maart 1970
Ontwikkeling
In de oudheid zien wij rond de Middellandse Zee enkele eigenaardige verschijnselen. Het ene ogenblik is er eigenlijk niets, het volgende ogenblik zien we overal landjes en staatjes verrijzen. Egypte begint plotseling grootheid te krijgen. Negerrijken ontwikkelen zich. Wij zien dat de Arabische zwerfstammen zich ten dele tot kleine naties samenvoegen. Kortom, daar is ineens van alles en nog wat aan de hand. Als je probeert na te gaan waar dat nu vandaan gekomen moet zijn, dan kom je – hoe vreemd het ook moge klinken – alleen nog maar tot één redelijke verklaring: Gezien de betrekkelijk korte tijd waarin de ontwikkelingen plaatsvinden, gezien het traject waarlangs de ontwikkelingen zich het eerst vertonen, moeten we aannemen dat er een gemeenschappelijke factor is. Die factor kunnen we dan – en dat wordt weer wat meer mythisch – verklaren door de eerste trek van de Atlantiërs, waarschijnlijk gevolgd – zoveel duizenden jaren later – door de tweede trek van de z.g. Atlantische slaven. Wat gebeurt er?
Volkeren, die in zeer primitieve gemeenschappen leven, komen plotseling in contact met mensen, die een idee hebben van staatsbestel, die zoeken naar rangorde, die proberen op de een of andere manier een verschil in kaste te maken tussen een krijgsman, een priester, een gewone landbouwer en wat er verder nog mag zijn. En daarmee begint het vreemde: Elke kleine stam houdt natuurlijk zijn krijgers, maar het idee van een krijgsmacht bestaat eigenlijk niet. Nu komen daar vreemde mensen, die een georganiseerd – zij het klein legertje – bij zich hebben en die dat idee van organisatie overdragen. Verder is er nog iets opvallends. Er zijn eerst kort na deze ontwikkeling van staten handelswegen kenbaar. Voor die tijd is er heel weinig handel; nu ineens zien we overal handelsroutes ontstaan en kunnen we bewijzen, dat bv. 7000 à 6000 jaar v. Chr. er een betrekkelijk levendige handel moet hebben bestaan tussen delen van het Afrikaanse binnenland, de Noord Afrikaanse kusten en Azië, in het zuiden daarvan. Verder blijkt, maar dat is aarzelend en wat later (de periode ongeveer 4000 v. Chr.), er een handel te zijn met bepaalde eilanden en via deze eilanden waarschijnlijk ook met o.m. Griekenland en zelfs Italië. De grote vraag is natuurlijk weer: Waarom?
We moeten ons realiseren, dat de Atlanten door te wonen in een eilandenrijk en ook door de noodzaak om onderling grondstoffen, materialen e.d. uit te wisselen een betrekkelijk snelle en goede handelsontwikkeling hebben doorgemaakt. Het is niet alleen maar dat hun stedenbouw of hun idee van georganiseerde godsdiensten een rol speelt, maar veelmeer nog de relatie, die er bestaat tussen de verschillende groepen, die afzonderlijk producten maken. Het ontstaan van de vele rijken (later de tien rijken van Atlantis) is geloof ik voor een groot gedeelte te danken aan deze handelsbelangen. Degenen, die daar doorheen trokken, hadden een leger, maar zij waren ook handelaren. Zij waren geneigd om wat ze bij het ene volk teveel hadden gekocht bij het andere volk weer om te ruilen voor iets anders. Het handelsidee vlamt even snel op.
Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de godsdienst haar sporen heeft achtergelaten. Toch zouden we ook hier – zij het met enige aarzeling misschien – wel enkele sporen kunnen trekken.
Wij vinden nl. in de gebieden van de tegenwoordige Sahara, in de West Afrikaanse gebieden, vooral in het noordwesten, rotstekeningen en een zekere vorm van ideografie (een soort ideeënschrift van primitieve tekeningen) vergelijkbaar met het Indiaanse Wampunschrift. We vinden daarnaast pogingen om dit tekenschrift aan te vullen met symbolen.
Nu is het aanvullen van tekenschrift met symbolen een bewijs van een zeer ver gevorderde cultuur, want voordat men komt tot het hanteren van een symbool naast een gestileerde voorstelling om bijzondere functies of zelfs abstracte ideeën aan te duiden, moet men werkelijk tot een gemeenschap behoren, die het een en ander heeft doorgemaakt. En dat vinden we nu daar, zelfs al tegenover Gibraltar. Gaan we verder langs de hele noordkust van Afrika en zelfs in een deel van de huidige Sahara tot in de Hoggar toe, dan vinden we eenzelfde soort ideeën schrift met vreemd genoeg enkele bijna gelijke symbolen. Die symbolen zijn o.m. een soort bliksemschicht, een primitieve stertekening, een soort zontekening en zo zijn er nog een paar.
Dit ideeën schrift moet overal invloed hebben gehad. Als we later zien wat bv. Salomo in zijn particulier zegel schrijft, dan is dat ook een bliksemschicht. Die bliksemschicht wordt gebruikt in een verband, dat magisch aandoet en wijst op bovennatuurlijke invloeden. Ergens moet het vandaan zijn gekomen.
Het idee van het hemelvuur als magische werking, maar gelijktijdig ook als verklaring van hogere machten ten aanzien van waardigheid of onwaardigheid van handelingen etc. bestond in Atlantis. Indirect bestond het ook in de latere rijken. We vinden het zelfs terug in Ierse legenden, in Schotland, op de Orkneys, zelfs op IJsland, maar allemaal van latere datum. Zouden we dan misschien kunnen aannemen, dat deze mensen hebben geprobeerd om hun idee van een relatie tussen het hogere en de mens duidelijk te maken? Het is niet zo onwaarschijnlijk, omdat zij werken met hemelsymbolen en deze niet alleen langs de hele kust te vinden zijn, maar ook een grote rol spelen in Egypte, in Babylon en zelfs nu nog bij bepaalde sekten in India en Pakistan. Ik zou daarom het volgende eens willen poneren. Wanneer een vreemde, hogere beschaving met grotere machtsmiddelen een primitieve wereld binnendringt, zo zal zij:
- Ideeën van rangorde opleggen.
- Bepalend zijn voor opvattingen omtrent handel.
- Zij zal de symboliek (niet de godenverering, maar de symboliek die het hogere en meer waardevolle moet aanduiden) eveneens overdragen.
Als ik dat stel, dan zitten we ineens ook midden in de moderne tijd. Want wat gebeurt er in deze dagen? Er zijn een aantal landen in Europa geweest, die gekoloniseerd hebben. Dat wil zeggen, dat zij met een grotere krijgsmacht zijn binnengedrongen in rijken en hun eigen opvattingen in de daar bestaande culturen hebben geïnjecteerd. Nu laten we maar even buiten beschouwing of die culturen nu van hogere of lagere rangorde zijn. Zij brengen dus handelsgebruiken, militaire opvattingen en daarnaast ook symboliek. En wat zien we nu? Deze koloniserende machten zijn langzaam maar zeker weer weggetrokken, zoals waarschijnlijk vroeger de doortocht van de Atlantische slaven ook een kwestie is geweest van jaren en zeker niet van eeuwen.
