april 1964
Schijn en werkelijkheid
Wanneer wij de wereld, zien met al haar spanningen en problemen, dan vergeten wij maar al te vaak dat dit wereldbeeld niet is gebaseerd op een feitelijke werkelijkheid. Een groot gedeelte van datgene, wat de mens denkt te weten van zijn leefwijze, zijn opvatting omtrent godsdienst, zeden, sociale verhoudingen en zelfs economische mogelijkheden, is gebaseerd op menselijk denken en niet op feiten. Indien wij ons trachten aan te passen aan de werkelijkheid, moeten wij dus uitgaan van datgene wat is gelegen achter de menselijke denkwijze en ons trachten te realiseren in hoeverre de schijn, die op deze wijze in de wereld onderling in stand wordt gehouden, een beperking kan betekenen voor het ik .
Dan begin ik allereerst met de godsdienst. Godsdienst is een confrontatie van het “ik” met de Oneindigheid. In deze confrontatie voelt de mens zich niet gelukkig. Hij kan voor zich geen eenwording met het Grote aanvaarden, omdat hij altijd aan zichzelf blijft denken als aan een begrensd wezen. Het resultaat is, dat in de godsdienst het “wij” van de mensen wordt gesteld tegenover het “Ik” van God, het andere.
Is dit feitelijk waar? In de eerste plaats zal een kosmische scheppende God nooit kunnen worden gedefinieerd volgens menselijke normen. En elke poging om die God verder te omschrijven is dus een beperking van de mogelijkheden van die God. Wanneer echter de mens eenmaal zijn God gedefinieerd heeft, dan gaat hij op grond van deze beperking (deze ontwijking van de werkelijkheid dus) zijn eigen verhouding tot die God vaststellen en hierbij vervalst hij nogmaals de verhouding door zijn behoefte aan privileges, aan mogelijkheden te gebruiken om zelfs de zo gevonden regels nog weer aan te passen. Door deze aanpassing kan worden gezegd, dat de werkelijke relatie Godskracht — mens wordt teruggebracht tot ten hoogste 1/100 van de werkelijke mogelijkheid.
Een mens, die gelooft maar in dat geloof beperkt is, die verder zijn geloof grotendeels baseert op bepaalde leefregels (waartegen hij dan nog voortdurend zondigt), zal niet in staat zijn om God te aanvaarden. De werkelijke God is voor hem niet slechts een ongrijpbaar iets, het is een ondraaglijk iets.
Nu weten wij, dat het ego is gebaseerd op de goddelijke Kracht. Uit de kosmos is de eerste Kracht ontstaan. Elk van ons is van die Kracht een begrensd deel; en dit begrensde deel blijft met zijn Bron verbonden. De kracht van het Geheel komt in elk der delen voortdurend tot uiting. Wanneer het verstand weigert deze uiting van het Goddelijke in het “ik” te aanvaarden of deze slechts eenzijdig wil erkennen, dan zal door de onaanvaardbaarheid voor het “ik” de onmogelijkheid ontstaan om van de goddelijke Kracht binnen het “ik” waarlijk en actief gebruik te maken.
We hebben nu gezien, dat in de godsdienst de mens eigenlijk een deel van de gaven van het Goddelijke weggooit, omdat hij geen vertrouwen heeft in zichzelf en ook niet in een God, tenzij hij die God aan banden kan leggen. Wij, die de werkelijkheid zoeken, kunnen echter geen genoegen nemen met een wereld, waarin wij voortdurend blijven tekortschieten. Niet dat wij volmaakt willen zijn. Maar zelfs als we niet volmaakt zijn, moeten we toch in ieder geval gebruik maken van de maximale mogelijkheden, die er voor het “ik” en voor de mens bestaan.
Wij constateren dan: Een te scherp gedefinieerd Godsbegrip, een te scherp of te eenzijdig geformuleerd geloof en bovendien een te eenzijdige visie op economie en sociale verhoudingen (dat kunnen wij er meteen bijvoegen), belet de mens van zijn ware kracht gebruik te maken. En dan komen wij terug op een heel oud argument. Jezus heeft tot zijn leerlingen gezegd: “Gaat uit, geneest de zieken en drijft de duivelen uit in mijnen naam en den naam des Vaders.” heeft dus het Christendom de basis gegeven van de occulte, de bovennatuurlijke kracht. Wij horen dat in deze tijd — een typische rationalisatie — het wonder niet meer noodzakelijk is en dat het daarom niet geschiedt. Is het misschien omdat men niet gelooft, dat men het wonder tot stand kan brengen? Wat geldt voor de priesters en de predikers in het Christendom en anderszins ook voor degenen, die elders een grote Leraar hebben gevolgd, moet ook gelden voor ons.
Wij hebben in ons de mogelijkheid om het toeval voor een groot gedeelte te bedwingen. Zeker, wij zijn gebonden aan kosmische wetten. Wij kunnen niet leven buiten het goddelijk Wezen, slechts in directe verbinding ermee. Maar dit goddelijk Wezen houdt de beheersing van een groot deel der materie in. Het houdt verder in de mogelijkheid om eigen krachten over te brengen op anderen. Het impliceert innerlijk te putten uit de goddelijke Kracht en deze projecteren in de wereld, waarin je leeft. Willen wij ons aanpassen aan de werkelijkheid, dan zullen wij de belemmeringen, die er in ons bestaan tegen het aanvaarden van deze in ons zetelende en aan ons wezen inherent zijnde kracht, moeten vernietigen.
Wat is dan van uit religieus standpunt een logische denkwijze? Ik ken mijn God niet, maar ik aanvaard mijn God. De kracht van die God is onmetelijk. Indien ik dit aanneem, dan moet ik deze kracht uit mijzelf kunnen uiten en in mijzelf kunnen ervaren. Er is voor mij geen enkele belemmering tussen God en mijzelf, tenzij ik die zelf opbouw. Op het ogenblik, dat ik in een volledig vertrouwen een zekere kracht kan uiten of iets kan openbaren dat ligt boven het niveau van het menselijk redelijke, zo is dit deel van het Goddelijke en daardoor alleen reeds gerechtvaardigd. het is mijn taak daaraan deel te hebben.
Nu moeten wij ons echter afvragen, of daarmee alle problemen zijn opgelost. En dan zien wij een tweede verschijnsel, dat in de wereld ook een heel grote invloed heeft, en dat is altijd de vraag: “Ja , maar wat gebeurt er dan?” Het is misschien de angst voor de consequenties. Het is de vrees, die — zoals het rijmpje zegt — doet lijden voor dingen, die nooit bewaarheid zullen werden.
