15 mei 1964
Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Indien er een onderwerp is, dat u bijzonder interesseert, kunt u dit kenbaar maken.
Pinksteren
Een feest dat nogal eens verkeerd wordt bezien en begrepen. Het is, zo stelt het christendom, het feest van de nederdaling van de H. Geest over de leerlingen, die in angst en vrezen tezamen waren gekomen in de korenbeurs in Jeruzalem. Daarmede is dan voor de meeste mensen de zaak afgedaan.
Men viert feest, omdat deze H. Geest neerdaalde in de gedaante van vurige tongen, de leerlingen hun angst vergaten, in tongen spraken enz. Daarbij vergeet men dan echter, dat de kern van het pinksterfeest heel wat ouder is dan het christendom. Net zoals de plechtige viering van dit feest wel wat jonger is dan het christendom. Zelfs de tijd van viering blijkt samen te vallen met vroegere lentefeesten – en de daaropvolgende plechtigheden – bij bijvoorbeeld de druïden. Deze druïden zijn evenmin de bloeddorstige kaste, die men vaak van hen wil maken, zoals uw voorvaderen, de Batavieren, als bierdrinkende woestelingen vechtende en vrouwen verspelende, de Rijn kwamen afzakken naar het tot dan bijna onbewoonde moerassige Nederland. Nederland was al intens bewoond vanaf 12.000 jaar v. Chr., terwijl het ook niet zeker is dat alle Bataven werkelijk bij Lobith in ons land zijn gekomen.
Ik meen dat de vóór-christelijke achtergronden van de feesten rond Pinksteren voor een goed begrip zeer belangrijk zijn, zodat wij allereerst daaraan aandacht zullen besteden, om eerst daarna eens over het christelijke pinksterfeest te gaan praten. Veel van het huidige pinksterfeest is uiteindelijk een kwestie van geloof; een geloof, dat nogal eens waarden verschuift of verdraait. Zelfs indien deze verdraaiingen nu niet meer opzettelijk geschieden, is het toch wel interessant eens te zien, wat er was vóór het christendom deze feesten steunde en de waarheid algemeen aanvaard werd van de door de kerk verkondigde stellingen.
Om een voorbeeld te vinden van de processen, die vooraf gingen aan de gevestigde christelijke maatschappij, kunnen wij onder meer eens een kijkje gaan nemen bij Karel de Grote. U herinnert zich misschien nog wel dat er in zijn dagen een grote strijd was met de Saksen. Hun aanvoerder, een zekere Widukind – zoon van Wodan – heeft zich, volgens de overleveringen, gekeerd tegen het opdringende christendom, om uiteindelijk zelf bekeerd te worden. Helemaal juist is dit alles niet. Vreemd genoeg hadden de Saksen in die dagen reeds een vorm van christendom aanvaard, hen door de Romeinen indertijd gebracht. Maar dit was geen vorm van christendom, dat kerkelijk en politiek in Karels tijd aanvaardbaar was. Men kan nu rustig zeggen, dat Widukind zich van het heidendom tot het ware christendom bekeerde en zelfs heilig geworden is. Hij zou zich geheel vrijwillig tot het christendom hebben gewend, na de waarheid daarvan beseft te hebben. Daarbij vergeet men dan maar liever, dat om deze spontane bekeringen van de Saksen en hun aanvoerder mogelijk te maken, op een enkele dag tenminste 5500 mensen werden onthoofd. Maar ja, misschien is dit een oude en erkende wijze van christelijke missie geweest.
Genoemde vorm van vroeg-christendom kon ook onder de Saksen zo gemakkelijk voet krijgen, omdat de werkelijke leer van de druïden vele punten kende, die met de leringen van de vroege christenen overeen kwamen. De christenen geloofden in Jezus, niet alleen als een meester, maar ook als een leraar, gezel en helper. Zij geloofden verder in een Heilige Geest, een kracht Gods, die zich binnen de mensen kan openbaren.
De oudste christenen dachten nog enigszins anders: zij spraken bijvoorbeeld nog niet van de Vader, de Zoon en de Geest, maar van de Vader, de Moeder en de Zoon. De Zoon nam, in de relaties tussen mens en God, toen enigszins de plaats in, die men nu toekent aan de H. Geest. De Zoon was een kracht die, op aarde geleefd hebbende en in de eeuwigheid bestaande, zich uiten kon in de mensen. Hij toonde daarin veel overeenkomst met de Saksische figuur Saxonis, een godheid die nu niet meer algemeen bekend is, maar waarvan men o.m. placht te zeggen: dat “hij vaak de wereld bezag door de ogen der mensen”. Hij trad dus binnen in bepaalde mensen en priesters. Bij de Keltische druïden vinden wij het denkbeeld, dat er bij het begin van de lente niet alleen maar een nieuwe cyclus van leven op aarde, maar tevens een nieuwe cyclus van inwijding ontstaat. Bij deze inwijdingen wordt de mens onderworpen aan bepaalde proeven, maar krijgt ook hulp. Deze hulp is dan – ik vertaal vrij – “de stem van de levende God – of de zon – die spreekt in de zoekers”. Men wordt hierdoor, evenals bij het pinksterverhaal de leerlingen door de H. Geest, bevangen door een hoge invloed.
De hele kwestie van de druïden kunnen wij misschien het beste wel zo stellen: volgens hen bestaan alle dingen uit 12-tallen: twaalf was voor hen een heilig getal, evenals het getal 3. Zij geloofden, dat er 2 x 12 waarden op aarde waren. Dat maakt een vergelijken met de tekens van de dierenriem wel moeilijk, tenzij wij stellen dat elk teken een positieve en een negatieve betekenis bezit, die afzonderlijk gezien kunnen worden. Verder kenden zij aan alles zowel een uiterlijk als een innerlijke waarde toe. Men kan aannemen dat zij op deze wijze voor zich de kosmische harmonieën trachtten uit te drukken. Hierbij zien wij overeenkomsten met bepaalde leringen van de priesters van de Maya’s. Een aardige formulering van de geheimen van de druïden luidt als volgt: In het begin is er de 1, de 2 en de 3 en zie, uit hen worden de 12 geboren. Zoals Hij is (onzichtbaar), zo is Hij (zichtbaar). In ons, door ons, is Hij en openbaart door ons zijn wezen en zijn werken.
Wie naar deze “heidense” stellingen goed geluisterd heeft, zal hierin veel vinden dat overeenkomst vertoont met de christelijke versie van het pinksterfeest. Ook daarin immers is sprake van de Geest Gods, die in de mens treedt en deze mens tijdelijk verheft boven zijn eigen wezen. Een soort inwijding dus. Overigens kunnen wij hier nog wel meer parallellen trekken. De formulering “de 1, de 2 en de 3” doet ons denken aan het teken, dat de Phythagoreën wel gebruikten: een soort lambda, welke aangeeft, dat men steeds weer de keuze heeft, maar dat deze tegengestelde mogelijkheden en waarden bij een juiste keuze tot één enkele harmonie samenvloeien. De druïden hebben hun spreuk waarschijnlijk wel wat anders bedoeld, gezien de magische praktijken die zij aan deze formule verbonden hadden. De hoofdgedachte blijkt echter ook bij hen te zijn geweest: de behoefte om een perfecte balans te vinden.
Dit zoeken naar en bereiken van een balans in deze zin kunnen wij ook terugvinden bij de Mayacultuur, al heeft u daarvan waarschijnlijk alleen maar gehoord dat de priesters daar op Pyramide tempels mensen offerden, steeds maar op de tocali, de grote trommen, roffelden en stinkende naar het bloed van hun offers door de straten liepen. Maar de priesters daar waren toch ook wel heel anders. Zij kenden een vorm van verering, waarbij de zon en de maan beschouwd werden als de zichtbare, de kenbare uitingen van het goddelijke wezen, waarbij beide eigen tempels bezaten en afzonderlijk verering genoten, terwijl als derde hoofdgod de moed en de wijsheid vereerd werden. Hun formulering luidde o.m. zo: Wanneer wij in het rijzen van de zon en de weerkaatsing van de maan de werkelijkheid zien van ons leven, zo worden wij bevangen door – oorspronkelijk Trixt-coatl, maar later ook wel – Huitzi-catl. In wezen gaat het voor hen hier om de vreemde God, die door ons spreekt en door ons zijn geheimen aan allen openbaart. Zo sterk was dit met het bestaan van de volkeren verweven, dat zelfs in deze dagen nog de Indianen liederen kennen, die aan dit gebeuren gewijd zijn. Alleen is de betekenis van de liederen helaas grotendeels teloor gegaan, zodat men zelfs niet meer weet, waarom men bepaalde klanken invoegt en zingt. We kunnen ook hier de gedachte vaststellen aan een soort pinkstergebeuren, waarbij de ingewijden, de uitverkorenen, bevangen worden door de geest van de God.
Deze gedachte vinden wij steeds weer waar van inwijdingen sprake is. Wij kunnen bijvoorbeeld in Egypte dergelijke gedachten weervinden, ofschoon inwijding natuurlijk in alle tijden en alle landen mogelijk is geweest. Egypte is echter wel het meest gekend als bron van mystiek, magie en inwijdingen.
