Parallel tussen heden en verleden – Les 05 – Wijsheid

image_pdf

februari 1970

Wijsheid

Wijsheid is een eigenaardig iets. Als we kijken wat de wijze in het verleden en wat hij tegenwoordig is, dan zien we daar een heel groot verschil in. De wijze uit de oudheid was iemand, die zich eigenlijk maar zelden met de mens zelf bezighield. Hij hield zich bezig met de samenhangen van het totale heelal. Hij kwam tot eigenaardige speculaties over de mogelijkheden van het bestaan. Er zijn uit China wijsheden bekend van ongeveer 2400 jaar v. Chr., waarin al wordt gespeculeerd over atomen. Ze worden wel anders genoemd, maar je kunt merken, het gaat hier over kleinste delen, over een kleine wereld, die weer in de grote wereld zit ingekapseld. En naarmate de techniek toeneemt en de mensen meer gaan begrijpen van het bestaan, zien we langzaam maar zeker de aandacht overslaan van de natuurwetenschappen naar de menselijke wetenschappen.

In het begin vinden we denkers, die de mens vertellen wat hij moet doen.

“Wees dapper, want door uw dapperheid alleen kunt gij waardig zijn het lot, waarvoor gij zijt  uitverkoren, en overwinnen de grens (daar bedoelt hij de dood mee), die u is gesteld.”

Ergens anders horen wij:

“Wees rechtvaardig en pas u aan, want gij hebt een plaats gekregen en deze plaats is de uwe.  Vervul uw taak op uwe plaats en zo zult gij waardig zijn het geheel en voortleven in het geheel.”

Dit zijn allemaal heel aardige spreukjes. Ga nu eens kijken naar de periode van 800 tot 1000 na Chr. Dan blijkt, dat het denken (en heus niet alleen in Europa, omdat u misschien denkt: Het christendom heeft dat gedaan; het christendom is tegenwoordig overal schuld aan) bij de mensen opeens op een heel andere manier op de voorgrond komt te staan. En dan grijp ik weer naar een paar wijsheden, maar nu niet uit de christelijke gemeenschap; daarover moet ik zo dadelijk nog wat anders vertellen.

“Indien gij erkent dat een ander oprecht is, zo zult gij in oprechtheid hem bejegenen.”

Van een mohammedaans hoofdprediker zou je kunnen zeggen. Een ander typisch voorbeeld, dat uit India komt:

“Daar, waar mensen elkander begrijpen, ontstaat een melodie, die de kracht van de  hemelwereld weergeeft.”

De vertaling is vrij en ik geloof wel juist. Hier blijkt, dat de mens in het brandpunt staat. En zelfs bij het christendom waar toch de toestand iets anders ligt, omdat er een machtsstrijd aan de gang is (het christendom is tenslotte op de een of andere manier een soort erfgenaam geworden van het Romeins Imperium,), klinken toch wijsheden door als:

”Indien ik een waarheid vind en ik vind deze in mijn medemens, zo is deze waarheid groter  dan alle waarheid, want God openbaart Zich in de waarheid en in alle dingen.

Ambrosius. Of als u het zoeken wilt in een wat ruwere opvatting van een Ierse monnik Einrad, die werkt in Engeland en later ook o.a. in Zuid-Nederland. Deze zegt op een gegeven ogenblik:

“Wanneer wij zoeken naar God, dan kunnen wij dit niet doen zonder onze medemens te  ontmoeten.

Het zou bijna een hippe uitspraak kunnen zijn. Deze mensen zoeken werkelijk wel de medemens te begrijpen, de achtergrond te zien. Als je verdergaat in de richting van ongeveer 1600, dan vind je heel veel mensen, die zich buitengewoon wijs noemen (zoals overal), maar die eigenlijk helemaal geen kaas hebben gegeten van het menselijk leven. Je krijgt dan de bekende debatten, zoals b.v. iemand in Delft, die zich heel wijs vindt en een heel debat begint over de vraag: Hoeveel engelen kunnen er dansen op de punt van een naald? De een zegt: Voor zover ze er een plaats kunnen vinden (en heeft volgens mij groot gelijk). De ander zegt: Neen, het aantal is oneindig, omdat Gods genade en grootheid oneindig is.

Dergelijke dingen moet u dus niet als wijsheid zien. Maar u moet wel begrijpen, dat de mensen in die tijd zoeken naar menselijke verhoudingen (dat zijn eigenlijk de vroege humanisten); dat zij zich helemaal niet bezighouden met God in de eerste plaats. Ze houden zich bezig met de mens, het begrip voor de mens, de relaties tussen mensen onderling en zelfs in die tijd al enigszins met de relaties tussen de mens en de wereld.

Gaan we wat verder in de tijd, dan komen we zo in 1800, 1900 terecht. Vele filosofen blijken zich plotseling los te maken van de werkelijkheid. Het aantal theorieën en utopieën, dat wordt opgebouwd in die periode is ontstellend groot. Maar er zijn ook enkele wijsgeren, zoals bv. Anatole France. Eigenlijk een schrijver, die een zekere wijsheid niet kan worden ontzegd, als hij in een roman, die bij u geloof ik ”Isle of the Pinguïns” heet zegt dat het schuldbesef komt met de kleding. Hij heeft het hierin over pinguïns die worden bekeerd. Ze worden aangekleed, waardoor dan plotseling allerhande seksuele en bezitsspanningen optreden, die er anders niet zijn. En ofschoon men dit vaak in de eerste plaats heeft gezien als een aanval op de kerk, is het gelijktijdig een zeer knappe analyse van de relaties tussen de mens en de wereld. Wat die mens eigenlijk beweegt.

Een tijdje later krijgen we te maken met de sociaal-filosoof. Nu klinkt hel woord buitengewoon gewichtig. Men heeft er ook gewichtige dingen mee gezegd en gedaan, maar hun wijsheid is nu niet bepaald groot. Dit met een excuses aan allen, die zich in deze tijd in de sociaal-psychologie en de sociaal-filosofie bewegen. Hier wordt nl. een totaal beeld ontworpen, waarin voor de mens eigenlijk alleen maar plaats is als onderdeel van het geheel. De poging om de mens te herleiden tot een zekere mentaliteit, resulteert volgens mij in de grootste dwaasheid.

