5 februari 1955
Hindoeïsme
Deze maal wil ik graag de overgang van Veda’s naar het Hindoeïsme wat meer uitwerken. De vorige maal heb ik o o.a. wat citaten gegeven uit die oude leringen en wijsheid en geprobeerd u te laten zien, dat de geestelijke inzichten en beschavingen van die oude tijd zo dwaas nog niet waren. Dat zij in sommige gevallen, o.a. het atoom en de moderne astronomie in hun zinnebeeldige spreuken hadden ingewerkt; hoe zij dan uiteindelijk gekomen zijn tot een verstarring in een veelgodendom, zoals bv. de Hindoeleer te zien geeft. Wij mogen natuurlijk niet aannemen, dat dat zo maar zonder meer naar voren gekomen is. Dat dergelijke sagen en legenden, herinnert u zich maar het verhaal, dat wij hebben gehad over Hanoeman, zo maar ontstaan zijn. Er zit achter dit alles een levende wijsheid, die bij de Hindoeleer zeer zeker ook tot uiting moet komen. Toch moeten wij eerst eens kijken, waar de schoen dan eigenlijk wringt. Ik meen, dat één van de eerste werken, waarin dit duidelijk naar voren komt, een betrekkelijk oud werkje is, dat wordt toegeschreven aan Atoe Raden Mas Appi. Deze schrijft nl.:
” Er zijn verschillende soorten mensen op de wereld. Sommigen stammen af van de slaven der Atlantiërs. Anderen van de Wijzen. In de één stroomt het bloed van een bewust geslacht, in de ander kruipt de logge modder van de dwaas. Zo is het recht, dat wij deze dingen gescheiden houden’”.
Dit komt uit een land, waar wij zelfs in de taal het verschil tussen de standen zien. U weet wel, hoog-Javaans en laag-Javaans, dus de geesteshouding, die daar in zit, het vermogen van een gelijkheid, zien wij naar voren komen, vooral bij de gezagsdragers. Het is a.h.w. weer een splitsing van het priesterdom, dat hebben wij in Atlantis ook al gezien. In een ander oud werk, dat wordt toegeschreven aan een kluizenaar, die Ma’taap genoemd wordt, maar waar men verder niet van weet, wie of wat hij was, een wonderdoener, een legendarische figuur, staat geschreven:
‘In allen leeft gelijke geest. Moge het werktuig verschillen, zo heeft een ieder het recht om met zijn werktuig schoonheid te bouwen’.
Hij meende dus, dat ieder gelijk is. Het ligt er maar aan, wat je presteert. Deze laatste leer wordt dan verder in verband gebracht met de Brahma stellingen, waar wij het terloops ook al eens over gehad hebben. In werkelijkheid is echter de stelling van de … ik zal ze maar weer de wijze priesters noemen, de stelling, dat een cyclus van opeenvolgende verschijnselen, waarbij bepaalde standen overheersen, zich voortdurend op de wereld aftekent. Er zijn aan de ene kant grootmachtige priester, maar waar de priester heerst, daar voert de krijgsman zijn wet uit. Waar de krijgsman zijn eisen stelt, daar gaat de handel toenemen. De handel en de handwerkman echter verarmen, wanneer niet de boer het voedsel geeft. Denkt u nu eens even aan uw eigen land. Dat is gekomen in een fase, waarin, wat men noemt industrialisatie, dus ook de handel, de boventoon voeren. En wat zien wij? Naarmate dit toeneemt, neemt de landbouw, dus de boerenstand meer en meer een uitzonderingspositie in de samenleving in. Dat is een logisch verloop. Dat gebeurt altijd in een land. En dus werd deze indeling vastgelegd, natuurlijk door de wijzen, de witte priesters. Maar er waren anderen, die voelden daar niets voor. Die zaten heel gezellig in hun grote huizen, bestudeerden hun mooie boeken en dachten: ‘Wij moeten dat omzetten in klassen’. Wie eenmaal in zo’n klasse zit, komt er niet meer uit. Het begin van de Hindoeleer is dan ook een van boven opgelegde verstarring der bestaande verhoudingen. Zijn wij dat voorlopig met elkaar eens? Wat valt ons nu op? De Hindoegoden zijn velen. Zij stammen uit een Hemelvader. Maar de Goden zelf zijn de makers van de wereld. Zij vroegen de Vader:
‘Sta ons toe de slang te nemen en de wereldzee te karnen. Hij zei: Ga naar uwe lusten. En zo daalden zij af naar de wereld en spraken tot de schildpad, die haar draagt en de slang, die haar omstrengelt. En ziet, gezamenlijk karnden zij de wereldzee. Daaruit werd geboren het wereldgif’.
