De samenhang tussen schepping en schepper

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 9) – juni 1957

Wanneer wij uitgaan van een scheppend vermogen, dan moeten wij tevens uitgaan van het standpunt, dat de schepping eigenschappen van de schepper vertegenwoordigt. Wij kunnen ons geen absolute schepper voorstellen met een schepping, die waarden bezit buiten de schepper om. Deze onmogelijkheid nu komt in vele gevallen toch in het denken van de mens op de voorgrond. Hij meent, dat in de schepping waarden kunnen optreden die buiten de schepper liggen of zelfs tegengesteld zijn aan de wil van die schepper.

Nu zeggen wij schepper en duiden daarmee een persoonlijkheid aan. Maar wanneer wij het begrip schepper verder uitbreiden en komen tot het hoogst bevatbare voor de aarde en de meeste geestelijke sferen, dan moeten wij zeggen: het Goddelijke. Het Goddelijke is alomvattend en er kan dus niets buiten het Goddelijke bestaan. Zou er buiten het Goddelijke iets kunnen bestaan, dan zou hetgeen buiten het Goddelijke ligt groter of gelijk moeten zijn aan het Goddelijke. Daarmede is voor ons de voorwaarde die wij stellen aan het Goddelijke, teniet gedaan, n.l. te zijn: het Al omvattende, Eerste Oorzaak, voortdurende Bron van alle kracht en voortdurend bevattende in het Wezen alle mogelijkheden die tot uiting komen. Als consequentie kunnen wij dus in ons eigen denken een vaste relatie gaan vinden tussen het Goddelijke en al het geschapene. Het geschapene omvat ook onszelf. Ik wil kort trachten in enkele punten deze verhoudingen vast te leggen.

  1. Mijns inziens kan er niets bestaan, wat niet in God bestaat. Dientengevolge zou alles van uit God gelijkelijk goed of anders gezegd identiek met het eigen wezen moeten zijn.
  2. Alle verschillen en verschillende mogelijkheden, ervaren binnen de schepping, kunnen niet voortvloeien uit een niet‑bestaan van deze waarden of eventueel een aanwezig zijn van werkelijke tegenstrijdigheden, maar moeten te allen tijde voortkomen uit een onvolledig begrip omtrent de werkelijke schepping en het Goddelijke.
  3. Wanneer een deel der schepping erkent dat het in zichzelf een volledige uiting is van het Goddelijke, zal de kracht van het Goddelijke het leven, beleven, de werkzaamheid en de vorm van dit wezen verder continueren en voortzetten, zonder dat het wezen zelf daar onmiddellijk bij betrokken is. Want het bewustzijn, dat wij bezitten, neemt slechts de wetten van het Goddelijke waar, maar kan de wetten van het Goddelijke niet veranderen.

De drie voorgaande stellingen, kunnen voor een mens bv. worden teruggebracht tot het volgende. Wanneer ik leef en in mijn leven komen waarden voor, die ikzelf niet kan aanvaarden, zo is het mij natuurlijk mogelijk deze te bestrijden. Maar op het ogenblik, dat ik deze waarden bestrijd, zullen daaruit andere voor mij onaanvaardbare strijdigheden voortkomen. Op het ogenblik echter, dat ik mijn leven en alle consequenties van dit leven aanvaard als voortkomende uit God en uit het Goddelijke, wordt mijn taak een andere. Het is niet mijn taak mijn leven en de consequenties van mijn leven te veranderen, wel om in alle belevingen en in elke consequentie van mijn bestaan het volmaakte van de Schepper wederom te erkennen. Naarmate deze erkenning intenser wordt, zal mijn werkelijke binding qua bewustzijn met de onvolledige belevingen en toestanden van mijn eigen wezen verminderen. Ik kan dus het Koninkrijk Gods inderdaad betreden in elke vorm, zelfs de meest onvolmaakte.

Dit punt is ongetwijfeld zeer belangrijk. Want als mens en geest gaan wij heel vaak uit van het standpunt, dat wij aan onszelf moeten werken en dat wij aan de wereld moeten werken. Wij gaan dan uit van het standpunt, dat al hetgeen ons niet juist of niet goed lijkt, bestreden moet worden. Dit is in de beperktheid van onze eigen opvatting ongetwijfeld aanvaardbaar. Maar op het ogenblik, dat wij trachten verder te gaan dan dat, kunnen wij niet meer komen tot een voorstelling van een heelal in opbouw, waarbij wij bestanddelen zijn van iets dat nog niet bestaat, maar langzaam zijn vorm verkrijgt. Dit kan alleen voor ons zo zijn, maar nooit van uit de Schepper. Want een begrip “eeuwig” kan nooit “tijd” betekenen, hoe vreemd u dit misschien moge klinken.

