Mens en natuurgeest

image_pdf

29 november 1957

Aan het begin van deze bijeenkomst zou ik er allereerst nog op willen wijzen, dat wat wij zeggen uit ons beste weten stamt en kunnen, maar geenszins daarmee stamt uit alwetendheid of onfeilbaarheid. Uiteindelijk zijn er bij ons innerlijke waarheden, die wij allen moeten leren kennen en moeten nagaan. In de wereld en in de sferen is hierover veel gedacht, zelfs veel gewerkt. Enkele punten hiervan zou ik dan ook graag onder uw aandacht brengen.

Mens en natuurgeest

Wanneer je leeft als mens, dus stoffelijk, ben je je over het algemeen niet bewust van de veelheid van krachten die je omgeven. Men is zich zeker niet bewust van de krachten die er in de natuur bestaan, de levende wezens, die in een andere wereld leven, die toch weer volledig identiek is met de uwe. Ook is men zich niet bewust van de vele geestelijke krachten, die om enigerlei reden dicht bij de aarde blijven. Hier echter moet men voorzichtig zijn, men moet weten rekening te houden ook met deze invloeden, omdat men begrijpt wat zich in het eigen leven afspeelt, opdat men niet verblind wordt door uiterlijkheden en de innerlijke wijsheid, het innerlijke weten voortdurend kan vasthouden, komende zo tot een verlichting, waarin het “Ik” zichzelf vindt in volledige waarheid. Mijn eerste punt is dan: “Mens en Natuurgeest”.

Onder natuurgeest kan worden verstaan een gehele reeks van geesten, gaande van de gnoom, de kobold tot de Grote Engel, de figuur, die als een Lichtende Kracht vaak het menselijk leven tracht te zuiveren van een te veel aan kwaad. Wanneer wij leven, verbonden met de natuur, dan zullen de kleine natuurgeesten op ons leven een grote invloed hebben. Hierover wordt gezegd: harmonie met de natuur betekent harmonie met het rijk van de ongezienen. Voor wie in de natuur leeft, leeft Pan en zijn rijk, leven de elfen en sylfen (elementaire geesten; red.), leeft het totaal van de wereld van de andere levende krachten. Dit “andere” is belangrijk. Andere levende krachten zijn nl. de krachten die een andere weg van leven hebben dan u, een andere bewustwording, een andere realisatie van wat noodzakelijk en niet noodzakelijk is.

De kleine natuurgeesten hebben over het algemeen niet uw moraal, noch uw inzicht in de noodzakelijkheid van zelfbeschouwing. Zij leven bewuster dan de dieren, toch eigenlijk een dierlijk bestaantje, waarbij de verschijnselen in de omgeving van groot belang zijn, maar niet te lang worden onthouden. Wanneer zij ingrijpen in uw leven, dan is dat voornamelijk omdat u een storende invloed bent in hun eigen wereld, ofwel omdat u, misschien door uw uitstraling, uw persoonlijkheid of daden, een bevordering betekent van hun aangename ervaringen van het ogenblik. Wanneer u met hen te maken krijgt, is het voldoende u te realiseren dat de mens die vrede kent door de kleine krachten van de natuur, niet wordt gemeden en geschuwd, maar ook zeker niet gehinderd.

De grotere natuurkrachten echter zijn anders. Staat er niet geschreven:

“De lichtende sylfen, geboren uit de zon, dalen neer tot de steden, dalen neer tot het land en nemen daar de lasten van het onbegrepen kwaad, dragend tot het verteert in de zonnegloed.” Wij zouden er over moeten spreken als lichtende geesten. Maar zij hebben niet de bewustwording doorgemaakt van de mens op aarde. Veel van hetgeen u kwaad acht, wordt door hen niet eens gezien. Andere dingen, die u natuurlijk acht, als bijvoorbeeld een zekere mate van egoïsme, zijn voor hen het grootste kwaad dat er kan bestaan. Deze wezens zijn zich volledig bewust. Zij kennen hun God, zij hebben een herinneringsvermogen dat zeer ver gaat en een inzicht in de innerlijke waarden. Wanneer zij in uw leven optreden, dan zullen zij voortdurend trachten om u te helpen, niet tot een menselijk goed leven, maar tot een leven dat lichtend en rein is.