Ook daar vierde men een feest, dat ongeveer in deze tijd van het jaar placht te vallen – april of mei – waarbij neofieten en priesters in de tempel moesten overnachten en waken. Zij dienden in de tempel om gedurende de nacht de “stem der goden te horen”, waar men weleens een bedrog mee pleegde overigens.
Was men ver genoeg gevorderd om de hogere inwijdingen te ontvangen, dan werd aangenomen, dat men via deze stem het “grote geheim” had gehoord. Meestal kwam dit geheim later tot uiting in een soort aanroeping, die vaak zeer fraai dichterlijk werd geformuleerd. De mens die deze voor hem persoonlijk bestemde aanroeping uitsprak, werd in de uren van de vroege morgen dan bezeten door Horus, de zoon van Osiris en Isis. Gelijktijdig was hij echter ook de komende morgen, het komende licht, een manifestatie van Re, welke de mens nog zonder verblinding een ogenblik zal kunnen aanschouwen.
Ook hier in wezen weer een vorm van inwijding, waarbij de mens geconfronteerd wordt met een innerlijke kracht, die hij tot dan niet heeft beseft. Een kracht, die hem boven zichzelf verheft en waarover elders geschreven staat, dat zij zich uit in een kennis en een weten, die ver uitgaan boven alle kennen en weten van de mensen, zodat zij niet uitgedrukt kunnen worden in de woorden van de mensen, maar innerlijk de geheimen van de kosmos aan de ingewijde openbaren.
Men zou verder kunnen gaan met voorbeelden uit het verre verleden. Laat ons echter terug gaan naar de Saksen bijvoorbeeld. Ongeacht het omtrent deze en dergelijke volkeren gestelde, en mede op grond van de laatste opsporingen en ontdekkingen van deze dagen, kan wel worden gesteld, dat hier sprake was van een werkelijke beschaving, een afzonderlijke cultuur. Op grond van het weinige wat men nog weet over de priesters van die dagen kan ten minste worden gesteld dat zij een groot begrip hadden voor de waarden en ritmen van de natuur. Zo kennen zij bijvoorbeeld meerdere maancycli, waarbij er een van 23 en een van 28 dagen is – mannelijk en vrouwelijk – zodat de inwerking van de maan voor de geslachten verschilt. Zeker waren deze priesters ook vaak mensen, die inzicht hadden in de werkelijke achtergronden van het leven. Daarbij mogen wij niet vergeten dat inwijdingen, waarin deze kennis bereikt wordt, reeds zo oud zijn als de mensheid. Uit deze inwijdingsleer ontstond bij de priesters van deze stammen dan ook al snel een begrip voor de leer en geloofswaarden van de eerste christenen. Hun verzet was niet tegen het christendom, maar tegen een vorm van zending, die hun eigen inwijdingen, gebruiken en riten wilde verbieden, hun tempels en heilige wouden ontheiligde enz.
De leringen van Jezus echter waren voor de ingewijden onder hen een geheel begrijpelijk iets. Jezus’ leer was voor hen eenvoudig een aantonen van de weg die men gaat, om het innerlijke contact met God of goden te bereiken. Een weg die ook voor hen voert tot het doel van leven en werken.
Zo ontstonden er dus groepen die deze leer erkenden, een vorm van christendom, die echter niet door het officiële christendom aanvaard kon worden, omdat zij slechts een kracht en gezag kenden, dat door hen werkelijk aanvaard werd: God zelf. Zoals men in het bestuur van de stammen een scheiding placht te maken tussen de goddelijke facetten van bestuur, het bovennatuurlijke en het meer menselijke, zo wilde men dit ook in het christendom zien. Terwijl de priester met zijn riten, zijn heilige bossen en bomen, gezag had zodra het ging over goden, krachten en voortekenen, zo had men in het stoffelijke bestuur de uitvoering opgedragen aan een macht, die van het priesterdom in wezen geheel los stond: degene, die op het schild geheven werd in tijden van oorlog, in vrede de raad der ouden tezamen riep met de aanvoerder van de stam. In alle menselijke ordening had deze raad alle gezag; zodra er godsdienstige waarden in het geding kwamen, spraken de goden door hun ingewijden, de priesters.
Deze priesters, hun heiligdommen en godsdienstige beslissingen aan de hand van voortekens, profetieën, waren voor de stam onaantastbaar. Gezien de legende van de wildheid en woestheid van de Saksen is het misschien wel aardig te vertellen, dat door Karel de Grote een oorlog werd uitgelokt. Oorspronkelijk handhaafde men een soort status quo, omdat men, gezien de kennis van waardering voor het christendom die men daar tegen alle verwachtingen aantrof, meende eenvoudigweg en goedkoop deze stammen te kunnen bekeren.
Zij wilden echter hun zelfstandigheid van denken en geloof niet prijsgeven. Dit beviel de goede en grote Karel niet al te zeer. Hij liet daarom door zijn mannetjes een zeer oude heilige eik omhakken. De Saksen beantwoordden dit door christelijke kerken te verbranden. Karel kon dus weer zijn oorlogje voortzetten, zonder met eigen geloof en kerk in strijd te komen.
Misschien vraagt u zich nu af, of een dergelijk begrip van het christendom en de strijd daartegen, dan wel het speciale noodlot van de Saksen, waren. Het antwoord hierop is neen. Overal in het christendom vinden wij dergelijke groepen, al dan niet geheel christelijk. Denk maar eens aan de Catharen, de Waldenzen. Ook deze groepen werden door andere vorsten en onder andere omstandigheden uitgeroeid. Waarom? In de eerste plaats wel, omdat de kerk in die tijd streefde naar veruiterlijking, naar uiterlijke macht. Het geloof zelf werd een formule, die men gebruikte om gelijktijdig vrede te sluiten met God en eigen zin door te zetten. Misschien meent u dat dit zo niet gezegd mag worden. Historisch is deze these echter aantoonbaar.
Pinksteren was daarom in werkelijkheid ook zeker niet dat, wat men daarvan later heeft willen maken, namelijk de uitverkiezing door de H. Geest en dus door God zelf, van een aantal mensen dat hierdoor op zou kunnen treden als Zijn speciale gezondenen, terwijl zij de verworven macht en wijsheid aan hun opvolgers over zouden kunnen dragen. Laat ons hierbij niet vergeten, dat de priesterwijding en daarmede ook de uitzonderlijke machtspositie van de priester, berust op de overdracht van de ontvangen H. Geest en de bevoegdheden en macht van de apostelen. Ook hierbij wordt dus macht en kracht ontleend aan het gebeuren van Pinksteren.
Waarmee wij kunnen stellen, dat het Pinksterfeest zeker niet alleen het gebeuren is dat men daarin kerkelijk wenst te zien. Het is een uiting, die wij ook elders tegenkomen, iets wat in direct verband staat met de relatie tussen mens en God. Wij zullen dus er goed aan doen allereerst te trachten het werkelijke geheim van het pinkstergebeuren te achterhalen.
Allereerst schuilt dit geheim wel in de eigenaardige innerlijke structuur van de mens. Mens zijn is een bepaalde fase van ontwikkeling. Er zijn dus andere fasen van bewustzijn aan vooraf gegaan, terwijl nog weer andere fasen als vormen van bewustzijn op het menselijk bestaan zullen volgen. Wanneer men mens is, heeft men ook een mate van begrip voor God. God ligt dan niet alleen maar buiten het Ik, maar is als het ware een ruimte die je in jezelf kunt ontdekken. Het eerste contact dat je innerlijk maakt met je God, is altijd weer leegte. Leegte is angst, is niet meer weten wat je moet doen. Dan eerst, als een heel verre echo komt uit dit “niet” in eigen wezen langzaam maar zeker een begrip tot stand. Je kunt dit geen beeld of woord noemen. Toch is het een begrip. De aanvaarding van dit begrip maakt je vrij van allerhande belemmeringen die je tot dan toe hebt gekend.
Het moment van inwijding wordt op vele verschillende wijzen gezocht. Jezus heeft omtrent het bereiken van dit ogenblik echter wel degelijk leringen gegeven. Degenen die geen letters ziften, maar – zelfs in de erkende evangeliën – durven zoeken naar de achtergronden, de verborgen waarden en waarheid, zullen ontdekken, dat Jezus’ gehele leven eigenlijk een poging is geweest de mensen op te voeden, tot zij dit innerlijk contact kunnen bereiken en aanvaarden. Het belang en de noodzaak hiervan te begrijpen: het Tijdperk van de Vissen zou immers beginnen.
Dit was een materialistische periode. Daarom moest in de mens het contact met het hogere geschapen worden – al zouden het nog zo weinigen zijn, die een werkelijk en blijvend contact met het goddelijke zouden vinden – om te voorkomen, dat de mensheid als geheel aan het einde van de materialistische periode radeloos zou worden. Er moesten mensen zijn, die méér in zich zouden kunnen dragen dan alleen de eerste leegte van het ontmoeten van de Goddelijke krachten in het Ik. Tenminste enkelen dienden er te zijn, die zouden beseffen wat de waarheid, het werkelijk belangrijke in het leven is en alle remmingen van een te materialistisch menszijn van zich konden werpen.
