Systemen

uit de cursus ‘Ontwikkeling van het ‘ik’ tot beheersing’ – (Hoofdstuk 6)  maart 1961

Systemen

De beheersing van de mens, de beheersing zowel van het stoffelijk als het geestelijk ‘ik’ en alle daaraan verbonden kwaliteiten, is reeds oud. En bepaalde culturen, die zich in het bijzonder hadden toegelegd op het gebruik van paranormale verschijnselen, hebben dan ook zeer lang geleden reeds hun eigen systemen voor deze beheersing ontwikkeld. Vanavond willen wij enkele van deze systemen aan een nadere beschouwing onderwerpen en tevens een ogenblik nagaan in hoeverre deze nog heden bruikbaar zijn.
Als eerste zullen wij de Indische beheersingssystemen beschouwen, zoals deze ongeveer 4000 jaar geleden werden gebruikt.

De eerste regel luidt hier als volgt:
Men kan zichzelf slechts meester zijn, indien men zich vrijmaakt van de wereld. De grootste gevaren, die de mens in zijn beheersing bedreigen, zijn de hartstocht, de jaloezie, de angst en de honger. Het is dus noodzakelijk dat eenieder, die zich wil toeleggen op het verkrijgen van beheersing en het bereiken van geestelijke macht, meester is over zijn hartstocht, geen afgunst kent t.o.v. anderen, niets vreest in de verzekerdheid van zijn eigen onster­felijk wezen en zich voedt uit de krachten der natuur.

Deze eerste regel wil ik voor u nader toelichten.
Ook nog in deze dagen geldt stellig dat de mens zich in zekere zin van de gebruikelijke door hem gekende wereld moet afzonderen. Hij kan dit niet meer in persona doen, daar hij deel is van een te com­plexe en te veelomvattende maatschappij. Hij kan echter wel degelijk af­stand nemen en dus een zekere objectiviteit betrachten tegenover alles, wat in die maatschappij gebeurt.
Indien hij bovendien meester weet te zijn van zijn hartstochten, zal hij al­leen reeds daardoor een overwinning behalen, niet alleen op zichzelf maar ook op elke krachtsverspilling, die vooral vanuit geestelijk stand­punt door hartstocht kan ontstaan.
Wanneer hij geen enkele mens benijdt, zal hij hierdoor zijn krachten op het positieve in eigen wezen kunnen richten; hij zal zijn zelfkennis niet ge­kleurd of vervormd zien door de beelden van anderen, die hij zich voort­durend voor ogen stelt; en ten laatste zal hij ook wel degelijk in staat zijn om ‑ waar geen jaloezie bestaat ‑ tot een zo groot mogelijke samen­werking en harmonie met anderen te komen, ongeacht of deze van zijn eigen wereld zijn of tot een andere wereld behoren.
Dat men geen angsten moet kennen, is duidelijk. De mens, die vreest, wordt geleefd door zijn angst. De mens, die niet vreest, is echter meester van zichzelf en van al datgene, wat door anderen wordt gevreesd.
Ten laatste honger. Honger heeft in die oude dagen ongetwijfeld een grote­re invloed gehad, zoals dit ook thans in deze gebieden nog het geval is, dan in deze dagen bij u. Ik zou daarom het begrip ‘honger’ nu niet alleen willen zien als een zuiver tekort aan stoffelijk voedsel, maar als een tekort aan alle impulsen, die de mens voor het leven noodzakelijk acht.
Wanneer u zich beroept op de natuur zelf, op de krachten der natuur en de harmonie der natuur, wanneer u zich zoveel mogelijk naar die natuur voegt, dan zal er geen sprake zijn van honger. Een groot gedeelte van wat tegenwoordig nood, honger e.d. heet, is eerder het gevolg van een bepaal­de geestelijke instelling, een gedachtewereld, dan van een bestaand tekort.

De tweede regel in dit systeem vraagt wel een verdere beschouwing.
Bedenk: de hartstocht is als een jachtluipaard.
Wie hem loslaat, weet dat dit dier zijn buit zal vinden.
Wie jaagt op een bepaald doel, zal de hartstocht daartoe   kunnen gebruiken.
Zo zijn alle dingen, die men kent, bruikbaar mits men ze meester is.

Indien een meesterschap slechts ten dele bestaat, zullen de verwachte en begeerde resultaten slechts ten dele kunnen worden gewonnen. Wanneer er in uw leven gewoonlijk bepaalde dingen zijn, die wij hartstocht noemen (en dat kan even goed trots zijn als b.v. angst en nijd en al wat verder daar­bij behoort, zelfs luiheid), dan kan een dergelijke hartstocht altijd wor­den gebruikt.
De bruikbaarheid van al wat u is ingeschapen, is zeer belangrijk. De mens, die een doel nastreeft in het normale of paranormale leven en daarbij zijn eigenschappen en kwaliteiten bewust weet in te zetten, zal in staat zijn tot zeer grote resultaten te komen.
Indien men echter niet gehéél meester is over wat men op de wereld loslaat, zal de wet van oorzaak en gevolg onvoorziene gevolgen kunnen hebben. Onvoorziene resultaten echter kan men alleen dan riskeren, wanneer men van de begeerlijkheid van het doel zelf zozeer is overtuigd, dat men er elke prijs voor zou willen betalen. In uw eigen termen neergelegd: Leef zo ge wilt, maar geef aan alles, wat ge doet en wat ge denkt, een doel en een inhoud, die boven de normaal menselijke liggen.
Begrijp de zwakheid van anderen, maar sta deze niet aan uzelf toe.

De derde regel zegt:
Al wie wil ingaan tot de werelden van goden en demonen zal zichzelve als god of demon moeten kennen.

Deze regel is een sleutelregel en wijst op bepaalde geestelijke discipline, die nimmer werd vastgelegd. Ik zal trachten ze, aangepast aan de moderne tijd, u althans gedeeltelijk uit te leggen.
Op het ogenblik, dat ik een kracht uit de geest wil aantrekken, kan dit alleen op grond van een in mij bestaande instelling. Dat wat ik denk, doe ik. Dat waar ik met heel mijn wezen naar haak, trek ik naar mij toe. Datgene echter wat ik verafschuw of weiger te erkennen, zal ik van mij afstoten.
Indien ik in contact wil komen met een wereld b.v. van de geest, zo zal ik moeten beseffen, dat deze zelfde regel ook daar geldt. Elke kracht, die ik begeer te bezitten, kan ik ‑ althans in principe ‑ bezitten, als ik daartoe voldoende tijd en energie gebruik. Ik zal daardoor echter een groot deel van mijn eigen krachten verliezen; en slechts wanneer een vol­ledige eenheid tussen b.v. de geest of demon, waarmee ik samenwerk, en mijn wezen bestaat, zal ik uit de ander dat wat ik verloor ten dele of geheel kunnen terugwinnen.
Het is duidelijk dat dit nog veel verdergaat. Altijd als ik in mij­zelf zonder weerstand, zonder tegenstand leef, bestaat de mogelijkheid van een z.g. moeiteloze harmonie. Het oude begrip daarvan betreft een in mij sluimerende kracht. Wanneer ik nu weet wanneer ik moet sluimeren of waken, zal ik door op gezette tijden tijdelijk mijn eigen weerstand uit te schakelen datgene, wat ik verlang, gemakkelijk kunnen aantrekken.
Dit heeft betrekking zowel op krachten als b.v. hypnotisme, dat veel werd gebruikt, als op de mogelijkheid om bepaalde aardse krachten eenvoudig om te schakelen, b.v. om de veel begeerde levitatie‑verschijnse­len op te wekken en zelfs de harmonie, waardoor men door vuur kan gaan of over water wandelen.
In de oudheid waren deze kunsten zeer in trek en men heeft er zich bij­zonder op toegelegd. In de moderne tijd is dit minder belangrijk. Maar belangrijk is wel het feit dat ik nog heden niet alleen t.o.v. geesten of demonen maar t.o.v. al het bestaande, door op het juiste moment zon­der weerstand te zijn (d.i. op een juist moment absoluut zonder gedach­ten of oordeel te zijn), mij met deze kracht zozeer kan versmelten, dat zij in mij, door mij, voor mij en rond mij volledig tot uiting kan komen en werkzaam zijn.
Hiermee heb ik de voornaamste regels wel opgenoemd, die voor u dienstig zijn uit deze oude beheersingsgedachte, zoals die in Indië be­stond. Een groot gedeelte nl. van hetgeen daarop volgt is zo abstract, dat het een zeer grote kennis van de toenmalige godsvoorstellingen en esoterie vergt. Ik wil daarom overgaan tot een andere inwijdingsleer, die eveneens de nadruk heeft gelegd op beheersing.