Dan krijgen we ineens (o.a. bij Kierkegaard, een man die zich grotendeels ook met christelijke achtergronden bezighoudt) zo’n wonderlijk gezegde als:

“Een mens kan slechts worden beoordeeld, indien hij alleen staat. En slechts uit zijn  eenzaamheid kan hij de werkelijkheid vinden, die voor hem noodzakelijk is.

Dan zeg je: Ze zijn er nog steeds de mensen, die gaan begrijpen wat de wereld beweegt. En zo komen we dan als vanzelf bij uw tijd terecht, waarin de mensen hun filosofie steeds meer aan de techniek gaan ophangen. Wijze mensen berekenen met statistieken wat er in het jaar 2000 zal gebeuren; waarop het natuurlijk prompt niet gebeurt, dan gebeurt er wel wat anders.

Nog wijzere mensen ontwerpen de machines, die de mensen zullen bevrijden van hun zorgen. En ze begrijpen niet, dat het de mensheid een zorg is wat de machine zal doen, omdat de mens zorgen nodig heeft en die zelf wel maakt, als ze hem op een ander terrein worden ontnomen.

De modernste denkers zijn eigenlijk anarchistische denkers. Nu heeft dat een onaangename bijsmaak voor de doorsnee-mens. Hij gaat zeggen: Ik ben alleen in die wereld en wij kunnen samenwerken, maar alleen op basis van volledige vrijheid. Dat klinkt maatschappelijk onaanvaardbaar.

Maar wat te denken van bv. Burgess, een Amerikaan, die zijn theorie kortgeleden als volgt stelde:

“Wij moeten elkaar leren begrijpen, want anders kunnen we niet werkelijk samenwerken. En een schijn van samenwerking binnen een groter kader wordt altijd een frustratie.

Die man heeft wat begrepen. Hij heeft begrepen dat een samenwerking tussen mensen niet een kwestie is van “als er maar een goed plan is en iedereen pakt aan, dan komt het voor elkaar”. Maar hij heeft begrepen, dat er heel veel voor nodig is om elkaar aan te voelen. Dat als mensen van elkaar begrijpen wat ze wel en niet kunnen, wel en niet willen, zij pas de beste prestaties kunnen leveren – geestelijk zowel als stoffelijk.

De denkers van de toekomst zullen ongetwijfeld verder zoeken in dit spoor. Ze zullen tegenover de technocraten (de mensen, die ook de mens zelf willen maken tot een radertje, dat wordt ingevoegd in een enorme maatschappelijke machine, die enkel door wijzen moet worden bestuurd) stellen en steeds grotere anarchie van denken en van leven.

Het is misschien niet prettig voor de mens van vandaag om te horen dat zijn wereld niet deugt. Maar indien we de wereld reëel willen ontleden, dan ontdekken we heus wel dat er allerlei fouten in zitten en dat die wereld anders moet worden. Dat het bestel, zoals het nu overal ter wereld – in de meest onderontwikkelde en in de meest ontwikkelde grote staten – aanwezig is, eigenlijk een wanbeheer betekent, dat elke feitelijke vooruitgang en elke persoonlijke ontplooiing steeds meer frustreert. Als ik dus parallellen moet trekken tussen het verleden en de Toekomst, dan zeg ik in de eerste plaats: De z.g. grote wetenschappelijke denkers van deze tijd zijn niet wijs genoeg om in hun beschouwingswijze van de mens in de wereld verder te komen dan de zeer primitieve wijsgeren van eens, later de filosofen die zich met de natuurwetenschap bezighielden. We kunnen zeggen, dat bv. Aristoteles een heel groot man is.

Maar we kunnen toch niet beweren, dat hij een menselijk systeem, een menselijk denken heeft voortgebracht. Hij heeft de mens gezien als een nevenverschijnsel van natuurkundige verschijnselen en wetten; een product van werelden en sferen en allerhande kosmische waarden. Maar de mens kan alleen maar leven, indien hij in de eerste plaats leert zichzelf te zijn.

Dat betekent niet, dat hij zich aan anderen moet opleggen. Het betekent wel, dat hij moet zoeken naar de voor hem juiste methode van leven, de voor hem juiste verhoudingen, de juiste inhoud van bestaan. In de toekomst zullen wijsgeren ongetwijfeld dan ook juist uitgaan van het omwentelingsprincipe, dat inherent is aan de leringen van een Boeddha, van een Jezus van Nazareth, van een Mohammed. Maar een ommekeer op religieus terrein kunnen we niet meer verwachten. De vroegere wijsgeer, die begrip had voor de mensen en zo reële wijsheid kon bezitten en verkondigen, baseerde zich op de godsdienst, omdat de mens georiënteerd was op het onbekende. In dit onbekende wilde hij leven, wilde hij werken. Daaruit wilde hij voor zichzelf voordelen halen en elke verklaring met betrekking tot dit onbekende gaf zekerheden, waarmee je in de wereld kon werken.

Mohammed roept op tot een heilige Oorlog. Dat daarbij in de eerste Heilige Oorlog misschien 15% van de werkelijke strijders direct gelooft in Mohammeds roeping is secundair. Belangrijk is, dat zij in de Jihad (de H. Oorlog) zich eigenlijk verbonden voelen met een hoger principe, hoe dan ook.

Datzelfde zien we bij de christenen. Bij de christenen met al hun zachtheid (in het begin waren de christenen zacht, daarna werden ze halfzacht en daarom zijn ze nu zo keihard) was er toch gelijktijdig een absolute toewijding aan het nieuwe, het andere, op grond van het onbekende: van God en van Jezus als representant van God. Daardoor konden zij een gevestigde orde inderdaad aantasten en omverwerpen. De meeste mensen zien dat een beetje over het hoofd.