Dit is een citaatje, hoor. Dat staat zo ergens in een oud boekje. Het is dus begrijpelijk, dat zij niet alleen een zuivere opvatting hebben over het ontstaan der wereld, want dat karnen is nog zo gek niet. Kokende vulkanische modder heeft u zeker nog nooit gezien? (Ja). Zo. Wel gezien. Wanneer u dat nu ziet, dan moet u eens opletten: Wanneer daaromheen nog water is, lijkt het met de daar omheen komende bellen en de kluiten modder, die er zich omheen vormen, eigenlijk net een klontje boter, dat uit de melk naar boven komt. Eigenlijk helemaal niet zo gek, dat karnen. Zo is toch wel de vaste aarde het eerst ontstaan. Het water drong door onder de zeebodem, kwam in aanraking met het wereldvuur en van daaruit begon die zaak te werken. Dat wisten zij, denk ik wel. Nu wij vastgesteld hebben, dat de beelden op zich niet dwaas zijn, moeten wij eens kijken, wat er gebeurt met die Goden. Zij willen het wereld-venijn, geboren uit de karnende slang, niet zonder meer eten. Zij willen het ook niet opnemen, want dan vernietigt het hen. Er is er maar één, die het risico neemt. En Indra, sprekende de grote Naam, at het wereldgif. Wurgend slikte hij het, opdat de aarde geboren kon worden. Ja. Wat gebeurt er verder? Die Indra wordt tot leven weer gewekt. Maar hij krijgt daarvan een heel speciale gelaatskleur. Het slaat door zijn aderen en hij wordt blauw. Waarschijnlijk heeft men deze kleur genomen, omdat bij de dood door slangengif, ook door de betrekkelijk snelle ontbinding, het lichaam blauw pleegt te worden. Maar Indra, gesterkt door de kracht zijns vaders, want zo staat het in de oude werken, blijkt te herleven. Hij overwint het. Zo is Indra degene onder de Goden, die zich met het grootste recht op de aarde vestigt. Nu wil ik u niet gaan vermoeien met al die namen, dan wordt de zaak vervelend. Indra huwt. Aangezien het de tijd is, waarin de monogamie niet zeer in aanzien staat, begaat hij vorstelijke uitspattingen met een betrekkelijk groot aantal vrouwen. Eén ervan wordt echter speciaal zijn vrouw. Er worden hem vele kinderen geboren en onderling verdelen zij de functies der aarde. Er zijn zeer goede Goden, bv. Ghandia, de Olifantsgod, zoals hij wordt uitgebeeld. Hij is de altijd weer zegen brengende, de altijd weer helpende stille God die zich vaak in de eenzaamheid terug trekt. Maar komt het ogenblik dat Siwah, de doodsbrenger en gelijk levenbrenger, uittrekt met zijn Kali Durga, dan is het juist Ghandia zelf, die zelf de alles verpletterende wagen van de Goden trekt. Wie echter door die wagen wordt vermolmd, kan opstijgen naar het hogere rijk. Wij moeten dat eens even uit elkaar pluizen, want dat is heel aardig.
