Parallel tussen heden en verleden – Les 07 – Utopia

image_pdf

april 1970

Utopia

Zolang de mensen leven hebben ze gefilosofeerd over een betere maatschappij. Dat komt waarschijnlijk, omdat zij voortdurend worden geconfronteerd met de onvolkomenheden van hun eigen wereld. Maar elk Utopia is gelijktijdig weer het toonbeeld van de maatschappelijke, de religieuze verhoudingen, die er bestaan in de tijd dat zoiets wordt geschreven. Daarnaast – en dat mogen we niet vergeten -zit er altijd een element bij van de eeuwigheidswaarden, zoals men die op dat moment beschouwt.

Nu is het helemaal niet zo moeilijk u een serie utopische staatsvormen voor te goochelen. Neem bv. het bekende verhaal over Atlantis, dat uitgewerkt wordt tot een utopische roman, waarbij het verhaal van een Egyptisch priester eigenlijk mede de aanleiding wordt tot een aantal beschouwingen over de wijze, waarop een stad zou moeten zijn gebouwd en hoe zij zou moeten functioneren als gemeenschap. Sedertdien is het tienduizend malen herhaald.

Overal dromen de mensen van de betere wereld. Die betere wereld is dan altijd weer er een, waarin hun eigen systeem van zijn nadelen is ontdaan. Het nare is, dat ze niet schijnen te beseffen, dat je om de nadelen van een systeem weg te nemen er ook de mensen uit moet weghalen. Maar ja, dat is dan – zullen we aannemen – een kwaal, die door alle eeuwen heen geldt.

Wat zijn nu in de eerste plaats de maatschappelijke waarden, die we vinden in deze utopische dromen? De gemeenschap wordt beschouwd als een geheel, waarin een nauwkeurige functieverdeling plaatsvindt. Iets, wat natuurlijk praktisch onmogelijk is. Maar goed. Men stelt, dat dit wel mogelijk zou zijn. Elk mens is aan die functie als het ware gebonden. Deze mens functioneert vanuit zijn deel van de maatschappij en krijgt daarvoor een redelijke beloning. Hij verdient dus aardig. Daarnaast is hij ongetwijfeld zeer nederig ten aanzien van de overheden en van de Godheid. Vreemd, elke utopische droom berust dus ergens op het begrip van de nederigheid van anderen.

Dan de religieuze waarde. In het begin heeft men geprobeerd de Godheid centraal te stellen. Die Godheid op zich wordt vaak niet eens helemaal au sérieux genomen. We kunnen die eerder beschouwen als een soort vlag, die de lading moet dekken. De tempel is een organisme, dat zich kan onttrekken aan elke menselijke beïnvloeding en juist daardoor als een soort neutrale invloed kan ingrijpen waar dit noodzakelijk is. De handel is in de eerste plaats opgezet – vreemd genoeg al in de oudste dromen – om een goede export mogelijk te maken. Over import horen we minder. In Utopia bereidt men zelf alles wat men nodig heeft.

Vrede is in die utopische dromen eveneens belangrijk. Er is altijd een soort vrede, een rust, die voortkomt uit rechtvaardigheidsbesef, uit vriendschappelijkheden, kortom, uit al die menselijke eigenschappen, die zo ontstellend snel teloor gaan, als we met de massa te maken hebben.

De achtergrond van de utopie is – geloof ik – eerder maatschappijkritiek dan een werkelijk beeld van een maatschappij-hervorming. Maar de mensen maken er altijd weer maatschappij-hervorming van. Denk maar aan de volgelingen van Bellamy, die zijn beschrijving van het jaar 2000 hebben gezien als een te verwezenlijken doel, maar daarbij vergeten, dat de technische ontwikkelingen noodzakelijk zijn om het mogelijk te maken. Ze zeggen eenvoudig: De mensen kunnen het doen, dus zal het gebeuren. Maar ze vergeten helemaal, dat mensen over het algemeen liever niet werken voor roem; dat arbeid in de huidige maatschappij een odium heeft gekregen, een kwalijke reuk van onvermijdelijkheid en dat de mens, die niet tot die arbeid wordt geprest door een overheid doorgaans vrijwillig slechts datgene doet, wat hij op dat moment aangenaam zal vinden.

De mens is in de utopie altijd wat onredelijk. Er is maar één man geweest, die dit menselijke wist te vermijden en zijn utopie was eigenlijk voornamelijk maatschappijkritiek. Dat was nl. de heer Anatole France. Anatole schreef wat bij u bekend zal zijn als Het eiland der Pinguïns, waarin de idyllische pinguïn-maatschappij door de bekeer zucht van een zekere Sint Bodaan volledig onderste boven gaat. De goede man namelijk leeft zozeer in de onschuld van deze gemeenschap, dat hierdoor de duivel wordt aangelokt, die de pinguïn-dames kleding verschaft en vanaf dat ogenblik heerst de mode en niet meer God. Het is een droombeeld, waarvan je je zou kunnen afvragen, of het niet heel erg dicht bij de werkelijkheid ligt. Een land, waarin alles is geregeld, is een land, waarin niets meer bestaat. Dat klinkt vreemd, maar het is waar.

Als we de opvattingen zien van bv. Tao (het taoïsme), dan worden we geconfronteerd met een aantal regels, waardoor de mens eveneens wordt gefixeerd in een bepaalde taak en een bepaalde rangorde. Hij heeft zijn eigen aandeel in de gemeenschap. Indien hij dat goed vervult, zal hij daarvoor alle beloningen en alle eer krijgen. Hij kan echter nooit verder komen. En de mens is altijd iemand, die juist graag een stapje verder gaat. Het resultaat kunnen we in China zien waar het taoïsme een godsdienstvorm krijgt met even weinig inhoud als menige vorm van christendom in deze tijd.

Wat was het doel, waarmee men een dergelijk systeem ontwierp? In de eerste plaats het verlangen om zelf te ontsnappen aan een maatschappelijkheid, waarin men zich niet thuis voelt. In de tweede plaats de behoefte om wijsgerigheden te luchten, die men niet in directe vorm zou kunnen luchten.

Ik citeerde zo even Bellamy. Deze geeft een schitterende maatschappijkritiek en zegt daarbij heel veel dingen over de dwaasheid van boeren, burgers en fabrikanten, die ongetwijfeld – indien ze direct op de eigen tijd waren gericht – overal verweer hadden uitgelokt. Door te doen alsof het probleem in een andere periode speelde, kon hij vermijden dat men zich daarin betrokken zou voelen. En voelde men zich daarin betrokken, dan durfde men nog geen kritiek te geven, omdat men daarmee zou toegeven dat men meende, dat deze droombeelden op het eigen “ik” en het eigen gedrag van toepassing waren.

Ik heb heel veel wijsheden in de loop der tijd bijeengegaard, die alle een enigszins utopisch karakter hebben. Zo is daar de wijsheid, die zegt:

“Je wordt geboren voor een bepaalde taak. Deze taak is het enig belangrijke; al het andere in het leven dient dus van geen belang te zijn.”