Er was een bijzondere scholing, die men noemde: de school van Ra‑Horakthe en Toth. Hier hebt u een eigenaardige combinatie van namen, daar Ra‑Horakthe een rijzende zon is, Toth echter de god der magie, der tovenarij en in beperkte zin zelfs van de onderwereld.
De mensen, die hier studeerden, deden dit in de eerste plaats om magiërs, wichelaars, priesters en wetenschapsmensen te worden. Waar in de oudheid alleen door een volkomen meesterschap over het ‘ik’, het aanvaarden van een juiste discipline en al wat erbij hoort, een dergelijke prestatie gele­verd kon worden, worden een aantal leringen opgesteld, die speciaal tot doel hadden de neofiet de juiste beheersing te leren. Sommige ervan zijn zo praktisch, dat ik ze u zonder meer en zonder commentaar zal voorleg­gen. Andere daarentegen vragen wederom enig commentaar.

De eerste stelling (althans de eerste, die ik wil citeren) luidt:
Zoals de goden meester zijn van het Al, is de mens meester van zichzelf.
Zoals de goden in het Al hun wil volbrengen door hun meesterschap, volbrengt de mens, die meester is over zichzelf, door zijn wil al, wat voor hem ervaarbaar en kenbaar is. (Dit laatste is een vertaling mijnerzijds.)

Commentaar: De mens, die meester is over zichzelf, heeft de mogelijkheid zijn omgeving en eigen milieu te wijzigen in overeenstemming met zijn doel. Hij kan dit doen door de verschillende z.g. magische middelen als: het scheppen van een bepaalde sfeer, het opwekken van spanningen, het ge­bruiken van incantaties, gebaren, reukwerken, van een bepaalde belich­ting enz. Hoe hij dit doet, is minder belangrijk; maar wanneer hij het doet, is hij meester over zijn omgeving. Op deze wijze waren de oude z.g. ingewij­de priesters vaak meester over grote menigten en brachten dezen ertoe precies zo te denken en te handelen als zij wensten.
Nu geldt hierbij een waarschuwing: Vergeet niet dat wie een ogenblik zijn macht verliest over de beheersing, die hij schept, slachtoffer wordt van zijn eigen wensen.
Het is duidelijk dat wij onszelf soms dermate in een dergelijk doel kunnen verliezen, dat wij aan de daardoor eenmaal geschapen wilsuiting zelf ten offer vallen. Want zodra onze eigen heerschappij verloren gaat, door­dat wij ons onderwerpen aan deze spanning, worden wij door het gezamenlijk denken van de menigte en het daarin levende meegesleurd, van ons doel verwijderd en zullen wij meestal niet meer in staat zijn onze oude heerschappij te herwinnen en terug te keren tot de oorspronkelijke doelstelling.
Men leert dan verder de neofiet:
Beheersing wordt verworven door concentratie, door beproeving en door het wonder.
Commentaar lijkt mij hier niet noodzakelijk.
Men geeft hem dan voor zijn lichamelijke persoonlijkheid een aantal proe­ven op. De daarvan meest gebruikelijke zijn de volgende:
Leer niet te zien in een bepaalde richting, ongeacht wat er plaatsvindt. Leer uw blikken beheersen.
In de tweede plaats:
Leer bepaalde gedachten voortdurend af te wijzen, tot zij wegblijven. (Dat is gewoontevorming.) Leer uzelf onbeweeglijk te blijven, zolang gij dit wenst. Begin hiermee in overeenstemming met het uithoudingsvermogen van uw lichaam; maar verg steeds meer van uw lichaam, dan het zegt te kunnen opbrengen. Slechts op die wijze zal het meester­schap of de superioriteit van uw geest het best tot uiting komen.
Ook dit vraagt naar ik meen geen verder commentaar.
Leer altijd weer één gedachte te herhalen. Neem één bepaalde gedachte (er staat in feite een spreuk, maar ik wil hiervoor in de plaats zetten: een gedachte) en denk deze gedurende een gehele dag (dus ca 24 uur) telkens weer met uit­schakeling van elke andere soortgelijke gedachte.
Commentaar: Wanneer een mens een bepaalde zinspreuk, een bepaald onderwerp of een bepaald gebed neemt en hij blijft dit voortdurend herhalen, terwijl hij elke andere filosofische gedachte, elke andere bede in zichzelf afwijst, leert hij op de duur zijn wezen geheel te concentreren op één bepaald punt, dat buiten zijn eigen wereld ligt, zonder dat hij hiervoor zijn lichamelijke bezigheden en oefeningen behoeft te onderbreken.
Dit is zeer belangrijk, omdat als gevolg van een dergelijke gedachte een innerlijke gesteldheid, die mogelijk noodzakelijk is, op elk gewenst ogen­blik van zo’n dag onmiddellijk tot stand kan worden gebracht. Ik zal dit door een voorbeeld duidelijk maken.
Stel, dat één van deze oude magiërs wist: op deze dag zal iemand komen, die mij vraagt b.v. een suggestief of hypnotisch wonder te volbrengen. Denkt u hierbij b.v. aan de slangenstaf, die Mozes hanteerde, evenals vele andere priesters. Indien deze mens de kerngedachte, daarmee verbonden, nl.: alle leven is identiek, in zichzelf voortdurend blijft herhalen, zal hij op elk gewenst ogenblik dit wonder kunnen doen, heeft daarvoor geen voorbereiding nodig en zal ‑ dank zij deze gedachte ‑ op elk ogenblik ook weer de slang in een staf kunnen doen veranderen.
Wanneer het gaat om hypnose, dan is het ook hier weer: mijn wil is sterker dan die van anderen; of: mijn wil is de wil der goden. De innerlijke overtuiging, die zo ontstaat, kan op elk gewenst ogenblik worden omgezet in een werkelijke superioriteit van wilsvermogen en zo in een domineren van een andere persoonlijkheid.
Wanneer men niet weet, wanneer een dergelijke proef komt, is het dus wel dienstig, dat men daarop de gehele dag is voorbereid. Het systeem, dat in deze regel wordt aangegeven, is dan ook een voorbereiding om gedurende de gehele periode, dat men iets bepaalds tot stand wil brengen, dit ook on­middellijk zonder verdere voorbereiding intens te kunnen doen.
In uw wereld en uw streven zal ongetwijfeld soms de behoefte bestaan om b.v. een waarheid te erkennen of met uw God in verbinding te treden of een medemens te genezen of de toekomst te voorzien. Ook wanneer ge die kwaliteiten bezit, zult ge ze nooit geheel kunnen beheersen. Ge kunt niet zeggen: Nu moet dit zijn. Maar als ge uw eigen wezen door een herhaling van steeds dezelfde gedachte, dezelfde impuls, daarop voortdurend voorbereidt, zult ge het verlangde ook op elk ogenblik kunnen volbrengen. Gij zult kosmische banden, die in feite dus gedurende lange tijd door u in stand worden gehouden door steeds daaraan hernieuwd te denken, op elk ge­wenst moment kunnen openbaren.
Wanneer u in uw eigen leven perioden hebt, waarin u een bijzondere be­hoefte hebt b.v. aan meer weten, meer inzicht, meer beheersing, etc., dan kan ongetwijfeld deze gedachtescholing u helpen en kan het kiezen van een juiste zinspreuk ongetwijfeld tot uw slagen bijdragen.
De juiste zinspreuk wil ik hier ook nog definiëren. Als juiste zinspreuk kan worden aangemerkt elke spreuk, bede zegswijze, die aangeeft:
In de eerste plaats: de verbondenheid tussen het ‘ik’ en de Godheid.
In de twee plaats: de bekwaamheid van het ‘ik’ om – dank zij de Godheid – te volbrengen wat men zich voorneemt.
In de derde plaats: de zekerheid, dat deze kracht altijd beschikbaar is.
Een volgend deel van deze leergang brengt ons voorschriften, die uit de moderne leer en wetenschap schijnen te zijn gegrepen, nl:

  1. De leerling, die de kracht der goden wil erkennen, de wijsheid der goden wil dragen, moet rein zijn. Daarom, reinig uzelf dagelijks. Sla geen lichaamsopening over.
  2. Gij zult uzelf zalven, maar slechts zover, als dit voor het wel­behagen van het lichaam onontbeerlijk is.
  3. Gij zult uw kleding voortdurend reinigen en rein houden. Wanneer gij een belangrijke poging waagt contact met de goden te verkrijgen of tot het volbrengen van wonderlijke daden, zult ge – vòòr ge de gedachte of voorbereiding begint ‑ niet slechts het lichaam reinigen, maar ook een nieuw kleed aandoen. Al wat in verband staat met de goden, dient nieuw te zijn, want slechts zo kunnen de goden zich openbaren. Daar waar menselijke krachten zich hechten aan voorwerpen, zal de God weigeren Zich daarin te mani­festeren. Daarom moet alles, wat gij gebruikt om een intens con­tact met de Godheid te verkrijgen, nieuw zijn.