Maar wat doen ze? Ze laten een primitievere maatschappij met een geheel eigen structuur in verwarring achter. In die verwarring zien we dat zich groepen formeren, die zich conformeren aan de westerse opvattingen. Natuurlijk, er is een groot verschil tussen een Duitse speelgoedfabriek en een Nigeriaans beeldenfabriekje, maar het principe is gelijk: Een zo goedkoop en zo attractief mogelijk product maken, waarbij de eigen inbreng van de vakman of de kunstenaar eigenlijk minder belangrijk is dan de verkoopbaarheid.
Als we gaan kijken in de verschillende soeks van Noord-Afrika, dan vinden we ook daar weer heel eigenaardige verschijnselen. Het oude ambacht bestaat nog wel, maar bv. de lederbewerking of de bewerking van koper toont zelfs in de kleine bedrijfjes de neiging zich te industrialiseren en zich vooral te conformeren aan westerse wensen en eisen. De mensen blijven zichzelf gelijk, maar ze passen hun product en hun handelsgebruik sterk aan aan de opvattingen, zoals die in Europa bestaan.
Wat de symboliek betreft, ik zou zeggen: Daarvan hebben we ook plenty. In bijna elke staat van Afrika – hoe jong en hoe onervaren ook is een legertje dat in zijn opstelling sterk doet denken aan de Engelse legers. Daarvoor kunnen we een verklaring vinden door de sterke Engelse invloed te noemen. Maar de nabootsing gaat verder dan dit; want we zien soortgelijke legertjes nu ook langzaam maar zeker ontstaan in staten, die zeker nooit wat met Engelsen te maken hebben gehad. Kennelijk een militaire invloed, die zich voortzet.
Symbolen. Iedereen spreekt van democratie. Iedereen heeft het over nationaal belang. Iedereen heeft het over sociaal recht. Nu verschilt het sociale recht natuurlijk wel sterk. Soms is het sociale recht alleen het om te weten waarom ze je de kop afhakken. In andere gevallen betekent het inderdaad een zekere garantie in de maatschappij; maar dat komt niet zo vaak voor. De leuzen zijn gelijk. De praktijk is totaal verschillend, de interpretatie van de leuzen eveneens. Ik geloof dat we hier dus te maken hebben met twee parallelle ontwikkelingen.
Maar dan moet daaruit nog meer zijn af te leiden. Een interessant voorbeeld is hierbij Israël. We kunnen over Israël spreken als een probleemgebied en de noodzaak van een Palestina voor iedereen, dat maakt niet veel uit. Belangrijk is, dat we hier een vreemde groep zien met een eigen orde, met eigen opvattingen. Die groep wordt een staat. Ze heeft eigen technieken van bevloeiing en tuinbouw. Ze ontwikkelt eigen militaire technieken, eigen sociale technieken temidden van een vijandige wereld, die zich daartegen ten sterkste verzet. Maar heeft u wel eens nagedacht over de sterke gelijkenis, die bepaalde nu bestaande organisaties in de Arabische landen hebben met de eerste organisaties die in Israël werkten? Zeker, ze zijn een paar jaar achter, maar per slot van rekening, de Arabieren met hun strijd doen toch wel een beetje denken aan de technieken van de Haganah en al die andere groeperingen. De pogingen om de wereld te activeren – iets, waarin Israël bijzonder sterk is geweest, als u het mij vraagt – wordt gelukkig nog niet helemaal ter zake doende op het ogenblik toegepast door Jordanië. Jordanië, dat op een verduveld handige manier de welwillendheid van de wereld inroept voor zijn problemen door te wijzen op zijn grote moeilijkheden. Dat heeft Israël indertijd ook gedaan. De pogingen in al die landen om tot bevloeiing te komen, wijst er ook op dat men nu bezig is om bepaalde technieken van Israël over te nemen.
Als we gaan kijken in Syrië, Egypte of waar u ook maar wilt, dan zien we projecten ontstaan die verdacht veel lijken op de poging om bv. de Negev te ontsluiten. Er is hier een ontwikkeling aan de gang, die Israël, zoals het nu bestaat, op den duur waarschijnlijk wel zal oplossen; maar de technieken, de sociale inzichten, de strijdtechnieken, die Israël heeft geïntroduceerd zullen blijven bestaan.
Van de Atlantiërs is niet veel meer overgebleven. Zeker, er zijn wat vermengingen geweest en de Targi (de blauwe mannen van de Toearegs) zijn misschien ten dele een overblijfsel van de doortrekkende mensen (Atlanten waarschijnlijk en gasten, meelopers, die daar zijn blijven hangen), maar verder hoort men daar eigenlijk niets van. Atlantis is een beetje uitgestorven.
Van Egypte hoort men ook niet veel meer in zijn oude betekenis. Men vergeet wel eens, dat het oude Egypte eens een gebied is geweest, dat vooral door zijn handelsrelaties en zijn verschillende expedities, die daar naar handelswaren maar ook naar delfstoffen, houtwaren e.d. zochten, zoals ook Israël in zijn gloriedagen een korte tijd heeft gedaan, eens een groot gedeelte van Afrika beheerste.
De naam bestaat, de oude bouwvallen bestaan nog en de gerestaureerde gedenktekens. Wat is er eigenlijk overgebleven van dat grootse Egypte, van zijn rijkdom, zijn pracht, zijn grootheid van handel, zijn bijzondere indelingen? Daarvan is weinig over. En zo denk ik ook wel, dat de tijd voor de westerse invloeden voorbij zal gaan. Het is eerder een zich meester maken van de westerse techniek, de westerse denkwijze en daarbij gebruikt men natuurlijk de westerse symbolen en leuzen.
Er is echter ook een ontwikkeling aan de gang. Die ontwikkeling heeft heel veel vreemde nevenverschijnselen. Laten we eens denken aan alle universiteiten, die er op het ogenblik in Afrika zijn. Het lijkt misschien onbelangrijk, maar in feite ontwikkelen deze vaak een geheel eigen visie, terwijl de mensen die daar studeren zich weliswaar de westerse kennis eigen maken, maar merendeels deze zullen moeten toepassen in een milieu en onder omstandigheden, die niet vergelijkbaar zijn met de westerse, terwijl daar ook de middelen om een westerse techniek toe te passen – zoals oliemaatschappijen bv. wel doen – niet aanwezig zijn. Is het dan niet logisch aan te nemen, dat deze universiteiten bezig zijn een geheel eigen ontwikkeling op allerlei terrein tot stand te brengen door bijna geheel Afrika? Dan ontstaat er dus een afwijkende cultuur.