Wij leven vaak als mens en als geest soms in een toekomst, die niet feitelijk is. Ze heeft niets te maken met de goddelijke realiteit, zoals wij deze krachtens ons wezen zullen doormaken. Het is een chimaera (een hersenschim) uit onszelf geboren. Maar wij bouwen steeds weer die hersenschim op en wat meer is: Wij laten ons gedrag in het heden daardoor beïnvloeden. U zult begrijpen, dat wij ook hier te maken hebben met iets wat niet waar is. Wat morgen zal gebeuren, dat kunt u nu wel berekenen aan de hand van de geldende menselijke denkbeelden (dus de menselijke reactie), maar nooit aan de hand van onveranderlijke feiten. Omdat u dit niet kunt, zult u — zeker waar het feitelijke mogelijkheden en toestanden betreft — nooit buiten het heden mogen denken en leven, maar zult u in dit heden actief moeten zijn. Dat is een stelling, die voor heel veel mensen onaanvaardbaar zal blijken.
Wij echter zoeken de werkelijkheid en die werkelijkheid is eenvoudig een groot aantal feiten, die wij niet waarlijk van tevoren kunnen berekenen. Een aantal feiten, gebeurtenissen en invloeden (dit blijkt uit de beide vorige lezingen), waarop de mens weinig of geen invloed heeft en waaraan hij persoonlijk niets kan veranderen.
Wanneer wij echter die feiten in het heden erkennen, zal onze reactie ook in overeenstemming zijn met de feiten van morgen. Het geheel is onberekenbaar geworden. Ik meen, dat dit juist de rem is voor een aanpassing aan de werkelijkheid.
Een aardbeving als bv. die in Alaska (of wat dat betreft een paar aardbevingen elders) kan toch niet worden mede berekend in je daden. Je bouwt een huis. Want zo zeg je: Dat huis zal morgen meer waard zijn. De aarde beeft….en het huis is vernietigd. Maar zeg je, ik bouw een huis, omdat ik vandaag moet wonen, dan kun je zeggen: Wanneer het wordt vernietigd, zal ik een andere weg vinden. Heb je echter alles gebouwd op dat ene: het feit, dat je in de toekomst het huis zult bezitten of het bedrijf of de fabriek of het land enz. en maakt een ramp daaraan een einde, dan is je leven voor een groot gedeelte vernietigd. Je staat radeloos, je kunt je niet aanpassen, je bent afhankelijk van anderen; en de anderen reageren op een menselijke wijze. Het resultaat is, dat je nooit het optimale aan leefwijze, aan situatie kunt bereiken, zoals dat eigenlijk noodzakelijk zou zijn.
Wanneer wij in het heden leven, dan moeten wij uitgaan van dit heden en de daarin bekende feiten plus de daarin onmiddellijk berekenbare mogelijkheden. En die onmiddellijk te berekenen mogelijkheden zijn die van mensen, nooit van andere krachten. Omdat wij niet kunnen aannemen, dat mensen ons feitelijk leven onveranderlijk beïnvloeden, mogen wij verder zeggen: Waar de invloed van mensen op mijn wezen een kwestie is van mijn reactie zowel als van de hunne, zal ik morgen reageren zoals het morgen noodzakelijk is. Ik zal echter heden datgene bouwen en volbrengen, wat nu aanvaardbaar en noodzakelijk lijkt.
Ik weet niet, of u deze betoogtrant kunt volgen. Het zal u echter duidelijk zijn, dat ik weer pleit voor leven in het heden; maar nu met een andere achtergrond dan de veel gehoorde. De achtergrond nl.: Het heden is werkelijk. Hoe meer ik mijn denkbeelden daarbij uitschakel en de feiten accepteer, hoe dichter ik sta bij iets wat kosmisch waar is en niet alleen menselijk waar. Een volgend punt, dat m.i. toch ook wel zeer interessant is en mogelijk belangrijk voor u, ligt in onze innerlijke gesteldheid.
Wanneer een mens of een geest in een bepaalde wereld leeft, is hij geneigd alle andere werelden terzijde te schuiven. Hij zal die werelden in zijn gedachten een bepaalde betekenis kunnen geven of een rol in zijn eigen werkelijkheid toebedelen, maar dit is nooit hun werkelijke waarde en betekenis. En heel vaak kent hij daar waarden aan toe, die niet eens mogelijk zijn.
Wanneer ik in een bepaalde wereld leef, moet ik trachten alle aspecten van een andere wereld mede te betrekken in mijn leven voor zover zij in dit heden op een voor mij kenbare en aanvaardbare wijze tot uiting komen. Alle andere theorieën mag ik terzijde stellen en indien ze mij zouden belemmeren om in het heden juist te handelen, moet ik ze zelfs terzijde stellen. Dit is een probleem, dat in de komende tijd zijn oplossing tegemoet gaat. Want op het ogenblik, dat een binding gaat ontstaan tussen de werelden van de geest (al zijn het er maar enkele) en uw wereld, zal de beperking die nu bestaat wegvallen. Nu droomt u over andere werelden, dan zult u meer weten.
Het is goed in dit verband te stipuleren, dat alle weten omtrent andere werelden een persoonlijke ervaring is; en dat elke algemene theorie of ervaring slechts in zoverre voor het “ik” kan gelden als zij in de feitelijke ervaring ook door de persoonlijkheid wordt gedeeld. De methode om je aan de werkelijkheid aan te passen zou dus moeten zijn: Uitgaan van het nu. Uitgaan van de goddelijke Kracht, die in je leeft. Uitgaan van de persoonlijke beleving van alle krachten en werelden, waarin je misschien gelooft, maar alleen voor zover ze nu en voor jou onmiddellijk kenbaar tot uiting komen. Hebben wij dat gedaan, dan hebben we al veel schijn vernietigd. Want laat ons eerlijk zijn, het leven van de mens is 3/4 schijn. Die schijn wordt door de mensheid gezamenlijk opgebouwd en in stand gehouden, omdat de werkelijkheid voor de mens niet aanvaardbaar is.
Het niet-aanvaardbaar zijn wordt duidelijk, als wij zien hoe de mens reageert. Waarom is gezamenlijk onderwijs aan negers en blanken niet aanvaardbaar? Als wij alle rationalisatie terzijde zetten, dan is er sprake van angst. Angst voor concurrentie misschien. De angst de mindere te moeten zijn. Wanneer wij horen dat een christelijke groepering bezwaren maakt tegen de mogelijkheid dat een staatshoofd een ander geloof zou bezitten, dan moeten wij ook hier weer zeggen: Het is angst dat eigen waardigheid, eigen gelijk wordt aangetast.
Die vooroordelen hebben betrekking niet alleen op rassen– of godsdienstverschillen, maar zij komen ook tot uiting in de verhouding tussen werkgever en werknemer. Zij komen tot uiting in de wijze, waarop men politieke geschillen meent te moeten oplossen. Zij komen ook tot uiting in de wijze, waarop men zelf een beeld ten overstaan van de wereld tracht te scheppen, dat met de feiten toch niet geheel in overeenstemming is. De kern is een zekere angst, ongetwijfeld. Maar waarom?
Angst vloeit voort uit het verschil tussen schijn en werkelijkheid. De schijn lijkt de mens mooier dan de werkelijkheid. Of ze dat in feite is, zouden wij kunnen betwijfelen. Maar de schijn van braafheid, van hoogstaand zijn, de geur van heiligheid, waarmee men zichzelf tracht te omringen, is de mens dierbaar, omdat hij vreest tekort te schieten. Schijn beheerst de mensheid. Schijn komt voort uit angst voor de feiten, voor de realiteit. Dan kan worden gezegd, dat de toenemende neiging om schijn te stellen boven de feiten blijk geeft van een toenemende geestesziekte onder de mensen.