“Reinheid” heeft eens de Boeddha gezegd: “is de doorzichtigheid van een zonnestraal”.

Reinheid is eigenlijk denken. Wanneer het gedachteleven niet rein is, kan al het andere zuiver schijnen, het geheel is lelijk, is dor. Wanneer de uiterlijkheden onzuiver lijken, maar het innerlijk streven is volledig rein, dan bestaat er – voor de sylfen althans – slechts licht, licht, waarin zij zichzelf als het ware op aarde een basis vinden, om van daaruit verder te strijden tegen al hetgeen wat hun wereld verontreinigt. Wanneer wij rein zijn, dan betekent dit, dat wij onze gedachten bewust richten op het goede. Maar je kunt je niet op het goede richten zonder een zekere zelfkennis. Het is juist op dit punt dat de sylfen ons soms misleiden. Hun wereld is een andere. Wanneer zij zich bij en rond ons gevestigd hebben, dan brengen wij weliswaar licht in de wereld, maar wij zijn niet meer in staat om door te dringen tot ons eigen “Ik”. Het weten van de wereld vertekent en het totaal van de kennis schijnt geheel onverwachte uitkomsten te geven.

Daardoor droom je en ben je niet meer bewust van de realiteit. Daarom mogen wij de sylfen zien als helpers van de mensheid, maar nooit als krachten die ons persoonlijk kunnen geleiden of helpen bij de bewustwording. Wij mogen wel degelijk hun hulp aanvaarden, wanneer zij rond ons de wereld van kwaad trachten te zuiveren, maar mogen nooit hun denkwijze en hun streven als het onze volledig accepteren.

Daarboven – door mij ook nog tot de natuurgeesten gerekend, omdat zij vaak een grote scheppende werking hebben – de wezens die men wel engelen noemt. Deze engelen, die men heel vaak elders dewa’s noemt, zijn grote lichtende wezens die niet de menselijke gang, menselijke gestalte, volbracht hebbende, toch een volledig bewustzijn van de stof hebben. Zij weten, hoe de kern van het “Ik” moet worden gedragen door het bewustzijn omtrent het eigen wezen. Zij weten maar al te goed, dat geen enkel stofwezen dat bewustzijn heeft, kan komen tot een rein en groot geestelijk leven zonder een kennen van het zelf. Vandaar dat voor ons de Engel wel een steunende en helpende kracht mag zijn. Mogen wij van de lagere krachten de hulp aanvaarden wanneer het noodzakelijk is, bij de Engel mogen wij wel degelijk rekenen op een volledige leiding, zover het aangaat het bereiken van hetgeen daadwerkelijk goed is. In dat “Ik” bestaat over dat goed en kwaad heel vaak strijd. Wij weten soms niet meer wat goed en kwaad is. Wij realiseren ons niet eens meer, wat nu eigenlijk de inhoud van ons leven is.

Vrienden, hierbij moeten wij uitgaan van enkele algemene stelregels, die natuurlijk voor ieder afzonderlijk moeten worden aangepast, maar het kan gelden als volgt:

Hoe verder u zich bewust bent van de wereld rond u en hoe meer u uzelf in die wereld terug vindt, zovéél te reiner en te rijper zal uw ervaring zijn. Het kennen van de wereld buiten u – niet als een verschijnsel, maar als een onmiddellijke reflex van uw eigen wezen – betekent bewustwording omtrent innerlijke waarden en zo bereiking van het Licht, dat in het innerlijk verborgen is.

In de tweede plaats: al wat ons streven betekent, is tijdelijk. Want stoffelijk streven zal altijd aan tijd gebonden blijven. De geest echter kent de tijd niet. De Engel, geest zijnde, zal streven naar eeuwige waarden, niet naar tijdelijke. Het zal dus wel eens noodzakelijk zijn om een stoffelijk streven een ogenblik voor te trekken bij een volledig streven naar innerlijke bewustwording. Toch moet in het algemeen worden aanvaard, dat elke impuls die een verrijking van het “Ik” betekent, aanvaardbaar en goed is. Elke impuls echter die een begrenzing betekent voor het “Ik” of een belasting daarvan, bijvoorbeeld door het nemen van verantwoording en het verwerven van bezit, minder goed geheten kan worden, zolang zij uiteindelijk alleen op het “Ik” betrokken wordt. Het nemen van verantwoording, verwerven van bezit voor anderen echter kan goed zijn, daar hier een groter deel van de wereld als deel van het “Ik” wordt beschouwd.