Die afwijkende cultuur zal zich in enkele grote rijken ongetwijfeld uiten. We kunnen niet aannemen, dat er zoveel kleine staatjes en landjes blijven bestaan. Zeker, Egypte heeft een behoorlijke ontwikkeling gekend van bijna 1500 jaar, voordat er sprake was van het ontstaan van rijken. Destijds waren het er nog maar twee. We spreken daarvan als het Beneden- en Boven-Egyptisch Rijk. Toen heeft het nog ongeveer 1500 tot 1700 jaar geduurd, voordat de kronen van die twee rijken onder één vorst werden verenigd. In die tijd had je nu eenmaal vorsten en God gezondenen nodig. Tegenwoordig heb je meer profeten van Marx, Mao of iemand anders nodig, maar het principe blijft hetzelfde.
De kleine staten moeten samenwerken. We moeten ons wel realiseren, dat een groot gedeelte van die negerstaatjes, die er op het ogenblik bestaan, met een universiteitje waar een blanke misschien om lacht, met hospitalen waaraan je je ergert, met een sociale structuur die onvoorstelbaar is, moeten samenwerken. Dat samenwerken kan niet gebeuren op de manier, waarop dat in het Westen zou kunnen. Ze hebben daartoe de middelen niet. Zij moeten hun eigen landbouwtechniek gaan ontwikkelen. Het Westen kan daarbij helpen, maar het zal hun eigen techniek moeten zijn. Zij kunnen hun eigen methode van wegenbouw en vervoer instellen. Zeker, het Westen helpt. Maar de manier waarop dit het doelmatigst gebeurt zal tenslotte door de staatjes zelf worden bepaald. En zij hebben elkaar nodig.
Op het ogenblik zijn er nog vele hoofdmannetjes, die allemaal proberen een eerste rol te spelen. Maar die hoofdmannen kunnen niet genoeg. En zo worden de symbolen aangeroepen, in casu “democratie” waarschijnlijk en misschien het symbool “revolutie”. (Revolutie betekent gewoon door elkaar gooien; maar men maakt er dan plechtig een omwenteling van.) De revolutie, de gehele opzet, dwingt hen tot samengaan. En als er maar één sterke man komt of één kleine sterke groep, die de steun van de militairen kan winnen (dus militaire macht), dan zal de groep zich kunnen doorzetten, mits zij voldoende handelstechniek bezit; dus een redelijke uitvoer en invoer in stand kan houden. Ik denk zo, dat dat nog wel een jaar of vijftig duurt, maar dan zijn we zover. En dat is helemaal niet te verwonderen.
Elk land, dat door een vreemde invloed wordt ontsloten, zal trachten zichzelf te hervinden, maar zal daartoe de middelen gebruiken, die van de ander zijn geleerd. Men verbetert ze, men past ze op zijn manier aan misschien. Technieken, die eenmaal zijn overgenomen, hebben een ontzettend lang leven; veel langer dan de oorspronkelijke techniek, want die is maar deel van een ontwikkeling. De overgenomen techniek wordt echter een basis. Het is een denkbeeld geworden dat eigenlijk de gehele maatschappij domineert. Laat mij u een voorbeeld geven: In de tijd van de Vikingen (de lange schepen) was het maken van raids over zee een van de middelen waardoor een staat zijn grootheid kon bewijzen en eventueel de nodige plundering kon verkrijgen. Er was een bepaalde methode; nl. het onverwacht verschijnen met een voldoende bewapende macht, eventueel een doordringen in het binnenland en daar dan plotseling opduiken, eveneens weer met een militaire macht.
Precies dezelfde techniek hebben de Hollanders nog gebruikt in 1500 en 1600 tegen bv. de Bey van Tunis. De techniek, die de Nederlanders in die periode hebben gebruikt in de Middellandse Zee, vertoont een zo sterke overeenkomst met de strategie van de Vikingen, dat je niets anders kunt zeggen dan: Hé, zou dat toch dezelfde bron hebben? En wat dat betreft, doen de Engelsen met hun piratenschepen niet onder.
De Engelsen hadden een eigen vorm uit de aard der zaak. Hun schepen en hun samenwerking was wat anders, maar ook zij kwamen op een gegeven ogenblik ook tot gecombineerde raids. En als we kijken naar de techniek, die de Morgans (de bekende zeerovers) gebruikten om tot bv. Louisiana door te dringen, om de hele kust en de eilanden-archipel van de Caribische Zee te domineren, dan blijkt wederom dezelfde gedachte van lange reis, korte sortie door te werken. Kennelijk, is dus het patroon van de oorspronkelijk storende maar gelijktijdig dominerende Vikingen te zijn overgenomen door praktisch alle volkeren, die met zeevaart te maken hebben.
Zelfs in Frankrijk bestaan dergelijke groeperingen. En nog vele eeuwen later beschouwt men – of het nu juist is of niet – deze manier van optreden als de meest doelmatige. Zelfs de wijze, waarop bv. tegen de Armada werd opgetreden, doet weer denken aan de tactiek van de Noren. Want wat deden de Vikingen? Ze kwamen met vele kleine, wendbare vloten en door hun snelheid en wendbaarheid waren ze sterker dan de kastelen. We zien dus dat de techniek wordt voortgezet.
Wat hebben dan de verschillende landen in bv. Afrika van de blanken geleerd?
1.Het is belangrijk verbindingen te beheersen.
2.Zolang er een handelsproduct is, is het mogelijk de nodige macht op te brengen.
3.Men moet altijd trachten een schijnbaar ideaal te doen samengaan met een volledig op nut gericht gedrag.
Ik geloof, dat de staten van Afrika ook deze les zullen hebben geleerd. En lang nadat in Europa misschien het een of ander ideaal overwonnen en het hele leven dicteert, zal men in Afrika nog uitgaan van het standpunt: een ideaal moet je noemen. Dat is de wimpel bij de vlag; maar de slag wordt geleverd om de centen, niet voor de eer. Wat dat betreft zou Piet Hein dus heel goed als een moderne Afrikaan kunnen incarneren.
De ontwikkeling, die op die manier plaatsvindt, is bijna ontstellend, omdat je wordt geconfronteerd met de totale waardeverandering van een samenleving en daarmee ook van de individuen, die daarin bestaan. Ik heb nu Afrika genomen als voorbeeld. Laat mij nog een ander voorbeeld geven over ontwikkelingen.