Deze laatste term klinkt u misschien wat hard. Maar als een mens de problemen van het leven niet kan verwerken en daarom zich gaat gedragen, alsof hij een ander ware (hoeveel Napoleons, God de Vaders, profeten en koningen lopen er niet rond; allemaal geesteszieken) dan zegt u: Deze moet genezen worden. En om zo iemand te genezen probeert men hem steeds weer te laten zien, dat de z.g. feiten van heerschappij niet kloppen. Dat men geen Napoleon is, zelfs niet in gevangenschap, zelfs niet gemaskerd en verborgen voor anderen. Dat men geen God de Vader kan zijn, omdat men geen macht bezit. Hoe moeilijk het is dergelijke gevallen te genezen, kan elke psychiater u vertellen. En nu staan wij tegenover een mensheid, die eenzelfde soort complex heeft: Een wereld van schijn. En wat meer is: Ieder, die deel uitmaakt van die mensheid, kan zich aan dit schijnbeeld haast niet meer onttrekken.
Dit schijnbeeld kent ideeën als “sociale rechtvaardigheid”, iets wat onmogelijk is. Het kent ideeën als “cultureel waardevol”, als “werkelijk beschaafd”, enz. Wat daaraan mankeert, is moeilijk te zeggen, omdat mensen altijd boos worden, als je dat opmerkt. Maar laat ons dan constateren, dat bv. de sociale rechtvaardigheid, die men voorstaat, leidt tot een absolute stabilisatie, die op zichzelf de onmogelijkheid van verdere vooruitgang inhoudt.
Wanneer te veel mensen onder gelijke condities leven en werken, ontbreekt de prikkel om meer te doen of meer te zijn dan anderen. Het resultaat is, dat dat kleine element, waaruit niet alleen de uitvinding voortkomt maar ook de prestatie, de aanpassing als het ware aan de bestaande mogelijkheden, wegvalt. Wij zien overigens eenzelfde verschijnsel in een gemeenschap waar een zeer kleine groep welvaart kent en gezag bezit tegenover een grote menigte, die alleen maar gehoorzaam is. Ook daar zien wij een stabilisatie, een stilstand, die tenslotte moet voeren tot de ondergang van een dergelijke maatschappij. Want ook daar probeert men alles te houden, zoals het is. Men wil een bestaand evenwicht bewaren. De verering van dit evenwicht komt voort uit de behoefte zichzelf en anderen goed te weten in vele opzichten. Het is dus wel een waardig streven, maar gelijktijdig is het een streven, dat de mens zijn waarlijke mensheid ontneemt.
Wanneer wij streven naar gelijke rechten en gelijke beloningen, naar gelijke mogelijkheden voor allen, dan mogen wij nooit vergeten dat wij — zo er een vooruitgang moet zijn en zo er voor onszelf in het leven, zelfs nu in het heden, een zeker perspectief moet zijn in plaats van een eindeloze herhaling — zullen moeten uitgaan van verandering. En verandering kan alleen daar bestaan, waar onevenwichtigheid is: Een verplaatsing van macht bv., een verplaatsing van krachten, een verplaatsing van bezit. Deze dingen zijn noodzakelijk. De mens van heden probeert dat meer en meer te ontkennen. Gevolg: Een schijnwereld met een schijnwelvaart.
Een schijnwelvaart, waarin een product steeds slechter moet worden, omdat alleen op die manier de machine kan blijven draaien. In dit verband is het goed eens te denken aan een definitie van de hel. Men zei eens: “De hel is een wereld, waarin alles wat nieuw is, zodra ja het beroert oud en versleten wordt, of het een denkbeeld is of iets anders.” Het lijkt mij toe, dat deze wereld die kant uitgaat.
Wanneer wij ons aan de werkelijkheid willen aanpassen, dan zullen wij zeker geen evenwichtigheid mogen nastreven, ook niet voor onszelf. Het enige, dat wij nodig hebben, is een innerlijk evenwicht; maar dat heeft niets mat de uiterlijke omstandigheden te maken. Het innerlijk evenwicht moet gelegen zijn in een zeker weten omtrent uiterlijke omstandigheden, maar in een vertrouwen, dat wij de kracht bezitten om op elke omstandigheid juist te reageren, dat wij al het belangrijke zullen kunnen volbrengen, indien het noodzakelijk is.
Innerlijke zekerheid is binnen de kosmische werkelijkheid een zelfvertrouwen, dat is gebaseerd op de innerlijke relatie met de kosmische Kracht, met God. Dan hebben wij de kwestie van cultuur. Cultuur is het mededelen van het “ik” aan anderen. Daarop komt het neer. De cultuur is dus de band, waardoor de mens zich voor anderen begrijpelijk maakt. Maar wat hij begrijpelijk maakt, zijn niet de feiten, doch zijn innerlijke wereld, zijn schijn. En misschien hier en daar een stukje kosmische werkelijkheid. Op het ogenblik, dat wij zeggen dat wij cultureel moeten zijn, proberen wij een algemene maatstaf te hanteren. Die kan echter nooit bestaan, omdat elke mens in zich anders is en het niet gaat om het creëren van iets, maar om het creëren van het contact. Het resultaat is duidelijk: Cultuur kan allen bestaan in een voortdurend tot uiting brengen van je innerlijk in de wereld en het zoeken naar degenen, die voldoende gelijk gestemd zijn om dit te aanvaarden, meer niet.
Dan kunnen wij er nog van zeggen, dat men dit ook moreel heeft. De feiten van moraliteit liggen anders dan de schijn. Moraliteit is in feite een jezelf aan jezelf waardig tonen. Een mens, die zichzelf verloochent, is dus als het ware een zedelijk mens. Op het ogenblik, dat ik die norm, buiten het “ik” ga stellen (en dat is in de laatste tijd heel sterk gebeurd — het is eigenlijk via de eerste Syrische impulsen overgebracht naar het Judaïsme en vandaar naar het Christendom, met een lichte bijgift van Griekse waarden), ontstaat er dus een moraliteitspatroon, dat niet meer de innerlijke mens weergeeft. Het resultaat is een uiterlijke vorm, die innerlijk voortdurend wordt geschonden. De feiten zijn niet in overeenstemming met de schijn van moraliteit. We kunnen zo voortgaan. Maar het lijkt mij beter om in dit onderwerp nog even de schijn wat verder onder de loep te nemen. Alle verschijnselen op deze, wereld worden op verschillende wijze geïnterpreteerd. Die interpretatie is afhankelijk van de manier, waarop men er persoonlijk door wordt beroerd, de behoefte die men heeft om voor zichzelf daaraan een zin te geven — ook wanneer deze dus niet bestaat — de manier waarop men anderen wil zien. De verhouding “ik” — wereld speelt een grote rol. Het “ik” moet — het kan niet anders — ten slotte zichzelf blijven. Dit betekent dat je je niet kunt onttrekken aan je eigen persoonlijkheid, hoe graag je het ook zou willen doen. Feiten, die onmiddellijk het “ik” beroeren, zijn daarom zeer persoonlijke reacties. Zij komen onwillekeurig dicht bij de waarheid.