In feite is hier sprake van een vorm van hygiëne. Men moet goed begrij­pen dat zuiverheid van lichaam een zeer belangrijke factor is. Wanneer het lichaam zuiver is, zal dit lichaam niet alleen gemakkelijker door de huid kunnen ademen en gemakkelijker uitstralingen van de omgeving kunnen opnemen, maar het zal ook ontdaan zijn van vele, de reukzenuw prikkelen de stoffen, die de concentratie van het ‘ik’ in een bepaalde richting zouden kunnen afleiden. Zuiverheid is dus belangrijk.
Welbehagen van het lichaam ‑ mits niet verder doorgevoerd dan noodzake­lijk ‑ is eveneens belangrijk. Immers alleen indien het lichaam werkelijk, zo goed wij kunnen, verzorgd is, zal de geest dit lichaam niet als een hindernis behoeven te beschouwen.
Ten slotte, wanneer wij met werkelijk grote krachten zouden willen werken of daarmee proeven zouden willen doen, is het redelijk dat wij zorgen daar voor niet‑menselijke waarden te gebruiken. Waar zich de menselijke uitstraling aan hecht, is nl. reeds een element van begeerte, van angst, van vrees of haat aanwezig. De kracht uit de godheid ‑ zo gij wilt uit de geest of uit het kosmische ‑ beantwoordt voor een groot gedeelte aan de aanwezige uitstraling.

Een volgende regel luidt als volgt:
Gij zult niet luisteren naar hetgeen men u zegt. Want wie werkt, is meester. Zijn gedachten zijn oppermachtig. Eerst wanneer hij zijn taak volbracht heeft, mag hij toehoren. Sluit daarom uw oren voor alles, wat uw geest verontrust. Leer elk ongewenst geluid niet te horen. Leer zelfs de zwakke galm der gezangen, die in de tempel hangt, voor uw eigen wezen te doen herleven.
Alles wat wordt gesproken door anderen, elke invloed van gedachten van anderen, verandert uw eigen wezen. Wanneer u zich op een bepaalde taak hebt geworpen, kunt u geen toegang geven tot gedachten van anderen. Zij veranderen uw evenwicht, zij maken u het verder geestelijk bereiken onmogelijk. Het is een vorm van beheersing. Men moet zich aanwennen niet te horen, wat niet gehoord mag worden. Wanneer er normaal‑storende geluiden zijn (in vroegere gevallen waren dat vaak tempelfeesten, tegenwoordig zullen dat eerder zijn verkeer, radiomuziek e.d.), kan men natuurlijk trachten deze aan de bron uit te schakelen. Maar dit is niet altijd mogelijk. Vandaar dat de aankomende priester de raad krijgt deze dingen bewust uit te schakelen. Bewust daarvoor doof te zijn. Door deze beheersing van de gehoorprikkel voor deze zijn denken bereikt, is hij wederom in staat in zichzelf een optimale conditie te scheppen voor elke concentratie, voor elke sacrale handeling.
Dan krijgt hij de raad niet te luisteren naar hetgeen hem verontrust. In de oudheid waren de priesters, de jonge priesters, meestal kinderen. Zij worden in de tempel gebracht veelal reeds op 6 à 8‑jarige leeftijd en zelfs de hogergeplaatsten gaven hun kinderen vóór de 12‑jarige leeftijd (meestal 10 jaar) aan de tempel voor onderricht. Deze kinderen zouden door nieuws van huis b.v. geschokt kunnen worden of door veranderingen in hun omgeving, door een mogelijk sterven of weg reizen van de ouders etc. Dit zou hun gemoedsrust zozeer kunnen schokken, dat zij niet in staat zouden zijn een werkelijk geestelijk bewustzijn te handhaven, een werkelijke geestelijke vordering te bewerkstelligen. Het is duidelijk dat deze raad hun dus moest worden gegeven.
Voor u zou ik precies hetzelfde willen zeggen. Wanneer u een bepaalde geestelijke taak op u neemt, leer al datgene uitschakelen, wat voor u niet aanvaardbaar of onaangenaam is, zolang gij aan de uitvoering van die taak bezig zijt. Eerst als gij weet dat een innerlijke onrust u op dat ogenblik althans in de uitvoering van uw werkzaamheden niet kan schaden, zoudt ge haar eventueel mogen toelaten, maar zelfs dan is het nog onverstandig. Het is niet: Wees doof voor het onaangename, maar wees doof voor al datgene, wat ge niet objectief kunt aanvaarden. Daarop komt deze lering neer.

Dan vinden wij ten aanzien van de beheersing van de geest ook nog enkele oefeningen, die ik meen u te mogen voorleggen. Aan de leerling wordt gezegd:

Zolang gij uitgaat onder geleide van een meester en niet volleerd zijt, zodat ge de sleutels houdt (hiermee bedoelt men waarschijnlijk de sleutels tot het hiernamaals), zult gij niets vragen; noch aan hem, die u geleidt, noch aan hen, die u uitzenden, noch aan hen, die uw rapport na voleinding van uw taak in ontvangst nemen. Ook dit wil ik u duidelijk maken.
Wanneer u in deze wereld een reeks belevingen doormaakt en u weet niet precies waarom, maar u voelt aan dat dit een deel is van uw levens­taak, dan is het beter om de redenen daarvan niet te zoeken, vóór de taak volledig is voleind en ook de gevolgen daarvan zijn vastgelegd. Slechts wanneer ge zó handelt, zult ge kunnen voorkomen, dat door uw eigen menin­gen en inzichten de eventuele geestelijke leiding of de leidende krachten (zoals dat vroeger bij leerlingen vaak het geval was) van een bepaalde stoffelijke of geestelijke meester teniet worden gedaan door uw eigen im­pulsen.
Indien ge uw geest wenst uit te zenden, mag u ‑ tenzij u de sleutels hebt (dus wederom het meesterschap) ‑ zelf geen doel stellen. Wel mag u de God aanroepen, die aan uw begeren het meest nabij komt.
Omgezet in termen van uw tijd: Probeer nimmer b.v. een uittreding in een bepaalde richting te doen, tenzij gij meester zijt over de techniek der uittreding en kennis hebt van de werelden, waarin gij door die uittreding zult komen. Het zou gevaarlijk zijn. Maar stel u in op de sfeer, op de we­reld, op de godheid, desnoods op de leraar of persoonlijkheid, die voor u belangrijk is. Ge zult dan, door u daarop te concentreren, onder diens lei­ding in een door deze gekende en vaak ook beheerste sfeer komen. Vandaar kunt ge onder diens leiding verdergaan.
Keer nimmer terug op uw pad. Wanneer (meestal in een droom door opiaten veroorzaakt) de leerling werd uitgezonden op een z.g. geestelijk pad, dan werd deze droom door telepathische prikkels door zijn meester beheerst. Deze droom echter brengt hem voor hindernissen. Hij kan niet terugkeren, omdat elke terugkeer hem losmaakt van zijn meester. Een terugkeer betekent chaos. Hij kan dan niet meer ontkomen aan allerhande gedrochten, die uit zijn ‘ik’ voortkomen. Hoe zwaar de proef ook is, hij moet verdergaan. In de lering, die men de jongelieden daarover geeft, wordt dan ook meestal gezegd: “Aarzelen om verder te gaan, betekent de dood.” Als het gaat om de grote inwijding, is dit inderdaad waar. Bij de kleinere inwijdingen is er wel geen sprake van dood maar wel van een lichamelijk falen, dat vaak tijdelijk geheugenstoornissen e.d. ten gevolge heeft, zodat men hem dan ook uit het priesterschap verwijdert.
U zult begrijpen hoe belangrijk dit voor uzelf is. Wat voor experimenten u ook doet, in dromen, door het zenden van gedachten etc., wanneer ge voor een bepaalde reeks van beproevingen of gebeurtenissen wordt geplaatst, tracht dan nooit terug te gaan. Ga vooruit. En indien u dit vooruitgaan onmogelijk lijkt, keer dan bewust terug naar uw lichaam, maar tracht nooit u terug te trekken uit een beeld, dat ge zo-even zelf beleefd hebt. Alleen op deze wijze kunt ge uw geestelijke gezondheid behouden.
Ik wil nu een groot gedeelte van deze leer overslaan en nog slechts de laatste punten daaruit aanhalen. Deze zijn voor meer gevorderden.