China was een machtig keizerrijk. Het werd geregeerd door de Mantsjoes. Zij hadden een geheel eigen administratie en volledig inzicht. Omstreeks 1850, iets later nog, begint de opmars van de Europeanen naar het binnenland. Daarbij zijn kooplieden, die olie, olielampen en dergelijke eenvoudige dingen verhandelen; daarbij zijn zendelingen en daarbij zijn uit de aard der zaak ook militairen. De Europeanen vestigen verschillende kleine conclaves, voornamelijk in de kustgebieden. Verbindingswegen, die reeds lang bestonden, worden in waarde veranderd door het gebruik dat de Europeanen daarvan maken. Vanaf dat ogenblik zien we een gisting, een verandering ontstaan in het grote Chinese rijk.
In China zien we opeens revolutionairen optreden, die zich wel niet zo noemen en die de Keizerin-moeder natuurlijk nog alle eer betuigen, maar de Broederschap van de Lotus (deze moordenaars en koppensnellers) vecht niet meer voor een terugkeer naar de oude waarde. Zij strijden voor het behoud van wat ze van de Europeanen hebben geleerd, maar zonder de Europeanen. Ze hebben dus kennelijk al geleerd, dat je moet moderniseren. Het resultaat daarvan kent u. Een aantal betrekkelijk grote militaire acties van de westerse mogendheden.
Bijna onmiddellijk daarna begint de strategie te veranderen. We zien plotseling een andere vorm van strijd- en legerorganisaties. We zien daarnaast – en dat is ook zeer interessant – een verandering optreden in de samenwerking van de koopliedenbonden of loges of hoe u ze wilt noemen. Er is kennelijk iets aan de gang en dat zet zich door. De tot nu toe in stand praktisch vastgeroeste Chinees begint meer en meer los te breken. Hij wordt nu niet meer “rover”, hij wordt ofwel soldaat, dan wel hij gaat eenvoudig naar een vreemde streek en matigt zich een nieuwe positie aan. Iets wat vroeger ondenkbaar zou zijn.
Het resultaat zien we dan later in de poging om het keizerrijk om te vormen tot een republiek; de twee omwentelingen, die de republiek kent en tenslotte de conversie tot een communistisch land. Daarbij maakt de Chinees zich ongetwijfeld wel schuldig aan overdrijving van hetgeen hij van het Westen heeft geleerd. Maar wat heeft hij geleerd?
In de eerste plaats heeft hij geleerd, dat het doel de middelen heiligt. Iets wat het Westen voor zich niet graag toegeeft, maar wat het overal altijd heeft toegepast.
In de tweede plaats leren zij, dat militaire organisatie een macht schept waar een traditionele groep nooit tegen op kan. Het idee van een discipline, die eigenlijk alleen maar bestaat uit hoffelijkheid, wordt vervangen door een discipline die een zekere rechtsnorm kent, maar gelijktijdig ook een absolute aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid. Het was vroeger soms in ambtenarenkringen wel het geval, maar onder het gewone volk en in het leger zeker niet.
Eindresultaat: de commune, de gemeenschap. De gemeenschap, waarvan men heeft geleerd door de kleine gemeenschappen van blanken, die zich zelfs tegen het geweld van vele Chinezen vaak doelmatig wisten te verdedigen. De groepering wordt veel verder doorgevoerd dan in het Westen ooit denkbaar is. Maar dit kan alleen worden doorgevoerd, doordat de totale eigen structuur omver is gegooid.
Nu zien we westerse invloed opnieuw optreden, maar vanuit Rusland. Rusland heeft trouwens altijd veel invloed gehad in China. Deze invloed gaat nu de richting uit van de ambtenarij, de technocraat, de bureaucraat. Prompt neemt China het over, maar veel feller en veel consequenter dan het in Rusland mogelijk is.
De wetenschappelijke ontwikkelingen, waarop het Westen zich beroemt, worden gezien als nuttig. Dientengevolge maakt dat grote logge, eigenlijk heel anders gerichte China in zeer korte tijd een zodanige ontwikkeling door, dat men de westerse technieken inderdaad beheerst en leert gebruiken. Een verandering van mentaliteit, maar daarmee ook een verandering van politieke betekenis, van religieuze betekenis zelfs.
De goden zijn niet meer de vage krachten, die men aanroept. De goden leven op aarde: zij heten Lenin en natuurlijk vooral Mao. Deze ontwikkeling moet voeren tot een zodanig, maar dan ook zeer scherp verwestersen van de Chinese samenleving, dat over honderd jaar het Westen wel eens heel raar zou moeten opkijken tegen dit China, dat dan zeer waarschijnlijk door het consequent verdergaan op enkele details, die in het Westen allang worden verwaarloosd, de discipline, de macht en de mogelijkheden heeft, die het Westen ontbeert.
Ik wil hiermee maar duidelijk maken, dat er dus altijd weer een ontwikkeling is, die door schijnbaar onbelangrijke contacten kan worden veroorzaakt en die zeer grote gevolgen heeft. Ook voor uw wereld is dit het geval. Ik zou nu zeker niet volledig zijn, indien ik niet zou wijzen op het overnemen van een houding. Ik zou dit onder de sociale waarden willen rangschikken. Als wij de Europeanen in Afrika zien of wat dat betreft het optreden van de Arabieren (de moren vooral), dan blijkt dat ze zich als een selecte gemeenschap beschouwen. Ze zijn dus sterk chauvinistisch en sterk groepsgebonden. Hierdoor dringen zij als het ware een ieder, die in die landen een zekere positie bereikt een soortgelijk chauvinisme op. De groepen, die zich uitverkoren achten, worden groter naarmate men eens tegen enkele uitverkorenen meer heeft opgezien. Op deze manier is dus het chauvinisme van de Chinezen ook beter te verklaren. Zij worden nl. heel vaak beheerst door groepen en invloeden van buitenaf.
De Tartaren zijn er binnengevallen uit het Zuiden. Uit het Noorden zijn volken binnengekomen; zij hebben het land beheerst. China bleef zichzelf, maar werd eigenlijk gedomineerd door het groepsbewustzijn van zijn overheersers. En juist dat groepsbewustzijn en dat groepschauvinisme zijn m.i. mede aansprakelijk voor de zeer sterke, in lagen opgebouwde sociale structuur, die China zelfs al rond het jaar nul bezat.
Ik geloof, dat op deze wijze de blanken – en dan behoef ik niemand uit te zonderen; ook de Russen niet, zelfs niet de Russen in de laatste tijd die zich gedragen als een enclave van uitverkorenen te midden van minderwaardigen – de aanleiding worden tot een veel sterkere groepsgebondenheid; een verering van groeps- en machtsverdeling in de gemeenschap. Dit is natuurlijk allemaal politiek. Maar daar hangt het mee samen. Het is echter ook de historie van het verleden en de toekomst.