Dat is een heel mooie wijsheid. Het enig beroerde is, dat de mensen gewoonlijk in alles belang stellen behalve in hun taak. En als ze een taak hebben, dan moet het iets zijn waardoor ze meer worden en beter zijn dan een ander. Anders hebben ze daar geen plezier in en dan blijft die taak ook rustig liggen. Een ander zegt:

“Het is een eer te werken voor de gemeenschap. Zij, die zich in deze gemeenschap een waardig lid van het geheel willen voelen, zullen dus vrijwillig hun taak aanvaarden en met vreugde zwoegen, opdat hun gemeenschap groter en beter zal worden.”

Ik ben bang, dat de meeste mensen in zo’n geval zouden zeggen:

“Ach, ik gun een ander zo de eer, laat hem maar voorgaan.” Dat is misschien een van de redenen, dat de wereld stilstaat.

Er zijn mensen, die hebben gezegd:

“Geef elke mens genoeg te eten en te drinken. Geef hem een huis, waarin hij zich thuis kan voelen. Geef hem de mogelijkheid om te besteden, maar voorkom dat hij geld verzamelt.”

Ook Bellamy heeft een dergelijk systeem ontworpen en wat dat betreft, zelfs Mark Twain heeft zich ermee bezig gehouden. Nu is het typerende hierbij dat men dus de bezitsvorming wil tegengaan, maar daarentegen een zekere verbruiksvrijheid wil scheppen. De wijsgeer meent nl., dat een mens, die aan al zijn behoeften kan voldoen, gelukkig zal zijn.

Hij vergeet echter één ding: Er zijn heel veel mensen, die pas gelukkig zijn, indien ze een mooier huis, een betere auto, een betere inrichting en betere kleren enz. hebben dan een ander. En als iedereen evenveel kan uitgeven, hoe kom je daar dan aan? Dan moet je het anderen gaan ontnemen. De utopisten hebben dus wat dat betreft heel wat fouten gemaakt. Nu leven we op het ogenblik in een periode, waarin ook de utopisten weer een rol gaan spelen. Niet alleen maar de schrijvers van dagdromen of van sociale studies, die in romanvorm hun kritiek een beetje bedekken. Neen, de werkelijke utopisten.

Amsterdam – Kabouterstad, de Oranje-Vrijstaat e.d. zijn de symptomen van het utopisch denken in deze tijd. Men gaat uit van het standpunt, dat de dingen er zijn om gebruikt te worden. En dat is in uw tijd helemaal niet waar. De dingen in uw tijd bestaan om bezit te zijn, niet om gebruikt te worden. Zodra je uitgaat van het standpunt: Een huis, dat lange tijd leeg staat terwijl er woningnood is, moet worden bewoond, vergrijp je je aan het gezag, aan het eigendom, aan het recht waardoor een ander iets meer heeft dan jij hebt en dat is onaanvaardbaar.

Want zou je dat doorvoeren, wat zou dan nog de zin zijn van het hebben van huizenbezit, van grondbezit? Waar zou dan de lust tot investering blijven, die toch de voortdurende prikkel moet zijn van de zich steeds verder uitbreidende economie? Neen, dat is iets waar men een volkomen foute slag mee heeft geslagen, hoezeer men ook gelijk heeft. En dat is nu juist het bittere. De utopist heeft in het verleden zowel als in het heden ergens gelijk. Wat hij zegt, is wel degelijk ter zake doende. Alleen, als hij zijn zin zou krijgen, zou er niets meer overblijven om deze ter zake doende waarheden in praktijk om te zetten.

Men kan uitroepen, zoals sommige utopisten in deze tijd doen: Dat de kerk slechts in een dienende functie mag bestaan en dat zij slechts door haar armoede haar kracht kan bewijzen. Maar het is eigenlijk omgekeerd: Een kerk, die rijk is, kan onder de armen veel bekeerlingen maken; ze kan dus groeien. Maar een arme kerk vindt slechts weinig aanhangers onder rijken en daarom zal een kerkelijke organisatie uit de aard der zaak bezit vormend zijn. Je kunt zeggen, dat Jezus in feite de vrijheid predikte – wat volledig waar is. Dat deed Boeddha trouwens ook en zelfs in zekere zin Mohammed. Maar als ik vrijheid voor een ieder predik, ontken ik gezag. Als ik gezag ontken, ontken ik dit machtigste deel van de samenleving: De macht zelf. En aangezien de macht een zo begeerd artikel is – zelfs onder degenen, die beweren haar te willen vernietigen – moeten we wel aannemen dat een kerkelijke organisatie, een groep, zich op macht moet baseren. Men moet eenvoudig wel, het kan niet anders.

De parallellen tussen het verleden en het heden zijn wat dit betreft volkomen duidelijk. De mensen zijn misschien wel enigszins veranderd in kwantiteit, in kwaliteit zijn de ontwikkelingen ten hoogste individueel, maar in de massa zeker niet onmiddellijk merkbaar. Als ik dus probeer om nu wat wijsgerigheden hier en daar op te vissen, dan moet u begrijpen dat ik daaraan onmiddellijk mijn commentaar verbind, anders gaat het niet. Dan begin ik met enkele zeer oude spreuken, die in deze tijd – volgens mij – eigenlijk nog van meer belang zijn dan ze ooit zijn geweest, ook al zijn ze bijna vergeten.

“De mens, die de moed heeft alleen voor zijn God te staan, zelf de lasten van het leven te dragen en de geheimen te onthullen, die hij ontmoet, is de mens, die tot koning wordt.”

Dit is vandaag aan de dag nog waar. De mens, die inderdaad de moed heeft om alle geheimen te onthullen die hij tegenkomt, zal ook in deze tijd koning zijn – als hij tenminste de onthulling overleeft. Want de geheimen van vroeger en de geheimen van heden zijn eigenlijk dezelfde. Het zijn de geheimen van de natuur, maar het zijn ook de geheimen van de menselijkheid der bestuurders.

Het klinkt misschien een beetje vreemd, maar als een vorst wordt voorgesteld als een God en je kunt bewijzen, dat hij zich zo nu en dan als een beest gedraagt, dan heb je de goddelijkheid aangetast of van waarde veranderd; wat het gezag nooit zal dulden. Maar als je het doet, zie je de wereld anders en je wordt niet meer door het gezag overschaduwd. Je kunt zelf beslissingen treffen, omdat je geen onzin meer aanneemt. En dat is heel erg belangrijk.