Bedenk dat men de geest niet zal vermoeien met al wat handen kunnen doen. Het is duidelijk, dat u met geestelijke gaven iets kunt bereiken, maar tracht het eerst stoffelijk tot stand te brengen. Eerst wanneer dit onmogelijk is, moogt gij geestelijke krachten en geestelijke gaven inschakelen. Het is zeer logisch, ook in de huidige tijd, dat men in een stoffelijke wereld allereerst op stoffelijke mogelijkheden een beroep moet doen. Want die stof is uw wereld en daaruit put u de grootste wijsheid. En bovendien: het werken in die wereld houdt voor u minder onverwachte consequenties is en zal minder belasting van uw persoonlijkheid en van uw lichaam vergen dan een poging om iets alleen en zuiver door de geest tot stand te brengen.
Alle middelen, die gegeven zijn, zijn magisch. Gebruik deze dus in magische zin. Aan alles wat u op aarde doet en doen kunt, kan een magi­sche betekenis worden toegekend. De wijze waarop u het doet is dus bepa­lend. Besef dit wel.
Wanneer u de magische werking kiest, dan kan het meest eenvoudige in het leven een geestelijke waarde krijgen en dus a.h.w. gedoubleerd worden in een geestelijke wereld. Dan kunnen daaruit ook krachten worden geput en al wat erbij hoort. Een mens, die dit beseft, zal zich dus in zover moeten leren beheersen, dat hij aan elke handeling in de stof een geestelijke betekenis kan toekennen en deze kan zien als een magisch‑symbolische handeling.
Ik wil er nog op wijzen dat, wanneer alles magisch is, het voor de mens zeer belangrijk is alleen die handelingen en daden te stellen in magische zin, die voor hemzelf verbonden zijn met licht, het licht in de wereld, de lichtende kracht. Indien men voor een magische bereiking iets kiest, dat in eigen ogen niet zuiver is, zo wordt dit automatisch een magisch veroorzaken van werkingen in een duistere wereld.
Deze beheersingsleer, zoals in Egypte gebruikt, wordt natuurlijk in vele scholen aangevuld. Ik wil één citeren, die ik in haar werkelijke functie niet mag omschrijven. De school lag in het Zevengebergte en mag niet worden geacht tot zulke te behoren, die wij gaarne door iemand zouden zien gevolgd. Maar de beheersingsleer, die hier wordt onderwezen, is wederom belangrijk.

  Wanneer gij handelt, zo zult gij de handeling overdenken vóór ge begint.
Zo ge spreekt, zult ge de woorden in uzelf hebben overwogen.
Ge zult nimmer aarzelen, maar altijd de tijd nemen, die noodzakelijk is om elk gebaar en elke ademhaling te berekenen.

Deze slagzin is natuurlijk belangrijker voor de magiër en de heksenmeester dan voor de gewone mens. Toch is het goed, als u tracht u aan te wennen (en door gewoontevorming kan men daarin zeer ver komen) steeds na te den­ken; te overdenken: wat ga ik nu doen? Wat ga ik zeggen? Wat is het ge­volg daarvan? Wat is de betekenis, als ik dit gebaar maak, die weg volg?

Een tweede zin uit deze scholing, die ik ook buitengewoon belang­rijk acht, is deze:

  Gij zult nimmer innerlijke of geestelijke waarden afhankelijk stellen van stoffelijke waarden.
Wie de stof gebruikt als toetssteen voor geestelijke krachten, zal nimmer de krachten van de geest meester kunnen worden.   Hij wordt een slaaf enz. enz.

Hier wordt de nadruk gelegd dat je wel vanuit de geest iets in de stof kunt projecteren en een geestelijke bedoeling kunt gebruiken om aan het stoffelijke een bijzondere magische inhoud en betekenis te geven, maar dat je nimmer een stoffelijk gebeuren mag zien als aanleiding tot het veranderen van een geestelijke inhoud of instelling. Dat is begrijpelijk.
Een mens heeft zoveel reacties die onbeheerst zijn, zoveel instincten, dat hij bij elk geestelijk werk hierdoor reeds voortdurend gestoord zou wor­den. Het is zo eenvoudig uit de geest zelfs in de mens een bepaalde stof­felijke reactie te wekken, dat zijn pogen hierop ook met zijn geest te re­ageren, al een misverstand zou veroorzaken en daardoor misschien ondergang of gevaar voor degenen, die de in deze school geleerde magie in de prak­tijk trachten te brengen.
Voor u geldt precies hetzelfde. Er zijn waarden, die in de geest bestaan. Ze bestaan bij u o.m. door mentale contacten, de z.g. zielsverwantschap en ziele‑eenheid. Deze mogen nimmer afhankelijk worden gesteld van stoffelijke waarden, omdat u in een dergelijk geval het dierlijke doet over­heersen en zo alle geestelijke waarden in u tot slaven maakt van dierlijke driften, die zelfs door de lage geest zonder meer beheerst kunnen worden.
Leer dus een directe scheiding maken tussen al wat in de stof gebeurt en datgene, wat in de geest (dus mentaal) bestaat. Beschouw nimmer deze bei­de als onderling afhankelijk. Wanneer u dit doet, lokt u het noodlot uit. U wordt daarvan de slaaf. Ook u in deze moderne wereld.
Van deze school uit wil ik verdergaan en wij zullen ons nu begeven in de richting van Griekenland, waar wij de z.g. scholing van Ephesus heb­ben. Deze scholing is ten dele op het lichaam gericht. Ik wil u enkele van de punten noemen.

  Wees hard tegen jezelf, maar wees steeds harder tegen jezelf dan tegen anderen.
Eis van jezelf het uiterste. Daardoor zul je steeds meer kunnen dan je verwacht.
Wees meester over je adem. Hij, die de adem (in deze tijd ook nog beschouwd als een soort zielekracht) beheerst, zal zijn lichaam kunnen beheersen.
Tracht uw hart te beheersen. Laat het bloed niet in de aderen jagen, doch stel uw wil daartegen.
Leer uw voeten eerst zeker te zijn, dàn eerst om snel te zijn.
Leer uw lichaam eerst reageren op eenvoudige prikkels, eerst dan kunt ge de ingewikkelde en noodzakelijke bewegingen van het lichaam automatisch verwachten.
Gewen uw lichaam aan steeds grotere tegenstellingen, daar­door zult ge niet slechts gehard zijn, maar ge zult uw meester­schap lichamelijk kunnen uitdrukken en daardoor ook innerlijk (toespeling dus ook op het geestelijke) de meerdere kunnen zijn van hen, die zwak zijn.