Laat ons stellen, dat bij het persoonlijk ondergaan van een gebeurtenis de doorsneemens in de beleving ervan voor 90% waar is (dit is ongeveer juist, ofschoon afwijkingen van 10 tot 15% mogelijk zijn), dan kunnen wij verder constateren dat 48 uur na het gebeuren de interpretatie een geheel andere is geworden. De mens vervalst het verleden. De reactie was echter op de werkelijkheid gebaseerd en dus kunnen wij de reactie zien als direct in overeenstemming zijnde met de kosmische werkelijkheid en in haar gevolgen in overeenstemming met de persoonlijke mogelijkheid van ontwikkeling plus het innerlijk contact met de God, voor zover men dat heeft aanvaard. Op het ogenblik, dat iets een ander betreft, wordt het oordeel echter niet meer gebaseerd op de feitelijke waar, maar het wordt gebaseerd op een mening en dat is dan een denkwijze, die rekening houdt met de totale schijnwaarde, die de mensheid heeft geschapen.
De eigen reactie op het gebeuren dat anderen beroert, is over het algemeen slechts voor 10 tot 12% waar. De handelingen, die als gevolg daarvan geschieden zijn daarom slechts zelden in overeenstemming met de feiten. Alleen degene, die — zijn persoonlijke mening terzijde stellend — eerst de feiten beziet en dan onmiddellijk daarop reageert, heeft kans dat hij een hoger percentage van werkelijkheidszin bereikt. Dan is hiermede het eerste deel van mijn lezing wel ongeveer afgewerkt.
De werkelijkheid
Wanneer wij het woord werkelijkheid gebruiken, dan vragen wij ons heel vaak af: Wat is eigenlijk die werkelijkheid?
Wij kunnen spreken over een persoonlijke werkelijkheid. Dat is uw eigen reactie op al datgene wat er gebeurt. Maar daarnaast moet er een kosmische werkelijkheid bestaan en deze zal niet afhankelijk zijn van persoonlijke reacties. Zij is onveranderlijk een richtlijn, waaraan niet is te ontkomen. Wij kennen dergelijke richtlijnen onder de naam van wetten en dus spreken wij over oorzaak-en-gevolg, ofschoon er werelden bestaan, waarin oorzaken-gevolg niet meer volledig waar is in de menselijke zin des woords.
Het feit, dat er in de kosmos een geheel is geschapen, waarvan alle delen die daarvan deel uitmaken gelijktijdig een patroon vormen, houdt in dat er tijdloos een vaste relatie moet bestaan niet alleen tussen “ik” en God maar ook tussen “ik” en wereld. Ook met duizend incarnaties, met de hoogste inwijding kan men daaraan niets veranderen. Werkelijkheid is de vaste verhouding lussen “ik” en wereld. Wat veranderen kan, is de beleving, de aanvaarding, maar nimmer het feit.
Op het ogenblik, dat een mens gebruik gaat maken van wat men noemt “occulte kracht”, kan hij dus niet uitgrijpen buiten het voor hem vaststaande, maar hij kan wel het totaal van zijn kracht activeren en daardoor bewust tot stand brengen, wat hij anders slechts onbewust zal onder gaan.
Werkelijkheid is voor ons het bewustzijn van de vaste normen binnen de kosmos, waarmee wij onverbrekelijk verbonden zijn. De kosmische werkelijkheid drukt voor ons slechts het pad uit, dat ons bewustzijn gaat, tot het ogenblik dat het de volledigheid beseft en daarmee ook zichzelf en zijn eigen plaats.
Dan mag hieruit worden afgeleid, dat in het leven van elke mens vele onvermijdelijke momenten zijn. Besef ik dit, dan kan ik ze ook aanvaarden. De aanvaarding van het onvermijdelijke en de kunst om dit zelfs te maken tot basis van je verdere actie is de eerste benadering van de werkelijkheidsbegrippen. Het is de eerste juiste reactie op God en daardoor ook de eerste juiste mogelijkheid om goddelijke Krachten in grotere volheid te openbaren.
Verder kan worden opgemerkt, dat veel in het menselijk leven tot de schijn blijft behoren. Er is geen sprake van een onvermijdelijke realiteit. Het zijn overbodige handelingen en gebeurtenissen, die voor de mens wel veel reacties met zich mee kunnen brengen, maar die op een gegeven ogenblik toch worden uitgewist. Datgene, wat geen deel is van de goddelijke Werkelijkheid, kan door de mens worden beleefd; maar het wordt uitgewist, het maakt geen werkelijk deel uit van zijn bewustwording en kan geen blijvend stempel zetten op zijn wereld.
U ziet, dat de werkelijkheid als het ware een begrenzing gaat betekenen van wat je menselijke gezien je wereld noemt. In elk mensenleven zijn er een groot aantal ogenblikken, die kosmische werkelijkheid zijn. En deze dingen zul je moeten beleven. Je kunt er niet aan ontkomen. Hoe je ze beleeft, is je eigen zaak. Wat je ervan maakt, is je eigen zaak. Eraan ontkomen kun je echter niet. Begrijp je dit, dan kun je juist die gebeurtenissen en de reacties, die het in je opwekt, gebruiken om de toekomst verder op te bouwen. Wie de toekomst bouwt op die feiten, gaat van één feit in de kosmische werkelijkheid tot het volgende feit in de kosmische werkelijkheid en is zich daarvan bewust. Het betekent, dat het “ik” zich aanpast aan goddelijke waarden, zonder daarom nog God te worden. Het idee “strijd”, dat voor de mens zo onvermijdelijk schijnt te zijn (in elk geloof en in elke opvatting treffen we het tenminste aan), valt weg. De kosmische werkelijkheid is niet iets, wat ik moet bestrijden of ondergaan, het is iets, wat ik moet begrijpen.
In dit begrip blijkt het dan verder mogelijk om uit je eigen leven allerhand dingen te elimineren, die eigenlijk niet belangrijk zijn. Je wordt dan minder mens volgens de menselijke maatstaf. Gelijktijdig achter word je meer mens in de zin van een kosmische maatstaf. Je bent nl. daar, waar het op aankomt, volledig actief. Je openbaart jezelf volledig en je maakt in elke openbaring gebruik van de totale kracht van je gehele wezen, waarbij geen enkel geestelijk voertuig, geen enkele goddelijke Kracht of andere mogelijkheid wordt uitgeschakeld.
Resultaat: de schijn, waardoor je je angstig voelt, eenzaam, nuttig, nutteloos of gewichtig, valt weg. Er ontstaat in de plaats van deze schijnwereld een directe aanvaarding van het leven. Er is geen verzet meer tegen eigen wezen of aspecten daarvan, maar gelijktijdig alleen een activeren van dit eigen wezen, wanneer het zinrijk is.