In de wetenschap is het precies hetzelfde geweest. Als je uitging van de verschillende godenverhalen, dan werd je geconfronteerd met een aantal vaststaande regels: Zo moest via bezwering deze ziekte worden opgeheven en via die methode kon een ziel worden bevrijd. Maar de mensen, die het gingen nazoeken, ontdekten dat met spreuken geen ziekten te genezen zijn. Ze gingen er kruiden bijvoegen. En ofschoon gekruide taal in uw dagen meer gebruikelijk is dan vroeger – althans meer opvalt – waren het toch de kruiden, die de genezing bewerkstelligden en daardoor indirect de macht van bepaalde priestergroepen enorm hebben vergroot.

Kijk, in uw tijd gaat het net zo. De mens, die zich durft verstouten achter de schermen te kijken, heeft misschien geen prettig leven, maar hij zal een vrij leven hebben. En zoals in het verleden alles werd gedaan om te voorkomen, dat niet-ingewijden achter de schermen zouden kijken, zo gebeurt dat vandaag nog.

Een wijsheid, die wat dichterbij in de tijd ligt, maar waar toch ook veel voor is te zeggen, is deze:

“De mens dient voortdurend te leven naar de vreugde. Want slechts hij, die de vreugde van het bestaan kent, is in staat om de lasten van het bestaan te dragen.”

Het klinkt wat vreemd, maar op grond van deze wijsheid werd o.a. in Babylon aan de slaven een aantal bijzondere feestdagen toegekend, waardoor ze dus werkelijk een paar dagen vreugde in het leven konden scheppen. Het resultaat was inderdaad, dat ze daardoor beter werkten, dat ze gemakkelijker te beheersen waren en wat dies meer zij. Als je als mens alleen maar naar de sombere kant van het leven kijkt, dan raak je vast in een gewoonte. Maar door de spontane uitbarsting van vreugde, die zo nu en dan ontstaat, kom je net even boven de norm uit. Het is alsof je een nieuwe visie krijgt op je problemen en moeilijkheden en ook tot andere oplossingen komt. In deze tijd wordt de vreugde u vaak aanbevolen, maar dan wel volgens een bepaald recept. Dat op recept zoeken van de vreugde is op zichzelf het bederven van de vreugde. Maar een mens, die blijmoedigheid in zijn leven kan vinden – op welke manier ook, al is het maar voor een paar dagen – zal daardoor vaak jarenlang een nieuwe visie op het bestaan hebben.

Hij zal anders, zuiverder reageren. Ik meen, dat men aan dit welzijn van de mens dan ook veel meer aandacht zal moeten besteden, wil men voorkomen dat alles vastloopt in een lusteloze gewoontegang.

“De ziel (of de geest, want die werden toen nog niet onderscheiden) van de mens is de werkelijke kracht die leeft. Maar indien de mens zelf niet leeft, zo is zijn ziel gestorven en zal door de rechters worden verbannen naar oorden van bespiegeling en pijn.” (Egyptisch).

Daar zit heel veel in. Vandaag aan de dag is het precies hetzelfde. We spreken over de hoge geestelijke doelen, die we nastreven, over de moraliteit, over de noodzaak de religie te handhaven – of we daarin geloven of niet – en al die dingen meer. Maar die uiterlijkheden kunnen nooit waarmaken wat we innerlijk zijn. Ik geloof, dat vele problemen in deze tijd niet ontstaan door de grote verschillen in welvaart, maar door het onvermogen van de mens om zo nu en dan even zichzelf te zijn, om te beseffen dat er geen andere geestelijke wereld is dan de geestelijke wereld die in hemzelf leeft.

Het besef van de eigen eenheid is belangrijk in deze tijd, omdat alleen de mens, die in de absolute eenheid van geest en stof gelooft, in staat is zo actief, bewust en ook met doorzettingskracht te leven en te reageren, dat hij werkelijk wat tot stand brengt in het leven.

Dan een heel mooie spreuk, afkomstig van een van de Romeinse “Honden” (de Orde der Cami).

“Indien de dwaas spreekt, zo luistert men vol eerbied. Indien de wijze spreekt, beroept men zich op eigen wijsheid of gaat heen zonder te luisteren.”

Dat is tegenwoordig ook nog zo. Een dwaas kan altijd de mensheid boeien, omdat hij het onmogelijk maakt mee te denken. Hoe meer je de kans krijgt zelf mee te denken en de conclusies te controleren, hoe vervelender de zaak eigenlijk wordt. Het is niet spectaculair. En dan heb je nog altijd de keus en kun je zeggen: “Ja, hij heeft gelijk. Ik ben dus net zo wijs als hij.” Of je kunt zeggen: “Ach, dat gezeur, dat heb ik al zo vaak gehoord. We gaan een straatje verder.” De meeste mensen zeggen vandaag tegen de wijzen: We gaan wel een straatje verder. Tegen de dwazen zeggen ze: Je belooft zoveel, dat we veel van je verwachten. Ze zijn dan ook voortdurend teleurgesteld.

Een denker in Italië omstreeks 700 zei:

“Het verschil tussen de barbaren en de niet-barbaren ligt niet in de wijze waarop ze leven, maar in de wijze waarop ze zichzelf waarderen.”

Dat is in een periode geweest, dat voor het eerst de vreemde volkeren nog anders werden gezien dan alleen maar als woestelingen. Men ging begrijpen, dat zij hun eigen tactiek hadden en een eigen gemeenschap, een eigen geloof vaak – zolang ze niet overwonnen werden, want dan hadden ze geen eigen geloof meer, althans geen recht daarop. Daarmede werd dus iets geconstateerd, dat zeer belangrijk is: Het verschil tussen barbaren en niet-barbaren ligt in de leefwijze. Dat betekend dat voor een barbaar elke niet-barbaar een barbaar is.

In uw tijd is het zo, dat de mensen heel vaak menen dat de wijze, waarop het Westen leeft de enige juiste is; dat de manier, waarop men In het Westen politiek bedrijft, de economie leidt enz. de enige manier is om de problemen in de wereld op te lossen. Het zou misschien goed zijn, indien men zich in deze dagen ging realiseren hoe barbaars dergelijke opvattingen zijn in de ogen van vele anders denkenden.

Een dichter riep kort voor de 12e eeuw uit:

“Indien de liefde niet ware, zo zou het leven ledig zijn als een woestijn. Het is niet goed in een woestijn te leven, maar soms begeerlijk om aan de rand daarvan te vertoeven.”

Zo is het bij u ook. Als bepaalde dingen (de liefde staat hier eigenlijk voor de menselijke relatie) er niet zouden zijn, dan zou je geen leven hebben. Maar aan de andere kant: Als je zo nu en dan rust had van alle menselijke bemoeienis, dan zou je ook geen leven hebben. Het leven is voortdurend een balans tussen het gemeenschapsmens zijn en het jezelf zijn. Het is een soort draadnummer; je balanceert ergens op een smalle lijn; word je teveel gemeenschapsmens, dan verlies je jezelf; word je teveel jezelf, dan verlies je de gemeenschap.