De gedachtegang, die hieraan ten grondslag ligt, is zeer waarschijnlijk aan de Spartaanse systemen ontleend. Wij vinden er echter ook een geestelijke discipline bij. Er wordt daar geleerd:

  Beproef uw angsten. Zo ge iets vreest, stel dan uzelf op de proef door het te ontmoeten. Slechts zó zult ge uw angst overwinnen. Wie angst overwint, denkt helder. Wie helder denkt, kan in zijn denken de vonk der goden ontvangen.
Indien gij begeert, beproef dan uw begeren vele malen.
Slechts door het steeds weer te beproeven, zult gij meester kunnen zijn over het begeren en daardoor meester zijn over uw gedachten, enz.
Indien gij meent een taak te zien, stel uzelf op de proef. Slechts een taak, die u innerlijk antwoord geeft op uw vraag naar geluk, naar vrede en naar hogere krachten, is een ware taak. Verwacht niet dat de taak zelf dit geeft. Maar uit de taak, door het begrijpen van de taak en van het daarin gele­gen doel, moet gij leren dit in uzelf te vinden. Kunt gij dit niet vinden, verander dan uw leven.
Om te komen tot het begrip van de lichte werelden, moet men eerst door het duister gaan.
Om te komen tot inzicht in, of moet ik zeggen begrip van de werkelijke kracht, die in u woont, zult ge de wereld rond u moeten begrijpen, maar je mag haar niet beoordelen.

Uit deze regels kunnen wij voor de moderne tijd het volgende distilleren:
Indien u werkelijk belangrijke taken voor u ziet, zo zult ge uw li­chaam een bepaalde scholing moeten geven. Het is niet genoeg te zeggen: Mijn lichaam is onbelangrijk. Geef uw lichaam de beweging, die het nodig heeft. Indien u met dit lichaam geestelijk of anderszins bepaalde dingen wilt volbrengen, school dan uw lichaam daarvoor. Het loont altijd de moeite.

Leer voor uzelve dat alles, wat op aarde bestaat, zijn evenbeeld heeft in de cosmos, maar dat ge alleen op uw aarde en door uw aards begrip deze cosmische waarden kunt ontvangen.

Leer in uzelf de vonk der goden te vinden of ‑ zo ge wilt ‑ de ziel.

In uw eigen wezen bestaat een kracht, die niet afhankelijk is van stoffe­lijk gebeuren, die onaantastbaar is voor stoffelijke emoties, die in zich­zelf de voortdurende helderheid en puurheid van de cosmische Schepper Zelve draagt. Indien gij leert u op deze kern van eigen wezen in te stel­len, zal deze kern u voortdurend de juiste weg tonen. Zij zal u voeren tot de meest juiste reacties. Zij brengt u tot een persoonlijke bewustwor­ding.

Een persoonlijke bewustwording kan echter niet worden ondergaan, zonder dat er begrip bestaat voor de wereld. U zult moeten trachten om alles, wat u in de wereld ziet en u misschien zou kunnen kwetsen of wat uw be­geerte zou kunnen wekken, te begrijpen. Gij moet voor uzelf zien wat de relatie tussen u en die wereld is en waarom. Maar daarmee moogt ge nog niet tevens een oordeel vellen, hetzij over uzelf, hetzij over dat, waar­mee ge in verbinding staat. Dat geldt voor voorwerpen, planten, dieren, mensen en voor maatschappelijke verhoudingen. Alleen wanneer je die rela­tie goed beseft en die innerlijke kracht voortdurend nastreeft, zul je in die kracht het waardevolle vinden.

Het is duidelijk, dat dit een vorm is van beheersing.

En nu, vrienden, ga ik deze les voor vanavond besluiten en wil dit doen door u te wijzen op enkele meer moderne regels, waarvan ik de afzon­derlijke scholen niet alle wil noemen.

Alles wat stoffelijk gebeurt is een weergave van hetgeen in de geest plaatsvindt. Datgene, wat in de geest bestaat, vindt stoffelijke uitdrukking. Leer daarom dat, wat geestelijk in u bestaat, stoffelijk weer te geven, maar onthoudt u zoveel mogelijk van het geven van uitdrukking aan andere waarden. Dus dat, wat u werkelijk diep in u voelt, diep in uw ziel, wat u erkent als lichtend en eeuwig, moogt u altijd tot uitdrukking brengen in de stof. Maar andere verschijnselen, die op een lager niveau staan, zoudt u beter kunnen vermijden.

In de tweede plaats wordt hier dan gezegd: Elke mens kent zijn behoeften. Elke mens heeft recht deze behoeften te vervullen. Maar de werkelijke behoefte, die in de geest bestaat, zal altijd voorgaan bij elk stoffelijk behoeven. Dat is duidelijk zonder meer.

Dan wordt gesteld: Waar de geest bewust tot uiting komt in de stof, kan de geest de stoffelijke behoefte geheel vervullen, de stof vervormen en de inhoud van eigen wezen volledig stoffelijk uitdrukken. Ook dit is duidelijk zonder verder commentaar.

Ten laatste nog een zeer interessante stelling: Er zijn voor een ieder in het leven vele wegen mogelijk, maar slechts één weg is waar.

Aan deze ware weg kan niemand ontkomen. Daarom: besef de onveranderlijk­heid zowel van een deel van uw eigen daden als van die van anderen.

Zij behoren tot de ware weg. Leef voor dit onvermijdelijke, maar beleef dit in de geest. Erken in anderen dit onvermijdelijke en zie het als een uitdrukking vàn de geest. Gods plan, uitgedrukt in Zijn scheppende machten, wordt uitgedrukt in het menselijk levenspad. Leer daarom waarheid te stellen boven het dwalen.

Dit vergt wél commentaar. Vrienden, kort en goed staat er dit:

Er zijn vele dingen in uw leven, die gij niet vermijden kúnt, al zoudt ge het duizend maal willen. Ook voor anderen is dit precies hetzelfde. Spreek hier als u wilt van incarnaties, oorzaak en gevolg, over samenlopen van sferen en van levens. Er zijn onvermijdelijke gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen spreken uit de ziel, wanneer zij zuiver zijn. Maak u daarover geen zorg. Aanvaard deze verschijnselen, zolang uw innerlijk wezen daarmee harmonisch kan zijn. Tracht dit ook bij anderen te aanvaarden en sta ook hun het recht toe om ‑ gedreven door onvermijdelijke omstandigheden ‑ te komen tot veranderingen in stoffelijke situatie, in denken, in geloof en al wat erbij behoort. Dit is de juiste weg. Wanneer deze juiste weg bewust wordt gevolgd, geeft hij de grootste bewustwording, geeft hij de grootste inhoud en ook ‑ vooral ! ‑ de grootste kracht. Iemand, die een dergelijke onvermijdelijke weg gaat, schijnbaar dus beheerst door krachten buiten hem, maar die uit zijn innerlijke eenheid put, kan oorzaak en gevolg overzien en zal door eigen weten en wil juist handelen. Hij brengt dus zelf een evenwicht tot stand; en geen kracht buiten hem, zelfs niet de goddelijke wet die hij erkent, is in staat aan zijn bewust en beheerst handelen ook maar één jota te wijzigen. Dat is zeer begrijpelijk.

U moet verder ook nog goed nadenken over het feit, dat u zovéél mogelijkheden hebt in het leven. Een groot deel van die mogelijkheden kan zich erg prettig doen aanzien of erg belangrijk. Maar innerlijk is er maar één weg, die belangrijk is. Wanneer u bij uw innerlijk wezen te rade gaat, zult u ontdekken, dat een groot gedeelte van wat schijnbaar zo aantrekkelijk of belangrijk is, eigenlijk toch niet helemaal deugt. U bent dus in staat uw eigen juiste levensweg te erkennen. Hoe minder u zich op zijpaden begeeft, hoe meer u meester zult zijn ‑ binnen de beperking van eigen pad natuurlijk ‑ over alles, wat uw geest doet en uw geest bereikt, over alles, wat wordt voortgebracht in de stof en in de geest door het eigen “ik”.

In de oudheid heeft men deze regels ontworpen, omdat men het para­normale, het occulte nastreefde. Het is echter duidelijk, dat het occulte of paranormale eerder een verschijnsel is dat voortvloeit uit een inner­lijke bewustwording, dan dat het onmiddellijk kan worden verworven door deze beheersingstechniek zonder meer. Indien u echter deze technieken ‑ al is het slechts gedeeltelijk ‑ gebruikt, dan vergroot ge uw mogelijkheid om krachten en impulsen waar te nemen, die op een minder stoffelijk ni­veau liggen, dus occult zijn. U nadert de occulte wereld steeds meer, naarmate u meer naar beheersing streeft.