Als we in het verleden kijken naar wijzen, dan blijkt dat zij niet alleen met hun kennis, maar vaak ook met de tekenen of de wonderen die ze doen mensen verbluffen. Met wonderen, zelfs met wonderverhalen bereiken zij de menigte. Ik geloof, dat de wijzen van vandaag ook iets zullen moeten laten zien; dat ze niet kunnen volstaan met alleen maar het opsommen van allerlei mooie woorden. Bovendien wordt het woord in deze tijd, waarin u leeft, steeds meer van zijn betekenis ontdaan. Het woord is een lege klank geworden, dat slechts zelden een communicatie inhoudt. In de toekomst geloof ik dan ook, dat de wijze in de eerste plaats metterdaad en op voor velen misschien ook onaanvaardbare en onbegrijpelijke wijze iets tot stand zal brengen.

U denkt waarschijnlijk: Is dit nu wel een les? Het is niet mijn bedoeling om u een lesje te geven. Maar ik wil u wel wijzen op het feit, dat u in deze periode waarin u leeft allen op de een of andere manier verbonden bent met die systemen: de oude of de nieuwe. U kunt nl. niet zeggen: Ik sta als mens los van de gehele ontwikkeling; ik sta ernaast. U ben er deel van. En als u het idee heeft, dat u het zo goed weet en dat anderen eigenlijk maar zo verstandig zouden moeten zijn en aannemen wat u hun zegt, dan zit u in het leraarsgezag dat zelfs tot in prehistorische tijden werd uitgeoefend. Dan, bent u niet wijs, omdat u niet begrijpt hoezeer de relatie tussen mensen noodzakelijk is. Misschien dat uw wijsheid kan bestaan in begrip van de geest, in uw contact met de geest. Dat is mogelijk. Maar ten aanzien van de mensen bent u niet wijs.

Misschien bent u een van degenen, die zegt: Nu ja, laat de wereld maar draaien, het gaat toch zoals het moet. Daar heeft u wellicht gelijk is, indien u naar de gebeurtenissen kijkt. Maar ten aanzien van mensen is dat niet waar, want mensen veranderen elkaar en kunnen elkaar veranderen. Dientengevolge bent u alleen wijs, indien u begrijpt dat een mens, die het totaal van het gebeuren accepteert, daarin toch alleen zichzelf kan zijn, wanneer hij zich gelijktijdig manifesteert aan de medemens. Zodra hij die manifestatie terzijde schuift, ongewenst of onbelangrijk acht, is hij eerder dom dan wijs.

Datzelfde is ook het geval met wetten. Iemand, die zich aan wetten vastklampt, is iemand die onvoldoende vertrouwen heeft in zichzelf of onvoldoende weet van zichzelf om het leven aan te durven zonder reglementen, die door anderen worden gehandhaafd. Dat is een teken van zwakheid, niet van wijsheid. Daarom zou ik u ook de raad willen geven om nu eens niet in de eerste plaats na te denken over de oplossing van alle wereldschokkende problemen. Als u een oplossing vindt, dan komt u er heus niet verder mee. Ik heb zelfs gehoord, dat bij de Haagse feestviering de initiatieven van een groot deel der bevolking eveneens terzijde werden gelegd.

U kunt in een groter geheel niet iets bereiken met een initiatief zonder meer. U kunt slechts iets bereiken vanuit uzelf. Dat kunt u door anderen te begrijpen. En om nu duidelijk te maken dat deze leer in het verleden wel heeft bestaan, maar door de mensen en de vele denkers verkeerd werd begrepen, ga ik een paar gezegden citeren uit de periode van ongeveer 1200 v. Chr.:

“Wanneer mensen elkaar ontmoeten, gaan vreemdelingen elkaar voorbij. Wanneer zielen  elkaar ontmoeten, manifesteert zich de wereld der goden.

Wonderlijk. Dit zo te kunnen zeggen in een tijd, waarin iedereen nog voortdurend bezig was met geesten, voortekenen en goden. Te begrijpen, dat de ontmoeting van zielen, het contact van de innerlijke mens (het begrip) essentieel is en dat daarbij de eeuwigheid a.h.w. kenbaar kan worden.

Een paar regels uit een inwijdingsschool, die een tijdlang is gevestigd ongeveer in de buurt van het tegenwoordige Azerbeidzjan, waar men o.m. de leerlingen voorhield – dat was in de z.g. 5e graad:

“Zie niet naar de kleding van een mens, doch zie naar zijn handen en naar zijn ogen. Want in  zijn ogen weerspiegelt zich wat hij wil. Uit zijn handen wordt kenbaar wat hij is. Wie weet wat  een medemens is en wil, zal hem kunnen helpen te bereiken. Maar hij zal ook kunnen  voorkomen, dat hij bereikt. Dit te doen met de middelen, die in de mens liggen, is waar  meesterschap.

Ik zou zeggen: Dit is nu mooi! Een inwijdingsschool. Dan verwacht je alleen maar de hoog-geestelijke leringen en daar wordt zo maar – daar in die 5e graad – iets over de mens gezegd.

Een andere lering uit diezelfde inwijdingsschool, die ook de moeite waard is:

“Zodra wij wetten stellen tussen ons en de mens, zijn wij zelf minder dan mens. Wij moeten  echter meer dan mens zijn om – begrijpende de hogere waarden – onder de mensen te kunnen  leven.

Het betekent dus, dat de ingewijde geen enkele regel, geen enkele wet en ook geen enkele opvatting tussen zich en anderen mag stellen. Wederom een buitengewoon groot begrip voor wat eigenlijk de mensheid, ja, de hele kosmos betekent: Harmonie. Een citaat, wederom uit dezelfde school maar nu uit de beschouwingen, want dat waren eigenlijk geen leringen meer, die werden gegeven aan hen, die aan de inwijding van de 7e graad begonnen.

“Schouw diep in uzelf, tot u slechts één beeld overblijft. Schouw dan naar buiten en gij zult  dit beeld herkennen. Want wat in u is, leeft in de gehele wereld. En zo gij uzelf beheerst,  beheerst gij wat in u leeft. En zo zult gij op de wereld al beheersen wat daarmee verwant is.  Niet doordat gij meester zijt, maar door de gelijkheid die u bindt.