Boven deze door mij Engelen genoemde wezens staan de Scheppers van rassen en werelden, uiteindelijk de kernen ook van de sterren, de lichtende zonnen, die aan de hemel staan. Van hen kan worden gezegd: “Wetend omtrent alle dingen, die uit hen zijn voortgekomen, zijn zij de Kleine Scheppers. Kleine Scheppende Krachten, zijn zij tevens voor ons het middel om in hen de verwerkelijking van ons eigen wezen te vinden. De werkelijkheid van het eigen wezen is bovenal belangrijk.”

Naast de natuurgeest is het ook de geest van de overgegane mens, de demonische, of chaotische geest, die invloed kan uitoefenen op de wereld en op de mensen die daarin leven. Omtrent de overgegane geesten mogen wij stellen, tezamen met vele wijzen uit het verleden, dat de geest die sterft en terugkeert tot zijn wereld veelal kwaad betekent voor die wereld. De veranderingen van die wereld kan hij/zij niet accepteren, daarentegen zal hij/zij wel trachten de eigen wil te verwerkelijken, zo nodig door anderen hun eigen wil te ontnemen. Dit laatste is natuurlijk niet acceptabel. De wijze waarop het tot stand wordt gebracht, in de eerste plaats door bezitneming of bezetenheid. Hierbij zal de geest het eigen wezen, de eigen persoonlijkheid van een mens zover terug dringen dat er niets meer overblijft, behalve het innerlijke “Ik”. De uiterlijke daden zijn die van een ander. Een dergelijke toestand eist van eenieder die ze moet ondergaan de volgende realisatie: Ik beheers mij waar ik kan. Ik tracht meester te blijven waar ik kan. Ik richt al mijn streven tot het goede. Ik verwerp alle kwaad. Kan ik niet aan het kwaad ontkomen, zo weiger ik dit te beschouwen als deel van mijzelf. Ik ben en blijf het Licht.

Een dergelijke levenshouding is voor een in bezitnemende geest de grootste hinderpaal die bestaat. Want het innerlijk zoeken naar Licht belemmert elk trachten tot duister te voeren, zo zal op de duur een dergelijke geest uittreden. Het “Ik” keert dan weer terug tot de volledige beschikking over eigen voertuigen. Hebben wij te maken met een geest die niet een volledig bezit bereikt, dan zien wij vaak de vorm van aanhechting, soms ook overschaduwing.

De aanhechting is in feite niets anders dan een ingrijpen in of verward geraken in de aura van de persoon die dit lot draagt, waarbij een dergelijke geest de gedachtestromen soms haast dominerend voortdurend afzet op het eigen denken van degene die geobsedeerd wordt door een dergelijke aanhechting. In een dergelijk geval ontstaat een innerlijke strijd. Deze strijd moet worden gezegd te zijn een strijd tussen het eigen “Ik” en een ander “Ik”. Definities als goed en kwaad maken hier weinig uit. Wel is het belangrijk, dat wij ons realiseren: wij moeten onszelf zijn. Wanneer ons iets obsedeert, bijvoorbeeld een drang tot daden, dan zullen wij onszelf voortdurend voorhouden, dat deze daden ook in verantwoorde en bewuste zin te stellen zijn. Wij zullen verwerpen om dit op een wijze te doen, die door ons zelf als kwaad wordt erkend. Wij zullen ons realiseren, dat er een Licht in ons is dat niet gedoofd kan worden. Dit laatste is zeer belangrijk, daar juist het voortdurend bewustzijn omtrent innerlijk Licht elke obsessie in waarde doet verminderen, en op de duur ook vaak de kracht geeft om de onaangename verbinding te verbreken.