In beide gevallen kun je je niet staande houden. Die dichter heeft het waarschijnlijk niet zo bedoeld, maar wat hij daar heeft gezegd, was toch wel de moeite waard. Misschien is hij wel geïnspireerd door de in die tijd net opkomende kabbalisten en de zich weer opnieuw ontwikkelende alchemisten.

De alchemie van die dagen zei, dat we met de levenszwavel (de hoge zwavel of ook wel de witte zwavel) het mengsel kunnen maken, waarmee we van lood goud kunnen fabriceren. Een wijsgeer maakte daarover een heel aardige opmerking:

“Slechts indien we in ons meer zijn dan goud, kunnen we goud maken uit het onedele rondom.” Dat is natuurlijk in een tijd, waarin “doe het zelf” een grote leuze is geworden niet zo interessant. Maar als je de wereld beter wil maken, moet je werkelijk bij jezelf beginnen, omdat je pas als je innerlijk de nodige rust, de nodige harmonie, de nodige kennis, de nodige inzichten hebt vergaard, in staat bent om de dingen, die niet goed zijn zo te veranderen dat ze goed worden. Want het is niet voldoende de dingen te veranderen; je moet ze zo veranderen dat ze beter worden. Een kabbalist uit 1500 maakte daarover een aardig grapje:

“Wanneer we het getal berekenen dat we zijn, zo vermenen we onszelf te kennen. Maar kennen we onszelf, indien we niet beseffen waarom we rekenen?”

Dat grapje was in die tijd erg doeltreffend. Het was toen nl. de gewoonte, dat men door kabbalisten voor zich tabellen liet maken en daar kwamen dan allerhande voorspellingen uit: wat je wel en wat je niet moest doen. Dag horoscopen hadden ze nog niet, dagbladen waren nog niet in de mode. De kabbalisten leidden daarvan een goed leventje.

Er is er zelfs één in Leiden geweest, die in heel Nederland hoge klanten had en zich rustig met honderd dukaten of meer voor zijn adviezen liet belonen. De situatie is eigenlijk ook nu nog zo, dat we de dingen wel doen, maar dat we er weinig wijzer van worden, tenzij we ook nog weten waarom we ze doen. We zijn zelf de voortdurend controlerende factor in het leven. Als we dat niet zijn, worden we geleefd. Daar komt het op neer.

Een tamelijk scherpzinnig heer in een Parijse Salon merkte een keer tegen een zeer schone dame op, die overigens nogal dom was ook – er lag veel in de etalage maar er was weinig in de winkel:

“Mevrouw, u spreekt zoveel over de liefde, dat de liefde u leeft. Voor u is het een geluk, dat u daarbij niet bent gedwongen uw verstand te gebruiken.” Dat klinkt natuurlijk precies zoals het bedoeld is: Een hatelijkheid. Alleen klinkt het in het Frans veel eleganter. Als we dat in deze tijd over zetten, dan zou ik tegen de mensen willen zeggen: Mensen, de dingen, die u allemaal zo belangrijk vindt, waarvoor u eigenlijk leeft, zijn alleen maar waardevol voor u, omdat ze u de moeite besparen om na te denken. Maar op het ogenblik, dat u moet gaan denken over de dingen die u doet, zou ik bereid zijn medelijden met u te hebben. Dan zou u in grote moeilijkheden komen.

Dat is begrijpelijk, want je doet zoveel dingen juist omdat je niet wilt denken. Zoals deze schoonheid ongetwijfeld ook haar voortdurende verdediging van de liefde, de hoffelijkheid en al die dingen meer baseerde op het feit, dat het zo prettig was, dat ze er waren. Maar dingen die prettig zijn, zijn over het algemeen maar betrekkelijk kort prettig.

Misschien dat ik hier een tandarts uit 1937 mag citeren, die onbewust ook een grote wijsheid te berde bracht toen hij zei:

”Het is de begeerte naar het zoete der aarde, die vele mensen een voortdurende knagende tandpijn bezorgt.”

Daar zit wat in. Omdat we niet nadenken over wat we doen, doen we het mateloos. Door de mateloosheid worden we het slachtoffer ervan en dat wat aangenaam leek te zijn, stapelt zorg na zorg en conflict na conflict voor ons op. Op een gegeven ogenblik kunnen we er niet meer tegenop en wat dan?

Dan heb ik hier nog een paar heerlijke spitsvondigheden, die wat meer uit uw dagen stammen:

“Menige schoonheid is slechts schoon zolang zij zwijgt.”

Een criticus uit Hollywood. Het is heel vaak zo, dat uiterlijkheden mooi zijn, maar als je ziet wat er dan uit voortkomt, schrik je je eenvoudig dood. De man had groot gelijk. Dat is heel vaak in het verleden zo geweest, het is vandaag aan de dag ook zo. Als we naar de uiterlijkheden kijken, zijn ze mooi. Zodra we kijken wat er uit voortkomt, dan blijkt ineens dat de illusie verstoord is.

Een Deens denker (ongeveer 1890) zei eens:

“We maken ons illusies en geloven in de waarheid daarvan, omdat we bang zijn deze illusies te verliezen.”

Ook hij had volkomen gelijk, al was hij dan ook tegen Swedenborgh. De mens, die werkelijk illusies heeft, bouwt daarop voort. Op het ogenblik, dat hij daarvoor in de plaats de waarheid moet zien, heeft hij het idee, dat hij enorm veel verliest. Daarom blijft hij aan zijn illusies geloven tegen alle redelijkheid in, ze als waar aanvaardend.

Dat zou in deze tijd heel erg belangrijk kunnen zijn voor vele mensen. Men maakt zich allerhande illusies omtrent ontwikkelingen in de wereld, in de economie, in de kerk, in het maatschappelijk leven, waar dan ook. Maar als ze eerlijk waren, zouden ze moeten toegeven: Daar zit zo weinig achter. Zo zijn door de tijd heen de mensen bezig geweest met hun wijsheden. En als er iemand kwam, die zijn wijsheden in een vorm wilde samenvatten, maakte hij daarvan een utopische staat. Die utopieën kunnen soms dan ook schrikbarend zijn, als men het negatieve neemt. Want “1984” van Orwell is in feite ook een utopie. “De boerderij der dieren” van dezelfde schrijver is in feite een utopisch verhaal. Het is een beschouwing van een wereld en van datgene wat erin leeft en dit losgemaakt van de werkelijkheid. Misschien zit er in de utopie een les voor de werkelijkheid. Maar we moeten nooit aannemen, dat de utopie in de plaats van de werkelijkheid kan komen.

Er zijn Russische schrijvers, die zich hebben bezig gehouden met de toekomstige maatschappij (tamelijk droge werken vanuit uw standpunt, maar zeer utopisch), waarin ze proberen duidelijk te maken dat er een ogenblik zal komen dat er eigenlijk geen partijleiding meer nodig is, omdat de mensen leven volgens dat wat de partij is. Ze maakten de grote fout te vergeten dat leiders zich niet bezig houden met wat de partij is of wil, maar alleen met het feit hoe ze hun macht over de partij kunnen handhaven.