Is er eigenlijk wel een mooiere uitdrukking gevonden voor harmonie? Juist in een meesterschap, waarin je verwacht – en dat verwachtte men in die tijd veel meer misschien dan tegenwoordig – dat je wonderen kunt doen en waar dan wordt gezegd: Denk erom, jij doet het wonder niet. Het wonder doe je gezamenlijk, omdat je herkent wat je zelf bent en jij jezelf beheerst. Fantastisch mooi!

Dit zijn een paar van de oude lessen. Ik zou er veel meer kunnen spuien. Maar we moeten vergelijken. Wat zien we tegenwoordig bij vele groepen jongeren? Ze zoeken naar contact met de wereld. Ze doen dat door luidkeels te schreeuwen wat ze zelf vinden en niet te luisteren naar anderen. Ze zouden pas iets kunnen bereiken, indien ze naast hun behoefte om zich uit te drukken het vermogen zouden hebben te luisteren naar anderen en zichzelf daarin te herkennen. Je kunt nooit uit jezelf iets bereiken met geweld.

In de hippie-filosofie kennen we ook een heel eigenaardig iets, dat toch wel wijsheid inhoudt:

“Je moet het leven liefhebben en daarom moet je het leven genieten. Je moet trachten  anderen in dit genot te laten delen, omdat je gezamenlijk pas werkelijk iets kunt zijn.

Hé, gezamenlijk kunt zijn! Het wordt natuurlijk veel te plat uitgelegd en het wordt door vele van die kinderen eerder in verband gebracht met geverfde buiken dan met wat anders. Maar de wijsheid is er in essentie.

En wat moeten we denken van Dom Jaime de Cordobero, een priestertje, die aan de Brazilianen het christendom eigenlijk niet meer durft prediken. Hij draagt nog wel de Mis op, want dat hoort er eenmaal bij. Maar als hij preekt, dan preekt hij zelden uit het Evangelie. Hij preekt, zoals hij zegt, “uit de harten der mensen”. Hij zegt dan heel rustig tegen een stelletje uitgeworpenen van de maatschappij, want dat zijn die mensen grotendeels:

“Kijk rond je. Begrijp de wereld ook wanneer je maag honger heeft. Want als je de wereld  begrijpt, ben je sterker dan anderen, die haar niet begrijpen. Dan zal een kleine akker voor jou  meer voortbrengen dan voor wie dan ook. Dan zal een rijdier je gehoorzamen. Dan zullen de  insecten je met rust laten. En dan wordt de slang van een vijand tot een beschermer.

Daar zit weer iets in wat in de toekomst wel weer waar zal zien worden. Een wijsheid, die niet meer grijpt naar geloof zonder meer, maar die zegt: Wat ik ben, bepaalt wat het andere voor mij is.

Die zegt: Indien ik mij losmaak van de verhoudingen, zoals ik ze nu ken, kan ik komen tot een totaal nieuwe relatie met die wereld en ben ik eigenlijk onafhankelijk geworden van degenen, die mij zouden willen vertellen wat ik moet zijn. Ze kunnen het niet meer. Ik word verdedigd door datgene, waarmee ik een eenheid bereik.

Zo heb je bv. Vincentius Ngombo, een aankomend schrijvertje, dat zich op het ogenblik niet al te gelukkig beweegt in Angola, maar dat op heel veel mensen invloed heeft gekregen. En wel, doordat hij zegt:

“Wij moeten niet de blanken haten omdat zij blank zijn, maar onszelf haten omdat wij niet  zwart durven zijn.

Wijsheid. Absolute wijsheid. Wanneer de kleurling niet meer zichzelf veracht, omdat hij kleurling is (en daarin heeft hij volledig gelijk), dan kan hij gelijkwaardig zijn aan iedereen. Dan wordt hij niet meer geremd, niet meer teruggehouden van allerhande dingen. Dan zal hij ook niet meer proberen om een soort doordruk te worden, een slechte kopie van een blanke. Dan zal hij proberen zichzelf te zijn door zich te baseren op zijn eigen kwaliteiten, mogelijkheden en eigenschappen. En dan kan hij zoveel waard zijn. Over de gehele wereld vinden wij tegenwoordig filosofieën, meestal afgekraakt door de gezaghebbers, die eigenlijk wijsheid bevatten. En bijna allemaal leren zij de mens zichzelf te respecteren. Zouden wij dan misschien uit die wijsheid van het verleden met haar ontstellende eerbied voor en nieuwsgierigheid naar de natuur en de wereld der goden, naar deze benadering van de mens uit naam van God, die een tweede fase heeft gevormd, komen tot het erkennen van het persoonlijk mens-zijn met de mensen? Het lijkt mij een redelijke stelling.

Nu kunnen we wel proberen de tijd vooruit te lopen en zeggen: Wat zijn de filosofieën, wat zijn de wijsheden van het jaar 2000? Dat kan ik u precies vertellen.

De filosofieën zullen zijn. Nooit meer oorlog!

De wijsheid zal zijn: Indien ik slechts strijd voor het noodzakelijke, zal ik veel bezitten, omdat door overbodige strijd het voor mij noodzakelijke niet wordt vernietigd.

Daarvan moeten de mensen leren. En als ik dat allemaal wil toepassen op uw dagen, dan zou ik in de eerste plaats zeggen: Het is eigenlijk niet belangrijk wat je kunt. Het is wel belangrijk, dat je je kunnen gebruikt zonder daarvoor een erkenning te vragen van anderen en dat je het gebruikt tot volledige tevredenheid van jezelf. Het is niet zo erg belangrijk, dat je beantwoordt aan welke norm dan ook – religieus, sociaal of anderszins. Wel is belangrijk, dat je jezelf zo volledig mogelijk kunt blijven aanvaarden, dat je aan de grondwaarden van je persoonlijkheid voortdurend beantwoordt.