Nu moeten we nooit denken, dat de Spiraal van de Tijd ( een mooie term) altijd dezelfde ontwikkelingen en gebeurtenissen herhaalt. Maar wat ze wel duidelijk maakt is, dat menselijke, in feite psychische en psychologische ontwikkelingen zich blijven herhalen, omdat de mensheid als geheel nog in een bewustzijnsstadium verkeert, waarin nog steeds deze zelfde tendensen en wetten een rol spelen. En als je de toekomst wilt beschouwen, dan kun je dat alleen maar doen – volgens mij – door uit te gaan van het verleden. Nu ga ik proberen u duidelijk te maken hoezeer zelfs de oude rituelen in deze tijd nog voortleven.
In het oude Egypte was het verschijnen van de Farao een soort feest. Hij zal op zijn troon, rond hem stonden wat we de banieren van zijn leger zouden kunnen noemen. Daar omheen waren gegroepeerd de standaarden van de landvoogden, die alleen schatting kwamen betalen en weer daar omheen waren dan nog gegroepeerd de vlaggen van bepaalde priestergroepen enz. In een dergelijk prachtvol hof kwamen de mensen binnen en werden overweldigd door de macht en het aanzien van Farao, die – als hij zijn kunstwerken had afgelegd – meestal maar een miezerig ventje was. De meesten waren nog jong. Hitler. Massale bijeenkomsten. Een woud van vlaggen en vaandels van allerlei soort en daar in het midden de ene centrale figuur (eigenlijk ook een miezerig ventje) maar het valt niet op.
Een stem, die misschien niet zo welluidend is als sommigen zich nog zouden willen herinneren, maar die alleen al door die positie met een buitengewone ferociteit en dominerend overwicht kon spreken. Nu denkt u zeker, dat dat alles was. Neen.
Als Farao uitvoer, dan gebeurde dit met de mooiste vaartuigen die er denkbaar waren, met orkesten erbij, met allerlei begeleidende vaartuigen elk met een eigen functie. Tegenwoordig ziet het er natuurlijk een beetje burgerlijk uit. Maar denkt u eens aan het uitrijden van de Gouden Koets ter gelegenheid van de Opening van de Staten Generaal. Weer precies hetzelfde: Een schouwspel van macht, van flonkering, van pracht, bedoeld om een overwicht uit te drukken. Of men het nu bewust doet of niet, maar dat is het eigenlijk.
Kijken we nu naar de Ver. Staten. Laten we de kwestie van een persconferentie van de president eens beschouwen. Wat zien we? De vlag. De president alleen, verheven. Daaromheen de apparaten, de richtmicrofoons, de lijfwachten en daarvoor de menigte, die zich misschien dan niet zo erg laat imponeren, maar die eigenlijk dan toch bedwongen is. Er zijn natuurlijk stommelingen, als een zekere Agnew, die dat hardop zeggen. Dat moet je zeker niet doen. Je moet niet zeggen, dat je zoveel macht en overwicht hebt, want dan geloven ze je niet meer. Men moet het laten zien. Men moet de burgerwacht laten aantreden. Men moet vaandels en vlaggen tonen en met een grote praalstoet duidelijk maken hoe groot je bent voor het volk en dat gebeurt nog steeds overal. Er is weinig veranderd.
Als we die parallellen op een ander terrein doortrekken, dan zien we weer precies hetzelfde. De kameraad-Directeur van de een of andere fabriek ergens in een land waar alleen maar gelijken bestaan die gezamenlijk arbeiden, wordt op dezelfde beleefde manier gegroet als mijnheer de Directeur in een moderne fabriek, ongeacht Cao’s en alle arbeiders van een fabriek in deze tijd. En dat scheelt ook niet veel met de eerbied van de gezellen voor de meester, die in een atelier of werkplaats binnenkwam in de 16e eeuw; of misschien het binnentreden van de een of andere heer, die een slavenbedrijf er op na hield in Rome, Egypte of waar dan ook. De verschillen zijn niet zo groot als u denkt. En omdat we weten dat elke verstoring, die in een dergelijk patroon wordt aangebracht – vooral als ze van buitenaf wordt veroorzaakt – doorwerkt en een zekere imitatiedrang ten gevolge schijnt te hebben, kunnen we ook aannemen, dat als bv. Frankrijk besluit in Moskou of Leningrad een modeshow te geven, plotseling heel veel mensen in Rusland een andere mode gaan nastreven. Geen andere denkwijze – zij zijn chauvinistisch, ze zijn een groep – maar dit is beter en ze zullen net zolang wringen, totdat ze een Russische mode kunnen creëren die met de Franse zou kunnen concurreren; om te laten zien hoe groot zij zijn.
Als de Amerikanen komen met een handelspaleis, waarin computers en ijskasten staan, dan zal Rusland ze ontwerpen en proberen het beter te doen. En als Rusland op een wereldtentoonstelling duidelijk maakt hoe het goede resultaten heeft behaald met de een of andere vorm van gemechaniseerde mijnbouw of landbouw, dan kunt u er zeker van zijn dat er plotseling in de Ver. Staten projecten ontstaan, waarmee men – natuurlijk alle gesubsidieerd en in vrije onderneming – toch probeert om precies hetzelfde te doen. Imitatiedrang. En daaruit kan men weer verdere conclusies trekken. Mijn conclusies – die iedereen misschien niet zal willen onderschrijven – zijn deze: Deze imitatiedrang, waarbij vooral invloeden van buitenaf een bijzonder sterke inwerking hebben op het gedrag van de groep, zonder dat de groep daarbij haar in feite chauvinistische opvattingen omtrent beter-zijn zo snel zal prijsgeven, voert ertoe dat de technieken op deze wereld (sociaal, religieus en anderszins) een steeds grotere gelijkschakeling ondergaan. Het houdt dus in dat de landen, die nu onderontwikkeld schijnen te zijn of een afwijkende ontwikkeling schijnen te vertonen, in toenemende mate zullen groeien naar precies hetzelfde punt waar ook de westerse samenleving naartoe gaat. Het enige verschil is, dat zij jong zijn in hun ontwikkeling; dat zij dus met veel meer veerkracht en geestkracht daarop afgaan dan de westerse landen, die dat eens geïnstigeerd hebben, maar die langzamerhand wat uitgekeken raken op hun eigen verworvenheden.
Nu spreken we niet over een “Untergang des Abendlandes” – hoe mooi het ook klinkt. We spreken dan van een nieuwe lering voor de wereld door het afwisselend domineren van de nu onderontwikkelde groepen, waarbij de feitelijke veranderingen niet kunnen worden gedekt door de gehanteerde symbolen en de organisatie van de krijgsmacht – voor een zeer lange tijd althans – de belangrijkste zal blijven voor de zelfhandhaving en vooral voor de uitdrukking van eigen belangrijkheid en ook het handelsaspect – of men het nu begeert of niet – zal domineren in de samenleving.
Noot
Wie dit alles heeft aangehoord, moet niet blijven stilstaan bij het denkbeeld: Dit is wel interessant. Ik geloof, dat hij verder moet gaan dan dit. Dat men zich moet realiseren dat ook op dit moment vreemde invloeden van buitenaf doordringen, zelfs in uw schijnbaar besloten maatschappijtje.