Een schrijver heeft het over een gemeenschappelijke productie, waardoor het Russische volk zo rijk zal zijn, dat het in staat zal zijn alle landen ter wereld, die nog aan kapitalisme doen, op te kopen, als het daar zin in heeft. Hij vergeet daarbij één ding: Dat kapitalisme een betrekkelijk voze naam is, indien het gesteld wordt tegenover het huidige communisme. Want het communisme op zich is ook zo ver vervreemd van de betekenis die men daaraan geeft, dat je daar niet over kunt praten. Neen, de utopisten dromen vaak verkeerd.

Misschien ben ik een utopist, wanneer ik een toekomstige ontwikkeling durf veronderstellen: Ik geloof nl. nooit, dat de wereld verder kan groeien vanuit het systeem dat regeert – dus de maatschappij van heden. Ik geloof ook niet, dat ze kan voortkomen uit het idee dat de maatschappij loochent. Ik meen, dat elke ontwikkeling in de wereld in feite een soort compromis is. Maar een compromis kan gesloten worden met een maximum- en met een minimum-binding. Ik voor mij meen, dat in de maatschappij de werkelijke banden op het ogenblik losser zullen worden. Dat betekent, dat de uiterlijkheden en de werkelijkheid steeds meer van elkaar gaan verschillen. Dit betekent, dat het systeem kan blijven bestaan, dat het kan blijven functioneren, maar dat het langzaam maar zeker niet meer het systeem van mensen is, maar alleen het kader waarbinnen mensen hun pogingen nog groeperen. En dan zie ik inderdaad mensen, die veel vrijer zijn. Of zij daarmee veel gelukkiger zullen zijn, waag ik te betwijfelen. Want voordat men de nodige zelfstandigheid heeft gevonden, zullen er heel wat jaren heengaan.

Belangrijk is de vrijheid van de mens. De vrijheid kan dan mede tot uiting komen in een zeer sterk wisselen van de functies, die hij bekleedt. Hij werkt dus niet meer aan een carrière, maar eenvoudig omdat werken nog noodzakelijk is. Ik zie daaruit op den duur de vermenging van eigen interesses, van hobby, van spel en werken zo sterk verdergaan, dat men op den duur zelfs gaat begrijpen dat een beroepsvoetballer eigenlijk alleen maar een vakman is, die ijverig en haastig werkt voor zijn brood, ook al schopt hij anderen bijna dood.

Voor mij is de wereld van morgen geen wereld zonder politici, zonder economen, zonder fabrieken en zonder godsdiensten. Het is eenvoudig een wereld, waarin die uiterlijke vormen nog worden gehandhaafd, omdat de mensen op die manier althans enigszins weten wat ze aan elkaar hebben. Maar gelijktijdig zie ik de invloed van dergelijke dingen steeds kleiner worden. De beheersbaarheid van de massa neemt af, maar gelijktijdig zal bij een minimum aan regels en voorwaarden de maatschappij zich veel meer aan de regels en voorwaarden binden. Neen, ik geloof werkelijk wel, dat het heden het zaad voor morgen niet alleen in negatieve zin in zich draagt.

Er bestaat – en dat is dan een vrije vertaling van een Inka-legende – een aardig verhaaltje, waarin het onkruid op een akker welig was gegroeid. Het onkruid beklaagde zich onderling over het feit, dat afwijkende vormen (zoals graan) nog durfden voorkomen. In deze legende komt er dan een Godheid, die het onkruid uitroeit, de mensen bijeen roept en hun vervolgens de maïs geeft. Misschien dat in deze tijd iets dergelijks nog wel via UNICEF kan gebeuren, maar veel kans heeft u daar niet op. Maar wat ik wil aantonen, zit daar wel in opgesloten.

Heel vaak beklaagt het onkruid zich over de aanwezigheid van het graan, omdat men aanneemt dat datgene, wat overheerst, het belangrijkst is. In feite is datgene, wat het beste voortbrengt het belangrijkste. En dat betekent, geachte vrienden, dat het beeld van een democratische of een democratisch-socialistische maatschappij steeds minder zin kan krijgen en dat het zal gaan om degene die produceert, niet om degene die alleen consumeert en vegeteert. Het zal gaan om de mens die denkt, niet om degene die de gedachten van anderen uitgalmt. Ik geloof, dat we inderdaad mogen dromen over een gouden toekomst, indien we ook beseffen, dat het onkruid op het ogenblik in vele delen van de wereld nog overheerst.

Als laatste citaat een zeer Amsterdamse opmerking: “Die lui van de Maffia zijn maf.” De man, die dat zei, wilde daarmee duidelijk maken dat hij al die lieden, die zich in geheime organisaties en verbanden laten organiseren en zich laten terroriseren om dan op hun beurt terreur uit te oefenen, eigenlijk maar krankzinnig zijn.

Maar wat is de Maffia? De Maffia is een bepaalde organisatie. Zij is eigenlijk ontstaan uit de armoede van de boeren, die zich wel moesten verzetten om in leven te blijven. De “schaduw”, het zwijgen, was eigenlijk niets anders dan de overeenkomst van verzetsmensen. Het is een misdadigersorganisatie geworden. Misschien zou je het zo kunnen formuleren: Altijd weer begint een organisatie als een ideaal, maar eindigt altijd weer als een bende rovers. Met deze filosofie wil ik u niet wijzen op de overbodigheid van idealen, integendeel. Maar ik zou u er wel op willen wijzen, dat elk ideaal dat zichzelf organiseert in de organisatie het doel en het ideaal beide meent te vinden en daardoor de werkelijke betekenis van het ideaal steeds meer verloochent.

Wie de dagen van heden, van gisteren en van morgen naast elkaar zet, ontdekt dat de mens niet zo sterk is veranderd. De gemeenschap van de mensen is nog steeds geneigd tot een bende rovers te worden – meent u mij niet kwalijk. Dat zal morgen niet anders zijn dan gisteren. Maar we weten tevens, dat naarmate men de binding aan een organisatie minder serieus neemt en zich minder daardoor laat beheersen en binden niet alleen de menselijke vrijheid groter zal worden, maar ook de zelfmisleiding, waardoor men deel van een roversgroep zal kunnen worden, zal afnemen.

De vrijheid van de mens van vandaag is gering. De vrijheid, die utopisten voor hun gemeenschap en de eenlingen in die gemeenschap ontwerpen, is over het algemeen onbereikbaar. Maar er bestaat een gezond compromis: Een mens, die zichzelf is en kan zijn zolang hij de gemeenschap, dus de belangen van het geheel, niet zonder meer direct en daadwerkelijk benadeelt. En die kant gaan we uit. En als de mensen hun nut voor die gemeenschap ook nog als belangrijk gaan zien om welke reden dan ook, dan zie ik geen reden een utopie geheel te verwerpen. Alleen zie ik haar in zo’n verre toekomst, dat het jaar 2000 allang vergeten zal zijn. Ik geloof, dat de mensheid rijp zal worden, maar dat ze het voorlopig nog niet is. Met welke wat kritische noot ik aan dit betoog een einde wil maken.