Ik geloof, dat zelfstandigheid door heel veel mensen wordt verward met een zich richten tegen anderen. In deze tijd zie je tenminste steeds meer groepen die zeggen: We worden alleen erkend, indien we tegen iedereen tekeer gaan; anders zijn we niemand. Ik geloof niet, dat je iemand kunt zijn door je tegen iemand te keren, zomin door met iemand mee te lopen. Ik geloof, dat je pas dan werkelijk iets betekent, indien je voor jezelf weet waar je heen wilt.

De mens, die zich een doel stelt – onverschillig welke – en met alle middelen en gedachten voortdurend zoekt dit uit en door zichzelf waar te maken, bereikt de zelferkenning, waarin de geestelijke bewustwording ligt opgesloten en daarnaast – naar ik meen – de wereldbeheersing.

De meeste mensen denken: Wereldbeheersing is de heerschappij over de wereld van de mensen. Dat is niet waar. Wereldbeheersing is in uw tijd heel aardig door een doodgewone Indiaan in ware termen vastgelegd. Deze zegt nl.: “Ik beheers mijn wereld, zodra ik mijn wereld voldoende ken om van haar niet het onmogelijke te verlangen.” Daar ligt eigenlijk voor mij het zwaartepunt van hetgeen wij vandaag bespreken. De vraag: Wanneer vragen we teveel – of niet? Laat mij u een aardig voorbeeld geven.

U heeft een Minister Witteveen. Deze minister zal de belastingen moeten verhogen, omdat de belastingopbrengst bij zijn verwachtingen is achtergebleven. Maar als hij de belasting verhoogt op de wijze, waarop hij zich voorstelt dit te doen, vertraagt hij zozeer de omloop van het geld in de economische processen, dat er niet alleen weer een sterke ontspanning op de arbeidsmarkt is te verwachten, maar dat tevens de belastingopbrengst nog kleiner wordt.

En waar ligt dat nu aan? Dat ligt doodgewoon aan een verkeerd begrip voor wat de economie eist. De economie eist niet een totaal van zeer fraai klinkende, maar meestal erg onpraktische algemene voorzieningen, waarbij de eenling bovendien meestal aan het kortste eind trekt.

De doorsneemens vraagt de mogelijkheid om voor zichzelf bezit te vormen. In een maatschappij, waarin bezit is, moet men het bezit van anderen respecteren. Wanneer Minister Witteveen dat niet doet, verkrijgt hij dus niet alleen een teruglopen van besparingen (en dan is er nog veel minder geld in reserve om bedrijven e.d. uit te breiden), maar hij bereikt bovendien dat die mensen hun geld anders gaan uitgeven. Dat betekent dat de luxeartikelen waarop hij speculeert veel minder zullen worden gekocht; dus een daling van zijn belastingopbrengst.

Dat wil verder zeggen, dat heel veel mensen minder gaan verdienen Want de gewone producten, die tegen een redelijke prijs moeten worden geleverd, geven niet veel winst. Het resultaat is ook hier: Een daling in de inkomstensfeer. Als er een daling is in de beleggingsmogelijkheden en in de inkomstensfeer, dan krijg je – en dat is het mooie van het geval – een totale daling van de bestedingsmogelijkheid. Omdat de besteding nl. niet ligt aan de hoeveelheid geld die er is, maar aan de hoeveelheid geld die er circuleert. En zo zal Minister Witteveen dan volgend jaar waarschijnlijk de belasting nog veel meer verhogen, totdat er op den duur niemand meer is, die wil gaan werken, omdat het gekheid is voor een gulden werk te verrichten, als je maar een dubbeltje mee naar huis mag nemen.

Een wijsheid zou hier dus noodzakelijk zijn; een begrip in wat de mensen beweegt. Dan zou je zeggen: De mensen reageren wel op leuzen, maar ze kijken op hun eigen zak. Een minister die zou zeggen: “Mensen, jullie kunnen kiezen tussen deze en gene voorzieningen of zoveel geld in je eigen zak,” zou waarschijnlijk voor een heel andere situatie komen te staan. Ik geef dit maar als een voorbeeld van een veel voorkomende dwaasheid in deze tijd: het denkbeeld van als we nu maar ergens mee beginnen en het is heel erg mooi, dat iedereen dan maar daaraan zal blijven offeren.

Amerika heeft met betrekking tot Vietnam iets dergelijks beleefd; op een ander vlak, zeker. Dit kostte echter teveel mensenlevens. Vandaar uit is het verzet ontstaan. Maar alweer – men had gerekend met de edelheid van onze zaak, die een offer waard is; maar het was kennelijk geen onbeperkt offer waard. Mensen zoeken zichzelf waar te maken en ze willen dat doen in hun persoonlijke sfeer. Naarmate die persoonlijke sfeer van bovenaf meer wordt aangetast, krijgt men een sterke onttrekking aan de algemene levenssfeer en levensregels en eenvoudig een versterkte anarchie. Het vreemde is, dat de sterkste anarchie in denken wordt bevorderd door een volledige lichamelijke discipline.

Als u een leger ziet dat voor een ogenblik van zijn banden wordt bevrijd (de sterke discipline), dan ziet u dat deze mensen tot de meest krankzinnige daden komen, alleen maar om te laten zien dat ze wat betekenen. Een volledige anarchie, waarin ze soms wel bereid zijn ook hun officieren om te brengen, alleen maar om hun gang te kunnen gaan. Dat is niet alleen gebeurd in Biafra. Dat is ook in Europa gebeurd zowel bij Amerikanen als bij Russen en Duitsers.

Kijk, dit begrijpen, betekent ook beseffen dat de waarde van de wereld een andere begint te worden. Eens was de mens beperkt. Hij kende een klein stukje van zijn wereld. Voor hem was al het onbekende magisch; het was de kracht der goden. Met deze uiterlijke magie en met zijn sterke plaatsgebondenheid was hij veel gemakkelijker onderworpen aan anderen. Hij was ook veel sneller tevreden met zijn lot. Hij zag het lot als iets persoonlijks dat je onderging, maar dat geen relatie had met de wereld.

In deze tijd is het precies omgekeerd. Een lot is niet iets wat je van bovenaf wordt opgelegd of waaraan God schuld heeft. Dat is iets wat de mensen je aandoen. En als je kijkt naar wat je wordt gegeven, dan is dat iets wat je verdient met de mensen, dank zij de mensen of ondanks de mensen.