Bij een overschaduwing, of oversluiering is het een invloed die niet slechts ons, maar ook onze omgeving betreft. Wat hier gebeurt, kan het gemakkelijkst worden gekenschetst met een wolk die voor licht in het leven schuift. Hierover werd gezegd: “Wanneer de demon macht krijgt, zo maakt hij van de dag een nacht. De nacht is de zijne in wilde dromen.” Degene die dit heeft neergeschreven, heeft zelf die toestand ervaren. Het lijkt je, of je geen uitzicht meer hebt in het leven. De hele omgeving schijnt je op een onplezierige manier tegemoet te komen.

Er schijnt geen inhoud en doel meer te zijn in je daden. Je zou alles er bij neer willen gooien, je zou in melancholie willen verstarren. Het verzet is wederom gebaseerd op het innerlijk Licht, daarnaast de realisatie dat elke beoordeling van de wereld voortdurend een verwrongen en een vervormde beoordeling betekent. Men moet zichzelf zeggen: “In mij leeft Licht. Dit Licht zoek ik in de wereld”. Men zal het dan ongetwijfeld vinden en hierdoor zal de oversluiering, zij het langzaam, afnemen.

De demonen zijn nog eigenaardiger krachten. Een demon kan u soms leiden op het pad van algemene rechtvaardigheid. Stel u niet voor dat deze gerechtigheid in het oog van de mensen ook werkelijk rechtvaardig en goed is. Integendeel! Een demon vernietigt alle vreugde en gebruikt slechts de regels, de strakheid van gedrag, om zo verder ook alle regels te vernietigen. Wie in het leven geen ware vreugde kan vinden, is meestal in strijd gewikkeld met een dergelijk demonisch wezen. Hier kan niet het eigen gedrag een verandering brengen.

Hier kan alleen een zoeken naar levensvreugde, zo mogelijk binnen eigen bestaan, binnen eigen geregeld leven, een oplossing geven. Rondom ons is het Goddelijk Licht. Waar wij ook gaan, dit Licht is met ons. Wanneer wij dit Licht kunnen vinden in de Schepping rond ons, in de kern van ons eigen wezen, bestaat er geen ongeluk, bestaat er geen chaos, bestaat er slechts een voortdurende vorming, die bij een vergroting van inzicht op de duur een deelgenootschap geeft in alle zijn, in alle weten.

U ziet dat over deze wezens nog al wat te zeggen is. Dat ik van hieruit over ga op enkele minder gespecialiseerde punten, zal u hopelijk niet te veel storen.

De verlichting van het “Ik” in elk leven is wijsheid, niet weten. Weten is een middel tot wijsheid, meer niet. Wijsheid nu is het toepassen van het weten op jezelf, om door dit toegepaste weten in het “Ik” grotere vrede en grotere vreugde te verwerven. Daar waar de vrede in het “Ik” zetelt, zal de wijsheid het weten benaderen en zal zo uw kennis worden vergroot, naarmate uw innerlijk stijgt. Er kan niet worden gesteld dat een bewustwording zonder kennis mogelijk is. Integendeel! Kennis is het intrinsiek deel van de bewustwording, maar zal, zijnde van secundaire betekenis, automatisch daar ontstaan waar het “Ik” zelf voortdurend het Licht zoekt. Want zoekend naar het Licht worden wij gevoeliger voor de wereld, voor de sferen. In deze gevoeligheid zullen wij veel dingen zien die ons tot nu toe ontgingen, zullen wij een verband begrijpen waar ons dit eens een raadsel was. Wijsheid leidt tot het kennen van God. Wijsheid en vrede in het “Ik” gerealiseerd, brengen ons ook tot een groter bewustzijn van waarden die in onszelf sluimeren.

In ons is een perfecte harmonie geborgen. Deze harmonie ontstaat door het totale “Ik”, dat één is met de Scheppende Kracht, waaruit het is voortgekomen. Deze harmonie, niet gerealiseerd, doet ons leven in een wereld vol verdeeldheid. Wel gerealiseerd daarentegen brengt zij ons steeds intenser in contact met het gehele zijn. Niet door de uiterlijkheid, die uiteindelijk vaak waan is, maar door de innerlijke betekenis, die vanuit het Goddelijke beleefd, een volkomen en juiste realisatie van het zijn mogelijk maakt. Willen wij verder gaan en in onszelf bewustzijn vinden, dan zal de harmonie worden tot schoonheid. Schoonheid wederom is een begeleidingsverschijnsel van de bewustwording met een secundair effect. Schoonheid groeit uit Harmonie. Hoe groter de Harmonische Krachten, hoe groter ons ervaren van schoonheid, hoe groter ook onze eigen harmonische instelling ten opzichte van de wereld en de sferen. Hierin vinden wij dan als het ware de vreugde Gods. En deze vreugde op zijn beurt betekent voor ons activiteit, een werkzaam zijn. Het eigen “Ik” moet te allen tijde werkzaam zijn.