Brokstukken van een overlevering van de inwijdingsleer van Jezus zijn nog bewaard gebleven en u bekend onder de naam: Pistes Sofia. Hierin vindt men een aanduiding van de werkelijke leraar Jezus, de Jezus die men teveel voorbij gaat.
Hier treffen wij Jezus de Inwijder, de Magiër, de Wetende, die letterlijk en werkelijk de Weg is, niet door genade of zijn persoonlijkheid, maar door de methodiek die hij de mens geeft om in zich te komen tot het werkelijke contact met zijn God.
Nu kunnen wij trachten de situatie te ontleden, zoals deze tijdens het pinkstergebeuren geweest moet zijn:
Normalerwijze heeft een mens eigendommen, bezit, aanzien, verplichtingen, waardoor hij aan zijn wereld en het denken van de wereld gebonden is. Hierin meent hij voor zich een zekerheid te vinden, die hij niet gaarne prijs zal geven. De leerlingen van Jezus hadden een dergelijke zekerheid echter niet in de dagen van het pinkstergebeuren. Zij worden reeds in die dagen met de nek aangekeken. Zij hoorden er niet meer bij. De tempel zocht hen te bekeren en terug te voeren tot de tempel, of wanneer dit niet zou lukken, hen te doen verdrijven of zelfs te doen stenigen voor andere zonden. Dat men hen niet als christenen wilde vervolgen, kwam voort uit de behoefte op geen enkele wijze het mogelijke belang of de mogelijke waarde van Jezus te erkennen. In hun grote onzekerheid hadden de leerlingen dus niets meer. Zij hadden alles achter zich gelaten. De normale banden en verplichtingen van de maatschappij bestonden voor hen niet meer. Hun enige kans was het vinden van het koninkrijk Gods, de weg die Jezus hen geleerd had. Maar wanneer zij in hun innerlijk zochten, vonden zij daar nog niets als leegte, leegte, leegte. De Meester was heengegaan.
Tot dan toe had Hij voor hen de leegte gevuld, deze onmetelijkheid van innerlijke krachten, van leven, die zij wel aanvoelden, waarmede zij echter niets wisten te doen. Ik meen dat het juist hierdoor is, dat zij nog samenkwamen. Zoals soms mensen met een bepaald gebrek of een bepaald geloof samen plegen te komen, omdat zij niet passen in de maatschappij, zoals mensen in de vreemde samenkomen, omdat eenieder een andere taal spreekt en men alleen bij landgenoten werkelijk geheel zichzelf kan zijn en zichzelf kan uitdrukken. Op soortgelijke wijze plachten de leerlingen onderling samen te komen, herinneringen op te halen. Hun samenzijn in de korenbeurs zal een poging geweest zijn om via meditatie, contemplatie, incantatie en alle verdere middelen, die zij zich indenken konden, een poging te doen de innerlijke leegte te overbruggen en iets terug te vinden van Jezus. Daarmee hebben zij de schepen achter zich verbrand; zij gaven toe dat zij zelf niets waren, machteloos waren, zij moeten kiezen of zij verder wilden gaan, of vergeten wat Jezus hen geleerd heeft. Doen zij het eerste, dan zullen zij, evenals anderen in hun inwijdingen, alles achter moeten laten. Jezus heeft zelf hier ook reeds van gesproken: het verhaal van de rijke jongeling die Hem wilde volgen, werd niet alleen gedaan om duidelijk te maken hoe hoog de eisen wel waren, die Hij aan zijn volgelingen stelde, maar was bedoeld om een te kennen geven van het feit dat men, om geestelijk werkelijk te bereiken, de banden met de wereld moet breken.
De mensen denken bij dit verhaal en Jezus’ eis alleen maar aan het achterlaten van bezit, vader, moeder, kinderen. In wezen wordt echter nog veel meer geëist: vader en moeder zijn, geestelijk gezien, ook de vorige bewustwordingen, die je hebt doorgemaakt, de kennis, die werd opgedaan, de wetenschap, die men in dit leven verworven heeft. De kinderen zijn de vindingen, die men deed, de denkbeelden die men vormde, de producten van eigen leven en streven. Ook deze dient men achter te laten. Om in zich God te kunnen ontmoeten, moet men vrij zijn van alle vooroordeel, moet men op de gevoelde leegte antwoorden, door zelf tot leegte te worden, zo het Ik geheel vrijmakend van alle storingen. Eerst dan kan het Goddelijke tot ons spreken en waarlijk door ons worden verstaan.
Nu kunnen wij ons indenken, hoe deze bijeenkomst geweest moet zijn: niet alleen een samenkomst vol diepe wanhoop of rumoerig gebed, maar ook een in wanhoop zichzelf verliezen. “Ik ben niets meer”, zo zullen zij tot zichzelf gezegd hebben. Op het ogenblik dat zij wisten, dat alles wat zij dachten te weten, zelfs over Jezus en zijn leer, niets was, dat zij zelfs dit alles achter moesten laten, kregen zij – zoals in zovele inwijdingen gebeurt – dit vreemde contact met… ja, met wat? God is ook maar een woord… Met het geheimzinnige, met het onbeschrijfbare. Op dit ogenblik vallen alle remmen van hun denken weg.
De meesten onder hen zullen dit meerdere malen grotendeels begrepen hebben. Maar zij meenden, dat je die zo zonder meer niet kunt gaan spreken, zij meenden dat je dit eerst moeizaam moest leren. Zij hebben vreemde woorden gehoord en er nooit over nagedacht wat dat wel betekende. Nu echter vielen de remmen weg: zij associeerden, spraken vreemde talen, zij spraken inderdaad in vreemde tongen. Wij weten echter dat dergelijke verschijnselen ook elders, zelfs bij mediums, maar ook bij genootschappen als bijvoorbeeld de druïden, wel voorkomen. Er is zelfs een verhaal over een druïde, die bij een eerste ontmoeting met Romeinen, dezen in perfect Latijn aansprak, ofschoon hij deze taal nooit geleerd had en zover men wist ook nooit zelfs maar had gehoord.
Wat is het eindresultaat van het pinksterwonder? Degenen die daar aanwezig waren, verdwijnen kennelijk, wij horen niets meer van hen. Dat is toch eigenlijk vreemd. Van bepaalde apostelen horen wij nog wel iets, al zijn dit lang niet alle 12. Van de 72, die aanwezig waren en de geest ontvingen, horen wij echter verder niets meer. Wij horen niet dat zij kerkvaders geworden zijn, leringen hebben verbreid. Zij treden op in Jeruzalem, spreken in vreemde tongen, doen wonderen. Maar dan? Basta. Weg. U zult wel begrijpen, dat dit niet direct logisch en redelijk is, vooral omdat wij bijvoorbeeld van Paulus zo ontzettend veel horen en weten. Maar misschien paste hun optreden verder niet zo goed binnen het verhaal: het verhaal van de kerkelijke autoriteiten, dat een onfeilbaarheid, een uitverkiezing moet gaan bewijzen. Daarin immers zou het niet passen, dat deze mensen verder hun eigen wegen gaan en zich niet slaafs onderwerpen aan bijvoorbeeld het experiment van Petrus met de eerste christengemeenschap in Jeruzalem.
Het geloof moet immers een organisatie zijn. En dat was het gevolg van Pinksteren zeker niet. Waarmee, naar ik meen, wel duidelijk zal worden, waarom ik het Pinksterfeest niet alleen kan zien als een onderwerp vol van wijding. Het is gemakkelijk, om van het pinstergebeuren vol wijding te spreken. Het is eenvoudig om, zoals zo velen rond deze dag, uit te roepen: “Daal over ons, o Heilige Geest” en dan maar te vergeten, dat de H. Geest in deze dagen klaarblijkelijk nooit thuis is, omdat hij nooit komt, wanneer zij hem roepen.
Toch is het niet onlogisch: de H. Geest is nu eenmaal iets wat niet buiten u, maar in u bestaat. Het is het al oude geheim, dat van de Atlantische Broederschap af – de tegenwoordige Witte Broeders – de gehele wereld door steeds weer geopenbaard wordt. Er zijn velen geweest die deze mogelijkheid, deze innerlijke weg, aan hun medemensen geopenbaard hebben, wij noemden dezen reeds eerder. U herinnert zich wel namen als Osiris, Hermes, de Boeddha. Velen vonden dit geheim in zichzelf.