In het begin zal zij u misschien vaak onbelangrijk, verwarrend of zelfs een beproeving toeschijnen. Laat daarom in uw streven naar beheersing de occulte nevenverschijnselen rusten, tot gij voldoende meesterschap bezit over uzelf en vooral over uw eigen denken. En als u meent, dat dit moei­lijk is, dan verwijs ik u naar het begin van mijn redevoering, waarin ik u leerde, hoe men door het voortdurend herhalen van een gedachte het “ik” in een bepaalde staat van harmonie kan brengen, die een lange tijd kan worden bestendigd.

Ik hoop dat u uit deze lessen, mijne leerlingen, zult kunnen putten en daardoor innerlijke wijsheid zult kunnen vinden.

KARMA.

De leer van karma stelt, dat alles wat ge in een bepaald leven doet krachtens de wet van oorzaak en gevolg voort blijft werken en eventueel in een volgend leven (dus na reïncarnatie) hernieuwd zal optreden, zodat u de gevolgen van daden in het ene leven misschien pas in het volgende zult ontmoeten. Een nadere verklaring daarvan, zoals u ook al is gegeven (Stem no. 25 en 26), stelt echter, dat dit mede, afhankelijk is van harmonie.

Wanneer wij nl. met een bepaald leven in harmonie zijn, dus met een fase van ons eigen verleden, dan zullen dáárvan de gevolgen het sterkst merkbaar zijn en dan zullen we ook door alle gevolgen, die dus in dit leven tot uiting komen, dat vorige leven tot harmonie, tot eenheid kunnen brengen.

Om u duidelijk te maken hoe dit eigenlijk alles in zijn werk gaat, verzoek ik u te denken aan een spiraal. Een doodgewone uitgerekte spiraal.

Wij noemen de spiraal zelf “leven als verschijnsel”. Wij noemen de as van de spiraal “levensweg”. En nu nemen wij de beide uiteinden van de spiraal en binden deze aan elkaar vast zo, dat de draad volledig door kan lopen.

Wij noemen dit dan het wiel van het noodlot, van het leven of ‑ zo u wilt het wiel van karma.

Dan hebben wij hier dus een groot aantal windingen; van elk daarvan kan worden gezegd, dat zij een bepaalde levensfase of een bepaald leven voor­stelt. Al deze krachten (want elk leven is een kracht) zijn verbonden met bepaalde andere punten in ditzelfde levenswiel.

Stel u voor, dat er verbindingen worden gemaakt van de levenslijn (dus de as van de spiraal) naar het middelpunt en noem dit middelpunt: harmonie ofwel eenheid met God. Dan kan worden gesteld, dat op het ogenblik dat wij een directe verbinding hebben ‑ dus een rechtlijnige verbinding naar een leven, dat ergens aan de overkant van die spiraal ligt ‑ wij alles, wat op die windingen is gelegen, in dit leven weerkaatst zien. Je zou kunnen zeggen: Elk moment van het leven is een soort wip; en je zit zelf in het heden op het ene einde; aan het andere einde zit datzelfde “ik” maar tij­dens een vorig bestaan.

In de praktijk is dat niet helemaal waar, want er zijn bepaalde momenten, dat er geen bewust leven tegenover ons ligt en wij daarvan dus ook niet oorzaak en gevolg bewust in het huidige leven kunnen ervaren.

Nu is karma dus het best te verklaren, als wij zeggen: Wanneer levens, die in de tijd hebben plaatsgevonden, onverschillig in welke wereld, tegenover elkaar staan en door een rechte lijn via het middelpunt “harmonie” kunnen worden verbonden, zullen alle onregelmatigheden, die in het oudste van beide levens aanwezig zijn, in het nu te vormen leven, dat dus nog moet worden ondergaan, tot uiting komen.

Daar hebt u dan de eerste verklaring. Maar we zijn er nog niet. Want ik sprak over deze spiraal en u herinnert zich misschien, dat ik opmerkte dat een winding of enkele windingen een leven kunnen zijn. Eén winding, dat kunt u zich waarschijnlijk voorstellen; maar enkele windingen is wat moeilijker te begrijpen.

Nu moet u eens nadenken over uw eigen bestaan. In dit eigen leven, dit huidige leven van u dus, hebt u een aantal perioden doorgemaakt.

Elk van deze perioden werd gekenmerkt door een speciale manier van denken en een speciale manier van streven. De ommekeer van de ene periode van leven naar de andere kwam vaak vrij plotseling. Nu zou u kunnen zeggen, dat wanneer je al die perioden afzonderlijk gaat beschouwen, hun hoogte­punten een zekere overeenkomst vertonen. Het is net, of ze precies op het gelijke moment vallen. Je kunt dus de verschillende windingen van die spi­raal weer met elkaar vergelijken en je zult ‑ ongeacht het feit, dat ze elk dus een andere levenshouding betekenen ‑ toch grote parallellen vin­den, die zowel in het kleine als in het grote, tussen elk van die windin­gen bestaan.

Eén enkel mensenleven kan voor iemand, die behoorlijk bewust is, b.v. 10 of 12 windingen omvatten. Dat is dan één mensenleven. Iemand, die betrekkelijk onbewust is, brengt het niet zo ver en misschien slechts tot één of twee windingen. En iemand, die pas begint aan het menselijk bewustwordings­proces, zal in zo’n eerste leven waarschijnlijk niet meer dan één winding van zijn spiraal afwikkelen. Dus de mate van bewustzijn, die de geest bezit, wanneer ze op aarde incarneert, helpt mede bepalen hoeveel levensfasen tijdens het afleggen van een bepaalde afstand op de levenslijn (die middel­lijn) zullen worden beleefd.

En denkt u nu nog eens even na over wat ik zeide over die verbinding met vorige levens. Dan verplaatst zich dus ook de mogelijkheid tot directe inwerking uit het verleden voortdurend. Dan is het mogelijk, dat b.v. uw jeugdjaren worden overschaduwd. door een leven, laten we zeggen, uit 1500.Dat uw periode van grotere rijpheid, laten we zeggen van uw 20e tot 35e à 40e jaar, wordt overschaduwd door een leven dat misschien gelegen heeft ergens in de tijd van de Noormannen. En dat ik nog weer een eindje verder een leven vindt, wie weet bij de oude Assyriërs b.v. of desnoods Atlantis of zo iets. Het is dus mogelijk ‑ en dat is belangrijk om karma te begrijpen ‑ in één leven (maar achtereenvolgens) de onregelmatigheden en onjuiste handelingen van vroegere levens te ondergaan en zelfs te herstellen.

Bij dit herstellen is er ook weer een eigenaardigheid. De doorsneemens meent, dat karma betekent: Vroeger heb ik iemand op het hoofd geslagen, dus krijg ik nu een klap op het hoofd; of: Vroeger heb ik iemand f. 100.‑ gegeven, dus nu krijg ik f. 100.‑. Dat is natuurlijk niet waar. Wat gebeurt er in feite, wanneer u onjuist handelt? Oorzaak en gevolg is een werking, die in de uiterlijke verschijnselen eventueel direct kenbaar wordt, maar die geestelijk in ons een verandering tot stand brengt. Deze verandering is een onevenwichtigheid. Wij hebben in ons het verlangen om harmonie te bereiken. Wij willen dat middelpunt zijn, waar in alle levens en levensfasen van het “ik” gelijktijdig gekend kunnen wor­den. Zo ondergaan wij dus een dergelijke onregelmatigheid, een verkeerde han­deling, b.v. als een hond een vlo. Wij hebben voortdurend de behoefte ons op die plaats te krabben.

Maar wat gebeurt er dus? Ik verander iets in mijn huidige toestand en constitutie. Dat doe ik zelf. Wanneer deze correctie zover gaat, dat ik daarmee mijn vlo ‑ nl. mijn onregelmatigheid uit het verleden ‑ heb verdreven, dan zal deze nooit meer terugkomen. Maar ook: wanneer ik dat andere leven nu beschouw, is daarin door mijn huidig werken een evenwicht ontstaan. Want nu innerlijk beleefd is dat vorige leven volkomen harmonisch geworden.

Het zal u wel duidelijk zijn, dat de bedoeling van deze hele cirkelgang is is om in harmonie te komen met alle levens. Wanneer nl. alle levens, waarin wij hebben bestaan, volledig in harmonie zijn, dan zal ons pogen ‑onverschillig in welke fase van bestaan ge dit doet ‑ uit de eigen levenslijn dus naar het “zijn” te komen niet meer ergens vastlopen in een ander leven, maar in het middelpunt blijven steken. Wij komen tot harmonie in de naaf van het rad, zoals men pleegt te zeggen; en in de naaf is geen oorzaak en gevolg meer kenbaar. Daarin is niets kenbaar dan het hele Al, ook zoals het in ons werd weerkaatst.