Er is geen reden om welke utopie dan ook – zij het dat ze allemaal gaan over wereldondergang, het vergaan van de menselijkheid, van de mens of van het leven van de mensen op aarde als Goden – als reëel te aanvaarden. Het heeft wel zin om – beseffend wat daar mooi en goed in kan zijn – voor onszelf waar te maken nu en op dit moment wat we waar kunnen maken.

Eeuwigheidswaarden

Als we ons bezighouden met de begrippen, die de mens in de loop van de tijd heeft gehad om zijn gevoel van tijdloosheid en onvergankelijkheid uit te drukken, dan komen we tot de verbazingwekkende ontdekking, dat de mens in het begin zijn eeuwigheid voornamelijk in de natuur zocht. Zelfs op dit moment zijn er nog overal mensen, die animistisch zijn, die geloven aan de bezieldheid van alle dingen en evenals in het verleden het gevoel hebben, dat ze behoren bij een totale wereldziel en al wat ermee in verband staat.

Op den duur heeft de mens natuurlijk geprobeerd zijn begrippen omtrent eeuwigheid een beetje beter aan zichzelf aan te passen. Hij heeft dus prompt een wereld geschapen, waarin al het goede wordt beloond en al het slechte gestraft. Overal waren er priesters te vinden, die de mensen met deze werelden wisten te dreigen.

Natuurlijk kon je ook een eeuwigheid krijgen, die wat beter was. Want alles wat er op aarde was, was in de eeuwigheid aanwezig; maar veel gezelliger en gemoedelijker. Je kon bv. vallen als held in de strijd en dan door strijdmaagden met een jubelende kreet omhoog worden gedragen naar een soort Walhalla, waarin je vervolgens elke dag kon vechten. Tegen de tijd, dat de fluit ging en de werkdag was afgelopen, herrezen de doden, de gewonden waren genezen en men begon de nacht door te brengen met mede en andere genietingen om op deze wijze een roes te behalen, die tegen het krieken van de dag placht te vervliegen, zodat men vrolijk en uitgerust opnieuw ten strijde kon trekken. Zo hebben de mensen hun eeuwigheid gevormd naar eigen beeld en gelijkenis.

Maar wat is de werkelijke eeuwigheid, die achter deze dingen schuilt? Ik heb nooit geweten, dat de eeuwigheid zich schuil hield. Maar ja, de meeste mensen menen dat de eeuwigheid schuilgaat achter de dingen die ze kennen, omdat ze aan vele dingen die zij kennen geen eeuwigheidswaarde willen toekennen. En dat is weer begrijpelijk. Want als je de dingen zo goed kent als de mensen ze plegen te kennen, zou je daaraan ook geen eeuwigheidswaarde willen toekennen, omdat het dan de moeite niet meer waard zou zijn om de eeuwigheid te kennen. Maar goed, als je het zo beziet: Eeuwigheid is tijdloosheid.

In de tijdloosheid is er geen grens, is er geen beperking. Er is eigenlijk niets dat menselijk is. Een eeuwigheidswaarde is iets; dat behoort tot deze tijdloosheid en daarin altijd kan blijven bestaan. Zouden we moeten afgaan op de theoretici, dan is de eeuwigheid verdeeld in twee afdelingen: De een in het donker (en niet voor de jongelui maar voor de zondaren), de ander in het hemelslicht voor al degenen, die heilig, zalig, engel en dergelijken worden. Nu is het natuurlijk de grote vraag, welk van de twee afdelingen de aardigste zal zijn. Ik voor mij heb het gevoel, dat al die vervelende mensen in het volle licht op den duur ook wel een soort helse inwerking kunnen hebben op het gemoed. Aan de andere kant: De mens heeft het zo gezegd en het zal dus wel zo zijn. Hij heeft gezegd: De eeuwigheid bestaat uit duister en uit licht. Maar indien de eeuwigheid uit duister en uit licht bestaat, is daar altijd de vraag: Besta ik uit duister of licht, of duister en licht?

Ik heb zo het gevoel, dat wij wanneer we overgaan eigenlijk van duister naar licht en van licht naar duister heen en weer blijven gaan, totdat we begrijpen wat in beide waarden het belangrijkste is. Dan brengen we duister en licht in ons samen en vinden we de echte eeuwigheid. Nu ja, tegen de tijd dat we die hebben gevonden, hebben we aan een eeuwigheidsvoorstelling al geen behoefte meer en zijn eeuwigheidswaarden voor ons alleen maar uitdrukkingen, die niets meer te doen hebben met de werkelijkheid, die we leven. De mensen hebben getracht de eeuwigheid wat dichterbij te halen. Ze hebben dat gedaan door allerlei kerkdiensten – van de oudste tempelriten af tot de meest moderne toe. En altijd weer hebben zo geprobeerd daarmee duidelijk te maken, dat er iets is dat langer leeft, dat eeuwiger is en sterker dan zijzelf. Nu is het geen wonder, dat er zoiets bestaat, als men de zwakheid van de mens beschouwt. Maar het is toch wel opvallend, dat bij deze eeuwigheid vaak minder wordt gedacht aan eigen voortbestaan dan aan het bestaan van waarden, die een voortbestaan garanderen.

Het geloof aan geesten is ook al betrekkelijk oud. Als u zich spiritist voelt, dan behoort u eigenlijk tot de oudste kerkgenootschappen der wereld. Maar het is een feit, dat reeds in de dagen dat de mensen nog samen rond een door de bliksem ontstoken vuurtje zaten om hun half verkoolde, half rauwe dinosaurus-biefstuk te verorberen, zij geloofden in het voortbestaan van bepaalde mensen. Zij hadden tovenaars en medicijnmannen of sjamanen, die via vele riten deze geesten lieten spreken en zo raad uit het hiernamaals haalden voor het geval dat de mensen op aarde het niet af konden. Het gezonde verstand kwam er wel eens een keertje bij, maar in andere gevallen was het gewoon bijna volledig afwezig. Vanaf die tijd is de mens verder gegaan en heeft zich voortdurend beziggehouden met “de geest”. Niet alleen maar met een abstracte geest of toestand, neen, met het persoonlijk voortbestaan van mensen en entiteiten.

Als u Jezus aanroept, dan roept u de geest van Jezus aan, die als mens heeft geleefd. In feite is dus ook het aanroepen van Jezus een vorm van spiritisme, al zullen de aanbidders van Jezus dat niet graag toegeven. En degenen, die zich beroepen op de Boeddha en op al die anderen, roepen immers ook hen aan, die zijn overgegaan: Dus geest. Ik geloof, dat de geest een heel belangrijke rol speelt bij het geloof aan een persoonlijk voortbestaan van degenen, die voor ons van belang zijn namelijk. En zo vreemd als het ook klinkt, het is werkelijk nog waar ook.