U zou zich moeten realiseren hoe er wisselwerkingen bestaan tussen groepen, die in denken sterk van elkaar zijn afgeweken. Hoe totaal differente praktijken elkaar beïnvloeden. Want dan pas kunt u begrijpen hoe v. de droom van een verenigd Europa mogelijk kan worden. En u gaat ook begrijpen dat ook de gastarbeiders in Nederland – of de Nederlanders dat nu willen of niet – een verandering in de Nederlandse mentaliteit tot stand brengen, zoals eens de uit Indië gerepatrieerden en de naar Nederland gekomen Nederlands-Indische burgers ook grote invloed hebben gehad op het denken van Nederland, dat daardoor veel mystieker en gelijktijdig vrijzinniger werd.
Indien u zich dit realiseert en u denkt aan uw eigen kleine groepen, constateer dat ook daar vreemde invloeden soms binnendringen. Tracht dan eens na te gaan, hoe uw eigen reactie wordt bepaald, zonder dat u de andere groep aanvaardt of in de andere groep opgaat, maar hoe u zich desondanks probeert aan te passen. Dan heeft u begrip voor al wat er op de wereld gaat gebeuren in de komende tijd en u zult beter dan vele anderen in staat zijn te voorzien wat er onvermijdelijk zal geschieden.
Omwentelaars
De omwentelaars zijn een nieuw ontstaan ras, dat zich slechts wel bevindt zodra er een omwenteling gaande is. Dit onderscheidt zich uit de aard der zaak naar ras, rang, stand en sekse. Ik heb gehoord, dat er tegenwoordig Dolle Mina’s zijn, die wij in dit verband dus als een soort omwentelteefjes kunnen beschouwen.
De belangrijkheid van deze omwentelaars ligt niet in het feit, dat zij proberen alles naar hun denkbeelden te zetten, want die zijn over het algemeen nog slechter dan de denkbeelden van degenen, die zij kritiseren. Belangrijk is echter wel, dat zij de vaak wat vastgeroeste hersenen van de wijzen dezer tijd oliën met hun enthousiasme, zodat ze tot onverwachte en spontane uitbarstingen van progressiviteit komen.
Progressiviteit is een leuze, die in deze tijd opgeld doet op elk terrein. Een pastoor, die zich verlooft, is progressief. Iemand, die het huwelijk beschouwt als een bijkomstigheid, is progressief. Iemand, die meent dat een nudist voor zijn visie op het leven moet uitkomen – zelfs als hij zich in het Parlement bevindt – is ongetwijfeld eveneens progressief, ofschoon dit waarschijnlijk niet zo snel zou voorkomen, gezien de tochtigheid van de wandelgangen.
Ik wil hier nog niet spreken van het toenemend euvel van een gemengde parlementaire zitting, waarin de vrouw – ofschoon op het ogenblik nog hoofdzakelijk als heibeierig element – mede een rol gaat spelen in het politieke spel, hetwelk – zoals u zult begrijpen – slechts een aanleiding kan zijn voor ons om de geestelijke achtergronden en de daarmee verbonden processen wat nader te bezien.
We hebben dan te maken met wat men noemt: Onlust en ontevredenheid. Nu moet ik toegeven, dat ik zelden zo lustig onlust heb zien betuigen als in de laatste tijd. Deze onlust moet echter gebaseerd zijn op iets. En er zijn maar twee mogelijkheden te noemen: ofwel spleen (zoals u weet een verveling geboren uit gebrek aan besef omtrent de mogelijkheden) dan wel angst, hetzij voor de maatschappij hetzij voor de factoren, die in een maatschappij een rol spelen.
Een mens, die door angst wordt gejaagd, reageert panisch. En wanneer ik zie hoe de omwentelaars van deze tijd tekeer gaan, heb ik ook wel het gevoel dat de god Pan zich zo nu en dan onder hen mengt; althans ik meen onder de fluittonen de bokspoten te zien. Maar deze angst is dan gebaseerd op een erkenning van toestanden en feiten. En ofschoon spleen ongetwijfeld een rol speelt, zie ik toch de angst in deze dagen als een zeer belangrijke factor.
Men begint te begrijpen wat men eigenlijk moet vrezen. En wat is het meest te vrezen in een menselijke maatschappij? Een mens, die zich niet menselijk gedraagt. Ik meen, dat een minder menselijk gedrag ook wel bij omwentelaars voorkomt. Maar we zouden dit kunnen zien als een versterkt uiten van factoren in de maatschappij aanwezig.
Belangrijker is het, dat men bang begint te worden voor de pretenties van anderen. Als een dominee zijn vrome woorden niet met ingebouwde echo mag uitgalmen, maar als mens moet spreken met de mensen, dan blijkt hieruit niet dat het ambt in waarde daalt; wel echter, dat de geestelijke waarde er één van mensen is en niet slechts een kwestie van een bovenmenselijk gezag, dat men lijdzaam en kudde-achtig ondergaat.
De tijd, dat de gelovige oude vrijsters met koeienogen hingen aan de lippen van een predikende pastoor, is eveneens voorbij. Ofwel ze nemen meer praktische maatregelen, hetwelk heeft geleid tot een strijd om het celibaat nu eindelijk maar eens af te schaffen, dan wel zij kijken kritisch naar een geestelijke voorman. Dat is begrijpelijk. Want zodra ik de moed heb om kritiek uit te oefenen op een menselijk gezag dat geestelijke pretenties heeft, moet ik mij bezighouden met een geestelijke werkelijkheid. Mijn kritiek blijft nl. zinloos, indien ik niets daartegenover kan stellen.
Als een Dolle Mina uitbreekt in een hernieuwde vorm van feminisme, zo kunnen we dat haar niet euvel duiden, maar het blijft slechts een wat ridicule en zelfs wat ziekelijke vertoning, tenzij ze in staat is iets anders of iets beters in de plaats te stellen van de mannelijke superioriteit, die zij zo gaarne zou willen zien afbreken. En de mannelijke superioriteit is – dat geef ik gaarne toe ondanks het feit dat ik van het mannelijk geslacht was in mijn laatste bestaan – veelal op pretenties gebaseerd en niet op feiten.
Als een hippe-vogel de maatschappij aanvalt in haar vaak belachelijke gebruiken, zo doet hij dit zeker niet ten onrechte; want de maatschappij is belachelijk. Als een geestelijke vernieuwer een filosofie probeert te vinden, waarin God niet meer een soort Jupiter tonans is, klaarstaand om de mensheid te straffen als zij kwaad doet en haar te kwellen om haar tenslotte de hemel te laten verdienen als zij goed doet, maar God wil zien als een beleefbaar, een werkelijk iets, dan is ondanks de mogelijke dwaasheid van de filosofie zelf iets bereikt.