Eeuwig is iets dat in zichzelf besloten ligt. Eeuwig moet dus alle punten van mogelijke toekomst en mogelijk verleden gezamenlijk in zich bevatten. Wat meer is: in het Goddelijke is geen verandering mogelijk, omdat de eeuwigheid onbegrensd is en dus in zichzelf besloten. Alle waarden, die in een eeuwigheid één keer zullen worden gerealiseerd, zijn te allen tijde volledig en geheel in die eeuwigheid vertegenwoordigd. Het is dus klaarblijkelijk noodzakelijk een keuze te doen. Een keuze omtrent de wijze, waarop wij van uit ons persoonlijk ervaren dit Goddelijke zullen benaderen, in de band die bestaat tussen het Goddelijke en Zijn schepping. Dus ook tussen het Goddelijke en ons, gerealiseerd op onze eigen wijze.

De eerste mogelijkheid is de actieve. Deze is ongetwijfeld voor het Westen meer aanvaardbaar dan menige andere stelling. Dit wil niet zeggen, dat andere stellingen juister of minder juist zijn. De actieve stelling zegt: Om mij de band, die tussen mij en de Schepper bestaat, te realiseren moet ik te allen tijde nastreven wat volgens mijn opinie de Schepper van mij verlangt, dus datgene wat volgens mijn weten en bewustzijn mijn taak is binnen de schepping. Hierbij wordt echter de Schepper benaderd in één beperkt punt, n.l. het punt dat voor het eigen ik te aanvaarden is, het punt dat voor het eigen ik ook te overzien is.

De tweede mogelijkheid is pseudo-passief. Pseudo, omdat van een werkelijke passiviteit geen sprake is. In dit geval stelt de mens: Ik moet streven en leven, want ik ben in dit leven gesteld. Wanneer ik echter op een gegeven ogenblik niet meer zelf verder kan of zelf geen wijzigingen meer tot stand kan brengen, dan is het mijn taak – dan vooral en dan alleen – om God te aanvaarden als de Originator van al hetgeen voor mij niet aanvaardbaar, begrijpelijk of begeerlijk is. Hierbij wordt God dus in Zijn volmaaktheid een aanvulling van het eigen ik. Maar deze aanvulling brengt nog een directe scheiding teweeg tussen de voorstelling van het ik en de voorstelling van God.

De derde stelling is de werkelijke passiviteit. Deze passiviteit houdt niet in een lotsgebondenheid zonder enige werkelijk uit het ik gestelde daad. Het omschrijft het leven als volgt: Ik volbreng, wat ik volbrengen moet. Ik kan mij hieraan niet onttrekken. Zou ik dit trachten te doen, dan zou ik toch moeten volbrengen op een ander tijdstip, maar op dezelfde wijze. Ik kan lijden noch vreugde ontgaan. Het is mijn taak deze te aanvaarden en deze te genieten. Maar waar ik God als de kracht, die mij drijft, te allen tijde aanvaard, neem ik geen enkele persoonlijke verantwoordelijkheid voor de resultaten en gevolgen van mijn daden. Voor het Westen is deze stelling praktisch niet aanvaardbaar. In het Oosten daarentegen wordt zij wel aanvaard en leidt zij heel vaak tot een hogere bewustwording.

Wanneer wij een band erkennen tussen God en Zijn schepping, dan houdt dit in dat wij ons stellen op het standpunt van een schepsel. Voor God kan er geen band bestaan tussen Hem en Zijn schepping, waar Hij één is met Zijn schepping, waar de schepping Zijn Ik is en Zijn Ik de schepping. Vanuit het standpunt van het schepsel gezien kunnen wij vaststellen ‑ op grond van geloof, ervaringen, belevingen in de geest zowel als mogelijkheden tot ervaringen in de stof ‑ dat indien God de kracht is en wij alles kunnen herleiden tot zijn kleinste vorm, zijn eerste vorm, tot kracht, dat God alle dingen is. Indien God alle dingen is, is Zijn kracht en wezen in alle dingen gelijkelijk tegenwoordig. Elke verschillende vorm moet dus een uiting zijn van hetzelfde Wezen. Maar wanneer elke vorm een uiting is van hetzelfde Wezen, moet elke vorm ook even intens met dit Wezen verbonden zijn. Het wezen, de vorm kan niet bestaan zonder de band met God.