Stellen wij ons nu eens voor, dat uit de zon een aantal zonen worden geboren, die tezamen o.a. de aarde karnen. Degene, die de aarde, zoals zij is, accepteert, in het verhaal Indra, heeft hierdoor het recht verworven als meester haar te regeren. Hij a.h.w. de enige God, die volledige rechten kan laten gelden onder Brahma. Nu brengt hij vele zonen voort. Er worden vele volkeren en landen op de wereld geboren. Maar er is één God, die is zo goed en tegelijk zo wijs als een olifant. Tussen twee haakjes, daar komt die verering van de witte olifant vandaan. Van hem wordt gezegd: Gij ster des hemels, gij witte olifant, die zegen brengt op onze velden. Vandaar die verering. Ook het rund is op een dergelijke manier aan zijn heiligheid gekomen. Is m.l. de olifant degene, die wijsheid geeft en vruchtbaarheid, het is het rund, volgens het volk, dat de kracht symboliseert, die leerde het rijst te zaaien, het land te bebouwen. Leert om, zoals het geschreven staat, de stortvloed der wateren te kennen. De olifant wordt beschouwd als gelijkwaardig met een mens door zijn oppassers. Dus deze godheid is geboren uit de mens a.h.w. Het is het bewustzijn van een groep mensen. Wanneer wij het volk van Indië bezien eigenlijk de volks-God. Veel meer dan de schrikbarende doodsgodin Kali, veel meer dan de, in één van zijn vele armen een schedel-grijpende Siwah, is het juist de eenvoudige, wijze Ghandia, die ons het werkelijk karakter van het volk toont. Maar komt het ogenblik, dat de Godin des doods haar dans danst en Siwah het offer vraagt, dan is het iets van buitenaf, wat dat volk beweegt. Het is geduldig. Maar breekt het los, dan vernietigt het alles. De heilige oorlog blijkt dan niet zo nieuw te zijn. Want wie verpletterd wordt onder de aanrollende Djuggernaut, wordt verpletterd op de aarde, maar herleeft in de hemel. Je kunt hieruit zo echt dit volk proeven, de mens daar. Ik geloof niet, dat er enige betere voorbereiding bestaat op de veel grotere bewustwording en verlichting van het Boeddhisme, dan juist deze leerstellingen. Langzaam maar zeker vertakt het Godenheir zich. Zij gaan er hun werpschijven uitzendend, hun bliksemstralen werpend, hun donderbijlen gooiend, strijdend, vruchtbaarheid gevend en geluk, of alles wegnemend, door het land. Overal zijn Goden, overal zijn geesten. In de bossen wonen de kwade bosgeesten, die soms als sap vermomd, of als wild zwijn wroetend komen om de mensen te belagen in hun aanplantingen. De mens, die de hemel niet kon bereiken, sluipt als een tijger door de wouden. De giftig sissende slang, de wonderlijke koningscobra, die dood betekent voor wie hem ontmoet, beschut telkenmale weer de goede mensen en de heiligen der mensen, zo sterk, dat in vele legenden, die niet van Boeddhistische oorsprong zijn, men denkt dit meestal, omdat deze die legenden overgenomen hebben, maar oorspronkelijk hoort het bij de Hindoe, gaat staan als een zonnescherm. Een zonnescherm is iets, dat vooral aan de vorsten toebehoort in deze landen. Dat zie je niet alleen in Indonesië, maar door heel Azië. Hoe hoger de rang, hoe groter de paraplu er wordt mee gedragen. Trouwens, het geldt eigenlijk zo door de hele tropen, want de keizer van Ethiopië heeft ook zijn parasoldragers. Maar enfin. Daar gaat het niet om. De koningscobra beschermt het goede. De Hindoe leeft dus wel heel sterk vereend met de natuur. Eén van de dingen, die sommige van mijn vrienden graag prediken, het zoeken van de Goddelijke machten als uiting in de natuur, is hier zover doorgevoerd, dat een hele Godenwereld hierdoor ontstaat. Maar het is een Godenwereld, die goed is. Het is een Godenwereld, die alle facetten van het mens-zijn weergeeft, die in de beschouwende verhalen het mogelijk maakt voor elke beschouwer, of hij nu in de vroegste Hindoe-tijd heeft geleefd, of in uw dagen, om vooral aan de hand van de gebeeldhouwde verhalen, maar ook aan de hand van de geschreven boeken, door te dringen in de bindende kracht, die al deze Goden terug brengt tot een eenheid. En nu u mij de tijd heeft gegeven kan ik de verleiding niet weerstaan om enkele specifieke Hindoe-gedachten naar voren te brengen.
Heilig is het leven. In al wat leeft brandt iets van het heilige zijn. En wie zal wagen het leven te vernietigen? De volheid, die de Goden scheppen biedt de mens, plant en vrucht en bloem tot vreugde. Zij bieden hem drank. Zij bieden hem gezelschap en veiligheid. Maar wee de mens, wanneer hij doodt. Wie doodt dwingt een ziel in te gaan in de rijken der duisternis. Zij zal U later meetrekken, opdat gij gekweld in de rijken van het duister, dienend, wat gij gedood hebt, gedaald zijn totdat, wat gij doodde.
Misschien een beetje eigenaardige levensbeschouwing. Maar dat geloofden zij in het begin. Als je gewoon een teek dooddrukt zonder meer, dus zelf feitelijk doodt, dan dacht men, dat die teek naar de onderwereld ging. En dat de mens in die onderwereld zover zou moeten dalen, tot hij bij die teek was. Aan die teek wat het dan om zijn belager te doden en daardoor zich zelf te bevrijden. Had je dan alleen maar die teek gedood, dan was je klaar. Maar had je meer gedood, dan moest je voor elk leven, dat je genomen had, een keer sterven. Dat is een onderwereld, waar het sterven, als je afgaat op sommige verhalen, niet zo erg gemakkelijk is. Dan staat er iets verder dit, ook weer in zo’n zelfde leerboekje. Niet helemaal stoffelijk vertaalbaar, hoor, maar het brengt zoveel grond gedachten met zich mee.