De zin van het menselijk leven kan immers niet liggen in de totale pretentie, het voortdurend opbouwen van illusies omtrent later en morgen, het steeds uitkraaien van leuzen die zinloos zijn geworden. Een menselijke bewustwording, een geestelijke bewustwording kan slechts worden gebaseerd op de feiten, die men zelf constateert, op de waarden die men zelf beleeft en op de krachten die men zelf mede tot uiting brengt.
Ik meen, dat in dit proces de omwentelaars een belangrijke rol spelen, omdat zij – hoe dan ook – de mens ertoe dwingen zelf te denken en zelf in te grijpen. Het interesseert mij weinig, of er nu een groep extremisten van uiterst links of van uiterst rechts aan het woord is. Tenslotte zijn zij slechts de richtingaanwijzers van een maatschappelijk voertuig, dat slechts zelden de gegeven aanwijzingen omzet in een werkelijke koers. Zij zijn echter belangrijk, omdat zij in hun extremisme de mens duidelijk maken dat hij een stellingname niet kan ontberen.
Stelling nemen tegenover jezelf is hierbij heel belangrijk, want de doorsnee-mens probeert zichzelf het leven te verzoeten met illusies. Hij ziet de feiten over het hoofd en weigert eenvoudig een verandering te gedogen in datgene, wat door gewoonte, gebruiken, sleur en luiheid is geheiligd. Welaan, juist dit wijzigen is van grootste belang.
Indien ik als mens in deze tijd onder u zou leven, zo zou ik waarschijnlijk behoren tot de provoschrijvers. Toch voel ik mij meer verwant met een m.i. wat oudere en elegantere vorm van kritische maatschappijbeschouwing. Maar ik weet wel één ding: Dat degene, die de maatschappij aanvalt in volle eerlijkheid, gelijktijdig ook zichzelf aanvalt. Zodra hij dit beseft, dwingt hij zich naar waarheid te leven.
Waarheid is over het algemeen geen bijzonder geëerde waarde op aarde, behalve misschien bij die groepen, die “waarheid” zetten als kop boven hun leugens. Maar de waarheid omtrent jezelf is het principe van bewustwording. Een mens, die – hoe dan ook – heeft geprobeerd naar waarheid en in waarheid te leven – hoe verkeerd misschien volgens menselijke en geestelijke maatstaven zal als een geestelijk bewuster wezen in onze werelden binnentreden.
Velen van de omwentelaars van deze dagen maken de meest stupide fouten, maar zij zoeken tenminste naar zichzelf. Zij zoeken naar een waarheid in de maatschappij, in zichzelf, in hun geloof, in hun filosofie en daarmee zoeken zij naar de werkelijkheid omtrent zichzelf, iets wat de wereld meestal achterwege laat.
Er zijn in deze dagen vele verwilderde gewassen gegroeid om wat juveniele gelaten, die met luide, zij het door het haar soms wat verdoezelde kreten door het leven stormen. Zij proclameren hun harige kunst. Zij proclameren de rechten van het polemisch toneel. Zij proclameren, kortom, het recht om te…. zwammen. Gezien de harige woekering zou men geneigd zijn hier een geestelijke woekering als parallel te stellen. Toch is dit niet geheel juist, want in hun ijver om anderen te bekeren zoeken zij toch ergens zichzelf. Je kunt nl. niet iemand worden, indien je niet beseft op welke punten je niemand bent. En velen menen slechts iemand te zijn, doordat zij zo continu niemand zijn geweest, dat zij aannemen dat dit hun enig werkelijke persoonlijkheid en daardoor de enig juiste maatstaf op aarde is.
Wij hebben behoefte aan mensen, die leven en denken – ik heb dat reeds gezegd. Hoe zijn leven en hoe zij denken is minder belangrijk dan dàt zij leven en dat zij denken. Indien ik een kleine kritiek mag wagen op sommige aspecten van uw maatschappij: Als ik uw stille meerderheid zie opgeborgen in vaak wat doodkistachtig uitgevoerde flatgebouwen, dan denk ik wel eens: Hier staat wederom een begraafplaats voor de levenden. De levenden die dood zijn, omdat zij bang zijn voor het leven. Maar eens komt de dood en in de dood moet je leven. Daar zijn geen flatgebouwen om je erin terug te trekken onder het weldoend oog van Sociale Zaken. Daar zijn geen kerken, waarin het enig ware Woord wordt verkondigd met garantie op hemelrijk en eeuwige bewustwording voor een ieder, die ruimschoots bijdraagt aan de collecte. In onze wereld is de keuze: Leven met de wekelijkheid, die jezelf bent, wetend, dat een ieder elk feilen, elke dwaasheid en ook elke deugd in je wezen kan zien, of wegvluchten in het duister. Misschien dat vele omwentelaars zich tenslotte toch zullen omwentelen naar het duister. Want ook zij zijn nog bang voor de werkelijkheid omtrent hun wezen. Maar met hun zoeken naar waarheid zullen zij toch steeds meer mensen daartoe moeten brengen zichzelf te zien zoals zij zijn.
Eerlijk gezegd, begrijp ik niet goed waarom zo velen bezwaar hebben tegen het in de ogen zien van de eigen werkelijkheid. De mens gaat naar lachspiegelpaleizen toe, aanschouwt zijn vertekende gedaante en schatert, omdat het beeld zo koddig is. Zou men niet eens in een geestelijke spiegel zonder lacheffect kunnen kijken en dan ook schateren om eigen dwaasheid?
De omwentelaars van heden hebben één gebrek: Zij kennen niet voldoende zelfspot. Slechts hij, die in staat is ook om zichzelf te lachen, komt dicht bij de werkelijkheid van zijn wereld. Want wie zichzelf beschouwt als een paragon van edelmoedigheid, bewustzijn, verdraagzaamheid, waarheid, sociaal recht, is over het algemeen slechts een uil, die knipoogt tegen de zon van onbegrepen waarheid. Maar degene, die zijn werkelijkheid durft aanvaarden, die lachen durft over eigen belachelijkheid, die de draak durft steken niet slechts met de wereld maar ook met zichzelf, zal in zijn zoeken naar omwenteling m.i. bijdragen tot een verdere bewustwording.
Er zijn zeer vele omwentelingen te wachten. Vele daarvan in bloedige ernst en er zullen heel wat slachtoffers vallen. Maar zij die vallen, terwijl zij nog kunnen glimlachen over de dwaasheid van een vredesdemonstratie die tot doodslag leidt, zullen ongetwijfeld werkelijke vrede vinden.