Er is geen ogenblik, onverschillig of u sluimert, of waakt, of u werkt of een ogenblik tracht ontspanning te vinden, dat in uw “Ik” een werkelijke rust bestaat. De beweging die in u leeft is eeuwig. Een voortdurend streven misschien, maar ook een voortdurend geven van waarden aan de buitenwereld en een ontvangen van waarden uit de buitenwereld. Deze voortdurende beweging is de uiting van Gods Schepping en openbaart zich in tegendelen. Het zijn twee waarden die een punt van evenwicht vinden. Dit punt van evenwicht is voor ons het punt van Harmonie met God.

Dit betekent, dat niet altijd goed en kwaad gelijkelijk groot behoeven te zijn. In ons ligt een schaduw gelijkelijk groot, maar wel, dat hun kracht op een bepaald punt komt tot een stoppen, een ophouden van de beweging. Kunnen wij dit punt in onszelf vinden, dan hebben wij een punt gevonden waar de absolute schoonheid van de Goddelijke Kracht, het absolute weten omtrent onze wereld – en daarmee ook het absoluut werkzaam zijn vanuit het goddelijke – voor ons realiseerbaar is. De verstoorde verhoudingen van goed en kwaad in de mens zullen vanzelf tot het juiste evenwicht keren, wanneer je in de eerste plaats God zoekt, niet de waarden op zichzelf. Wie zoekt naar goed zal in het goede de onevenwichtigheid vinden en in zijn bewustzijn wordt het kwade geboren. Wie in het kwade vergetelheid zoekt, zal door zichzelf te doven, zich dwingen herboren te worden. En herboren, zal hij hernieuwd moeten leven.

Maar wie het punt vindt dat dood lijkt en het leven is, de eenheid van Krachten in het “Ik”, waardoor men, als handelend deel van God kan optreden in eigen en andere werelden, die heeft de weg gevonden die alle karma verbreekt, die elke wedergeboorte onnodig maakt, die het “Ik” als direct handelend deel van God in de scheppende taak van het heelal doet opnemen.

Er is geen wezen, dat geen deel heeft aan de Schepping. Ook uzelf schept voortdurend en u vernietigt. U vernietigt in uw bewustzijn, u schept in uw wereld. Dat wat u gisteren hebt geschapen, kunt u nooit meer uitblussen, nooit meer vernietigen. Dat wat u droomt morgen te scheppen, zult u moeten verwerkelijken, voordat het kan bestaan.

De dromen van de mensen zijn het beeld wat voor de mens kan zijn. Goede en kwade dromen. Achter de dromen de kracht, de werkzaamheid waardoor wij hetgeen in ons bestaat scheppen in de wereld buiten ons . Het is voor ons noodzakelijk om voortdurend scheppend werkzaam te zijn en ons van dit scheppende werk bewust te zijn. Elke stap die u zet, elke handeling, elke woord dat u spreekt, heeft invloed op uw wereld, bepaalt de uiteindelijke vorm, de uiteindelijke gestalte van de geschiedenis, de uiteindelijke bewustwording, vroeger of later, van al wat rond u staat.

Wees u hiervan bewust. Niet als een verantwoording die niet te dragen is, maar als een vreugdig weten, dat u mee schept met de andere Krachten. Juist in dit scheppen zult u één kunnen zijn met de Engelen, zult u de lichte krachten van de Sylfen ervaren als een weldoend bad, zult u de kleine krachten van de aarde zien die u omringen en terzijde staan. Zo zult u doordringen tot de kern van uw eigen wezen, tot het weten omtrent uw God, de vrede die uit Hem voortkomt. Ik geloof, dat ik u hiermee een toelichting heb gegeven die u bij rijpe overdenking kan helpen op uw eigen levenspad.