Indien we uit deze wereld al het zinloze zouden kunnen weghalen, dan zouden we ongetwijfeld de gehele wereld beter en eenvoudiger zien worden; tevens zouden we de tekorten en de overvloed van deze dagen opgeheven zien en daarnaast de angst zowel als de begeerte. We zouden vele schijnvreugden van deze tijd misschien teniet zien gaan, maar daarvoor in de plaats zien komen het geluk van nu, vandaag te leven en te weten dat het goed is.
We hebben de werkelijkheid nu gesteld tegenover de schijn. Daarnaast hebben wij gezamenlijk kunnen constateren, dat het voor de mens niet mogelijk is om de kosmische werkelijkheid onmiddellijk te accepteren. Er blijft ons nog de vraag over, hoe een aanpassing te bereiken is. Die aanpassing wil ik proberen in enkele korte regels samen te vatten, zodat u aan de hand van de twee voorgaande onderwerpen plus dit onderwerp uw eigen houding misschien wat juister leert bepalen.
- Laat mij steeds teruggrijpen naar het belangrijkste. Het onbelangrijke is mijn spel. Het kan nooit werkelijk belangrijk zijn of zin hebben. Indien het bijdraagt tot mijn innerlijke zekerheid is het goed.
- Ik heb rekening te houden met feiten. Laat mij daarom altijd, wanneer er iets gebeurt, eerst nagaan wat er werkelijk plaatsvond, wat dit werkelijk voor mij betekent en eerst van uit dit werkelijk gebeuren mij misschien een denkbeeld ervan vormen. Hoe meer wij de illusies, de idealen en de dromen terzijde zetten op het ogenblik, dat wij feiten moeten waarderen, hoe dichter wij bij de werkelijkheid komen, hoe beter wij ons daarbij aanpassen.
- Wij zullen met ons denken steeds in conflict zijn met de wereld. Zolang dit conflict onszelf betreft, zullen wij trachten ons “ik” aan te passen zowel aan het denkbeeld als aan de wereld. Wanneer onze denkbeelden in conflict zijn met de wereld, met de werkelijkheid van anderen, zullen wij dit terzijde stellen als iets wat voor ons geen belang heeft buiten de feitelijke invloed, die de anderen op ons hebben.
- Het verleden heeft het heden gevormd. Teruggrijpen naar het verleden is alleen goed, indien men de feiten van het heden wil illustreren, maar nimmer indien men daaruit drijfveren voor het heden aan zichzelf kenbaar wil maken.
- Een vooruitzien in de toekomst is voor de mens aanvaardbaar, zolang dit een algemeen beeld is. Zodra echter dit beeld zo sterk in hem leeft, dat hij daardoor de feiten van het heden vergeet, zal hij zijn denkbeelden terzijde moeten stellen.
Handel in de eerste plaats volgens de feiten, zoals ze voor u bestaan; ook wanneer dat handelen in strijd zou moeten zijn met uw ideaal of droombeeld. Het verantwoord handelen in het heden maakt het mogelijk die idealen en dromen dichter bij de verwezenlijking te brengen en zo te komen tot de werkelijkheid, omdat de droom en het ideaal van de mens meestal niets anders zijn dan een karikatuur van de kosmische werkelijkheid, waarin hij reeds leeft.
Met deze algemene zinsneden het ik getracht aan te duiden, waar het eigenlijk om gaat. Schijn en werkelijkheid zijn voor een mens niet volledig te scheiden op dit ogenblik, ook al weet hij dat ze zoveel van elkaar verschillen. Maar als mens kan men wel proberen de feiten steeds zwaarder te laten tellen dan alle ideeën. Men kan trachten zijn persoonlijke ervaringen en persoonlijke benaderingen steeds meer te laten gelden dan eventuele denkbeelden, regels of theorieën, die elders bestaan. Van uit jezelf leven lijkt erg egocentrisch en egoïstisch. Maar men kan in wezen niet anders leven. De mens, die volkomen altruïstisch zou moeten leven, zou zichzelf geheel moeten prijsgeven en daarmee ophouden feitelijk te bestaan. Dit is niet mogelijk. Een zekere mate van egocentrisch bestaan is deel van onze werkelijkheid. Juist als een afgescheiden deel van het Goddelijke hebben wij onze belangrijkheid in de vorming van het geheel. En als afgescheiden deel zullen wij altijd blijven bestaan in de goddelijke uiting, in de goddelijke werkelijkheid. Ons bewustzijn kan die scheiding tenslotte verbreken, maar dan nog blijft het feit bestaan. Alleen zullen we de zin van deze afscheiding dan beschouwen van uit het geheel.
Laat u niet verleiden tot een altruïsme, dat redeloos is. Egocentrisch zult u moeten reageren op de feiten. Daarnaast zult u moeten beseffen, dat de verbondenheid rot anderen betekent dat u van uit uzelf en voor uzelf verantwoord zult moeten reageren op elke situatie, waarbij anderen in het heden betrokken zijn, terwijl u nimmer morgen voor anderen reeds moogt vastleggen, omdat u daarmede niets bereikt.
Ik heb getracht in dit onderwerp ten dele voorgaande punten samen te vatten, ten dele daarvan ook een toepassing te geven. Een volgende maal hoop ik hierop door te gaan. Echter niet meer van uit het punt schijn en werkelijkheid, maar van uit iets veel belangrijkers: de innerlijk ware wet.
Schijn en werkelijkheid in de sferen
Nadat zo hevig is gesproken over de schijn en de werkelijkheid in de wereld der mensen, blijkt er belangstelling te bestaan voor die toestand in de verschillende sferen.
Nu is het bij ons heel wat moeilijker te spreken van schijn en werkelijkheid om de doodeenvoudige reden, dat de gedachte werkelijkheid wordt, althans voor ons. En zo blijkt het dus veel moeilijker iets op te bouwen, dat helemaal buiten je persoonlijkheid om gaat.
Op aarde kent men allerhand normen, regels en wetten, geloofswaarden en theorieën, waarbij men persoonlijk niet betrokken is. In de sferen bestaat dat niet, omdat je alleen contact krijgt met diegenen, die op ongeveer gelijke geestelijke hoogte staan en gelijktijdig je ook datgene, wat je denkt, vorm ziet krijgen rond je. Toch zouden we in onze wereld ook nog wel over schijn kunnen spreken. Maar dan is het toch iets anders. Er komt een ogenblik, dat wij niet in staat zijn iets te aanvaarden. Wij weten dat het waar is, maar zo goed als de mensen sommige dingen in hun leven eenvoudig niet waar willen hebben, zo zijn er ook voor ons bepaalde begrippen, die wij eenvoudig niet kunnen verwerken. Het is te groot, het betekent een te grote omstelling van ons wezen en dan weigeren we dus een deel van de werkelijkheid te aanvaarden.
Maar waar je een deel van de werkelijkheid verwerpt, ontstaat er eigenlijk ook een schijn; want je wilt toch doen, alsof je volledig leeft. En dat is in bepaalde sferen, vooral in Zomerland, nogal sterk. Je krijgt dan te maken met degenen, die proberen hun eigen wereld in een zeker evenwicht te brengen en te blijven voortleven in één en hetzelfde Zomerland. Maar dat vergt een toenemende concentratie. Om je niet bewust te worden van de grotere werkelijkheid, de grotere waarheden, die eigenlijk voortdurend op je wezen afkomen, moet je je steeds meer isoleren. Je krijgt dus steeds minder contact met de anderen rond je. Er is dus een situatie van vereenzaming. Die vereenzaming betekent verder dat je wereld klein wordt, want alles verandert behalve datgene, wat je zelf krampachtig in stand houdt. En dat bederft, dat verliest zijn smaak en zijn toon. Het is alsof een wereld, die eerst in de wonderlijkste kleuren was getekend, langzamerhand alleen nog maar uit grijzen bestaat, of de tijd is blijven stilstaan. Je weet ten slotte niet meer, of je leeft of dat je dood bent en het wordt zo uitermate vervelend, dat je moet terugkeren tot de wereld en dus incarneert.
Hier zou ik dus kunnen formuleren, dat reïncarnatie plaatsvindt als gevolg van het willen bewaren van een zekere schijn boven de kosmische werkelijkheid, zoals die zich van uit het geestelijk leven aan je zou openbaren. Dan is er nog de vraag, of we daarnaast verschillende vormen van schijn kennen. Nu, wat dat betreft, zijn we rijk gesorteerd. Even rijk als de mensheid. Wanneer iemand bij ons komt en hij denkt iets, dan maakt hij dat waar. Dat is voor hem een persoonlijke werkelijkheid. Toch zal hij nimmer feiten stand kunnen brengen of situaties blijvend kunnen scheppen, die in strijd zijn met een kosmische wet of met de waarde van zijn eigen sfeer van leven. Het resultaat is dus, dat je in heel veel z.g. deel-sferen situaties vindt, die erg stagnant zijn; ze blijven ongeveer hetzelfde. Bijvoorbeeld: De mensen, die in de hemel zitten. Sommigen vliegen met vleugeltjes rond. Ik zou haast zeggen: Een soort geestelijke KLM, want het blijkt dat de kosten van het vliegen ook de baten op den duur ver overtreffen. Ze ontdekken nl., dat het in stand houden van dit beeld steeds meer van het “ik” gaat vergen. Het is geen vreugde meer. In het begin ben je blij, dat je kunt vliegen. Je voelt het werkelijk als een hemeltuin, waarin je leeft. Maar als het steeds meer moeite kost om in de lucht te blijven en je niet durft dalen, omdat dan ineens die heerlijke sfeer, waarin je nog ronddwaalt, verdwenen is, dan wordt het toch wel een wanhopige toestand.
Er zijn nu entiteiten, die proberen om dat op hun manier op te vangen. Wij treffen onder hen ook wel wezens aan, die met media op aarde werken. Zij gaan dan proberen om op aarde hun stellingen als het ware nieuw bloed toe te voegen. Ze gaan hun ideeën, hun geloof, verkondigen om uit de reacties van de mensen de energie te putten om voor zichzelf deze heerlijkheid van “wij leven in een lichte wereld, wij leven in een hemel”, zonder meer te continueren. Dat is natuurlijk weer niet aanvaardbaar voor degenen, die in een ander soort wereld leven; die dus een ander beeld hebben. Dezen zullen dan proberen om tegen te spreken, om te storen en soms zelfs om op te treden als spotgeest. Ze proberen de zaak belachelijk te maken, in diskrediet te brengen.
Dat dit optreden natuurlijk ook niet te rechtvaardigen is, moeten wij toegeven. Maar het is logisch. Er kan een conflict bestaan, zelfs tussen twee groepen uit één lichte sfeer, omdat elk voor zich erop uit is eigen gedachten op aarde te doen leven en uit de daardoor ontstane impulsen en gedachte-invloed zijn eigen gevoel van verhevenheid, van geluk, te versterken of te behouden.
In dit verband kunnen wij wel opmerken, dat naarmate uit de geest meer dogmatisch een waarheid wordt gesteld als de enig juiste, of een gezag wordt gepretendeerd, over het algemeen deze toestand sterker optreedt. Nu zijn er natuurlijk ook wel geschillen, die we met de geest zelf hebben. Ik kan u daarvan wel enkele voorbeelden geven, maar het is voor u misschien heel erg moeilijk om dat helemaal te doorvoelen.
Wanneer nl. iemand in de geest met een leraar samenwerkt, dan zal die leraar heel vaak van een hogere sfeer komen. Hij past zich aan aan de mogelijkheden, aan het denken van de mens in de geest in die lagere sfeer. Wanneer hij nu op een gegeven ogenblik echter zijn beelden heeft uitgewerkt, dan moet de geest, die leerling wil zijn, toch wel een soort examen afleggen.
Misschien is het beter te zeggen: Een proefwerk. Hij moet nl. uit het totaal van het geleerde een nieuw concept produceren. Zoals je dus door het samenvoegen van vele feiten een nieuwe visie op een bestaande toestand kunt krijgen, zo moet je daar je eigen wezen op een andere manier leren zien. Wanneer dat nu niet aanvaardbaar is, dan krijgen we weer diezelfde toestand: Schijn. Men wil voor zich niet de waarheid erkennen van wat men is. En dan zijn dit vaak de gedrevenen.
Het eigenaardige is, dat zij daarmee toch aan hun eigen sfeer zijn ontgroeid. Ze kunnen zich niet meer tussen de anderen bewegen, die nog dat bewustzijn hebben, waardoor die sfeer aanvaardbaar is. Ze kunnen de hogere sfeer niet aanvaarden, omdat hun eigen wezen daarin niet past volgens het beeld, dat ze zich hebben gemaakt. De consequentie is, dat ze tussen twee sferen in zweven en over het algemeen dan ook weer trachten in een andere wereld (heel vaak in een lagere wereld) invloed te gewinnen en daar hun denkbeelden verkondigen.
Dat heeft zijn nuttige kant. Want al is dat wat zij verkondigen voor henzelf niet meer volledig waar, het is toch wel een vergroting van het waarheidsbegrip van degenen, die in een lagere wereld leven. En zo treffen wij onder deze geesten velen aan, die zich aan het reddingswerk wijden. En nu zien wij daarbij een heel aardige gebeurtenis: Wanneer je nl. steeds wordt geconfronteerd met anderen, die niet kunnen aanvaarden, ga je steeds meer beseffen wat er aan jezelf mankeert en door deze activiteit komt men dan op een gegeven ogenblik tot een zelfoverwinning. Men zegt dan: “Ja, nu moet ik het dan maar accepteren, zoals het is” en kan daardoor een nieuwe geestelijke sfeer betreden. Wij zeggen heel vaak, dat werken in de sferen een van de belangrijkste factoren van de bewustwording is. Nu begrijpt u misschien waarom dat waar is. Ons werken confronteert ons met anderen. Het maakt ons bewust van onze eigen fouten en maakt het ons daardoor mogelijk een weerstand in onszelf te overwinnen, die wij anders nooit zouden kunnen overbruggen.