Dit brengt mij tot een conclusie die buiten de gangbare norm ligt:
Er is iets onbekends in de mens. Wij weten niet wat. Wij kunnen daaraan een naam geven, het H. Geest noemen, of beschrijven als een vurige tong. Bewijzen dat dit terecht geschiedt, kunnen wij echter niet. Wij kunnen alleen bewijzen, dat er iets is, iets groots, iets onmetelijks, een geheim. Wij kunnen aantonen, dat een mens die alles achterlaat en als in diepste wanhoop in de leegten van zijn eigen wezen zich stort, terwijl hij toch zoekt naar Licht en goedheid, een antwoord vindt. Maar welk antwoord hij vindt, kunnen wij niet zeggen. Enkel kunnen wij aannemen, dat dit antwoord voor het Ik steeds buitengewoon belangrijk is, maar lang niet altijd gelijkluidend met alle soortgelijke “antwoorden” bij anderen, die de inwijding bereiken.
De Ouden hadden ook hierop een antwoord: zij verdeelden de wereld en de mensheid in 12 hoofdtypen, elk weer te verdelen in 12 subtypen. Zij stelden: voor elk van de 144 (typen) is er een afzonderlijke weg. Wij vinden daarvan overigens nog iets terug in het getal 144.000 in het Boek der Openbaring. 144.000 is het getal van de uitverkorenen, van hen die in zullen gaan tot het koninkrijk Gods. Dit is 12 x 12, gevolgd door drie nullen. Een nul is een cirkel. Een cirkel is een beeld van de oneindigheid. In bepaalde inwijdingen kende men “de drie oneindigheden”. Dit zijn in wezen de twee fasen van de ontwikkeling, voorschriften die je zeggen wat je moet doen.
De eerste, de buitenste cirkel, staat voor het uiterlijk wezen. Daarvoor zegt men:
“Handel juist en rechtvaardig, haat nimmer en ken de ware liefde. Laat reinheid van leven en denken u steeds leiden en beheersen bij alles wat gij zijt of doet.”
De tweede oneindigheid zegt:
“Wat gij zijt buiten uzelf, zult gij binnen uzelf erkennen. Want slechts wie zichzelf kent, beseft de waarheid van zijn wezen. Zoals er verhoudingen bestaan in de kosmos, bestaan zij ook in ons wezen. In ons wezen zullen wij alles hervinden wat wij kennen. Leer de verhoudingen kennen, opdat gij de hemelse waarden en de stoffelijke waarden bewust in uzelf beleeft en vermengt.”
De derde oneindigheid luidde:
“Zo gij niets zijt en u bewust zijt daarvan, zal de werkelijke bron van uw zijn zich openbaren. Dat wat gij in uzelf erkent, is de wereld waarin gij leeft. Wie zich kennende in waarheid de dood niet vreest, leeft eeuwig.”
Er bestaan op deze formulering vele varianten, maar de kernwaarde is ongeveer gelijk. Deze formulering nam ik van een Egyptische variant op de Pythagoreïsche leer. Ik meen te weten, dat een dergelijk geheim gepaard gaande met leefregels, eveneens bij de eerste christenen bestaan heeft. Zij waren geen mensen, die zich geroepen voelden om een Koninkrijk Gods op aarde te stichten of zoiets. Zij waren mensen, die wisten dat God op aarde leeft, en onder hen waren er die in zich het antwoord hadden gevonden, waardoor de enorme afstand tussen het Ik en het onbekende in de kosmos werd overbrugd.
Nu zult u vragen: waarom juist dit deel van het christendom zo weinig bekend is, zo weinig in gebruik? Het antwoord lijkt mij eenvoudig: om dit te bereiken, moet je alles achter je kunnen laten. Alles. Ook je bezit, de invloed die je bezit binnen een gemeenschap, rang, recht of zelfs de gevoelens van uitverkiezing en de verwachting voor eigen verdiensten beloond te worden in het hiernamaals door een opgaan in een hemelrijk. Je moet in het heden je God beleven. Dan eerst begint de eeuwigheid werkelijk.
Er zijn maar weinig mensen die dit kunnen. De organisatie, zoals deze o.m. door Paulus werd geschapen, vroeg echter steeds meer mensen, steeds meer oudsten, priesters. In het begin kenden dezen nog wel de regels, waardoor men kosmische harmonie en persoonlijk stoffelijke harmonieën met elkaar in overeenstemming kan brengen. Vandaar dat men over het toen nog gangbare priesterhuwelijk wel sprak als “coelibaat” van coeli, hemel. Later werd het meer en meer celibaat. Logisch ook: een priester, die niet meer de hemelse ritmen kent, die in zich de vrijheid van geest en streven niet meer draagt, zal ook geen nageslacht voortbrengen dat aan zijn priesterschap werkelijk waardig is. Dat was niet meer aanvaardbaar, zodat men het priesterhuwelijk steeds meer trachtte te verhinderen en uiteindelijk geheel onmogelijk wilde maken: de resultaten waren eenvoudig niet meer aanvaardbaar en schiepen problemen, die zowel het ambt als de mens konden schaden. Bovendien was het vroeger wel moeilijk duidelijk te maken, waarom een heilig en gewijd priester idiote kinderen kreeg, terwijl zoiets algemeen als een straf van God werd beschouwd e.d.
Er rijzen meer vragen:
Hoe komt het, dat historisch over Jezus niets bekend is, terwijl over alle andere grote meesters uit historische tijden ook historische gegevens en overleveringen bestaan, waardoor minstens met zekerheid is te zeggen, dat zij geleefd hebben? Hoe komt het dan, dat over Jezus een dergelijk historisch bewijs niet gevonden is? Over de tochten, reizen en zelfs de wonderen van de leerlingen van Jezus vinden wij wel verhalen, die vaak historisch ondersteund kunnen worden. Bijvoorbeeld over de reizen van Paulus, de dood van Petrus etc. Waarom zijn voor de in het geloof zeer belangrijke waarden als Jezus’ leven en het Pinksterverhaal, deze bewijzen, deze gegevens, niet te vinden?
Wat het Pinksterfeest betreft, meen ik de redenen wel te weten:
Het is immers een persoonlijke bereiking, een persoonlijke genade, die men verkrijgt. Als die er niet meer is, houdt alles op. Zou men de mensen dit duidelijk maken, zo zouden zij al snel zeggen: “Wil dan degene die mij leert, hoe te leven, te geloven, wat te doen met leven en bezit, dit doen, zónder eerst het bewijs van zijn verlichting door de Geest te geven? Dan heeft hij mij niets te bevelen of te leren. Wil deze zich bisschop, machthebber, patriarch noemen? En hij heeft niet eens het Pinkstervuur in zich!” Daarom was het noodzakelijk, de gegevens over het werkelijke gebeuren uit de weg te ruimen. Wanneer dit gebeurd zou moeten zijn? Daarover zou te redetwisten zijn. Maar wij kunnen wel voorbeelden geven, waardoor het gestelde aanvaardbaarder wordt.
De Spanjaarden komen in Mexico, een heidens, maar toch wel hoog beschaafd land. Naast de minder aangename Tolteekse praktijken bestaan daar wel degelijk kosmische leringen, oude symbolen. Men kent daar, wanneer de conquistadores landen, zelfs het kruis, de doop.
Waar echter zijn de geschriften die ons dit alles overleveren? Geleerde paters, jezuïeten en dominicanen namen deel aan de expedities naar het nieuwe werelddeel en schrijven vele dingen neer. Men vermoedt, dat de Inca’s ook enkele vormen van schrift, waaronder zowel beeld als letterschrift, kenden en gebruikten. Maar daarvan blijft niets meer over. Van het oorspronkelijke geloof uit deze dagen in Mexico blijft niets meer. Wat overblijft zijn sierraden, ruïnes en enkele geschriften van… priesters, christelijke priesters, die niets zeggen over de werkelijke waarden van het geloof, maar slechts over duivelse praktijken en noodzakelijke bestraffingen spreken. Verder niets! Al het andere is vernietigd, verbrand.
Vraag naar de werkelijke esoterische achtergronden in Europa, van Waldenzen, Catharen enz. en zoek hun oude geschriften. U zult er maar zeer weinig vinden. Wat u vindt, bestaat hoofdzakelijk uit de tegenargumenten van priesters en geleerden, die de argumenten en leer van deze ketters bestreden. Hun eigen geschriften zijn verdwenen. Verbrand. Zo is het altijd gegaan: dat wat men niet wenst, wat men niet aanvaarden wil of kan, wordt vernietigd. Misschien dat men nu niet meer zo is. Wij willen aannemen dat het christendom hier bovenuit gegroeid is. Maar aan de hand van de historici kunnen wij bewijzen, dat men vroeger steeds weer heeft getracht de heidense kennis, de ketterse overleveringen en waarheden eenvoudig van de wereld te verdrijven, voorgoed te vernietigen én zo nodig met martelwerktuigen en brandijzers zelfs weg te zengen uit de gedachten van de mensen.