Er zullen vele wonderlijke dingen gebeuren in de nabije toekomst, onder meer in Azië. En degenen, die menen dat dit nu de werkelijke vernieuwing is, komen bekocht uit. Nu is dat op zichzelf niet zo erg, want dergelijke mensen plegen hun illusies op een koopje te zoeken. Maar achter die onlusten en achter dat oproer, achter die staking zit een werkelijke honger naar verandering. Een verandering, die ook jezelf in je leven moet betreffen.
Achter al die dwaasheid van wapens voor de vrede en de verdwazing voor een betere moraal, censuur, voor grotere vrijheid, ligt ergens de behoefte om anders te zijn. Het is dit anders-zijn, dat ik in mijn korte bijdrage wil roemen. Want degene, die leert om anders te zijn dan hij was en zo probeert meer getrouw en waar te zijn aan hetgeen in hem leeft, benadert de goddelijke kracht die in hem leeft. Hij benadert de waarheid van zijn eigen bestaan en hij vindt in al zijn feilen, zijn falen en in zijn enkele gunstige eigenschappen, zijn enkel moment van glorie een zin voor verder streven en verder bestaan.
De mens op zichzelf is slechts een mens. De geest, die de geestelijke waarde in de mens beseft, wordt meer dan een eenvoudige geest. Hij wordt deel van een communiteit van bestaan, die ruimte en tijd kan overbruggen, die kan doordringen achter de schermen en daardoor de waarheid openbaren aan de mens, aan de geest zelf zowel als aan allen, die deze invloed aanvaarden.
Deze invloeden zullen een zeer grote rol spelen of trachten te spelen in de komende onrust. Laten we dan – verheugd over deze mogelijkheden – alle nevenverschijnselen op de koop toe nemen; zelfs Bolle Willems, Dolle Mina’s, omwentelaars, omwentelteefjes en al wat er nog meer bij komt. Want deze nevenverschijnselen kondigen aan, dat de mensheid begint te ontwaken. Dit ontwaken zal wel eens een overwinnen van vele puberteitsverschijnselen van het menselijk ras kunnen betekenen.
Tijdloosheid
Jachtend gaan momenten en oneindig voel ik mij voortgedreven, zonder te beseffen waarheen. In schijnbare doelloosheid ga ik de spiraalgang van het leven. Dan opeens staat de tijd stil. Neen, ze staat niet stil. Ze is niet meer. Er is geen tijd. En wanneer ik tracht te schouwen naar de wereld, zie ik mijn eigen wezen dat zich uitstrekt, oneindig en onbegrensd en niet te constateren.
Ik zie, hoe ik allerhande vormen samenvoeg in mijzelf. Ik zie ergens oneindigheid uitgedrukt in mijn wezen en besef toch, dat die oneindigheid in mijn besef niet noodzakelijk objectief behoeft te bestaan.
De tijdloosheid confronteert mij met wat ik zelve ben. Al wat ik eens heb gezien als ontwikkeling, als afzonderlijke fasen, blijkt nu eeuwig te bestaan. Al wat ik heb gedroomd en verwacht neemt vormen aan. Al wat ik ooit heb gedacht, krijgt een zekere mate van realiteit. Ik vul een heelal met al mijn dromen, mijn gedachten en mijn daden en alle sferen, alle werelden zijn er deel van.
De God, waaraan ik heb geloofd in het verleden en de God van heden staan naast elkaar, niet meer tronend als wezens ver boven mij, maar als concentratiepunten, waarin mijn begrip voor een ogenblik geprobeerd heeft het oneindige te bereiken. En rond dit alles – in de stilte – een vreemde schemering, die uit mijzelf schijnt geboren te worden.
Ik weet dat ik ben. Ik weet wat ik ben en hoe ik ben. Ik kan niet meer denken. Want als ik probeer te denken, dan moet ik aan een rijen. En aan een rijen is niet meer mogelijk. Het is alsof één lichtflits zichzelf voortdurend herhaalt en voortdurend gelijktijdig alles zegt en alles openbaart. Ik ben niet in staat er kleine gedeelten van op te nemen. Ik moet de totaliteit aanvaarden.
Tijdloosheid is een contact met een werkelijkheid, die niet meer geëxploreerd kan worden; een werkelijkheid, die je niet meer kunt uitdrukken. Het is iets wat je bent en beleeft en uitdrukt tegelijkertijd. Soms is er een ogenblik, waarin je tijdloos bent. Maar als een mens tijdloos is, dan blijft er alleen een hiaat van herinnering over. Een gevoel misschien van zijn werkelijk ego blijft ergens op de achtergrond wel zweven. Maar hoe kun je iets, wat niet in woorden is te vatten en niet in vormen is uit te drukken ooit terugbrengen naar de aan tijdgebonden hersenen van een menselijk wezen, dat voort zwoegt door de momenten?
Als je geest bent en in je onstoffelijke vorm één ogenblik je tijdloosheid ervaart, verbonden bent met de totaliteit, jezelf ziet als een heelal verbonden met heelallen, als je niet meer kent de begrensdheid van een sfeer of van een wereld of van bepaalde contacten, dan kun je ook niets uitdrukken, want het is een toestand van stasis. Er is geen beweging en geen verandering. Er is geen ontwikkeling, er is niets. Er is alleen een Zijn. Een intense beleving.
Maar een beleving, die voor jou gelijk blijft en voortdurend als een stroboscopisch licht schijnt te doven of op te vlammen. Een onbekend ritme. Maar als je terugkeert, blijft je alleen het begrip van onmetelijkheid bij. Je ziet ineens hoe al, wat je nu bent en denkt, begrensd is en beperkt. Je graaft terug in de herinneringen en somt de tijd op tot in het diepste verleden om te weten wat je bent geweest. Je droomt vooruit naar wat je ooit nog zou kunnen en willen zijn. Maar het blijven dromen.
Dromen, die ergens vaag misschien bepaald zijn door die ene flits van tijdloosheid, die je mocht ervaren. Maar er blijft niets over, want tijdloosheid past niet in de tijd. Omdat tijdloosheid de werkelijkheid omvat, die in tijd slechts in segmenten en fragmenten kan worden uitgedrukt.
Wanneer u ooit de tijdloosheid beleeft, bedenk dan: Dit is God. Daar waar geen tijd meer is, waar alle dingen gelijktijdig zijn, zodat er geen woorden overblijven en ook geen daden, geen gedachten en geen verwachtingen, maar alleen een vreemde vervulling. Weet dan: Dit is God.
Want God is de tijdloze relatie, die bestaat tussen al wat wij ooit zijn geweest en zullen zijn en al wat ooit is geweest en ooit zal zijn.
Tijdloosheid is het wegvallen van de grenzen. Het versmelten van schijnbaar gescheiden waarden. Het is een werkelijkheid, die niet te omschrijven is.
Eens zullen wij allen die tijdloosheid kennen, maar het is moeilijk afscheid te nemen van de uitdrukbare beperktheid van je wezen voor de niet uitdrukbare werkelijkheid, die je bent.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