Toen de Goden op aarde waren, wilden zij niet in hun glans en verschrikking worden gezien.
Wilt u daar een voorbeeld van hebben? Denkt u dan maar aan de Fohi verhalen, die veel doen denken aan de Vlaamse opvatting van Jezus en Sinte Pieter, die over de wereld rondgaan. Daarom kozen zij zich een vorm. Nog steeds gaan zij uit. Wanneer men u een aalmoes vraagt, zult gij dan weten, dat het niet een God is? Wanneer een rund u vraagt om voedsel, hoe zult gij dan weten, dat dit niet een Godin is, die u een gunst wil bewijzen?
Daarom weest deemoedig tegenover alle leven, want slechts de wijze kan onderscheiden, wat wereld en wereld beheersend is. Dat is dus het verschil, wat wij zouden zeggen, stof is en God is. Die opvattingen hebben een hele tijd opgeld gedaan en er zijn weer andere zegswijzen, die ons tonen, dat de Hindoe uitging van het standpunt, dat al, wat er aan strijd was, moest worden uitgevochten in de mensheid:
“Zo uw broeder het zwaar opneemt, zo wordt ge een dode en wie zegt: ik bezweer de geesten, tegen u, zend hem de demonen, die luisteren naar uw stem. Wanneer hij zegt: ik ben uw meester, tracht u te meten met hem in wijsheid, want slechts, wie wijzer is, die heiliger is dan de ander, heeft het recht, die te beheersen.”
Nu, daar hebben de Brahmanen wel voor gezorgd. Dat is net zoiets als een vakverenigingsleider, die zegt ook om te beginnen: ‘Wij zijn allemaal gelijk, het gaat alleen om de wijsheid’. Toen begonnen ze allemaal te zeggen: ‘Ik ben wijzer dan jij, jij moet mij gehoorzamen’. Toen zeiden ze tegen zoonlief: ‘Moet je luisteren, niet verder vertellen, maar ik zal je inlichten. Zo en zo zit de zaak in elkaar’. Toen kwamen ze later en toen zei zoonlief: ‘Ja maar, ik ben wijzer dan jullie, ik ben de baas, ik heb het recht om het te zeggen’. Nu ja, daar vlogen ze meestal in, totdat het op een goede dag niet meer ging. Maar toen was er ook nog eentje bij, die zei: ‘Ja, dat is het ook nog, dat ik met het zwaard, wiens zwaard tegen mij opneemt, mag verdelgen’. Weet je, wat je nu doet? Je zegt: ‘Als je mij niet als meester wilt zien, dit is allemaal van jullie, wat ik hier heb, kom het maar halen’. Begrafenis de volgende dag, daar zijn ze vlug mee in die streken. Zo is eigenlijk de ontwikkeling, aan de ene kant sterk geremd. Het patroon van de stoffelijke beschaving en vooruitgang werd door het systeem der Brahmanen, de wijzen, de priesters en kasten, volledig stilgelegd. Maar onder de hoge standen, die onder elkaar verkeerden en studeerden, zij handelden niet, maar zij hadden wel iemand, die in hun naam handel kon drijven. Ook alweer volgens de voorschriften der kasten, die overigens veel later ontstaan zijn. Ze hadden de krijgslieden, die hen verdedigden. Een krijgsman zou er niet aan denken zo’n laag geboren handelsman maar een handje te geven. En de handelsman keek heel sterk op ‘wat is dat voor een gedrocht” Dat is een boer!’ Het resultaat is geweest, dat de boerenbevolking ontzettend arm werd gehouden. De boeren werden voortdurend bezocht door de schrijvers en de krijgers van de landheren, dat ging meestal samen. Dat gaat verder tot de tijd van heden, waar Pandit Nehroe enz. een klein beetje een eind aan al dat onrecht begonnen te maken. Een volk nu, dat arm blijft, kent op den duur maar een paar verlangens. De boer verlangde naar voldoende te eten en een klein beetje vreugde. Gaven de Goden dat, och, dan was hij tevreden. Gaven de Goden het niet, nu ja, dan had je de onreinen en uitgeworpenen, die, vooral in het begin, later werden het meer minderwaardige arbeiders en zo, eigenlijk rovers waren. Zoiets als desperado’s. Maar ja, het is begrijpelijk dat, wanneer de ontwikkeling stil staat, zo’n volk moet leren om geduld te hebben. De oogst wordt buitengewoon belangrijk. Want als het niet zo is, dan denk je misschien, dat het nu in Rusland erg is, maar daar was het nog veel erger. Dan werd al het voedsel weggehaald tot het zaaikoren, het laatste varkentje, het laatste schaap. Alles wat er is. En als dat nog niet genoeg is, dan worden die boeren eenvoudig gegeseld en