Dit is natuurlijk buitengewoon interessant. Interessanter nog als je er rekening mee houdt, dat de onevenwichtigheden, die in bepaalde tijden bestaan, voor vele mensen ongeveer dezelfde zijn. Dus om nu eens een periode te nemen. Laten we zeggen, dat in 1700 de gemiddelde uiting van de medemens, zijn gemiddelde onevenwichtigheid dus, bestond in een te grote hardheid tegenover anderen, te grote bekrompenheid voor zichzelf en een bijgeloof, dat de eigen rede verdrong, omdat dit bijgeloof voor het “ik” kostbaarder was dan de rede. Dat is dus een bepaalde onevenwichtigheid. Maar die onevenwichtigheid zal op de 100 millioen mensen er zeker 50 millioen hebben getroffen. Nemen wij verder aan, dat die 50 millioen op een ongeveer gelijk vlak van bewustzijn stonden, dan is de mogelijkheid heel groot dat op een gegeven ogenblik ten minste 10 millioen van die mensen elkaar in een andere tijd terugvinden en daarin allen dezelfde aanvulling zullen moeten doormaken.

Zo leven wij op het ogenblik in een periode, dat de z.g. Isis‑tijd zeer sterk naar voren komt. Die Isis‑tijd moet u niet zien als de bepaling van een bepaalde planeet, zoals sommigen doen, of van een bepaalde periode zonder meer. Het is eerder een periode, waarin een zekere geestelijke inwijding mogelijk was en ondergaan werd. Door de meeste mensen echter op een onjuiste manier. En nu blijkt, dat in de vergaarbak van de huidige tijd (er zijn nu veel meer zielen geïncarneerd dan in de meeste vroegere perioden) zeer veel van deze Isis‑mensen hun onevenwichtigheid moeten gaan herstellen. Wanneer u nu nadenkt, constateert u het volgende:

Die oude leer was inderdaad gebaseerd op persoonlijke aansprakelijk­heid, persoonlijk streven, een zeer grote stoffelijke vrijheid, een zeer grote geestelijke discipline en daarbij een soort bindend ritueel, dus mys­tiek.

Het streven van deze Isis‑orde (als ik haar zo mag noemen) was wereldomvattend. Kortom, ze toont ontzettend grote overeenkomsten met de periode van de Waterman, die nu komt. Het is logisch, dat de komende invloed van de Waterman (de werkelijke invloed is eigenlijk al begonnen) dus in deze mensen, die uit de Isis‑tijd stammen, langzaam maar zeker het verleden gaat wekken.

En nu gaat u verder denken. Wat waren de grote fouten, die er toen bestonden.

In de eerste plaats: een misbruik van de occulte begaafdheden, die men toen kon verwerven, voor laten we zeggen meer burgerlijke doeleinden.

In de tweede plaats: misbruiken, waardoor men ofwel tot een totale afwij­zing van stoffelijke contacten kwam ‑ wat niet aanvaardbaar was ‑ dan wel tot een absolute ongeremdheid daarvan.

Dus de mensen in die Isis‑orde hadden oorspronkelijk moeten leven in een zekere beheerste vrijheid. Sommigen van hen gingen daarvan echter een celibaat maken; anderen daarentegen kwamen tot wat ze noemden “godsdienstige plechtigheden”. In feite waren dit echter orgieën.

 Trek uw conclusie. Wat moet er dus in deze tijd gebeuren? De mensen, welke in die periode leefden, zullen in deze dagen voor dezelfde verleidingen komen te staan, dat is wel zeker. Alle onrust, die uit hun onjuiste keuze van die dagen is voortgekomen, zullen ze ook nu weer moeten beleven. Als ze deze op de juiste manier overwinnen, dan hebben ze evenwicht geschapen in het verleden en is dit afgedaan. Kunnen ze dat echter niet, dan ontstaat een dubbele onevenwichtigheid en staat hun verdere ontwikkeling in dit leven practisch stop.

Ze bezitten echter de middelen om ze te overwinnen. Want de mystiek, de inwijding, die ze vroeger geheel of gedeeltelijk hebben ondergaan, is onder de huidige omstandigheden wéér mogelijk. Dus al dat oude weten, dat oude begrip, die oude begaafdheden van lang vergeten lichamen a.h.w., zullen nu bij deze mensen langzaam ontwaken. Er ontstaat iets, wat in zekere zin een tegendeel is van vroeger; want voorheen werd dit religieus als inwijding beleefd en nu moet het worden omgezet in hun dagelijks leven, waardoor de inwijding wordt verkregen. De inwijding komt nu dus uit de dáádvoort; vroeger kwam men tot de daad door de inwijding. Overigens echter vult het elkaar aan.

Zo kunt ge dus een tendenz zien in deze dagen, die krachtens dit karma, deze wisselwerking van verleden en heden, de mensen in een richting van denken en handelen voert, die niet alleen door de tijd en de verschijnselen daarvan is te verklaren, maar die, wanneer je met het verleden reke­ning houdt, plotseling heel begrijpelijk wordt en je doet zeggen: 0, dus daarom zijn er mensen, die nu plotseling aan een inwijding beginnen.

Eigenaardig, vindt u niet?

En zo kun je verdergaan. Want er zijn mensen geweest, vooral in het verleden, die erg hard zijn geweest b.v. tegenover hun medemensen.

Wij kunnen dat vaststellen in b.v. Griekenland of in het oude Indië. Deze mensen hadden b.v. innerlijk een zekere wetenschap. Ze waren a.h.w. Brahmaan, tweemaal geboren. Ze bezaten innerlijke wetenschap en bewustzijn. Maar zij meenden: “Ik mag het alleen van mijn standpunt uit bezien; ik mag het alleen volgens mijn standpunt overdenken.”

Nu is dit een hardnekkig iets, omdat een dergelijke tendenz zich ook langs de levensbaan voortplant: de as van onze spiraal. Zo hebben ze dus, laten we zeggen, misschien 10 of 12 levens, althans bewustzijnsperioden meegemaakt, waarin genoemde tendenz heerste.

Nu leven zij in deze tijd en nu hebben ze die neigingen misschien niet meer met dezelfde intentie. Ze hebben niet meer gezegd: “Wij zijn beter dan een ander.” Maar toch komen ze nu op de één of andere manier in een situatie, die hen doet zeggen: “Hé, waarom word ik nu ineens afhankelijk van anderen?

Waarom sta ik nu ineens a.h.w. gebonden?”

Wat je vroeger krachtens een ander standpunt tegenover anderen hebt ge­daan, onderga je nu zelf. Maar de inwijding, je geestelijk bezit uit die dagen, is nu je steunpunt. Vroeger heeft dat geestelijk werk geleid tot die minachting voor anderen; nu zal het feit, dat je die veronachtzaming van anderen steeds meer moet nalaten, weer tot een herleving van die gees­telijke inwijding voeren. Er komt evenwicht, er kan een vooruitgang zijn.

Nu is dat natuurlijk de kwestie van het karma van één mens of van een groep mensen. Maar u zou kunnen zeggen, dat een wereld ook een soort karma heeft.

Een wereld loopt gewoonlijk van het eerste primaire leven (dat is eigenlijk een soort half‑levende eiwitcel, die een beperkte bezieling kan dragen) tot als laatste een leven, dat over bet algemeen plantaardig is, of ook weer ééncellig‑dierlijk en dat zich als laatste kan handhaven, wanneer de planeet haar levensmogelijkheden heeft verloren.

Nu zijn er altijd een 4‑ of 5‑tal massapunten; dode punten zou je eigenlijk moeten zeggen, maar massapunten lijkt mij een goede vertaling. Bij deze massapunten vindt het volgende plaats: Een zeer groot aantal van de levens, die zich eens dus in verschillende vormen hebben gemanifesteerd, bereiken gelijktijdig een punt van bewustzijn, waarbij ze van de voertuig­lijke mogelijkheid (dus de levensmogelijkheid op zo’n wereld) gebruik kunnen maken. Vier is voor de meeste planeten wel juist; sommige kennen ook acht of negen van die perioden. Dat ligt o.m. aan de verhouding planeet ‑ zon (planeetgeest ‑ zonnegeest).