Er is een eeuwigheid, die we in ons dragen, ofschoon we haar niet begrijpen, want de verschijnselen van tijd (we hebben ons gebonden of we gaan verder) gaan voorbij, maar het wezen dat die tijd registreert gaat niet voorbij. Het blijft registreren. En als er geen tijd meer is, dan is dat wezen er nog en het bevat alle waarden van de tijd, die het heeft geregistreerd.

Het lijkt er een beetje op, alsof een geest een soort ambtelijke functie in de goddelijke huishouding vervult, maar het komt er toch op neer, dat je blijft voortbestaan. De Goden, die je creëert, zijn eigenlijk niets anders dan mensen, die zijn overgegaan, zodanig ontdaan van alle menselijke zwakheden en fouten, dat je je aan hen durft toevertrouwen. Nu is het zo, dat ik mij aan vele Goden niet graag zou toevertrouwen. Wanneer wij een liefdevolle en rechtvaardige God hebben, die zich niet bezighoudt met problemen uit Vietnam of Biafra, dan vraag ik mij af, of Hij wel zo lief en zo rechtvaardig is. Ik zeg tot mezelf: Ik zou liever een andere Godheid hebben. Want iemand, die zo weinig doet, behalve dan misschien de zaak instant houden, lijkt me toch geen ideale figuur. Dan zoek ik naar een kracht, die mij wel kan bevredigen en die vind ik dan meestal in een wezen, dat dichter bij het mens-zijn ligt. Iemand, van wie ik kan leren. Iemand, die net zoals ik een beetje in de tijd bestaat en niet alleen daarbuiten. Ik vind mijn eeuwigheidswaarde pas, als ik de tijd zodanig kan beleven, dat zij in mij een tijdloze beleving is. Iets, waarmee vele mensen het waarschijnlijk niet eens zullen zijn, maar dat moet u dan maar op de koop toe nemen.

Ik stel nu:

  1. De mens, die in de eeuwigheid gelooft, gelooft in feite in zijn eigen eeuwigheid. De rest zijn verhalen, die hij aan zichzelf vertelt om het voor zich aannemelijk te maken dat hij eeuwig is.
  1. Als een mens spreekt over eeuwigheidswaarde, bedoelt hij waarden, die onvergankelijk zijn. Daar hij zich de werkelijke waarde van het leven over het algemeen moeilijk kan voorstellen, produceert hij een aantal stoffelijke waarden, waaraan hij een eeuwigheid toekent. Hij beseft niet, dat leven een eeuwigheidswaarde is, maar meent dat het leven pas een eeuwigheidswaarde kan zijn, indien het gekoppeld is aan een verschijningsvorm.
  1. Een mens heeft de behoefte om de eeuwigheid in te delen, niet begrijpend dat elke eeuwigheid in zich door haar wezen onbegrensd en niet in te delen is. Het resultaat is, dat de mens een aantal pseudo-eeuwigheden heeft geschapen, die hem dan vaak beletten de werkelijke eeuwigheid, die hij in zich draagt, te erkennen en te beleven.
  1. De meeste mensen hebben behoefte aan een sterke leiding. Dientengevolge laten ze zich leiden en verleiden door anderen aan wie ze de leiding hebben toegekend zonder te weten, of die leiding ooit terecht is toegekend. Zij geloven liever wat een ander zegt, omdat het veel gemakkelijker is een ander te geloven dan zichzelf. Maar dat komt waarschijnlijk, omdat zij zichzelf beter kennen dan die anderen.
  1. Altijd weer als de mens spreekt over de eeuwigheid, probeert hij te spreken over dingen, die hij in feite niet begrijpt op een zodanige wijze, dat hij ze kan begrijpen; niet begrijpend, dat hij daardoor het begrip dat hij bespreekt vervalst en in feite spreekt over dingen, die niet werkelijk bestaan, terwijl hij het werkelijke bestaan van de eeuwigheid, het aanwezig-zijn van besef zonder meer, daarbij verwaarloost.

Dat zijn een paar punten, waarvan ik hoop, dat u ze vindt passen in het geheel. Nu zijn er heel veel dingen, die mijns inziens gelukkig niet tot de eeuwigheidswaarden behoren. Stelt u zich een eeuwigheid voor, waarin politiek wordt bedreven. Zelfs een politicus zou het daar niet uithouden. En dat betekent heel wat, want die mensen hebben meestal een huid waar een olifantje jaloers op kan zijn zodra het om de politiek gaat. Ik kan mij ook voorstellen, dat je een wereld wilt hebben, waarin eindelijk eens niemand je vertelt wat je wél en wat je niet moet doen; wat je goede en wat je verkeerde hand is; wat schoon en wat vuil moet zijn. Een wereld, waarin je eenvoudig datgene wat in je is kunt beleven. De eeuwigheid bevat dat, omdat die nu eenmaal niet gebonden is aan vormen maar aan het bestaan zelf. Er zijn vele fantastische stellingen opgebouwd en sommige komen heel dicht bij de waarheid. Ik wil er een citeren, die volgens mij die waarheid nog redelijk dicht benadert:

“Het geheel van het zijn is een kracht, waarvan de geaardheid niet zonder meer kan worden bepaald. Daar we deel zijn van die kracht, zijn we blijvend deel van het geheel, ongeacht de vorm waarin we binnen het geheel tijdelijk in verschijning treden.”

Ik meen, dat deze stelling daarom waardevol is: Zij ontkent de noodzaak van vorm, van formule, van wet op een voor de mens te vatten of binnen het “ik” volledig te begrijpen wijze. Zij stelt daartegenover een zijn, dat zonder meer aanwezig is, waarvan het “ik” deel is, zodat het “ik” deel blijft van een totaliteit, ook al zal het dit voor zichzelf niet altijd waar willen heten. Ik vind het een erg gelukkig verschijnsel, dat daarbij de ervaringen van het leven een rol spelen, maar niet de verschijnselen zonder meer. Want de meeste verschijnselen van het leven zijn tweeledig; zij kunnen soms buitengewoon aangenaam zijn, maar dan krijg je er vaak op den duur toch een zekere degout van; in andere gevallen zijn ze buitengewoon onaangenaam en dan kun je daaraan misschien wel wennen, als je lang genoeg volhoudt, maar je uithoudingsvermogen is doorgaans niet groot genoeg. Denk maar eens aan hangen!