gekweld om te kijken, of er misschien nog wat geld of zo verborgen is. En als zij dan half dood achter blijven, moet je niet denken, dat zij verder kunnen gaan met het land te bebouwen. Want de landheer verpacht het aan een ander, die wat meer reserve heeft. Ergerlijk was dat gewoon. Wanneer het weer en wat daarbij komt, zo gewichtig worden voor een mens, kunt u begrijpen, dat hij opgaat in de verschijnselen der natuur. Dat hij dicht bij de aarde leeft. Aan de ene kant word je daardoor wat bijgelovig. Maar aan de andere kant adem je veel van de vrede in, die de aarde en de laag ontwikkelde wereld altijd kan geven. Je bent niet zo bang voor de dood. Je vraagt een beetje vrede, meer niet. Wanneer het zo is bij de boerenstand, dan klinkt dat langzaam door naar de handelsman, die uit de aard der zaak heel vaak met de boerenbevolking in aanraking komt, want hij moet proberen, dat hij daar ook wat aan afzet. De handelsman met zijn eigenaardige, van de boerenbevolking geërfde levenshouding, krijgt een zeker laisser faire. Een zich laten gaan, waardoor op zijn beurt de krijgsman sterk wordt beïnvloed. Het is geen wonder, dat op den duur zelfs de hoogste Brahmaan door deze gezapigheid wordt aangetast. De stuurkracht is weg en de mens leeft gedragen op de getijden, die het jaar brengt. De oogst is een signaal voor hem tot vreugde of lijden. De regens in de regentijd zijn een voortdurende herinnering aan komende vruchtbaarheid, een ogenblik misschien doordesemd met het gevaar van de eigen rivieren. Een dergelijk volk ontwikkelt een eigen poëzie. Het ontwikkelt een eigen wijsbegeerte, die niet zo sterk aan de oppervlakte komt, maar die vooral bij het volk zeer sterk leeft en blijft leven. Er is een lied, dat gaat over een zoon van de zon, een zonnestraal. Een zonnestraal, die door de regen van de zon afgesloten op aarde daalt en daar afgesneden van zijn eigen wereld een tijd moest leven. Zouden wij zo niet over een mens kunnen denken tussen twee haakjes? Dan zien wij aan de ene kant de naïviteit, de simpelheid van deze mensen, aan de andere kant de misschien half of niet begrepen diepte van dat lied. Hij vestigde zich aan een bron en bouwde een huis. Hij gaf aan een ieder, die kwam, de gastvrijheid van zijn woning, wanneer zijn kaste juist was. Maar hij was eenzaam. Het was een moeizame taak soms om het voedsel te brengen. De droefheid van zijn gelaat was als het komen van de storm. Dan keerde hij terug tot zijn hut en zie, door een wonder was de spijs gereed gemaakt, de vloer was geveegd. Het was, of er in de eenzaamheid de lach hing van een vrouw. Prins zonnestraal zocht lang. Eindelijk vond hij, wat hem verzorgde, elke dag opnieuw. Het was een regendruppel. Een regendruppel, die was achtergebleven in een holle kalebas, die zich elke dag weer veranderde in een jonge vrouw en rond ging. Toen huwde Prins Zonnestraal de regendruppel. Omdat zij niet terug konden keren, bleven zij op de aarde wonen. Eindelijk besloten Moeder wolk en Vader zon, dat zij terug moesten keren naar het geestenland. Waar zij gezamenlijk wilden gaan, bouwde men hen een schitterende brug van water en licht. Die veelkleurige brug staat nog vaak aan de lucht als herinnering aan twee Godenkinderen, die op aarde leefden. Als je het zo hoort, is het eigenlijk een sprookje, een echt volksverhaal. Maar luister nu eens even: Onze ziel wordt door de stof gevangen. De stof zonder onze ziel af en wij moeten met onze geest aan het werk. Wij moeten worden tot mens. Dan zoeken wij ons een werelddeeltje uit, een omgeving, een milieu, waarin wij denken te kunnen leven. Wij bouwen dus onze hut aan deze levensbron, maar alleen spelen wij het niet klaar. Wanneer de geest alleen overpeinst, dan komt er niets voor elkaar. Dan blijft er een heleboel ongedaan, totdat de stof aan het werk gaat. De stof werkt in het begin zonder dat de geest dat weet. Zij zijn twee verschillende dingen. Zolang als zij elkaar nog niet begrepen hebben, zijn zij voor elkaar een raadsel. Leren zij elkaar kennen, dan huwen zij, worden zij dus één. Wanneer zij één