De consequenties worden nu duidelijk. Wij mogen nooit de mens stellen boven het dier of het dier boven de mens. Wij kunnen de dode stof niet stellen boven het bewustzijn of het bewustzijn boven de dode stof. Er is geen enkele mogelijkheid om de werkelijke waarden der dingen af te schatten en zo een verschil in band met de Schepper vast te stellen. De band tussen God en Zijn schepping is overal gelijk. Het Goddelijke is gelijkelijk de kracht, die alles vormt en in stand houdt ongeacht vorm, wezen, capaciteit en kwaliteit. Alle krachten van het  duister zijn evenzeer krachten van God, uitingen even direct met God gebonden als de hoogste krachten van het licht. Er blijft ons in deze band met God geen mogelijkheid tot differentiatie over.

Er is echter gelukkig één waarde, één maatstaf, die wij van uit ons standpunt ‑ deel der schepping ‑ wel mogen hanteren en dat is bewustzijn. Ofschoon God Zich van alle dingen gelijkelijk bewust is en in alle dingen gelijkelijk leeft, kan niet worden gezegd dat alle dingen zich ook gelijkelijk van God bewust zijn en dus bewust in God leven. En hier ontstaat het verschil. De band tussen God of het Goddelijke en de dode materie is eenzijdig. Het is God, die Zich daarin uit. Maar het hogere bewustzijn aanvaardt ten dele of geheel God als een kracht en als zodanig is hier sprake van een wisselwerking.

Wij kunnen nu stellen, dat de band tussen God en Zijn Schepping, vanuit ons standpunt intenser wordt, naarmate het deel der schepping zich meer de werking van de Schepper, van het Goddelijke, in zijn eigen wezen en beperkingen kan realiseren. Dit brengt ons tot de harmonie met God. Harmonie met God, met het Goddelijke, met de Oerkracht, kan nooit voort­vloeien uit een werking vanuit God. Dit is onmogelijk. Want God is in harmonie met alle dingen en Hij is alle dingen. Zo is Hij in alle dingen slechts in harmonie met Zichzelf. Maar ons bewustzijn ‑ ook behorende tot Zijn Wezen ‑ is klaarblijkelijk voor uitbreiding vatbaar. Het is de mo­gelijkheid tot realisatie van de gehele schepping van uit elk deel. En de­ze mogelijkheid is klaarblijkelijk niet overal gelijk ontwikkeld. Daarom kun­nen wij van deze mogelijkheid gebruik gaan maken om voor onszelf een levenshouding te bepalen, om voor onszelf een verschil in waardering te vinden t.o.v. verschillende vormen, stoffen, toestanden en waarden. En dan kunnen wij stellen: Naarmate bewust ‑ dus wetend ‑ de krachten van God inten­ser worden aanvaard, zullen de krachten van God beter worden erkend door het wezen ‑ dus het bewustzijn; gelijktijdig echter zullen de goddelijke krachten sterker tot uiting komen in het wezen, zelfs ondanks het bewust zijn. Ik hoop dat dit zover duidelijk is.

Nu moet ik nog een paar opmerkingen maken. Gezien het feit, dat voor ons niet gelden kan de band, die het Goddelijke heeft met het geschapene, maar wel de band, die wij hebben als deel van het geschapene met het Goddelijke, mag worden gesteld, dat al ons leven en streven ‑ onverschillig of dit voor ons te wijzigen is of niet ‑ voor ons in het bewustzijn een voortdurende schrede moet worden naar groter begrip, naar grotere, intensere beleving van God. Hierbij is dus de intentie van onze handelingen en ons bewustzijn omtrent onze omgeving van het allergrootste belang. Naarmate wij in staat zijn meer ten goede te handelen van uit ons bewustzijn, zullen wij voor onszelf elke strijdigheid met de wereld en dus met de Schepper, Die zich in die wereld uit, verminderen. Ons streven ten goede ‑ en dit geldt gelijkelijk voor elke schepping ‑ elk deel van de schepping op eigen bewustzijnsvlak ‑ ons streven is niet “goed te zijn,” maar elke remming van ons wezen te doen wegnemen, die ons belet het Goddelijke te ervaren. Hier ligt nu de werkelijke band van ons standpunt.

Op het ogenblik dat ik zeg: “kwaad”, ontken ik een deel van het leven, een deel van de schepping, een deel van de mogelijkheden. Echter zijn leven, mogelijkheden en toestanden alle stuk voor stuk deel van God. Het feit dat ik bepaalde delen moet ontkennen ‑ gezien de beperktheid van mijn bewustzijn ‑ dient mij dus te dwingen tot een voortdurend zoeken naar het aanvaardbare, opdat ik bij het beleven van het aanvaardbare de band tussen mij en God sterker maak.