De hele wereld is een speeltuin. Vroeger waren er mensen, die in Aalsmeer woonden, bij wijze van spreken, maar nooit in Amsterdam kwamen. Tegenwoordig zijn er maar heel weinig mensen in Den Haag, die nog nooit verder zijn geweest dan ’s lands grenzen. Als u dat gaat begrijpen, dan ziet u: De hele wereld ligt anders. Het denken ligt anders. Men weet meer, men ziet meer. Vroeger duurde het 10 jaar, voordat je hoorde dat er ergens op een paar duizend kilometer afstand eindelijk een grote koning was opgestaan. Tegenwoordig behoeft er maar de een of andere halfwas ergens met een pistool op een toren te klimmen en op een   voorbijganger te schieten en morgen weet de hele wereld het. Dat is een verschil. Maar het betekent een verschil in wereldconcept in opvatting.

De wijsheid, die eens absoluut goed was, is niet meer te hanteren. Misschien is het tegenwoordig vaak verstandiger om het paard achter de wagen te spannen, want de zaak gaat zo de helling af, dat het beest op die manier beter kan remmen dan als het er voor loopt. Het “Oost-West, thuis best”, mag eens waar zijn geweest voor een zeeman. Tegenwoordig is ”uit goed voor u”. Al die oude volkse wijsheden bestaan nog wel, ze zijn er nog wel. Maar of ze zijn in betekenis veranderd of ze zijn uiterlijk geworden tot een ontkenning van een deel van de werkelijkheid.

Als u parallellen wilt trekken tussen deze tijd en de tijd van het grote Rome of mijnentwege de tijd van Ur, van de Chaldeeën, deze vreemde stam van deels Chinese afkomst met al haar magische geheimen, dan kunt u alleen maar zeggen: Er waren steden, er waren staten, er waren wijsheden, men had bepaalde wetenschappen, maar u kunt niet zeggen: de mensen zijn hetzelfde gebleven. In zichzelf, primair, is de mens gelijk gebleven. Maar in zijn wereldbeschouwing en daarmee in zijn relatie tot de wereld, tot de medemens, tot de krachten van de natuur en al dat andere is de mens anders geworden. De parallellen bestaan in de uiterlijkheden.

Eens bouwde men een grote tempel in Baälbek. Later bouwde men er eentje in Rome. Daarna hebben ze een Dom in Keulen neergezet. Heel begrijpelijk. Het is altijd zo geweest. In Atlantis bouwden ze eerst de z.g. Zetels van Samenkomst, plaatsen waar de vorsten elkaar konden ontmoeten. Tenslotte bouwden ze dan een soort internationaal Hof op een eilandje; extra mooi versierd, want iedereen had daartoe wat bijgedragen. In Den Haag staat tegenwoordig een Vredespaleis. Maar evenals die Plaats van Samenkomst zelden werd gebruikt, zo is het Vredespaleis, het Internationale Hof, eigenlijk precies hetzelfde: Het is niets meer waard! Eens kende men een periode van rust, waarin alle vijandige stammen (onder de Germanen gebeurde dat veel) een wapenstilstand afkondigden. Ze zonden hun barden naar een groot feest en op dat feest werden alle heldendaden beoordeeld en bezongen. Iets dergelijks bestaat tegenwoordig ook: De United Nations. Er zijn dus wel wat parallellen te vinden. Maar deze zijn zeker niet te hanteren, indien we uitgaan van de mens met gelijke mogelijkheden.

En daarom zal elk zoeken naar de toekomst in de eerste plaats rekening moeten houden met de mens, de evolutie van de mens, de verandering van de mens en zijn mentaliteit, zijn lichamelijke mogelijkheden, zijn geestelijke instelling.

Ik meen, dat de ontwikkelingen van het verleden ons hebben aangetoond dat een omslag, veroorzaakt door een cultuurontwikkeling, over het geheel genomen ongeveer een 100 tot 200 jaar op zich laat wachten, soms wel 300 jaar. Veel langer duurt dit niet. Daarna hebben de mensen zich mentaal aangepast en is hun wereldbeschouwing een andere geworden.

Als we aannemen, dat we nu in een periode zitten, waarin deze noodzakelijke omschakeling door de ontwikkelingen eigenlijk wordt afgedwongen, dan moeten we aannemen, dat er over 200 jaar geheel andere mensen zullen zijn met een totaal ander denken. Dan moeten we de wijsheid van morgen niet meer zien als een voortbouwen op de wijsheid van vandaag.

Ik zou eerder zeggen, dat de wijsheid van morgen een extract is met veel moeite en persoonlijke worsteling door eenlingen geëxtraheerd uit het onoverzichtelijke veld van filosofieën en denkbeelden van vandaag.

Wat vandaag wijsheid heet, is maar al te vaak dood verleden. De levende wijsheid van vandaag kan alleen voortkomen uit de toepassing van de stellingen van het verleden op de moderne mens en wel zodanig, dat die moderne mens zichzelf daarin kan herkennen en beleven.

Ik meen hiermede te hebben aangetoond, dat er een zeer belangrijke evolutie van wijsheid aan de gang is in de mensheid. Ik hoop duidelijk te hebben gemaakt, dat we de wijze lessen van het verleden niet zonder meer en klakkeloos kunnen toepassen in het heden. En bovenal hoop ik te hebben duidelijk gemaakt, dat uw eigen tijd haar eigen wijsheden, haar eigen nieuwe en noodzakelijke inzichten en begrippen, haar vernieuwing van menselijke relaties en concepties bezig is tot stand te brengen.

Indien u zich beroept op het oude, schiet u tekort. Indien u grijpt naar het nieuwe zonder het innerlijk eerst te beleven en te erkennen als juist, eveneens. Maar in u groeit de wijsheid, zoals ze in alle tijden in de mensheid is gegroeid.