zijn en deze eenheid met der daad weten te bewijzen, dan wordt er voor hen een brug gebouwd naar het hemelrijk. Wanneer geest en stof leren tezamen harmonie te vinden, dan is er geen terugkeer naar de wereld nodig. Dan zien wij, dat zij gezamenlijk op een nieuw bestaansvlak een volgende fase beginnen. Dat zou je niet zoeken achter zo’n volksverhaal. Toch zit het hele land vol met deze dingen. Natuurlijk vinden wij ook allerhande grappige verhaaltjes. Ook die zijn niet zonder diepte. Zo bestaat er een legende, een volksverhaal over een paria en een Brahmaan. Een paria en een Brahmaan gingen gezamenlijk uit in het woud. De paria op afstand van zijn heer, zorg dragend, dat, wanneer er iets van het pad verwijderd moest worden, hij blijvende buiten het bereik van zijn schaduw, wanneer de schaduw van een paria valt op een Brahmaan is deze onrein, dat weet u, hij het pad voor hem reinigen kon, zodat de Brahmaan gemakkelijk verder kon schrijden. Midden in het woud bedacht de paria, dat het verschil tussen hen beiden uiteindelijk een kaste-teken en wat kleding was. Daarom beroofde hij de Brahmaan, bracht zichzelf een kaste-teken aan en toen er voldoende tijd verlopen was, begaf hij zich naar een naburige stad. De Brahmanen, die daar samen kwamen vonden zijn antwoorden op hun ingewikkelde probleemvragen van een verbluffende helderheid. Zij konden ook niet weten, dat de paria zelf niet wist, wat hij zei. Totdat er een wijze kwam. Deze wijze stelde de paria een vraag. Toen de paria daarop antwoord gaf, zei de wijze hem: ‘Ga’ en tot het gezelschap: ‘Reinig u, want zo zijt gij niet waardig, dat de reinen van kaste u aanraken’. Het raadseltje is dan: welke vraag stelde de wijze aan de paria? De oplossing is deze: ‘Wat is van meer belang, de streling van de tong, de streling der gedachten, of de spijs, waarop men leeft?’ Toen wilde de paria heel erg hoogdravend zijn en zei: ‘De streling der gedachten’. Toen antwoordde de wijze: ‘Dat is verkeerd gezegd, want het voedsel der gedachten is voor een Brahmaan normaal. Het voedsel der stof heeft een Brahmaan vanzelf. Dat interesseert hem ook niet, die vraagt alleen de spijs des levens. De spijs des levens is de geestelijke kracht’. Dus doordat de paria het te netjes wilde doen, viel hij op. Nu, dat kan alleen in een verhaal, hoor. Maar ik denk, dat hij anders toch wel op een andere manier opgevallen zou zijn. Het verhaaltje op zichzelf is heel grappig, vooral als je hoort, hoe de problemen besproken worden en hoe de paria daarop reageert. Er zegt er o.a. één: ‘Er hindert mij een geestelijk probleem. Het is een barricade, die zich opheft, maar mijn verstand niet toelaat door te dringen in de stille geheimen, die ik begeer’. Dan zegt de paria: ‘Kapot slaan’. Dan zegt de Brahmaan: ‘Maar het leeft hier in mijn hoofd’. De paria blijft er bij: ‘Kapot slaan’. ‘Maar dan ster ik’. ‘Ja’, zegt de paria, ‘maar dan is de hinderpaal ook uit de weg geruimd’. De Brahmaan gaat daar op in. Het is een soort Uilenspiegel-verhaal. De achtergrond houdt in, dat, wanneer je werkelijk geestelijk bewust bent, je zo gauw niet tot een dwaasheid komt, dan zoek je alleen overal de kern van het leven. Wanneer je dat hebt, heb je alle andere dingen. Die zijn dus bijkomstig. Maar wil iemand geestelijk boven zijn stand leven, dan grijpt hij, of naar de mooie gedachten en ideeën, of, neem het ze kwalijk, naar alle genoeglijkheden, die het stoffelijke leven biedt, zoals een tafel moet voedsel volgeladen enz. Volgens de wijze kon je daaraan het verschil zien. Nu is dat misschien aan de ene kant voor die paria niet erg prettig. Hij wordt zo te koop gezet. Aan de andere kant tekent het de mentaliteit van het lagere volk, waarin deze verhalen tot stand komen. Zij lachen graag om de Brahmanen, net zo goed als u vroeger op school de schoolmeester ook graag een figuur zag slaan. Maar wanneer het er op aan komt, dan staan de Brahmanen boven hen en boven de Brahmanen blijkt een wijze te bestaan. Vreemd genoeg wordt van de wijze niet verteld van welke kaste hij is. Zij voelen aan, dat er een wijsheid bestaat, die boven alle geleerdheid en boven alle grootdoenerij uitgaat. Dit volk is het dan, waarin zo dadelijk de eerst Boeddhistische vorm, want wij hebben vier trappen van Boeddhisme gehad, waarvan de laatste u bekend is, naar voren gaat komen. Eén daarvan ging lange tijd parallel met de Hindoe-leer en beschaving. Uit de periode van ontstaan zou ik dan nog een paar spreuken willen halen, maar wij zullen eerst eens kijken, hoe ver wij staan met de klok…
Wie een vaas maakt uit klei, die niet schoon is, stelt ze niet te drogen, maar vormt de klei opnieuw, totdat de vorm bruikbaar is.
Het leven is de klei, waaruit de schepper boetseert. Wie de vorm mislukt, wordt opnieuw en weer op de draaischijf des levens geplaatst. De eerste keer, dat de reïncarnatie-gedachte wordt uitgedrukt als geloofsvorm. En dan ten tweede, in strijd met de verbasterde Boeddhistische- en Hindoeïstische gedachten, want die hebben het er ook wel over:
“Maar wat klei is, kan niet tot zand worden. Want wat mens is en als mens gevormd wordt, blijft mens. Het keert niet terug in een andere vorm.”
De schrijver gaat dan verder:
“Wanneer er echter de vorm gelukt is, dan stelt men haar te drogen en laat haar over aan de stralen der zon.”
“Zij wordt neer gezet om hard te worden.”
“De mens, die het leven voltooid heeft, zal lang moeten wachten, voordat hij in staat is de kracht van het leven te bevatten. Wanneer nu de Goden de kracht van het leven zijn, zo gij zegt, zal dus de mens de kracht der Goden bevatten.”
Een aardige conclusie. Zal de mens de kracht der Goden bevatten. M.a.w. de volmaakte mens is eigenlijk niets anders, dan een soort watervat, waarin de Goddelijke kracht kan worden opgezouten, bewaard en waaruit zij weer tevoorschijn kan komen, wanneer het nodig is.
Wanneer de kruik echter schoon is en edel, zo doet men daarin de vrucht.
Bedoeld wordt hier waarschijnlijk het vruchtensap. De wijn dus. Misschien ook de brandewijn, want daar waren zij ook niet vies van.
En zegelt haar wetend, dat zij de rijkdom der aarde en zon in zich draagt. Gelukkig deze kruik. Wanneer zij gebroken zou worden, gaat de vrucht haar gang over de wereld en niemand weet, wanneer zij opbloeit tot meervoudig leven.
Nu moet ik u dat weer even verduidelijken. Dat staat i.v.m. de vele legenden, sprookjes, ook naar Westerse opvattingen althans. U weet wel, waar een kindje in ligt. Van iemand, die een vrucht moet halen en daar wordt een kind geboren enz. enz. Zij zien deze kracht als een uitdrukking van het leven en zij kennen de voortzetting van het leven het best in de seksuele vorm, zal ik maar zeggen. Wat dat betreft hebben zij andere opvattingen dan in mijn tijd en waarschijnlijk ook wel de uwe. De kracht nu moet tot uiting komen en, wanneer er veel van die verschijnselen komen, dan moet u eens kijken: Dan staat er meestal in het begin van zo’n verhaal: ‘De Goden braken de kruik’. Daarmee wordt bedoeld, dat de levenskracht, die een mens was geweest, nu gebroken wordt, aan de mens als beloning gegeven, vrucht wordende door de natuur op een niet gespecificeerde manier en van daaruit komt dan een wezen tot stand, dat een veelheid van personen is, op verschillende plaatsen levende. In één van die sprookjes komt dat tot uiting, als negen neven de groene reus gaan bevechten. Wanneer die reus dan optreedt, kan hij ze alle negen verslaan, maar zij zijn één. Zij lopen naar elkaar toe, grijpen elkaar vast en alle pijlen worden tot een lans-grote pijl; de bogen worden tot één grote boog, de werpschijven groeien, totdat zij negenvoudig zijn geworden etc. Dan staat daar een mens. Deze mens bestrijdt de reus, overwint de reus. Wanneer de overwonnene dan belooft verder braaf en goed te zijn, dan deelt de grote mens zich weer in negenen en negen mensen gaan terug naar hun respectievelijke behuizingen. Ook bij Toradja’s vindt u nog enkele van deze eigenaardige verhalen. Nu, hieruit blijkt dan ook alweer, dat zij aannemen, dat een wezen van grootste perfectie meerdere taken tegelijk kan vervullen. Zet dat nu eens om in niet zo stoffelijke termen.