Enkele sprookjes

Het zwaard dat niet verslagen kon worden

Wanneer ik een kleine toelichting wil geven op hetgeen mijn geachte collega zo-even naar voren heeft gebracht, dan komt mij onwillekeurig een regel voor de geest. Een regel, die mij dierbaar was, die mij in andere tijden ook vaak tot vreugde en steun is geweest.

“Er was ereis…” Er was eens een mens, die zocht op de hele wereld naar een wapen dat hem onoverwinnelijk maakte. Hij zocht in de diepe grotten onder de aarde, ging tot het rijk van de gnomen en wilde hen dwingen voor hem een zwaard te scheppen, groter dan dat van Siegfried, machtiger dan dat van enig ander. Hij wilde een wapen hebben, een ridderlijk wapen, dat nooit te verslaan zou zijn. Eindelijk na lang trekken vond hij ergens onder de Karpaten een vreemd volk van gnomen en kobolds. Ergens in het oude Zevengebergte gloeide nog het vuur van Moeder Aarde en in een enorme smidse werd vervaardigd een sieraad van goud, zilver, maar ook een wapen van staal, beter dan ooit uit Damascus is gekomen.

Daar stelde hij zijn eis. Hij zei tot de vorst van al dit vreemde volk: “Geef mij een wapen, waarmee ik de wereld kan beheersen. Een wapen dat onoverwinnelijk is. Ik zal u geven, wat u verlangt”. De oude gnoom met zijn afstaande oortjes en scheefstaande kroon glimlachte, riep een bevel en er werd een zwaard gebracht zó schoon, als onze zoeker nooit tevoren had aanschouwd. “Zie”, zei de gnoom, “dit is een zwaard, dat nog nooit verslagen is en nooit verslagen kan worden, want alle magie van de krachten van de naturen is erin vastgelegd. Neem het en keer terug tot uw wereld. Ik vraag geen beloning. Maar ik denk dat u mijn gave niet zult zegenen.”

Degene die de wereld wilde beheersen trok omhoog en eindelijk stond hij daar in de wijde vlakten, terwijl achter hem nog blauw de bergen schemerden. Hij trok zijn zwaard, ging naar een trekkende stam en zei: “Vanaf heden ben ik uw meester”. Maar voor hij het zwaard in gevechtsstand had weten te brengen, vloog er een steen van achter tegen zijn hoofd en hij viel neer. En een ander nam het zwaard. Een lange tijd bleef het zwaard het erfgoed van zwervende herders. Toen werd het verkocht naar de Kaukasus. Het waren grote blonde mannen die het daar droegen. Trots pronkten zij er mee, geslacht na geslacht, in hun kleine bergkastelen. Tot ook zij het verder gaven. Zo kwam het in een Indische stad. Het zwaard, dat niet verslagen kon worden, werd uiteindelijk een vorstenzwaard in de hand van Dzjengis Khan. De halve wereld werd veroverd, doch de vorst stierf. Het zwaard verdween en nooit meer is het terug gevonden.

Het is niet voldoende dat een zwaard onoverwinnelijk is. Een zwaard kan dit eerst werkelijk zijn, wanneer ook de mens die het hanteert geen zwakte kent. De gnoom had dit geweten, de zoeker naar macht niet. Daardoor moest hij vallen. Zoals in dit kleine verhaal ligt over de gehele wereld voor ons beeld na beeld bereid. De mens zoekt naar macht, hij zoekt naar weten en naar kennis en smeedt zich wapenen, soms uit letteren, samengevoegd tot belangrijke boeken, soms uit kapitaal gestapeld tot een toornige macht die schepen beweegt en landen doet beven. Maar nooit is een wapen sterker dan degene die het hanteert. En wie een wapen uit begeren hanteert, is zwak. Wie zwak is, gaat onder. Niet het wapen wordt verslagen, maar wel de mens.

Het kind dat geloven kon

Er was ereis…… een meisje, klein, teer en sierlijk, dat dansend door het leven ging. Tot op een nacht de drakenschepen aan de kust verschenen en grote krijgers met gehoornde helmen haar meesleepten. Een slavin, die op de markten misschien een hoge prijs zou brengen….. en anders een vreugde zou zijn om aan te zien in de sombere huizingen aan de rotsige kusten in de verte. Dit kleine kind, dat daar stond te midden van zoveel geweld, leek wel de meest tere, de meest kwetsbare van alle mensen. Doch toen de krijgstocht ten einde was en de rovers terugtrokken over het land naar hun drakenschepen en hun schilden wederom aan de boorden van de schepen bevestigden, was het dit kleine kind dat allen verloste. Ziet, het had twee dingen van grote waarde: onschuld en geloof. In haar onschuld dacht het niet aan het kwaad dat de rovers misschien zouden stichten, of gesticht hadden. Het dacht niet aan haat tegen hen die de haardsteden van velen verbrand hadden. In haar geloof echter dacht het goedheid te kunnen brengen. Zo bad het in zichzelf tot vreemde en onbekende Goden, zoals kinderen die kennen. Zij riep naar feeën, en tovenaars, zij riep naar engelen die beschutten en naar de heiligste krachten die op aarde leven kunnen.

Toen kwam er rond dit kind een sidderend licht, of vele kaarsen werden aangestoken. De rokerige flambouwen van de rovers doofden, hun schepen leken als herboren, het rood van de stevens gebannen in het goud, dat glansde en straalde als nooit tevoren. Toen bogen die rovers eerbiedig de knie voor het kind. Zij zeiden tot haar: “Meesteres”. Zij bevrijdden allen, die zij als slaaf hadden genomen, ja, gaven zelfs – buiten de leeftocht – de schatten terug die zij geroofd hadden. Toen voeren zij weg, beroerd door het wonder, met schepen die nog een ogenblik na schemerden in een verdwijnend goud. Doch, terwijl de gestreepte zeilen op zee langzaam weg schenen te zinken achter de einder, riepen alle mensen tot het kind en zeiden: “Ziet, weest gij onze vorstinne.” Het kind luisterde niet. Bij de schatten lag een pop, die het zeer lief had gehad. Alleen dit nam ze mee en meer niet. Maar het land was gezegend om een kind dat geloven kon.

Het is goed dat de doodsengel het kind heeft gehaald vóór het te oud werd, daar het zijn geloof misschien zou verliezen te midden van de mensen. Dit kind was het machtigste van de aarde. Het had onschuld en geloof: de wapens, die de krachten van het duister binden, die heerscharen van het Licht doen aantreden ten slag. In ons, vrienden, leeft een gelijke wereld. Ook in uw kusten en steden, waarin vrede is, waarin soms de rovers van buitenaf optrekken, geheten: begeerten, lusten, haat en angst. Ook in u woont het kind dat Licht heet. De kleine straal, de Goddelijke Vonk, die eens uit het Eeuwige in u is gekomen. Het machtigste kind van de aarde. Maar heeft ook uw klein kind, levend in uw besloten “Ik”, een schat die het stelt boven al?

Kent het één ding dat het boven al lief heeft? Eén ding, waarnaar het bovenal verlangt en streeft? Zo het antwoord “ja” is, gezegend het land waarin het woont, gezegend de mens die deze Kracht in zich draagt. Want in wie Gods Licht verlangend uitreikt naar een weten en een bereiken, die is gegeven een bereiken boven alle lust, de heerschappij over alle hartstocht. Doch wee hem die tracht het Lichtende Kind, dat in het “Ik” sluimert, te maken tot een kleine mens met menselijke gebruiken en gewoonten. Mensen geloven niet zo zeer. Mensen verliezen snel hun reinheid en onschuld. Wie zal dan de kust van uw weten beveiligen voor de “rovers van de  hartstochten en van de haat”, wanneer zij komen in rode drakenschepen?

Vrienden, het is niet mijn taak om nog vele woorden tot u te spreken. Maar in deze beelden heb ik getracht weer te geven wat ik denk over innerlijke machten en over uiterlijke machten. Wat ik denk over geloof en innerlijke zekerheid en een poging om in de wereld uiterlijk een uitdrukking te geven alleen aan je eigen denken, niet aan je eigen wezen. Ik hoop dat mijn verhaal u een ogenblik heeft mogen boeien en dat de moraal erin verborgen voor u een aanvaardbare is.

Het was mij een genoegen tot u te mogen spreken. Ik wens u ook verder een gezegende avond toe.

image_pdf