Zou men misschien vroeger ook feiten gekend hebben over Jezus, over Pinksteren enz., die men niet meer kon tolereren? Mij lijkt dit niet onwaarschijnlijk. Aan de ene kant zijn daar de evangeliën, die – wanneer je ze niet kerkelijk dogmatisch en alleen volgens letterlijke inhoud wilt lezen – kennelijk bestemd waren voor 4 verschillende soorten van mensen. De evangelisten gaan immers vanaf het stoffelijk en voor de joden zeer belangrijke bewijs, dat Jezus de Messias is en alle profetieën vervult, tot de geestelijke Meester met zijn achtergronden, die tot ons komt uit de mystieke inhoudt van de leringen zoals bij Johannes. Indien wij trachten met behulp van de enkele feiten, die nog wel historisch aantoonbaar zijn en de apocriefe geschriften, die men vergat, of meende nog wel te kunnen tolereren, proberen een verder inzicht te krijgen, zo moeten wij toch concluderen, dat het christendom eens méér geweest moet zijn, véél meer dan wat er nu nog rest, dan wat men nu nog beseft.
De eerste christenen lieten zich niet uitroeien en verbranden zonder verzet, omdat zij gek waren. Zij hadden ondanks dit alles niet zo veel succes gehad, ook bij rijkeren, wanneer zij alleen maar een – voor de mens van die tijd toch wel twijfelachtig – hiernamaals hadden kunnen beloven, zonder iets meer, zonder enig bewijs. Want er waren andere erediensten, die eveneens een eeuwigheid voor aangename belevingen beloofden en dezen kon men op goedkopere en aangenamer wijze volgen. De waarheid over de eerste christenen, hun werkelijk geloof, hun ervaringen, de profeten die onder hen leefden, de gezondenen die wonderen deden, mocht alleen maar zover bewaard blijven, als voor het belang van de kerk dienstig werd geacht. Vergeet niet, dat alle latere schisma’s ontstonden door een teruggrijpen op geloof en leefwijze van de eerste christengemeenschappen. En dezen werden vervolgd door de kerk, zodra haar macht niet meer erkend werd, haar recht, anderen te zeggen hoe te denken en te leven aangetast werd.
Dat geldt niet alleen voor de kerk van Rome, maar evenzeer voor het optreden van reformatorische richtingen en kerkelijk georganiseerde schisma’s.
Er ontbreekt iets. Ergens is er een hiaat. Jezus heeft geleefd. Dit moet toch ergens zijn vastgelegd, dit moet historisch bewijsbaar zijn. Hij was toch belangrijk genoeg in zijn dagen. Zeker belangrijk genoeg voor zijn volgelingen onder de Grieken – die er reeds waren tijdens zijn leven binnen de nederzettingen in Israël – terwijl toch ook verwacht kan worden, dat zijn vrienden onder de Romeinen – die Hij evenzeer bezat – toch wel iets van zijn leven en dood zouden hebben doen vastleggen. Maar er is niets.
Ik meen dat het christendom de fout heeft begaan, om wel de grote leegte te scheppen, maar in de ontmoeting daarmede niet te willen wachten op het goddelijk antwoord, doch een eigen schijnantwoord projecteerde van: uitverkoren zijn, boven anderen verheven zijn, met als gevolg dat van de werkelijkheid en de innerlijke bereikingen, althans binnen het openbare christendom, weinig of niets meer overbleef.
Dit voert mij tot een laatste conclusie, zover het dit onderwerp betreft:
Het pinksterfeest was een inwijding. Het is nog steeds een inwijding. Een inwijding, die elke mens zal ondergaan, onverschillig of de wereld hem nu christen heet of niet. Het is het contact met een werkelijkheid, die vanuit een menselijk standpunt onbegrijpelijk is, een waarheid, zo groot, dat de mens eerst alles achter moet laten, eerst in het niet moet treden, voor hij haar meer bewust kan ontvangen. Een boodschap dus, die ook in deze dagen klinken zal. Een beleving en een boodschap, die in de komende tijd ongetwijfeld steeds belangrijker zal worden, een boodschap van God tot mens, van mens tot God. Een weg die een mens kan leren gaan via zijn Meesters, wanneer hij tenminste bij het gaan van deze weg alles achter zich wil laten.
Zolang de mens dit antwoord op de eeuwigheid in zich niet wil of kan geven, blijft Pinksteren een gezellige pseudo-religieuze dag met dauwtrappen, een uitje, gezangen en pinksterbrood. Er zal echter een tijd komen, de ontwikkeling is reeds begonnen, waarin dit pinkstergebeuren weer volkomen reëel zal zijn, even Lichtend en waar als vroeger. De ontmoeting van een mens met zijn God, waarbij alle remmingen en complexen, die de mens kunstmatig in zich heeft geschapen, verdwijnen, om daarvoor in de plaats te vinden de natuurlijke verbondenheid met al het levende in geest en stof.
Daarmede is mijn kleine pinksterrede op verzoek ten einde. Wie commentaren of bezwaren heeft, kan deze nu kenbaar maken.
Vragen
Dus men stelt het pinkstergebeuren als specifiek christelijk, ofschoon hetzelfde ook elders voor kan komen?
Inderdaad. In mijn betoog heb ik erop willen wijzen, dat tijdens inwijdingen en zelfs soms in bijzondere bijeenkomsten – als bijvoorbeeld in Stonehenge, voor men aan de bloedoffers daar begon – voor kon komen. Er zijn dus altijd mensen geweest die, hetgeen op Pinksteren gebeurde, in zichzelf hebben kunnen ervaren. De werking en het effect zijn dus niet alleen christelijk, maar eerder menselijk. Het is de uiting van God in de mens, de mens die zijn God ontmoet. Het is dus ook niet alleen maar een genade die, door middel van kaarsvlammetjes boven het hoofd van onbekenden, van anderen uit het verleden, aanduidt “hoezeer wij met ons geloof wel gelijk hebben”, maar een innerlijke pelgrimstocht naar de oneindigheid, waarvoor de meesten van ons innerlijk bang zijn. In het christendom is, zeker voor het Tijdperk der Vissen, aan velen de weg gegeven om dit te bereiken, in de hoop dat enkelen van hen ook deze weg werkelijk geheel zouden gaan.
Wat er aan uiterlijkheden van het Pinksterfeest is overgebleven, is natuurlijk een echt christelijk feest, een herdenking van een vroeger gebeuren, waardoor men eigen grootheid opnieuw wil bewijzen, te vergelijken met het leggen van de krans op het graf van de onbekende soldaat. Wát achter het herdachte feit schuil gaat, is echter veel groter:
Het kosmische bewustzijn, dat voor iedere mens vanuit elke richting van leven en denken te vinden is: de hergeboorte van het Ik in de werkelijkheid en wijsheid van het leven, die eens de Brahmanen ertoe bracht hun stand van wijzen te noemen: de tweemaal geborenen. Maar dat is ook al lang geleden.
Er zijn toch nog genootschappen die ook in deze tijd de door u beschreven waarheden nog bezitten?
Althans uiterlijk.
Ook innerlijk!!!
Laat ons dat hopen. Want als de inhoud van deze leringen niet meer voldoende als waar bestaat in deze tijd en zo wordt tot een zelfbegoocheling en een illusie, zal men waarlijk kunnen zeggen: arme mensheid.
Ik tracht u duidelijk te maken, waarom ik dit zeg. Stel dat altijd weer een periode van stoffelijke groei en ontwikkeling in wezen, een soort kruisweg is, zoals ook de mens in het leven vele vreugden, maar ook smarten en problemen moet kennen, beproevingen zal moeten doorstaan en uiteindelijk sterven, al weet hij ook zelf nog niet waarom. Ik meen dat de mensheid periodiek een dergelijke periode van stoffelijke ontwikkelingen en stoffelijk lijden zal moeten doormaken.
De afgelopen periode is ongetwijfeld een periode die hierdoor gekenmerkt was: denk aan het materialisme, aan wereldoorlogen, epidemieën en andere ellendes. De mensheid is in de laatste 1800 jaren daarmede wel rijkelijk gezegend geweest. En bijna al deze processen werden veroorzaakt of mede veroorzaakt, door geestelijke onrijpheid; dit geldt zowel voor de kruistochten, als de oorlog, Hitler, geallieerden.
Nu komt de mensheid op een punt te staan, waarbij zij, ofwel moet trachten het oude, het materialisme dus, terug te brengen tot een hanteerbare werkelijkheid, dan wel in zich dit alles zal moeten sublimeren, het zal moeten maken tot een nieuwe, een innerlijke benadering, waarbij niet, zoals in de wereld en de materie altijd maar weer dezelfde vaste wetten en regeltjes gehanteerd kunnen worden, maar waarbij je, innerlijk bewust moet zijn en niet meer kunt volstaan met het bewaren van een innerlijk geheim, dat in het Ik besloten blijft, maar zal moeten doordringen tot het werkelijke wezen van de menselijke taak, de menselijke zending: het je verliezen in het hogere, maar dan ook gelijktijdig dit hogere directer en algemeen kenbaar manifesteren op de wereld. Dit is namelijk nodig, om aan de velen, die nog niet bewust genoeg zijn, de leiding te geven die zij van node hebben. Dit is nodig om te voorkomen, dat de naar het materialisme terugstrevende mensheid door gebrek aan beheersing en mogelijkheden zichzelf nolens volens uitroeit, met de beste bedoelingen.