Ook in uw tijd zullen er wijzen opstaan, die een waarheid spreken, zoals dat in alle tijden het geval is geweest. Maar het zal nu een waarheid zijn van mensen; niet meer een waarheid van goden. Omdat de mens zozeer is ontgroeid aan het begrip van onmacht dat hem eens heeft gekweld, dat hij voor het eerst de moed heeft de schepping werkelijk in de ogen te zien en te zeggen: Hier ben ik, de mens. Het antwoord van de totaliteit zal zijn: Nu je jezelf durft zijn en kunt zijn, zal ook het Al zich in zijn waarheid openbaren en zal veel bekend worden wat tot nu toe verborgen was.

De mens en het lot

De mens heeft een lot. Meestal is dat lot te vergelijken met het lot, dat men pleegt te kopen in de Staatsloterij; er zijn zeer veel nieten bij. Dit komt, omdat de mens innerlijk voortdurend de overtuiging heeft dat hij machteloos is en dat dus de wereld wel zal bepalen wat er gebeurt. Er gebeurt dan natuurlijk niets, of – als er iets gebeurt – iets, waarmee men het niet eens is. De denkwijze, waaruit dit is voortgekomen zou ik onder de meer primitieve geloofsreacties willen rekenen.

Men zegt: God heeft alle dingen geregeld, dus ook mijn leven. Al wat ik in mijn leven onderga, is het uitvloeisel van de goddelijke wil, of – als men wat juridischer van aanleg is – van de goddelijke wet. Het resultaat is, dat de mens onder het mom van geloof zich onttrekt aan de vaak toch wel gevoelde noodzaak iets te doen waarin hij geen zin heeft. Als ik de mens tegenover de lotsopvatting stel, moet ik opmerken: De mens, die niet bereid is zijn lot te aanvaarden, vindt te enigerlei tijd een mogelijkheid om dit z.g. lot te veranderen. De mens echter, die – hetzij uit laksheid of anderszins – zijn z.g. lot moeizaam maar gelaten draagt, blijft een pakezel gedurende zijn gehele leven. Want al wat wij lot noemen is afhankelijk van ons besef. De wijze, waarop wij onze mogelijkheden zien, maakt uit op welke wijze wij kunnen en zullen reageren.

Zodra onze voorstellingen en onze denkbeelden omtrent mogelijkheden te veel verschilt van een realiteit, zullen wij uit de aard der zaak de onmogelijkheden zozeer opstapelen, dat onze mogelijkheden onder de last daarvan bezwijken. Indien wij echter bereid zijn uit te gaan van de omstandigheden, die wij aantreffen en in onze voorstellingen en bestrevingen een reëel doel kiezen, zo zijn wij steeds weer in staat om dit doel althans gedeeltelijk te verwezenlijken.

Ik geloof dus niet, dat de mens waarlijk lotsgebonden is. Ik meen eerder dat de mens, die over het lot spreekt als onvermijdelijk en noodzakelijk, ongeveer als Lots vrouw eens omkijkt naar een ramp, terwijl hij, gewaarschuwd is voort te gaan en dan versteend in zichzelf weeklaagt over het onvermijdelijke.

Er zijn natuurlijk heel wat mensen, die zozeer door het lot bezeten zijn, dat zij eigenlijk wat van lotje getikt zijn. In hen tikt het hart zo voortdurend in overeenstemming met de lotsverwachting, dat hun gedrag niet meer menselijk is. Voor mij ligt de totaliteit van het menselijk lot altijd in de wilskracht van degene, die het lot tracht aan te tasten. Een van de meest klassieke voorbeelden van een mens, die zijn lot zelf bepaalt, ligt in het verhaal van Alexander, toen hij te Gordium met de grote knoop aan de disselboom van een strijdwagen, werd geconfronteerd. “Hij, die deze zal ontwarren, zal koning worden …..” En Alexander ontwarde die knoop op zijn wijze – met een zwaard.

Ook wij zien teveel de vervlochten gebeurtenissen als iets dat stukje bij beetje moet worden ontrafeld. Wij zijn niet bereid tot harde maatregelen. Wij zijn niet bereid om recht op ons doel af te gaan. En het resultaat is natuurlijk, dat wij niet bereiken wat wij willen.

Ik heb in de oudheid heel wat lotsaanvaardingen gezien. Ik heb zelfs in mijn laatste levensperiode heel wat mensen meegemaakt, die meenden dat hun noodlot zou bepalen wat er zou gebeuren. Ik heb studenten gekend, die bang waren voor hun noodlot en voor de dag dat zij tussen paranimfen moesten opgaan, zich een roes dronken om dit lot te kunnen dragen. Het resultaat was, dat zijzelf huiswaarts werden gedragen en dat hun hoofd de last der vragen niet kon verwerken. Ze zeiden dan: “Zie je wel, ik, die zo hard werk, zal nooit bereiken wat ik wil. Dat is mijn noodlot.” En zij doen mij denken aan zovele mensen.

Daar het de bedoeling is, dat ik in deze lering ook wijze lessen spui – hoe moeilijk dit mij ook valt, daar bij mij ongetwijfeld de wijsheid nog niet de spuigaten uitloopt – tracht ik enkele conclusies aan u voor te leggen, die u hopelijk op hun werkelijke inhoud en niet alleen op hun verdienste van formulering zult waarderen.

Een mens heeft een noodlot, zodra hij erin gelooft.

Een mens is machteloos op het ogenblik, dat hij zich op zijn onmacht begint te beroepen.

Een mens is dwaas op het ogenblik, dat hij zijn wijsheid de enige acht.

Een mens verdoemt zichzelf tot duister op het ogenblik, dat hij zijn licht aan een ieder wil brengen ten koste van alles.

Een mens kan een wereld beheersen, zodra hij meester is over zichzelf en daardoor zijn daden aan zijn bedoelingen en mogelijkheden weet aan te passen.

Een mens, die alle macht schijnt te bezitten, blijft slaaf der gebeurtenissen zolang hij zichzelf niet voldoende meester is om zonder angsten en zonder te bezwijken aan bijkomstige begeerten zijn weg te gaan.