In het geval van het dier is dit een zoeken naar een zo groot mogelijke tevredenheid, ook wanneer deze van uit menselijk standpunt niet meer aanvaardbaar is. Deze tevredenheid met het leven, deze levensaanvaarding zonder verwijten t.o.v. de schepping, zonder ontkenning van delen der schepping, is voor het dier harmonie met God. Dus realisatie van de band tussen het dier en het Goddelijke.

Voor de plant is het de aanvaarding van de omstandigheden zonder enig verzet. Bij de plant is het het lijdelijk ondergaan van hetgeen de toestanden haar opleggen, dat voor haar de band met God vormt.

Voor de vaste materie zal het ongetwijfeld het bestaan zelf zijn en het ervaren van dit bestaan als goed. Het ervaren stelt ook voor de dode materie een ‑ zij het zeer gering ‑ bewustzijn als norm. Uit onze eigen ervaring kan ik u verzekeren dat dit inderdaad zo is.

Met de behandeling van dit onderwerp beginnen wij nu te komen aan het kritieke ogenblik: de verwerkelijking van het ik in de Eeuwigheid, in God. Die verwerkelijking kan alleen van uit onszelf plaatsvinden. Bij deze verwerkelijking zijn wij eerst gedwongen de band, die tussen ons en God bestaat, steeds intenser te aanvaarden. Ik zeg niet te beleven, te aanvaarden. De aanvaarding is hier de eerste noodzaak. Want aanvaarden wij een band, die bestaat tussen ons zowel als elk ander deel van de schepping en de Schepper, dan is er een gelijke beleving in alle vlakken voor ons mogelijk geworden. Wij kunnen stoffelijk, zuiver organisch, mentaal geestelijk en zelfs in de ziel (de directe kern van kracht) gelijk ervaren en op elk van deze vlakken een bepaald facet van het Goddelijke realiseren. Dat is de werkelijke band. Voordat wij kunnen komen tot een aanvaarding van de grote en eeuwige waarden, moeten wij de verbinding tussen ons en het Allerhoogste steeds intenser tot deel van ons bewustzijn maken.

Nog een laatste punt voordat ik deze lezing besluit. Waar wij ook gaan, hoe wij ook leven, hoe wij ook handelen, alles is van uit God goed. Maar wanneer deze handeling ‑ van uit God goed ‑ voor ons betekent een vervreemding van wereld en bestaan, is zij fout, is zij kwaad. Goed en kwaad zijn waarden die wortelen in onszelf, die voortvloeien uit ons eigen bewustzijn. Maar het feit dat zij slechts daaruit ontstaan, maakt het ons nog niet mogelijk deze waarden te variëren of te wijzigen. Zij zijn deel van ons wezen, deel van onszelf, onontkoombaar. Als zodanig zullen wij steeds ‑ willen wij een werkelijke band vinden met God ‑ moeten handelen volgens de normen van goed en kwaad, die in ons leven. Alle waarden, die in de wereld rond ons bestaan t.o.v. goed en kwaad, hebben voor ons geen betekenis, tenzij zij beantwoorden aan ons eigen wezen.

Dit houdt in, dat naarmate goed en kwaad voor ons factoren en normen worden, die met een groter deel van het Al gelijkelijk worden gedeeld, wij ook intenser deel hebben aan de schepping en dichter staan bij de Schepper. Het eigenaardige is echter, dat naarmate ons delen van het bewustzijn “goed en kwaad” met een groter gedeelte van het Al zich uitbreidt, gelijktijdig de waarden “goed en kwaad” minder ver van elkaar af liggen. De gebieden goed en kwaad worden dus groter. Op het ogenblik dat wij geen goed en kwaad kennen, maar wel in de wereld rond ons dit ervaren, hebben wij ‑ wat betreft de onmiddellijke band van uit ons bewustzijn met het Goddelijke ‑ de perfectie bereikt. Wij zijn dan niet in staat om één te zijn met God, maar wij zien waarden aan beide zijden van ons eigen bestaan, die slechts één weg van handelen nog mogelijk laat, waarbij zij elkaar volledig opheffen.

In deze tegenstrijdigheid wordt heel de schepping kenbaar. Gelijktijdig kan zij ons niet meer beroeren. In dit onberoerd kennen van de schepping komt voor ons de eerste mogelijkheid om ‑ naast een erkennen van de band met God ‑ te komen tot een waar erkennen van het Goddelijke en zo tot een volmaakte harmonie met de Schepper.