Een geest, die de hoogste sferen bereikt, kan op verschillende bewustzijnsvlakken tegelijktijdig werkzaam zijn, maar kan dan ook het totaal van zijn kracht en kunnen op elk dier vlakken ongedeeld en geheel tot uiting brengen, wanneer dit nodig wordt geacht. Vindt u niet, dat dit heel veel op elkaar lijkt? Nu heb ik nog een laatste knoop voor jullie: Een erg ingewikkeld citaat uit de leerschriften. Nu moeten jullie eens proberen zelf uit te knobbelen, wat dat betekent. Als u het niet aardig vindt, doen wij het anders de volgende keer. Dus… het is dit:
“Dat wat geweest is, zal wel zijn, maar het is niet, want zolang het niet is, is het vals. En het vele heeft vele koppen. Men kan het niet doden door één daarvan te kwetsen. Maar uit het vele zal worden, waaruit het vele geworden is. Zo grijp naar de vruchten der wereld en gij grijpt naar het vele. Maar meent gij, dat gij moet wachten tot het vele weer geworden is, tot wat het was, dan moet gij weten, wat gij zijt. Weet gij, wat gij zijt, dan beheerst gij het vele.”
Een aardig raadseltje. Hier zitten een paar voetangels en klemmen in. Ik kan je het antwoord wel geven, wat sommigen mij zullen geven: God. Maar dat klopt niet, dat kan niet, hoor. Dat is het niet, het is iets anders. Maar denk nu maar over wat ik jullie verteld heb over het karnen der wereldzee, dan zijn jullie er heel dicht bij. Ik geloof, dat ik het voor vandaag hierbij laat. Dan hebben wij het de volgende keer over het Boeddhisme. En misschien kan ik dan wel een paar tipjes van de sluier oplichten. De Boeddhistische leer is altijd een openbaringsleer geweest. De openbaring niet van een persoonlijkheid, maar van een kracht. Ik weet niet, of de term hier bekend is, maar dat is de kracht, die wij wel het Büd noemen. Dat is een volledige kracht, die echter op aarde volledig onkenbaar is, maar werkend in elke persoon, die tot het bewustzijn ervan komen kan, een bewustwording begint te veroorzaken, die deze maken tot een Boeddha. Wanneer iemand dus Boeddha wordt, wordt hij tevens meester over het geheel der dingen, die uit deze geheimzinnige kracht zijn voortgekomen. Het eigenaardige bij het Boeddhisme is, dat vanaf de vroegste tijd altijd weer leraren geboren worden, maar dat er nog nooit één is geweest, die verheerlijkt werd als de Boeddha, die op aarde optreedt, altijd maar alleen weer ziet een bewustwording van de grote kracht, waardoor de weg, die hij heeft geleerd, ook aan de mensheid bekend kan worden. Zodat, wie dit verlangt deze kracht zal kunnen bereiken en gevuld met deze kracht tot het bewustzijn zal komen van het zijn. Dit wordt dan voorgesteld als het zijn in het Niet-zijn. Maar daar behoeft u zich deze keer nog niet al te druk over te maken, want dit gaan wij toch nog uit elkaar rafelen. Ik breng het alleen maar naar voren, opdat later uit het verslag u zal blijken, dat er een sterke verwantschap bestaat tussen het vroeg-Hindoeïsme en het vroeg-Boeddhisme. Zij staan zo dicht bij elkaar als Katholieken en Protestanten, vandaar dat zij elkaar nogal eens uitschelden ook. Nu, ik zou zeggen, vrienden, nu is het toch werkelijk genoeg, dus laten wij dan stoppen.