Misschien dat dit u duidelijk maakt, waarom ik, ongeacht het op zich niet onjuiste verwijs naar esoterische en geheime genootschappen, blijf zeggen: Ook daar is te veel verwaterd. De werkelijkheid terugvinden is niet alleen maar het resultaat van lang en goed bewaarde symbolen en riten, maar het resultaat van een werkelijk en persoonlijk beleven. Pas degene die waarlijk en zonder voorbehoud alle dingen achter laat, zo herboren wordende als hij eens op aarde kwam, zonder iets, buiten het eigen Ik kan treden in de kosmische werkelijkheid, zo de waarheid daar zal vinden. Met die waarheid en waarde gewapend en bekleed, is zo iemand machtiger en sterker dan alle anderen in hun stoffelijk bezit en zekerheden. En alleen vanuit deze geestelijke zekerheid kan een oplossing gevonden worden voor de problemen, die de mens meer en meer belagen.
Hiermede zullen wij dan het eerste deel van deze avond besluiten. Ik dank u voor uw gehoor en hoop dat u het gebrachte de moeite van overdenken waard wilt achten. Zeg dus niet alleen maar: “Hé, dit was nu eens wat anders dan anders”, of: “Ba, alweer over Pinksteren”. Want ook voor u, in deze tijd of na dit leven, zal eens een ogenblik komen, waarop dit Pinksteren voor u een persoonlijke realiteit wordt. Dan zult u beseffen hoe belangrijk het kan zijn deze dingen juist te zien, zelfs reeds nu.
Esoterie: De innerlijke weg
In dit tweede deel van de avond meen ik de aandacht wel weer eens te kunnen vragen voor de esoterie, ofwel de innerlijke weg. Tenminste, wanneer u daarvoor voldoende belangstelling hebt.
De innerlijke weg is het erkennen van de innerlijke kracht van de dingen. Hoe verder men gaat op het innerlijke pad, hoe meer men tot de conclusie zal komen, dat men omringd is door vaagheden en raadselen. Dit is een logisch gevolg van ons zoeken naar de zin der dingen. Want een mens, die zoekt naar de zin van het leven, naar de zin van het gebeuren in de wereld, zal daarbij uitgaan van zijn eigen menselijke denken. Juist omdat je tracht alles terug te brengen tot een menselijk rationeel geheel, zal je nooit de oplossing vinden voor de vele eigenaardige verschijnselen, die je in en rond jezelf zult ontdekken.
De werkelijke kracht van de innerlijke weg is dan ook in de eerste plaats: de wil.
Belangrijk is voor ons het willen, omdat wij hierdoor een persoonlijke gerichtheid verkrijgen, die het ons mogelijk maakt verder te reiken dan eigen bewustzijn schijnbaar toelaat. Zoals een mens, die zich concentreert op een bepaald punt, in zijn leven vele handelingen zal verrichten, die – in de ogen van anderen – schijnbaar niet redelijk zijn en zelf verstandelijk onmogelijk lijken, maar toch zijn einddoel weet te bereiken, zo zal ook de esotericus, juist wanneer hij zijn totale zijn en willen heeft gericht op één enkel punt, één enkel probleem, onnoemelijk veel kunnen bereiken, dat vanuit een redelijk standpunt niet gemakkelijk redelijk te definiëren of te omschrijven is.
De eerste vraag, die gesteld wordt, is altijd weer het bekende: “Wie ben ik?”
Eenieder denkt daarover op zijn eigen wijze. Toch kan dit Ik niet bepaald worden vanuit een standpunt als: ik ben een man, of: ik ben een vrouw, dan wel: ik heb zoveel incarnaties gehad, of, zoveel goed gedaan in mijn leven. De werkelijke definitie van het Ik ligt verder. Zover, dat wij dit beter met “het”, met de onzijdige vorm, aan kunnen spreken. “Het” is een vorm van bestaan, waarvoor wij geen woorden meer hebben. Eerst wanneer wij dit gaan beseffen, treden wij voor het eerst bewust binnen in ons eigen werkelijke leven. Het leven is een Kracht. Wat de werkelijke zin van het leven is, is al even moeilijk te definiëren. Wie ver doordringt in de waarheid, zal ontdekken, dat het leven doel is in zichzelf en het streven slechts dient om het leven voor het Ik te realiseren.
Een grote vraag, die dan weer voor velen rijst, luidt ongeveer: Is het wel noodzakelijk dat het leven is, zoals het is?
Zolang je naar buiten kijkt, kun je je vele andere mogelijkheden voorstellen. Een mens kan zich indenken, dat hij, gezeten op de plaats van de Schepper, het beter zou doen, ook al durft hij dit over het algemeen niet hardop te zeggen. Maar wanneer de mens doordringt in deze geheimzinnige persoonlijke werkelijkheid, zal hij tot de conclusie komen dat hij in alle dingen uiteindelijk zelf bepalend is geweest. Zelfs voor de richting die hij eens in het begin gekozen heeft, was hij zelf mede beslissend. Zelf bepaalt hij de richting die hij nu kiest. Dan beseft hij, dat alle onregelmatigheden en alle lijden in deze wereld die hij kent, uiteindelijk slechts voortkomt uit een ingaan tegen eigen Ik, of het verkeerd interpreteren van een slecht begrepen kosmische wet, dan wel misschien ook voortkwam uit een niet juist en persoonlijk beantwoorden aan de toch erkende noodzaken van het bestaan.
Je zou kunnen zeggen, dat wij boven ons de bron van het werkelijke Licht der schepping kennen: onbeschrijfbaar, ondefinieerbaar. Van daaruit openbaart zich een grote reeks van krachten en verschijnselen. Ook deze zijn voor ons nog niet te definiëren en te begrijpen volgens menselijke of vormkennende levenswaarden.
Het is voor ons of alles het onkenbare, het ondefinieerbare, het raadsel is. Dit raadsel kunnen wij beleven, maar niet omschrijven of oplossen. Pas wanneer wij aan dit raadsel voorbijgaan, komen wij wat lager aan het terrein van de grote trillingen, waarin het Ik tenminste weer kosmische wetten en krachten kan erkennen, aan de hand waarvan het Ik eigen bestaan enigszins kan omschrijven.
Zo zal de esoterie altijd voor de mens in zijn streven, ongeacht welk doel hij zich kiest, of van welk punt van uitgang hij vertrok, komen tot een niet definieerbaar raadsel. Het einde der esoterie is nimmer het erkennen van het einde aller dingen in stoffelijke zin, maar het beleven van alle dingen, van alle raadselen, die zijn. En misschien, misschien, voert dit vanuit de raadselen en het beleven daarvan tot een erkenning van eigen levensdoel, het vinden van een persoonlijke, een eigen zin voor het bestaan.
Er staat geschreven, dat dat wat eens leeft, altijd zal leven. Hetgeen altijd levende is, is onveranderlijk verankerd in de krachten, waaruit het voortkwam. Deze plaats van het Ik te midden van de Grote Kracht is het werkelijke leven, de zin van het bestaan, omdat het de relatie is van tijd en oneindigheid, waaruit Ik en bewustzijn voor ons voortspruiten.
Wanneer men dit zo zegt, klinkt het wat moeilijk, omdat men als mens steeds weer geneigd is een einddoel te zoeken, waarin men meer of beter wordt. Maar je kunt niet meer of beter worden, dan je werkelijk bent. Je kunt alleen je goede zijden of je slechte kant realiseren. Kort en goed: je kunt een keuze doen voor jezelf uit de vele mogelijkheden, die het Ik, uit zijn werkelijke wezen, je toestaat te realiseren.
Zodra dit begrepen wordt, zal de mindere trachten steeds weer te kiezen. Hij zal zich minder bezig houden met wetten en regels, met definities. Hij zal zich aan de andere kant steeds meer wenden tot de persoonlijke beleving en het persoonlijk inzicht in de waarde daarvan. Voor alles zal de mens echter zoeken naar een kracht of uiting, die binnen zijn bestaan meer primair is dan alle uiterlijkheden.
Er wordt gezegd, dat een grote ingewijde macht heeft over de elementen, dat hij eeuwig zou kunnen leven, ook op aarde, dat het hem gegeven is goud te maken uit lood of andere stoffen. Kortom, er wordt van hem gezegd, dat hij de natuur geheel beheerst. Dit is niet onlogisch: de natuur is slechts een schema, het toneel, waarbinnen het spel der bewustwording zich voltrekt. Maar de acteur die weet, dat hij een rol speelt en beseft hoe het toneel is samengesteld, kan kleine wijzigingen in eigen rol aanbrengen, stukken van het decor verschuiven of zelfs, met enige kennis van de trekken, het gehele toneel doen veranderen. Hij is niet meer afhankelijk van zijn omgeving, maar wordt in zijn rol bepaald door de door hem erkende persoonlijkheid, die hij in dit kader voorstelt en, zover het het spel betreft, in wezen moet zijn.