Dan komt de kwestie van de groepen, die met elkaar in strijd zijn. Nu is dat periodiek wat meer en wat minder. Op het ogenblik hebben wij in bijna alle belangrijke geestelijke groepen de Witte Broederschap wel aanvaard als leidinggevend principe, gezien de grote Meesters die daarin medewerken en van daaruit werkzaam zijn. Het resultaat is dus, dat wij onze verschillen van visie een beetje prijsgeven en daardoor kunnen zelfs groepen, die op een waan zijn gebaseerd, medewerken in een geheel, dat waarheid is. Ze worden aan zichzelf onttrokken.
Voor onze Orde was het misschien wat gemakkelijker om dit te aanvaarden dan voor sommige andere groepen. Ik denk hier bv. aan de Broederschap der Christelijke Liefde. Vrij vertaald een geestelijk genootschap, dat vooral in Engeland en in de Engels sprekende gebieden opereert. Deze groep nl. had betrekkelijk primitieve christelijke opvattingen en wilde daarvan niet afwijken, omdat men uitging van het standpunt: De christelijke regel, de christelijke wet is de belangrijkste en onze formulering ervan is de enig juiste. En dat laatste draaide ze de nek om. Nu hebben ze echter de grote Meesters aanvaard en worden ze geconfronteerd met het feit, dat er in hun acties opdrachten worden gegeven, die in strijd zijn met hun begrip van gelijk hebben. Ze hebben zich echter erin geschikt. En het enige, dat ze kunnen doen is: Of de taak vervullen of zich terugtrekken; maar dan ook uit de groep, waartoe ze behoren. De kuddegeest is aan onze kant schijnbaar toch ook nog wel sterk. De meesten prefereren dan maar om hun betweterij tijdelijk opzij te zetten.
De kwestie, dat sommige groepen met elkaar strijdig kunnen zijn, mogen wij zeker niet uit het oog verliezen. Elke groep heeft een eigen wereld. Die wereld is voor die groep wel reëel, maar ze bevat heel veel elementen, die geen kosmische realiteit zijn. En omdat ze niet kosmisch zijn, zijn ze dus voortdurend aan verandering onderhevig, tenzij men ze van uit zichzelf voortdurend blijft stabiliseren.
Wanneer een groep bezig is met zo’n stabilisatieproces, dan kan zij weleens op ongeveer gelijk niveau een andere groep ontdekken, welke precies die variabele factor anders uitgedrukt zou willen hebben. Dan ontstaat er soms een machtsstrijd. Maar in een lichte wereld sta je dan altijd weer voor het feit, dat een machtsstrijd verlies aan licht betekent en in een lichte wereld is het licht je leven.
U zoudt op aarde ongetwijfeld heel veel ruzie zien vermijden, indien dat betekende dat de zon morgen niet zou opgaan. Eén, twee dagen zou u dat kunnen uithouden, maar als het een week duister is geweest, dan zegt u: Laten we nu maar zeggen, dat we gezamenlijk een nieuwe weg moeten vinden, maar laat de zon opgaan. Daarom zijn de verschillen, die er in de lichte sfeer bestaan, meestal die van formuleringen en komt men wel tot een zekere overeenkomst, een zekere samenwerking. Anders is het, indien wij te maken hebben met groepen die lager staan die het licht niet kennen. De grote strijd, die zich dus bij ons afspeelt, is heel vaak die tussen wat wij noemen: De lichte sferen en de duistere sferen. Nu is dit natuurlijk maar een heel relatieve benaming. Een duistere sfeer is echter een wereld, waarin het goddelijk Licht een beperkte of zelfs geheel geen rol schijnt te spelen. Het “ik” ervaart dit niet. Het leeft in een situatie, die het geheel zelf heeft geschapen en die het voortdurend in stand moet houden.
Juist voor die duistere geesten zijn vaak de reacties van de mensen op aarde erg belangrijk en vooral wat wij zouden kunnen noemen. de negatieve reacties. De gedachte van verdeeldheid, van isolement, van verdwazing, van afstand nemen van de werkelijkheid is voor hen zo belangrijk, omdat ze daarin een bevestiging vinden van hun eigen levenshouding. Hun invloed op de mensen is dus precies tegengesteld aan datgene, wat je uit een lichtere sfeer — wanneer je met de mensen werkt — zou willen zien: Vernieuwing, verandering, ontwikkeling, iets, waaraan je zelf deel kunt hebben. Het resultaat is dus dat de duistere wereld (de schijnwereld, die uit eigen denken voortkomt) door de lichtere sferen nog wel eens wordt aangevallen. Dit gebeurt meestal heel liefdevol, omdat men niet probeert de ander te vernietigen, maar alleen om zijn schijnwereld zover te vernietigen, dat iets van het licht erin doordringt. Maar voor degene, die in het duister leeft, moet dat soms toch wel erg pijnlijk zijn. De werkelijk wanhopigen onder hen, die beseffen dat er niets meer overblijft, ach, die willen dat Licht wel aanvaarden, al is dat nog zo pijnlijk. En hen kunnen we dan helpen, opkweken en vertroetelen en ze komen vanzelf wel in een lichte wereld terecht. Maar degenen, die nog niet zover zijn gekomen, verzetten zich met hand en tand.
Zo ontstaat er in de sferen rond de wereld dus vaak een werkelijke oorlog. De lichtende geest probeert lichte krachten op te wekken. Ze probeert alles wat onzuiver is, wat aan die waan, aan die fixatie vastzit uit de atmosfeer te verdrijven; dus uit de sfeer, die de mensen rond zich scheppen. Ze probeert de menselijke gedachte te beïnvloeden, zodat er een zekere ontvankelijkheid komt voor het nieuwe, voor het andere.
Aan de andere kant staan dan de duisterlingen, die dat proberen te voorkomen. U begrijpt, dat het in zo’n geval soms wel eens op een donderbui lijkt. Wij veroorzaken de bliksem en de reactie is het gerommel van de lagere sfeer en vaak van de mensen, die zich daar dan toch maar heel wel bij bevinden. Zo’n strijd is er een aantal jaren geleden uitgevochten. En dat heeft ten gevolge gehad, dat er nu op de wereld een zekere mate van Licht toch wel overheerst. De interpretatie, die de mensen aan de lichtende impulsen geeft, is op het ogenblik nog zeer gebonden aan schijn, naar wij kunnen toch wel iets van onze wereld geven. En daar ontstaan dan weer een gevaar, want de werkelijkheid is dat een mens anders is dan een geest. En juist dat anders zijn, vergeten wij heel vaak.