Wanneer zo’n planeet nu een massapunt ervaart, dan gebeurt er iets ty­pisch: Elk massapunt, dus elke massale incarnatie‑mogelijkheid, die op een planeet ontstaat, gaat nl. gepaard met een bijzonder sterke persoon­lijkheidsuitdrukking van de planeetgeest zelf. Je zou kunnen zeggen: Dit is een soort karma van de planeetgeest, die in één bestaan vier mo­gelijkheden krijgt om zijn eigen reactie op hetgeen op en rond zijn lichaam leeft a.h.w. te corrigeren. Daarom gaan al die perioden altijd gepaard met de volgende verschijnselen:

Ten eerste: Een veel scherper dan normaal reageren van de aarde op al het bewuste leven, dat op haar bestaat.

Ten tweede: Een veel feller ingrijpen van de aarde, wanneer een bepaald critiek punt van onjuist denken en handelen wordt bereikt.

Ten derde: Het scheppen van meestal in de eerste periode verborgen mu­taties, waardoor een ander type (dat zou dus in deze tijd waarschijnlijk een ander mensentype zijn) te midden van de massa wordt geschapen en op zijn uithoudingsvermogen en zijn capaciteiten wordt onderzocht om eindedelijk een nieuwe voertuiglijke mogelijkheid te scheppen, zodra het massa­ incarnatiepunt is overschreden, zodat de planeet dan in dat nieuwe voertuig aan een hogere bewustzijnsgraad een gepast lichaam kan aanbieden.

Wanneer u dus op aarde leeft, bent u ook nog aan het karma van de wereld gebonden. Wanneer nu die wereld in een vroegere periode heeft ge­faald, dan zal de omstandigheid, die daarop volgt (het critieke punt dus) een tegenstelling zijn van het eerste. Laten we zeggen (bijbels gesproken): De eerste cosmische ramp, die op die manier in een massapunt ontstond, was de zondvloed; dan zal de tweede waarschijnlijk zijn: vuur.

Dus dat zijn tegenstellingen. Daardoor probeert de aarde in zichzelf ook een evenwicht te vinden. Want de vernietiging op zichzelf is voor haar niet geheel aanvaardbaar; maar zij kan niet anders reageren, omdat dan haar eigen bestaan zou worden aangetast.

Als zij dit een tweede maal moet doormaken, doet zij het anders. En nu bestaat er daarbij iets typisch. U weet, in de legende van de zond­vloed wordt Noach gered. Altijd zal de aarde zelf (of de aardgeest, als u het zo noemen wilt) ervoor zorgdragen, dat de belangrijke soort of soor­ten kunnen voortbestaan.

In de tweede plaats: Wanneer het critieke punt kan worden overwonnen, zonder dat het bewustzijn de oorzaak is van een explosie of tot een gewelddadige vernietiging leidt, zien wij een periode intreden, waarbij o.m. zuiver natuurlijke oorzaken voeren tot onvruchtbaarheid van de soorten, die minder gewenst zijn. De aarde zelf begint een selectieproces; en in dat selectieproces zal zij voor de soorten, die voor een juist voortbestaan en het opbouwen van een hoger voertuig noodzakelijk zijn en bovendien ook

voor de opbouw van een milieu, bijzonder zorgdragen.

Elk massapunt wordt gevolgd door een afname van de gemiddelde wereldbe­volking en een toeneming van variëteiten gedurende de aflopende periode.

Er komt dan een tijd, dat enkele oudere bevolkingsgroepen benevens een sterke nieuwe groep tezamen bestaan en de nieuwe groep de leiding over­neemt; dàn krijgen wij een bewuste aanpassing van de oude aan de nieuwe groep, waarbij het aantal varianten vermindert, maar die welke voortbe­staan in overeenstemming zijn met de overheersende levensvorm.

Aldus werkt karma ook cosmisch op de mens in. En ik geloof, dat het goed voor u is te beseffen, dat op dit ogenblik de aarde nog wel niet een critiek massapunt heeft bereikt, maar er wel zeer dichtbij is.

Dit is weer een periode van massa‑incarnatie. Ongetwijfeld zal deze zich openbaren, doordat vele groepen, die gelijksoortige vorige incarnaties hebben doorleefd en overeenkomstige problemen hadden, deze in de huidige periode tot oplossing moeten brengen. Wanneer in een dergelijke groep enkelen tot een juiste levenshouding komen, betekent dit meestal een zeer goede en bruikbare prikkel voor alle anderen, die uit dezelfde periode zijn voortgekomen en dus met dezelfde onevenwichtigheden hebben te kampen. Hoe meer dergelijke groepen zich stabiliseren, des te groter de zekerheid is, dat de aarde het vreedzame en gelukkige selectieproces kan beginnen. Een dergelijke vreedzame periode noemde men in de oude tijden wel “het Gulden Uur van de planeet” (of ook wel van Brahma) en ge zoudt dit in bijbelse termen kunnen noemen “het 1000‑jarig rijk”, de periode van een vredige selectie, een vredige vorming van de nieuwe soort en een selectie van die mutatievormen, welke ten slotte het hoogste geestelijke rendement kunnen geven in een volgende periode.

In deze kringloop speelt u op het ogenblik een belangrijke rol. Uw vorige incarnaties zullen daarom in het leven, dat u thans doormaakt en hebt doorgemaakt, waarschijnlijk verschillende malen aan het woord komen en de gemiddelde mens met in deze periode enig geestelijk bewustzijn kan dan ook gedurende één enkel mensenleven met een gemiddelde duur van laat ons zeggen 70 jaar, 8 tot zelfs 10 vroegere incarnaties ‑ als dat nodig is afwerken en afhandelen. Onder die incarnaties zullen voor degenen, die in deze periode zeer bewust zijn, misschien ook tijden vallen, dat zij als meer‑bewusten in een onbewust ras daaraan leiding gaven.

Slaagt u erin uw eigen evenwicht in deze dagen te vinden, vrij te zijn van beperkingen, maar volledig trouw aan uw innerlijk wezen en aan de verantwoordelijkheden, die u hebt aanvaard, dan zult u zien dat uw karma ‑juist van dit leven ‑ van buitengewoon groot belang is voor uw verdere bewustwording en dat voor velen uwer een zodanige harmonie te bereiken is, dat u geen verdere levens in deze grof‑stoffelijke vorm behoeft door te maken.

NOOT.

Wanneer gedurende een bepaalde incarnatie een geestelijke band is ontstaan, die zowel kan voortvloeien uit een zuivere intens stoffelijke samenleving als uit een geestelijke harmonie als b.v. deel hebben aan een gelijksoortige geestelijke ontwikkeling of scholing, dan is de mogelijkheid zeer groot, dat men ook in volgende levens elkaar zal ontmoeten. Maar deze ontmoetingen zullen niet in elke incarnatie volledig zijn. Wanneer er nl. met dit vorige leven geen volledige harmonie bestaat, zult u in zo’n incarnatie alleen hen ontmoeten, die een practisch gelijke weg hebben gevolgd als uzelf. Hoe intenser de banden tussen u zijn, hoe groter de zekerheid, dat u elkaar ook weer in de stof zult ontmoeten. Wanneer er echter een verschil bestaat, dan kan het zijn dat b.v. iemand, die in een vorige incarnatie met u heeft samengeleefd, in deze incarnatie nog in de geest vertoeft en ‑ als hij voldoende bewust is kan optreden als uw geestelijke leider, terwijl uzelf enkele generaties later misschien voor de ander een soortgelijke dienst zult moeten verrichten.

Op het ogenblik echter, dat in de wereld (dus nu kijken we even op het symbolische wereldrad) een practisch volledige harmonie bestaat met de omstandigheden, die in die eerste incarnatie waar u samen kwam optra­den, dan kunt u er wel van verzekerd zijn, dat 90 % van degenen, die toen hebben geleefd, ook nu op aarde, bestaan. Het enige wat hierbij nog moet worden opgemerkt is dit: de 10 % die niet terugkeren zijn degenen, die reeds ‑ zonder daarvoor de stof nodig te hebben ‑ voldoende harmonie en evenwicht wisten te vinden, zodat voor hen geen behoefte bestaat om in stoffelijke vorm vroegere fouten goed te maken.