Zo komt men uit de beperkingen van het eigen bestaan langzaam maar zeker tot de erkenning van eigen vermogens. En leven is zeker niet alleen maar: zijn zonder meer, een bestaan zonder verdere waarden. Leven is bestaan en uiting geven aan jezelf. Het is dus ook het gebruiken van de vermogens die je bezit. Niemand kan ten volle leven, wanneer hij in eigen bestaan bewust en opzettelijk een deel van eigen wezen of mogelijkheden ongebruikt laat, terwijl hij deze waarden toch als reëel bestaand of mogelijk erkent. Daarom zouden wij hieraan nog toe kunnen voegen: dat de beheersing, die de ingewijde vertoont, niets anders is dan de uiting van zijn persoonlijkheid met een uitsluiting van uiterlijke invloeden.
U ziet, dat esoterie ons met vele moeilijkheden en raadselen kan confronteren, maar anderzijds ook ongedachte mogelijkheden in zich bergt. Wat deze werkelijke esoterie echter in zijn geheel inhoudt en betekent, kan niemand u werkelijk zeggen. Het is wonderlijk, dat de grootste dingen, die de mens kan kennen, niet met woorden weer te geven of volgens menselijke rede te definiëren zijn.
Wanneer de mens spreekt over eeuwigheid, gebruikt hij een conventie om iets weer te geven, dat hij zich in wezen niet voor kan stellen.
Wanneer de mens preekt over God, spreekt hij in wezen over een vaagheid, die hij desnoods kan bekleden met zijn eigen vorm en tekortkomingen, of kan maken tot een aanvulling van eigen tekorten, maar in wezen blijft het iets, wat hij zich niet kan voorstellen en nimmer waarlijk als mens zal kennen en kunnen weergeven.
Wanneer de mens spreekt over kosmische wetten, zo spreekt hij over een reeks van verschijnselen, waarvan hij de werkelijke zin en onderlinge samenhang niet eens werkelijk en geheel beseffen kan.
In de esoterie spreekt de mens over zijn innerlijke bereikingen, terwijl hij deze bereikingen in hun werkelijke waarde en betekenis nimmer weer zal kunnen geven binnen het kader van zijn menselijke werkelijkheid.
Zo kun je concluderen dat de esoterie een poging is om, in de plaats van de veranderlijke werkelijkheid die de mens kent, een onveranderlijke werkelijkheid te stellen. Ook tracht zij in de plaats van een wezen, dat evolueert, groeit, zich ontwikkelt, een wezen te stellen dat in zich alle mogelijkheden en krachten van het begin af aan bergt.
De relatie, die bestaat tussen Ik en kosmos, wordt sterk gevarieerd in eigen bewustzijn, zolang men meent te leven. Zodra men echter werkelijk bewust wordt, leeft men niet meer in de menselijke zin van het woord. Dan geldt: wij bestaan en uiten slechts dat wat wij zijn, naargelang de goddelijke kracht en de relatie die wij in het Ik daarmede erkennen, dit noodzakelijk maakt. Er is geen persoonlijke reden tot uiting meer, doch alleen een beantwoorden aan de – in zijn motieven niet kenbare – bron van eigen bestaan.
Hier treden dan de wetten van harmonie op, die wij stoffelijk wel weer kunnen omschrijven, maar die aan de andere kant toch voor het stoffelijke begrip vele moeilijkheden plegen te bergen.
Niemand immers kan zich voorstellen dat hij in wezen geheel gelijk is aan een ander die hetzelfde trillingsgetal kent. Toch is dit – ondanks de uiterlijke verschillen, waardoor een schijn van onderlinge aanvulling bestaat – in wezen waar. Hout blijft hout: je kunt van hout een tafel maken of een kast, maar hout blijft hout. Zo is het met het werkelijke Ik van de mens. De kern van het leven is – zodra harmonie mogelijk is – ook gelijk. Je kunt leven als een schurk of als een heilige. Uiterlijk kan dit een groot verschil zijn. Het Ik, het werkelijke ego, blijft echter gelijk. Wanneer twee Ik-heden wezensverwant zijn en zijn afgestemd op dezelfde waarden, kan hun uiting wel verschillen, maar het wezen is en blijft gelijk. Het erkennen van deze wezensgelijkheden, de overeenkomsten – dus tussen eigen Ik en andere bestaande krachten of waarden – is in de esoterie een van de belangrijkste punten.
Men pleegt dit voor te stellen door symbolen als bijvoorbeeld de levensboom, waarbij men stelt, dat wij paden van bewustwording gaan, eerst doordringende in een kracht, om dan met het bereikte bewustzijn vanuit deze kracht een weg te banen tot wij een volgende kracht bereiken, waarop wij in deze kracht wederom doordringen, bewust worden, enz. enz. Is deze levensboom echter in wezen iets wat buiten ons bestaat? Het is natuurlijk aardig te zeggen, dat dit alles buiten ons bestaat, dat wij opwaarts streven naar Kether, dat wij in onszelf misschien reeds de eerste waarden van God bereikt achtende.
Waar is deze voorstelling, waarbij al deze waarden buiten het Ik bestaan, voor ons echter niet. De levensboom is in wezen onze eigen werkelijke persoonlijkheid. Wat wij daarin moeten erkennen, zijn slechts de harmonische banden en mogelijkheden die voor ons innerlijk bestaan.
Ons wezen is één geheel, als geheel is het harmonisch met wie weet hoeveel krachten en tijden. Wij realiseren ons steeds maar een klein deel hiervan. Daarom zegt de esotericus ook niet meer: Er is karma. Hij zal slechts stellen: Door mijn bewustzijn van mijn eigen wezen realiseer ik mij een deel daarvan. Een deel van het Ik gerealiseerd hebbende, kan ik – hij zegt hier nimmer: “moet ik” – mijn aanvullende delen eveneens realiseren. De esotericus zal zelfs niet meer zeggen: Ik kom tot een inwijding. Hij zegt: Ik keer terug tot mijzelf.
Dit is logisch: een inwijding zou betekenen – in de algemeen geldende betekenis – dat wij ergens meer worden dan wij zijn.
Wie echter de waarheid in zich erkend heeft, weet: ik ben onveranderlijk. Mijn werkelijke wezen bestaat. Daarmede basta. Dan kan u ook niet meer zeggen: Ik ontwikkel mijn ego, maar hoogstens: Ik word mij eenzijdig meer bewust van mijn ego.
De esotericus zegt, zodra hij een zeker bewustzijn heeft bereikt, ook niet meer: Ik streef. Hij zegt slechts: Ik leef. Begrijpelijk. Want streven betekent in de algemeen geldende zin van het woord: iets bereiken, buiten jezelf waar maken, tot stand willen brengen. Maar zodra je de tijdelijke waarden voorbij gaat en tot het eeuwige Ik komt, kun je alleen nog maar leven, een deel van jezelf als het ware jezelf realiseren, ondergaan. Zoals een mens terugdenkende uit zijn herinneringen, het verleden op laat vlammen en het misschien zelfs herbeleven kan, zoals men gewend is, om althans een deel van zijn herinneringen voor zich tot een werkelijk deel van het Ik te maken, zo maakt het eeuwige Ik uit alle mogelijkheden van bestaan, alle tijden van zijn, alle gebondenheden met bepaalde golven van rassen en incarnaties, voor zich, in zich, het beeld van zichzelf.
Het is wonderlijk te zien hoe zelfs de eeuwige kringloop, die voor de mens schijnt te bestaan, de kringloop, waarbij hij afdaalt uit de sferen tot de menselijke vorm en, daar onder gaande door de hellewerelden, terugkeert tot het mens-zijn, om van daaruit te rijzen tot het goddelijke, deel is van het ego en niet daarbuiten kan bestaan. In wezen gaat de mens in zich van Licht tot duister en van duister tot Licht, omdat hij de eenheid van deze waarden nog niet beseft.
Ik maak het u misschien moeilijk. Maar wanneer u esoterisch wilt denken – en uw enthousiast “ja” aan het begin doet dit toch wel vermoeden – moeten wij beginnen met te zeggen, wat de kern van deze esoterie is. Esoterie bestaat niet alleen uit de verinnerlijking. De innerlijke weg komt wel degelijk ook naar voren en maakt deel uit van alles wat wij uiten. Wanneer een mens leeft, en hij leeft maar ten dele, wanneer hij spreekt en maar ten dele uit, wat hij eigenlijk voelt te moeten zeggen, zo is hij waarlijk een mens, eenzijdig en beperkt.
De esotericus spreekt voluit en spreekt de gehele waarheid, niet slechts een deel daarvan. Hij beleeft zijn totale wezen en niet alleen een deel daarvan. Hij kent begrippen als zeden en moraal beter dan velen, die zich op uiterlijkheden baseren. Zij zijn een deel van zijn bestaan. Maar voor hem vloeien zij voort uit zijn eigen wezen en niet uit de wereld waarin hij leeft.
Zo moet je eigenlijk beginnen met te leren hoe men zekere grenzen ter zijde kan stellen. Hierbij denk ik niet aan de grenzen, zoals deze bij de mensen onder elkaar nu eenmaal bestaan: in vele gevallen zou men een dergelijke grens niet eens met goed geweten en innerlijk erkennen van juistheid kunnen doen. Men zou zijn gevoel van innerlijke reinheid daarbij verliezen. Toch zal men moeten leren zich geheel te uiten, zonder daarbij angsten, voorbehoud of grenzen te kennen, wanneer het Ik bepaalde waarden deel van het leven maakt.
Waarom spreken zovele mensen eigenlijk niet graag over God? Misschien juist, omdat zij God erg heilig achten. Zij zijn bang voor die God. Toch zou men juist, wanneer God het meest heilige is wat men zich voor kan stellen, die waarden van die God tot uiting moeten brengen en Zijn gedachten moeten trachten uit te spreken. Een mens bouwt een beeld op van de oneindigheid. Hij weet dat dit een beperkt beeld is, maar op dit ogenblik maakt het voor hem deel uit van zijn bestaan, zijn wezen. Waarom zou hij dan nadenken, eerst ernstig overwegen, of het wel goed, juist en verantwoord is om iets daarover te zeggen?
Esoterie wil zeggen: de waarheid van ons wezen leren realiseren.
De innerlijke weg is niets anders dan een ontdekken van de feiten omtrent eigen innerlijk, eigen persoonlijkheid. Dat betekent dat alle komedie die de esoterie in wezen schaadt, de juiste kennis, uitdrukking en realisatie van de werkelijk belangrijke waarden in het leven onmogelijk maakt, schaadt of verdrijft. Het wil ook zeggen, dat elke poging om in de eerste plaats tot anderen te spreken, niet zonder gevaren is: ieder, die in de eerste plaats tot en voor anderen spreekt, zal geneigd zijn vooral te zeggen, wat die ander wil horen en niet dat wat hij zelf in de eerste plaats waar acht.
Misschien meent u dat het wat kinderachtig is, om deze dingen op deze wijze te zeggen. Maar geloof mij nu maar: dit zijn essentiële delen van de esoterie.
U heeft krachten in uw wezen, een deel van uzelf. Maar u bent misschien wat bang voor die krachten, begrijpt ze niet geheel en uit ze daarom niet. Hoe wilt u dan volledig bewust worden? Er is immers een deel van uw persoonlijkheid – en mogelijk een heel belangrijk deel – ongeuit gebleven.
U hebt in uzelf een groot geloof, maar zwijgt daarover of tracht misschien zelfs het voor uzelf weg te praten, omdat het niet past bij uw wijze van leven of het denken van uw omgeving. Dan blijft hierdoor een deel van uw Ik ongeuit.
U kent een twijfel, maar wilt dit voor uzelf niet erkennen. U onderdrukt die twijfel met alle macht. U maakt het uzelf dan onmogelijk om innerlijk juist en waar te reageren. U maakt het uzelf onmogelijk om innerlijk waar en juist te reageren. U vermijdt in deze gevallen in wezen uzelf eerlijk te erkennen en te kennen, voor wat u bent. Dat is strijdig met alle beginselen en streven binnen de esoterie.
Oprechtheid, eerlijkheid, zoeken naar ware zelfkennis, is immers noodzakelijk en onvermijdelijk hierbij. Een oprechtheid die, wel te verstaan, in de eerste plaats tegenover het eigen Ik moet gelden. Want het is vaak veel eenvoudiger en gemakkelijker om oprecht te zijn tegen de wereld, dan eerlijk te zijn tegen jezelf. Maar in de esoterie gaat het juist om wat jezelf bent, om je eigen krachten en mogelijkheden, om je eigen wezen.
Hoe zal een Meester een leerling kunnen bereiken, wanneer deze leerling niet bereid is om deze Meester te aanvaarden. Ook in de esoterie blijft dit waar. Ook hier zullen wij een Meester, wanneer wij er een ontmoeten, moeten aanvaarden. Maar wij mogen niet klakkeloos en zonder meer aanvaarden. Dan zouden wij onszelf geheel uitschakelen. Wij moeten de Meester aanvaarden als iets, wat naast ons bestaat en waaruit wij misschien rijker kunnen worden, zonder daarbij ooit ons zelf te verliezen of de werkelijkheid van ons eigen wezen te verloochenen.
Soms vind je nog weleens inwijders op aarde die de oude methode gebruiken. Zij treden voor hun medemensen op als directe leraren, zij laten leerlingen in hun persoonlijke sfeer, in hun onmiddellijke nabijheid toe en staan de leerling toe hun uitstraling en de trilling van hun denken te delen. Dan komen er leerlingen, die willen leren, maar de Meester zien als zo hoog en zo groot, dat zij zich zonder meer onderwerpen. Zij willen als het ware niet meer zichzelf maar het evenbeeld van de Meester zijn, deel zijn zelfs van de Meester en zijn krachten, maar dit is niet mogelijk. Je kunt bewust deel zijn van God, van het allerhoogste. Dit is werkelijk, maar daarvan is men zich slechts zelden geheel bewust. Maar deel zijn van een Meester, zich geheel op hem baseren zonder eigen denken of streven, is dwaasheid, is in feite onmogelijk.
Wie immers kan u garanderen dat deze Meester niet een geheel andere weg volgt dan voor u mogelijk is? Juist daarom is de eerste ontmoeting tussen leerling en Meester altijd een worsteling wanneer zij werkelijke betekenis zal kunnen hebben. Het is de kracht, het bewustzijn, de trilling, die uitgaat van de Meester, welke als een strijdvaardige golf de leerling overspoelt en misschien dreigt mee te sleuren. De leerling, die oprecht wenst te leren, worstelt met de kracht die hij ontmoet, tot hij ergens een houvast heeft gevonden, waardoor hij deze invloed kan verdragen, zonder zichzelf daarbij te verliezen. Hij laat zich niet wegdrijven op de vloed van bewustzijn en kracht van de Meester, maar vindt een eigen standpunt daarin.
Zodra dit gevonden is, zal ook de werkelijke, de ware relatie leerling-meester gedefinieerd zijn. Uiterlijk kan de leerling dan zijn meester verder zonder enig voorbehoud dienen en hem gehoorzaam zijn. Maar hij kan dit ook verantwoord doen: innerlijk blijft hij immers zichzelf!
En in de harmonie, die door de strijd tussen de meester en de leerling ontstaan is, zal deze laatste zijn werkelijke zelfstandigheid altijd blijven behouden, hoe groot ook de schijn van dienstbaarheid.
De mensen van heden kunnen zich dit, naar ik meen, niet zo gemakkelijk meer voorstellen. In de meeste gevallen zien zij esoterie als iets, wat je kunt leren uit een boekje, of door ijverige studie misschien kunt bereiken, wanneer je een gegeven voorbeeld maar natuurgetrouw genoeg na-aapt. De werkelijke esoterische weg is er echter een van zelferkenning, zelf zijn, zelf leven. En dit kun je nooit doen in de termen van een ander, dat kun je alleen voor jezelf werkelijk doen.
Ik wil daarom dit korte betoog over esoterie graag besluiten met die uiterst belangrijke stelregel:
“Zo gij in uzelf keert, keer tot uzelf in waarheid. Want zie: in waarheid uzelf erkennende, zult gij de eeuwigheid erkennen waarvan gij deel zijt, en gij zult uzelf kennen en weten geplaatst te zijn in die eeuwigheid, zo de banden erkennende met al het geschapene en de Bron waaruit alles is voortgekomen.”
Ik hoop dat u in deze korte voordracht iets hebt kunnen vinden, dat voor u verhelderend werkt, of zelfs belangrijk is. Ik zal nu de bijeenkomst voor u gaan besluiten. Daarbij behoort, zoals hier naast mij wordt opgemerkt, een korte spreuk, die men gemakkelijk kan onthouden. Mag ik er dan een geven?
” Geloof aan uzelf als een eeuwige kracht en als een wezen met recht van leven. Eerst dan zult u waarlijk bestaan.”
Hieraan wil ik nog een aardige spreuk toevoegen, die niet van mij stamt, maar een uitspraak is van een van mijn Meesters. Het is een spreuk, die ook over het Ik gaat en, naar ik meen, bij ons onderwerp aardig past:
“Ik ben en wil mijzelf zijn. Ik wil mijzelf vol beleven. Ik wil mijn inhoud en mijn wezen geven, om één met alle Licht te zijn. Ik wil niet zijn: mijzelf alleen, maar dienen dat wat ik nog niet begrijp. Opdat ik eens beseffen mag, waartoe ik ben ontstaan.”
Dit is een deel van een bede, die een van mijn Meesters eens heeft gegeven en uitdrukking geeft aan het wijden van het Ik aan het doel van het zijn, zelfs het onbekende doel, de manifestatie van het Goddelijke.
Indien ik u met deze filosofieën niet te veel verveeld heb, zo ben ik reeds zeer dankbaar.
En daarmede vrienden, beëindigen wij de bijeenkomst. Alle beste wensen voor een prettige avond verder, een zonnig Pinksteren en alles wat uw hart verder ook moge begeren.