Deze uitspraken zijn misschien wat filosofisch. En filosofie, zoals u bekend is, is een massa van veronderstellingen, die op een enkel feit balanceert als een ooievaar, die op één poot rustend wacht welke kikker te verschalken. Nu geef ik toe, dat de meesten van ons – althans in Nederland – de kikker niet als aangename spijs beschouwen. Misschien is dit wel de reden, dat de filosofie in Nederland ofwel verdroogt ofwel verhongert. Werkelijke filosofie is – naar ik meen – eerder een poging om uit bestaande feiten een essentie te distilleren, die kan worden gebruikt om nieuwe feiten te creëren. Wat wij denken op aarde kan bepalen wat wij doen op aarde. Wat wij dan bewust uit het totaal der feiten leren overleggen, beseffen en overwegen, kan bepalen wat wij doen. Onze daden nu bepalen wat wij zijn.

Dit is voor sommigen onder u ongetwijfeld een treurige mededeling. Desondanks blijf ik erbij dat iemand, die de mooiste gedichten in zijn gedachten draagt en ze niet kan uitspreken of neerschrijven, geen ware dichter kan worden genoemd. En beweer ik nog steeds dat een staatsman, die slechts in de statie van zijn woorden maar niet in zijn daden zijn staatkunde tot uiting brengt, geen echte staatsman is. Ja, ik meen zelfs, dat velen van hen, rijper van leeftijd als zij zijn, eerder prostaat-mannen dan staatslieden zijn.

Dit oordeel mijnerzijds moet u er niet toe brengen aan te nemen, dat het lot van de wereld en dus ook van u als mens wordt bepaald door wezens, die op bepaalde terreinen te grote gebreken hebben en daardoor in een voortdurende afwezigheid niet in staat zijn om de werkelijkheid te beseffen. Want een staatsman is slechts staatsman, indien hij in staat wordt gesteld de staat te regeren. En wie stelt hem in staat? U. U kunt hem dus ook in staat van beschuldiging stellen. U zult dan ongetwijfeld worden beschuldigd van onjuiste kritiek, indien u dit doet. Maar toch is het vaak beter om op deze wijze althans iets te doen, waardoor men zijn denken duidelijker tot uitdrukking brengt dan zich te onderwerpen aan het wonderlijke spel der pseudo-staatslieden, die in staatsbanketten de staatszorgen verdrinken en in statige uitdelingen aan den volke de staatskas legen.

Mijne vrienden, de mens heeft een lot. Maar hijzelf bepaalt dit. En wat meer is: Hij weet – althans voor een zeer groot deel – wat juist is. Mijn vergelijking met de Staatsloterij was dus niet zeer gelukkig. Ik zou moeten spreken over een voetbalpool, die door iemand, die voldoende van voetbal afweet, met een zekere mate van waarschijnlijkheid juist kan worden ingevuld. De vraag is alleen: Heeft u er de moeite voor over? En dan blijkt, dat de meeste mensen het leven toch wel wat als een loterij beschouwen. Want juist de moeite, die zij zich moeten getroosten, getroosten zij zich liever elders in de hoop zo vertroosting te vinden voor de zorgen, die zij anders hadden kunnen voorkomen. Goed leven betekent ook: Je moeite geven. Het betekent: Je de moeite getroosten om zelf na te denken, om juist te handelen, zelfs als het anders gemakkelijker zou zijn. In dat geval ben je wel degelijk meester van je lot.

De oudheid heeft bewezen dat er mensen zijn, die zich boven hun lot weten te verheffen. Slaven zijn tot koningen geworden. Schijnbare dwazen zijn later erkende filosofen en denkers geworden. Eenvoudige mensen hebben wereldrijken en wereldreligies gesticht. Waarom zij wel en u niet? O, neemt u mij niet kwalijk, sticht u in Heren naam niet allemaal een nieuwe religie!

Er zijn er al zoveel, dat elke religieuze waarheid in de veelheid van de religieuze verklaringen voortdurend verdrinkt; de z.g. religieuze klare, die roes-veroorzakend werkt. Maar u zoudt het kunnen. U kunt u evengoed als die anderen verheffen boven de schijn van noodlot. En als u uitroept, dat wij morgen zijn overgeleverd aan de onbeheersbare ontwikkelingen van massa en wereld, dan houd ik u voor, dat dit alleen dan waar is, indien u deel van die massa wilt blijven; dat u een zeer groot gedeelte van uw persoonlijk lot kunt bepalen; dat u zich kunt ontworstelen aan vele van uw beperkingen; dat u meester kunt worden over vele dingen, die nu onbereikbaar lijken. Want u heeft de kans. Het is alleen natuurlijk hard werken, als u er gebruik van maakt. En aangezien u de keuze heeft, moeten wij zeggen: De mens is meester van zijn lot, tenzij hij te lui is om zich dit meesterschap te verwerven. Hij, die zich beklaagt over de fouten van anderen waarvan hij het slachtoffer is, de gebreken elders die hem moeten verschonen van enige schuld, moge bedenken dat hijzelf wel degelijk een rol speelt, dat de ander niet albeslissend is, dat het andere niet bepalend is, tenzij zijn eigen handelen zich daaraan onderwerpt.

Op deze wijze hoop ik dan enigszins redelijk iets over mens en lot te hebben gezegd. Denkt u dat het niet redelijk is, dan zou ik gaarne uw redenen daarvoor te zijner tijd vernemen. Meent u, dat ik geen reden heb ze te spreken, dan kent u waarschijnlijk degenen niet, die proberen mij tot spreker voor de Orde op te leiden. En indien u meent, dat andere onderwerpen beter zouden zijn, zo geef ik u dit van harte toe. Maar als u aan de examinator vraagt, of het onderwerp goed is, zo zal hij zeggen: Ja. De examinandus is het er zelden mee eens.

Ik dank het echter mede aan u, dat ik mijn sprekers-brevet (een soort geestelijk rijbewijs voor mediums) binnenkort zelfstandig hoop te behalen. En met een dankbaarheid voor deze mogelijkheid, die ik gevonden heb – mede dank zij u – mijn lot in deze te beheersen, beëindig ik deze bijdrage.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf