuwe waardering daarvoor, met een nieuw besef, benaderen.
Hetgeen ik hier stel is ook stoffelijk geheel verantwoord. Geestelijk kan men nu stellen: men kan slechts naar datgene verlangen wat men eens gekend heeft. Daar de geest voort is gekomen uit het eerste besef rond de ziel, de kern van het wezen, waarin een erkennen van de bron van eigen bestaan – het Licht – wel degelijk aanwezig was, zal elk wezen deze bron voor zich zien en zo de innerlijke toestand bereiken waarin het mogelijk wordt dit Licht, deze bron van het bestaan, terug te vinden. Naarmate het duister langer en meer kwellend wordt ervaren zullen de visioenen van Licht sterker worden en daarmee ook de neiging om naar dit Licht te gaan zoeken. Bij allen resulteert dit op een bepaald ogenblik in een vergeten van alle andere waarden en voert zo tot een actief zoeken naar het Licht. Naarmate men verder in het duister is gebonden – een lagere sfeer – zal men meer van zichzelf moeten ‘vergeten’ om actief het Licht te kunnen gaan zoeken.
Compensatie vanuit het onderbewuste?
Neen. Ik zal hierop niet te ver doorgaan, maar in de stof is het onbewuste een niet gerealiseerd deel van het kenvermogen, waardoor een gerichtheid in de bewuste reactie en het denken ontstaan die bij nader beschouwen niet geheel redelijk verklaard kunnen worden.
In de geest kan men niet van het onbewuste spreken, omdat het geheel van eigen denken een eigen wereld vormt. Daarom kan men daar alleen spreken van een aanvaarden of verwerpen van de delen van eigen bewustzijn en daarmee van eigen wereld. Daaraan kan ik dan nog toevoegen dat men, wanneer men veel van eigen wereld verwerpt op de duur zo aan mogelijkheden en leven…(?) wordt, dat men op de duur geneigd zal zijn alles, zelfs het meest onaangename te aanvaarden om de impasse te doorbreken. Met de eerste impuls die men als waar wil erkennen en waarop men dus ook weer zal willen reageren, heeft men dan in feite de duisternis en beperking voor het Ik reeds doorbroken.
Kort en goed: zelfs het meest absolute duister is niet zo moeilijk te verlaten als u schijnt te denken, wanneer men eerst maar bereid is te aanvaarden. Wie in het duister voor zich heen kan dromen en de feiten die men erkent blijft verwerpen en verdringen, gaat aan het duister verder ten onder. Waar echter de eigen beperktheid wordt beseft, is de beperking in feite reeds verbroken. Dat dit als het ware automatisch gebeurt, is in het voorgaande reeds geïmpliceerd.
Is er in het leven na de dood ook een fase, waarin het ik-bewustzijn zich geheel oplost?
Moeilijk te beantwoorden voor mij. Indien een dergelijke fase reëel bestaat, heb ik ze in ieder geval nog niet bereikt, daar ik mij nog als een persoonlijkheid uitdruk en ervaar. Ten hoogste kan ik dus veronderstellen. De veronderstelling die door vele feiten wel aanvaardbaar lijkt, maar voor mij in mijn wereld nog steeds een geloof is, omdat ik haar niet kan bewijzen, luidt: Op een gegeven ogenblik vallen de begrenzingen van het Ik ten aanzien van het andere weg, zodat de eigen wereld zonder meer overgaat in alle andere werelden van anderen. Hierdoor ontstaat een oneindigheid, waarin het Ik als wezen, actiemogelijkheid, niet meer bestaat, maar nog slechts een punt van besef is. Het verliest dan de eigenschappen die wij voor het bestaan van een Ik bepalend achten, maar er blijft iets over. Ik weet niet of men dit nog een ego mag noemen. Ik weet het eerlijk niet.
Kan iemand die vermoord is, de moordenaar in de stof schaden?
Dat is mogelijk. Wanneer de moord als zodanig wordt beseft en uit haat ontstond, daarbij tevens haat wekkende of versterkende, zal de dood niet als een verandering van wereld worden beseft, doch als een continu onrecht, het Ik door de ander aangedaan. De haat is hierbij het vlak van resonantie en vormt een harmonie. Ook de ander heeft een geest waarmee men een zeker rapport kan bereiken. Indien de vijand inderdaad het slechte, wat het Ik daarin ziet, in zich draagt, zal hij vatbaar zijn voor alle indrukken die in verband hiermee aan hem worden overgedragen. Zo ontstaat de mogelijkheid tot een psychische beïnvloeding, welke weer tot lichamelijk foute reacties kunnen voeren. Hierdoor is het mogelijk dat men zich ‘wreekt’. In een van de sterkste gevallen die mij van deze vorm van rapport bekend is, zag de vermoordde de kans zijn moordenaar zo sterk de illusie van wurging op te leggen, dat deze door verstikking overging en bepaalde tekenen van wurging toonde, zonder dat rond hem ook maar enig teken van strijd kenbaar was. Dit voerde echter tot grote moeilijkheden in de geest voor beiden. De vraag bij dit alles is dus, of het wraakbegrip ook in degene op wie men zich wreken wil, een houvast vindt. Dit bepaalt dus de mogelijkheid je vanuit de geest zich te wreken.
Wanneer je iemand uit de geest wilt helpen, zal je daarvoor een zeker besef en motief in eigen wereld nodig hebben. Het vermogen tot daadwerkelijk helpen in de stof – of in sferen – is dan afhankelijk van het aanwezig zijn van dezelfde bewustzijnsfactoren in degene die je helpen wilt.
Indien twee entiteiten elkander ontmoeten en voldoende affiniteit hebben, hoe zien zij dan elkander?
Kunt u zich voorstellen hoe uw eigen wereld er 5-dimensionaal uitziet? Neen? Hoe wilt u zich dan voorstellen, hoe twee entiteiten elkander zien? In feite is het een gehele reeks van voorstellingen die uitdrukken wat deze entiteit volgens eigen besef is en is geweest; je ziet de reactie die jezelf daarop hebt, je ziet alle herinneringen en gedachten als het ware. Dit wordt alles tezamen waargenomen op dezelfde wijze als u de details van een stoffelijke verschijning waarneemt, maar alleen een totaalindruk krijgt. Je zou kunnen zeggen dat dit alles een vaag mozaïek vormt, dat geen vorm maar eerder een soort kleur heeft. Dit is alleen een vergelijkende omschrijving. Je zou het ook zo kunnen stellen: het eerste contact is als de zindering van een gong die je doet trillen; hierdoor ontstaan trillingen in jezelf, die tot beelden – vergelijkend – kunnen worden. Dit is dan de communicatie. Nogmaals, dit alles is alleen maar een vergelijking, – een zeer onbeholpen beschrijving van de werkelijkheid.
Ten slotte dit: Wanneer je beseft hoezeer het geestelijk bestaan anders moet zijn dan het stoffelijke, kun je natuurlijk naar kennis daaromtrent streven. Een voor u concreet weten is echter niet mogelijk, wel kan men enkele facetten soms ten dele beseffen. Verheft men dit tot regel, dan maakt men ten aanzien van de geestelijke werkelijkheid grote vergissingen. Wijsheid zou zeggen: laat ons de eenheid erkennen die als gevolg van harmonie in, zowel als met de geest kan ontstaan, en de rest voorlopig laten rusten. Want het beseffen van een ander, overgegaan of niet, is van betekenis, al het andere in feite niet.
Ten slotte, zei ik. Maar toch nog het volgende: Wanneer u iets lekkers eet vraagt u zich toch ook niet af wat precies de bestanddelen zijn, vetten, vetzuren, al dan niet verzadigd, zetmeel, suikers, zouten enz.? U proeft de smaak en zegt dat het goed is. Een wijze zal beseffen dat de geest hem benaderen kan, dat hij een contact daarmee kan hebben. Hij aanvaardt dit, omdat het goed is. Het geeft voldoening en kan in kracht omgezet worden, dit is voor hem van belang. Waarom zou je alles ontleden? Bovendien, wanneer je iets wat je eet, eerst geheel ontleden wilt, kom je niet zo snel tot eten, en wanneer je daartoe toch komt zal het gerecht niet meer zo lekker smaken. Nietwaar?
Dood en sferen
Gezien de belangstelling voor het eerste deel van deze avond, wil ik van mijn kant ook iets zeggen over dood en sferen. Iemand van u meende reeds dat hij in de teksten van mijn voorganger iets van Kant herkende. Zover mij bekend was zijn werk echter geen kantwerk, ofschoon er misschien wel een enkele kanttekening in zijn betoog kan zijn voorgekomen.
Als wij proberen ons een beeld te maken van het leven, de overgang, de sferen, zullen wij als mens altijd weer geneigd zijn deze dingen te veruiterlijken. Dit is begrijpelijk: de mens heeft steeds geleerd zichzelf als een geheel te zien. Ook al vertelt men u, dat u even complex uit delen bent samengesteld als een Chinees puzzeldoosje, u blijft u zelf beschouwen als één geheel. Een verdeeldheid kunt u zich buiten u wel voostellen, maar niet in uzelf. Dit heeft natuurlijk vele bezwaren. Niet alleen dat bij de dood het denkbeeld van een ‘delen’ van de persoonlijkheid moeilijk aanvaardbaar blijft, zelfs indien men aan een voortbestaan gelooft, maar bovendien zal men ook waar het over de eigen bewustwording gaat, maar zelden kunnen begrijpen dat er in het Ik verschillende gradaties zijn, dat er verschillende waarden en factoren zijn die van elkander kunnen worden onderscheiden door het feit dat een deel daarvan slechts tijdelijk van invloed is, terwijl andere delen blijvend tot het Ik behoren.
Deze zelfde moeilijkheid brengt de mens er toe esoterische systemen of bv. alchemistische leringen altijd naar buiten toe te zien. Men gaat zich deze dingen als buiten het Ik bestaande voorstellen en wil zich als het ware daarin bewegen. Dit strookt echter niet met de werkelijkheid. Esoterische bewustwording, het woord zegt het al, is een bewustwording in jezelf omtrent jezelf. Het is dus niet een erkennen van iets buiten jezelf, of een mogelijkheid om buiten jezelf de dingen waar te maken. Een systeem dat uiterlijkheden bevat, kan binnen het Ik nooit geheel werkzaam zijn. Het kan geen reële en objectieve waarde omvatten, of een beschrijving bevatten van iets wat er in je bestaat.
Als mens heb je, vanuit dit standpunt geredeneerd, bovendien nog het nadeel dat men uniek is. Er zijn veel mensen die innerlijk veel op elkander gelijken. Maar zij hebben allen toch nog wel een klein tikje dat anders is, iets wat hen toch nog weer tot een unicum bestempelt. Zielkundig gezien is de mensheid dus een verzameling van unica. De Grote Verzamelaar heeft daarbij de mogelijkheid geschapen voor elk van deze unica, om in zich een volledige waarheid te vinden. Dat is nu juist de moeilijkheid. De mens denkt aan zichzelf wel als een eenheid, maar een volledige waarheid moet volgens hem iets zijn, dat meer is dan hijzelf. Het kan alleen buiten hem bestaan. Desnoods boven hem. Maar niet in hem.
Als je eerlijk bent moet je toegeven: wanneer ik in mijzelf bewust word, kan ik alleen in mijzelf ontdekken wat er reeds in mijzelf bestaat. Ik kan misschien de zaak in mijn bewustzijn hergroeperen, maar ik kan er niets aan toevoegen, niets van afhalen. Daarom wil ik beginnen met de stelling: Esoterisch gezien is het zo dat de mens een enkele, grote en onveranderlijke waarheid is, die echter door de mens eerst beseft wordt, naarmate in het bewustzijn meer delen van het Ik als besefte waarheid aan het beeld van eigen wezen worden toegevoegd.
En nu lijkt het mij goed ook enkele dingen te zeggen omtrent de dood. De dood is een door omstandigheden voor het Ik dwangmatige verandering van besef omtrent het Ik. Zolang het gaat om een innerlijke erkenning, houdt de dood geen verandering in, daar je precies dezelfde blijft die je reeds was. Zodra het gaat om de relatie met de buitenwereld treedt er echter een grote verandering op, daar de menselijke wereld nu eenmaal vaste normen en waarden kent – al zijn die vaak imaginair – waaraan men zich kon vastklampen. De innerlijke wereld kent dergelijke waarden niet. Zou men trachten zich volgens stoffelijke normen in een geestelijke wereld te oriënteren, zo zal men falen daar de bestaande tegenstellingen en de in de stof geldende normen daar niet meer te vinden zijn.
Wil men het leven na de dood bezien, zo kan men in feite rustig stellen: er is geen dood. Dood bestaat alleen indien wij naar buiten kijken, maar niet wanneer wij naar binnen zien. Om een onbeholpen vergelijking te gebruiken: Stel dat u zich bevindt in een luxe afdeling van een trein. De wagon en alles wat daarin is blijft hetzelfde, alles blijft op zijn plaats. Zolang u voor uw oriëntatie de waarden in de wagen gebruikt, kunt u alles onmiddellijk vinden en omschrijven. Wanneer u echter tracht buiten u een kernmerk te vinden en daarnaar kijkende, tracht om bv. blindelings uw koffer te pakken, zult u niet slagen: het kenmerk buiten u verdwijnt, daar de trein beweegt.
In mijzelf is de waarheid steeds gelijk, het besef omtrent mijn eigen betekenis kan gelijkmatig groeien. Mijn voorstellingen omtrent eigen belangrijkheid kunnen zich misschien wijzigen of de beelden omtrent eigen mogelijkheden, maar men zal steeds blijven werken met dezelfde waarden. Betrekt men de buitenkant echter bij zijn beschouwing, dan wordt de verandering een onophoudelijk proces. Toch zijn deze veranderende waarden buiten u nodig. Een esotericus die alleen in zich werkt en niet naar buiten toe uit, bereikt niets. Een trein die stilstaat is wel zichzelf, maar komt nergens. Op de reis ziet men dingen, leert ze kennen, beseft men dat ze er zijn. Hierdoor zal men zich dingen kunnen herkennen wanneer men ze in zich ontmoet. De buitenwereld geeft referentiewaarden, die bruikbaar zijn om het innerlijk te leren beseffen en zich in eigen innerlijk beter te oriënteren door besef van de betekenis der dingen. Deze innerlijke oriëntatie voert dan weer tot een juister begrip van ons zijn. Maar de kern hiervan is herkenning. Dat de belangrijkheid van de dood hierbij een rol speelt, blijkt uit het feit dat de mogelijkheid tot het buiten je vinden van nieuwe erkenningswaarden opeens wegvalt.
Men rijdt als het ware in een tunnel. In de trein blijft alles hetzelfde, daar er geen zich refereren naar buiten toe meer mogelijk is. Iemand die alleen maar uit het raam wil kijken, zal zoiets als een schok ervaren en met ongeduld wachten op het ogenblik dat buiten het raam opnieuw een zichtbare werkelijkheid voorbijglijdt. Wie werkt of leest en slechts zo nu en dan naar buiten ziet om zich te oriënteren, zal hiervan geen last hebben. Hij kan het uitzicht gemakkelijk ontberen.
Naarmate het Ik meer op uiterlijkheden is georiënteerd zal de overgang meer voor het Ik het karakter van een sterven, een werkelijke – zij het niet blijvende – dood hebben. Geestelijk geldt hetzelfde. Want ook geestelijk doet men, zij het op een andere wijze, ervaringen op en leert men dus aan de hand van analogieën eigen wezen beter kennen. Zolang de innerlijke waarden een hoofdrol spelen, blijft het geheel ook nu hanteerbaar. Richt men zich ook dan weer op de uiterlijkheden, op het andere, dan kan een verschijnsel als de dood zich herhalen. Want op de weg naar het Hoogste ligt niet slechts één, maar een groot aantal tunnels. Wie zich op de uiterlijke waarden blijft richten zal steeds weer de dood doormaken.
Misschien kan ik hier ook meteen iets zeggen over de sferen. De vele sferen, waarvan u wel hoort spreken, zijn deel van uw eigen wezen. Anders konden zij voor u niet eens bestaan. Beleeft men de sferen in zich, dan zal men deze niet zien als afzonderlijke werelden. Men ziet ze als een continuïteit, een deel van alles wat er in u is. Het zijn eenvoudig functies van het ego. Tracht men, zoals de mens doet, elke sfeer afzonderlijk te bezien, dan heeft men wel een aantal afzonderlijk omschrijfbare dingen, als bv. de verwarming, luchtklep en noodrem die men in een coupé aantreft, maar zullen zij in het juiste verband alleen kunnen functioneren en dus voor het Ik betekenis hebben in verband met al het andere.
Kort gezegd: mijn leven is mijn woning. Wie alleen naar buiten kijkt zal vaak dingen zien die hij ook in huis heeft. Hij zal deze zien en niet op zijn inboedel letten. Voor hem is alleen, wat er voorbijgaat werkelijkheid, maar kan het juist dan niet hanteren.
Dood en leven na de dood zijn voor de meeste mensen moeilijk te verteren, omdat zij stellen: onze wereld is de werkelijkheid. Maar dan kijkt u naar buiten. Uzelf bent niet die wereld. In die wereld bestaat u slechts door uw besef van die wereld. Daarom zal ook de wereld van de een groot, van de ander klein zijn enz. De werkelijke wereld ligt voor u, ook nu, in u. Erkennen wat er in mij leeft, beseffen wat ik ben, geeft mij het vermogen alle werelden te zien en te beleven als een geheel. Wie dit beseft heeft het koninkrijk der hemelen gevonden.
Natuurlijk: u bent een deel van het Al. Een steen in het werk van een Grote Bouwmeester. Maar die ene steen kan alleen maar zichzelf zijn wanneer de steen perfect gehouwen is voor zijn plaats, dan wordt hij daardoor een onverbrekelijk deel van het bouwwerk en drukt hij in zijn eenvoud mede de perfectie daarvan uit. Juist dit zien de mensen vaak over het hoofd. Zij denken, dat zij de tempel zullen worden, terwijl zij alleen maar en altijd een deel daarvan zijn. Door het perfect innemen van de juiste plaats in het geheel ervaart men echter zichzelf als ‘de tempel’.
Ik kan nooit God zijn. Ik ben maar een klein deel van de schepping. Maar wanneer ik innerlijk juist georiënteerd ben en zo het juiste antwoord ben op de eisen van deze schepping, zal ik mijzelf niet meer als een deel ervaren. Ik blijf wel een deel, maar ken nu de totaliteit waartoe ik behoor. Ik kan de gehele schepping kennen en leven zonder daarom ooit zelf die schepping als geheel te zijn. Ik kan een steen van een bouwwerk zijn en toch beseffen: dit is de enige ware tempel, die ooit gebouwd wordt.
De mens zegt: dus moeten wij met instrumenten aan het werk gaan. Soms kan dat wat helpen. Maar de instrumenten die je naar buiten toe nodig zou hebben om een steen te behouwen, heb je voor jezelf nu juist niet nodig. Er is meer nodig. Je kunt soms een steen prachtig behouwen, zuiver van lijn, van vorm, terwijl er binnenin de steen iets rot is. Dan verdraagt de steen geen druk en zal bij de laatste slag of bij het gebruik verbrijzelen.
Wanneer een mens naar de buitenkant kijkt, zien wij hetzelfde: men kan zich uiterlijk wel mooi aanpassen bij wat men juist of noodzakelijk acht, maar van binnen kan er dan een zwakke steen zitten waardoor hij in deze vorm binnen het geheel niet werkelijk kan bestaan. Je moet dus beginnen jezelf van binnenuit gezond te maken. Erken alle kleine dingen omtrent jezelf, beschouw niet slechts de scheiding en verbindingen tussen Ik en wereld als belangrijk, maar acht vooral innerlijke waarheid en eerlijkheid van belang. Tracht voor jezelf alles wat er in je is te kennen en het zo te groeperen dat de dingen die in je leven elkander niet bestrijden, doch elkander versterken. Voeg alle innerlijke erkenningen omtrent jezelf samen tot een zuiver en vast geheel. Dan in waarheid beseffende wat je bent, verkrijg je naar buiten toe haast automatisch de vorm die je nodig hebt.
Een mens, een geest, kan nooit reageren op iets wat niet reeds in hem leeft. Je kunt niet iets nieuws leren, je kunt de formulering leren voor de dingen die in je leven. Je kunt geen nieuwe ontdekkingen doen; je kunt alleen naar buiten toe de dingen die in je bestaan beter kenbaar maken en vormgeven. Het leven is een innerlijk proces, dat onvermijdelijk uiting met zich brengt, voor ons zijn deze beiden onafscheidelijk. Naarmate de steen innerlijk gezonder wordt zal zij naar buiten toe een juistere vorm aannemen. Wees een vakman ten aanzien van jezelf. Zodra je dit vakmanschap ten aanzien van jezelf bereikt hebt, is er geen dood meer. Dan ben je niet meer afhankelijk van omstandigheden die je vormen, maar vorm je jezelf te midden van de omstandigheden.
Ik meen dat de kern van mijn betoog mag luiden: Echt sterven is niet beseffen dat je leeft. Sfeer, is de beperking van je bewustzijn ten aanzien van je eigen wezen en werkelijkheid. Bereiking, de uiteindelijke bereiking van de esotericus, is de volledige innerlijke gezondmaking van het Ik, een scheppen van innerlijke harmonie waardoor men in zich, zowel als in uiting en bestaan, geheel kan beantwoorden aan de bedoelingen van de Schepper en dit beseffen.
En daar kan ik het dan voor heden wel bij laten. Misschien heb ik u toch niet zo heel veel duidelijk kunnen maken over dood en sferen, maar als u in uw innerlijk zoekt, vindt u de antwoorden vanzelf. Misschien dat u dan ook eindelijk zult beseffen waarom de meeste mensen voor anderen wel in de dood geloven, maar dit voor zich eigenlijk nooit echt kunnen doen: Omdat zij innerlijk aanvoelen dat er geen werkelijke dood bestaat en dit innerlijk erkennen verwarren met de verschijnselen.