Als we aan de verschijnselen gebonden waren, zouden we geen leven hebben. Maar omdat we dat niet zijn, leven we als deel van het leven onbeperkt. Nu zijn er veel mensen, die hebben geprobeerd dit aan te kleden. We hebben de bekende Dodenboeken van de Tibetanen, van de Egyptenaren, er bestond ook nog een Babylonisch Dodenboek, waarin o.a. de waarde van Nergal bijzonder werd uitgedrukt. Er zijn verhalen geweest bij de Grieken, bij de Romeinen, bij de christenen, en overal en altijd weer heeft men gezegd: Kijk eens, er is een eeuwig leven. Maar dat eeuwige leven is voor de verbondenen. De vormgebondenheid had men nodig.

Zonder deze zouden de mensen de eeuwigheid alleen maar kunnen beleven; ze zouden er niet in kunnen geloven. Want het is vaak voor een mens belangrijker ergens in te geloven dan om het te beleven. Wij moeten dus zeggen, dat de mensen in de oudheid al die mooie systemen hebben ontworpen om voor een ieder het begrip van eeuwigheid aanvaardbaar te maken. Gelijktijdig hebben ze echter geprobeerd de eeuwigheidswaarde, die ze dan toch hadden erkend in hun denken, te verwezenlijken en te verwerken. Voor de Babyloniërs bv. was de gang door de eeuwigheid er een, waarin men de verschillende Goden achtereenvolgens ontmoette. Men ging als het ware van de Goden der Aarde via de verschillende Goden der Planeten tot de Zon, die dan de Hoofdgod was. Iemand, die deze totale afstand aflegde, was daardoor deel geworden van het goddelijk Licht en als hij weer op aarde kwam, dan was het misschien als een bliksemschicht, maar hij keerde altijd terug tot zijn bron.

Nu geef ik graag toe, dat er heel wat bliksems heilig zijn verklaard in die tijd. Het lijkt mij moeilijk aanvaardbaar dat zo zonder meer naar de bron zelf zijn teruggekeerd; ik zou denken, dat ze nog wel in een paar sferen daartussen hebben moeten ronddolen, voordat ze tot de bron kwamen. Maar hoe het ook zij, door deze denkbeelden kwamen ze van de symboliek van de planeten – want daar ging het eigenlijk over – naar een deelgenootschap van het heelal, dat men kon vinden in de vorm van het licht. Het licht was daarbij de onthulling, maar gelijktijdig de levengevende kracht.

De Egyptenaren deden het wat uitgebreider. Die hadden een uitvoerige reisroute beschreven met heel wat meer plechtigheden en beproevingen. Maar ook daar kwam het ogenblik, dat men zelfs in het land der heiligen en zaligen zich niet meer gelukkig voelde en uit deze landbouwbedrijven van hemelse origine terugkeerde naar de Hallen der Herinnering.

In de Hallen der Herinnering kom men de akten vinden van alle leven op aarde dat was geweest of zal komen. Zo maakte men zichzelf deel van deze totaliteit en werd dan meestal een tijdlang een van de Rechters. Men trad dus in de plaats van een godheid. Vanuit die plaats werd men dan één met de Oerkracht.

Het is interessant te zien hoe ze uit al die symbolen hebben geprobeerd toch een begrip van eeuwigheid levend te houden. Want het is niet belangrijk in welke vorm men de eeuwigheid beschrijft of aanprijst. Het is slechts belangrijk, dat de mens in zich een gevoel van tijdloosheid kan vinden en krachtens dit gevoel van tijdloosheid de grenzen van leven en dood kan overschrijden.

Daarmee heb ik een groot gedeelte van het onderwerp reeds voldoende behandeld. Er zijn natuurlijk nog enkele kleine commentaren, die ik daaraan zou willen verbinden. Die commentaren zijn dan uitdrukkelijk gestipuleerd van mij en van niemand anders. U moet ze dus waarderen als een zuiver persoonlijke mening. Weet u wat een persoonlijke mening is?

Een zuiver persoonlijke mening is over het algemeen een conglomeraat van andere meningen op een zodanige wijze tot haché gemaakt, dat je het aan niemand meer dan aan jezelf kunt toeschrijven.

Ik zou willen stellen:

Eeuwigheid is datgene, waarover we het meest praten, als we er het minst van begrijpen.

Een eeuwigheidswaarde is datgene, wat we in onszelf beseffen op het ogenblik, dat we vergeten aan onze eigen belangrijkheid te denken.

Contact met de eeuwigheid vinden we op elk ogenblik dat we vergeten, dat we geen tijd hebben.

Tijd is de maatstaf, die we gebruiken om onze eeuwigheid te meten. En aangezien we over het algemeen in zeer kleine stukjes meten, komt er praktisch geen eind aan.

De mens, die het eeuwige leven zoekt, zou moeten beginnen met te beseffen, dat het eeuwige leven het leven zelf is. Hij moet dus beginnen met te leven en niet te denken aan de beperkingen, die er bestaan ten aanzien van tijd of wat anders, maar eenvoudig waar maken wat hij in zich draagt op dat moment.

Dan een laatste opmerking mijnerzijds: Ik geloof, dat de eeuwigheid op aarde een zo goed verkocht artikel is geworden, omdat ze niets kost en er toch een aardige prijs voor kan worden gemaakt.

Zeepbel

Is de deugd der mensen, als je haar in waarheid beziet? Een schemerende zeepbel, die dra vergaat in het niet, terwijl de werkelijkheid nog voortbestaat. Zo is de illusie, waaraan de mens zijn wezen onderwerpt, datgene waaraan hij meent zijn zijn te kunnen binden. Niet aan de werkelijkheid, maar aan de al te schone schijn.

Een spel met gedachten, een spel met beelden, mag schoon zijn en tijdelijk ook amusant. Maar wie maakt met beelden, gedachten en spelen iets meer de werkelijkheid? Wie vindt een geestelijk vaderland slechts door te dromen? Het is de werkelijkheid, waaruit je leeft. En wie haar verwerpt, niet wil zien of niet aanvaarden, wie speelt met denkbeelden, die niet geworteld zijn in de werkelijkheid, hij blaast slechts zeepbellen, die in hun vergankelijkheid degene, die ze heeft geschapen, verteren en beschamen. Maar achter alle schijn moet je één ding wel onthouden: De kleuren van de zeepbel komen voort uit licht, dat leeft in de werkelijkheid. En als de bel vergaat, nog blijft de realiteit een lichtend zijn met vele kleuren. Maar wie de kleuren werkelijk ziet en ondergaat en zo de goddelijke lichtende werkelijkheid verstaat van het leven, hij schept geen zeepbel meer en wordt niet meer door schijn en illusie voortgedreven, maar leeft zichzelf in werkelijkheid, die hij heeft gevonden in zich, uit zich. Dan is er eeuwigheid. Want werkelijkheid is onbeperkt en leeft niet bij de seconde. De werkelijkheid, de eeuwigheid, is wat wij waarlijk zijn.

Laat dan de zeepbel van illusies springen, ook al verdwijnt daarmee zoveel aan schone schijn. Laat ons het werkelijke Licht aanvaarden als dat wat wij ook werkelijk zijn.

← vorige tekst
overzicht
image_pdf