Het is voor ons niet gemakkelijk om iets te zeggen. In onze wereld is dat meteen werkelijk. In de menselijke wereld betekent het vaak strijd en is het in vele gevallen zelfs niet eens mogelijk. Nu kan het zijn, dat wij ons daarvan niet bewust zijn of niet willen zijn. In onze Orde zijn wij over het algemeen nog wel geneigd om met de menselijke moeilijkheden en conflicten rekening te houden. Maar er zijn andere groepen, die dat liever niet doen. En dan gaan wij dus ons eigen gedachtebeeld omtrent de wereld aanzien voor de waarheid van die wereld. Iets wat heel gevaarlijk is, omdat je dan op die wereld invloeden gaat scheppen, die volkomen in strijd zijn met de mogelijkheden. Ik kan wel tegen u zeggen: U kunt vliegen. Nu is dat waar. In mijn sfeer direct, in uw sfeer alleen onder bijzondere omstandigheden. Laat ik dat nu buiten beschouwing, dan zeg ik dus tegen u: Ga op die kerktoren staan, spring eraf en vlieg en u breekt uw nek. Ik zeg dan: Tjonge, tjonge, dan heb ik mij toch vergist. Kijk, dat is natuurlijk verkeerd. Maar in geestelijk opzicht worden dergelijke vergissingen wel eens gemaakt. Men is geneigd aan te nemen, dat een mens de hoge geestelijke waarden, de hoge geestelijke lering, die men zelf misschien onmiddellijk van zijn meester heeft ontvangen, zonder meer kan overnemen en omzetten in praktijk. Theoretisch zou dat mogelijk moeten zijn. Praktisch gezien heeft de mens de middelen niet om dit te doen. Wanneer hij dat toch probeert, raakt hij met zichzelf in de knoop, zodat hij niet meer weet, waar hij naar toe moet. In vele gevallen gaat hij iets verwerpen, omdat hij niet precies begrijpt, wat er werd gezegd. In andere gevallen komt hij in tweestrijd, omdat hij het niet in overeenstemming kan brengen met zijn eigen begrippen.
Kijk, dat mag natuurlijk niet. En wanneer er dan — en dat gebeurt nog wel eens — weer iemand ingrijpt om te corrigeren, dan ben je ook niet altijd zo geneigd om onmiddellijk te zeggen: “Ja, Meester, U hebt gelijk.” Dan beginnen we ook te “ja-maar”-en; en dat is eigenlijk ook een vorm van strijd tussen schijn en werkelijkheid. Uit dit geheel zal u wel blijken, dat de sferen (tenminste de lichte, die ongetwijfeld veel prettiger zijn dan uw eigen wereld) nog niet helemaal vrij zijn van gebreken en dat ook wij, die van uit die sferen werken, onze fouten hebben en naar ik hoop, ze leren erkennen.
Het feit, dat onze gedachten zo gemakkelijk vorm aannemen, maakt de verleiding groter dan ze zelfs bij u nog is om een persoonlijke schijn te handhaven. U bent gebonden aan de groep. De misleidende gedachte, die u aanvaardt, komt dus voort uit de maatschappij. In de sferen is dat niet het geval. De groep ontmoet je eigenlijk door je eigen instelling en niet omgekeerd. Wanneer je dus je instelling verandert, kan de groep je niet dwingen. Ze kan je misschien niet eens benaderen. Het contact is verbroken. Het resultaat is, dat er bij ons veel meer afzonderlijke schijnideeën ontstaan dan bij u op aarde. Bij u is het meer algemeen en ook de strijdigheid is meer algemeen. Bij ons is het persoonlijker. De enige methode om daar tegenin te gaan, zoals wij die hebben ontdekt, is het vormen van groepen, die een gezamenlijke regel aannemen, niet als dogma maar als werkthese. In de geest ontstaan er op die manier bepaalde groepen van wezens, die uit een bepaalde sfeer of soms uit verschillende sferen afkomstig zijn, maar die een ongeveer gelijk ontwikkeling hebben en die nemen gezamenlijk aan, dat ze bij hun werken in een lagere sfeer, in de eigen sfeer of op aarde zullen uitgaan van een bepaald principe, ook als zij dit principe niet geheel onderschrijven.
Het is alsof een experimentator in een laboratorium zegt: “Ik zie dit probleem eigenlijk anders, maar we zullen eerst deze reeks proeven nemen.” En omdat daarbij een hogere leiding toch wel een grote rol speelt, zullen degenen, die tot zo’n groep behoren door de ervaring, die ze putten uit lagere sferen of uit eigen wereld en hun arbeid daarin, hun contact met de mensheid, een wereldbeeld ontwikkelen dat dichter bij de waarheid komt te staan. De persoonlijke schijn kan in onze werelden worden bestreden door het aanvaarden van een gezamenlijke werkbasis, waarvan men niet afwijkt. De aangenomen werkthese is dan de bindende factor tussen de individuen met hun afzonderlijke denkbeelden en die maakt het mogelijk dat ze — ongeacht hun afwijkingen in verschillende richtingen — met elkaar in contact blijven en zo de werkelijkheid van hun denkwereld kunnen toetsen aan de werkelijkheid van anderen. De strijdigheden die je dan ontmoet zijn wel eens pijnlijk, maar ze voeren dan toch wel tot een elimineren van de grote onwaarschijnlijkheden.
En nu de Meesters. Meester is eigenlijk een heel typische naam. U gebruikt die op aarde nu eenmaal en daarom zal ik hem maar aanhouden. Een meester is niet iemand die ons onderricht geeft, maar alleen iemand die ruimer is dan wij; die zo ruim is, dat hij ons in zich, in zijn sfeer van denken, in zijn deel van de werkelijkheid kan opnemen, voor zover wij dit willen aanvaarden. Die meesters staan heel dicht bij — wat wij noemen — de goddelijke Waarheid of de goddelijke Werkelijkheid. Zij overzien dus iets, wat buiten tijd en ruimte ligt, ofschoon ze misschien voor zichzelf nog wel een tijdservaren zullen kennen. In onze sferen doen ze dat zeker. Hun overzicht van het geheel maakt het ons mogelijk om — wanneer wij met hen verbonden zijn — deel van de werkelijkheid dat we zelf ergens hebben erkend als het ware te toetsen. Ze maken het mogelijk om de schijnwaarde, die wij ons hebben geschapen te vervangen door daaraan verwante werkelijke waarden; want schijn en werkelijkheid zijn vaak maar door een haarbreedte van elkaar gescheiden, soms is het alleen maar een benadering. In andere gevallen is het slechts het stellen van iets als enig waar of als algemeen variabel, terwijl het in feite een kosmische wet is.
De meesters geven ons zo in de sferen een les, waardoor wij eigenlijk dichter komen te staan bij de werkelijkheid eerst van onze sfeer, dan van ons persoonlijk wezen en tenslotte daardoor ook kunnen opgaan in een sfeer, waarin de werkelijkheidswaarde groter is en waarin dus de persoonlijkheid een vollediger uitdrukking vindt. Zo’n meester kan ook op aarde werken. Maar gaat hij nu naar de wereld, dan kan hij die niet opnemen in zijn gedachtesfeer. Wij kunnen ons als het ware tijdelijk daarmee versmelten. Het is alsof die meesters met hun wezen, hun denken, hun persoonlijke sfeer als een mantel over ons heen zijn gestulpt. Wij denken voor onszelf, maar dat grote overheerst ons. Wij zien contrasten tussen het grote en onszelf en daaruit leren wij.
Voor u is het meer een kwestie van uitdrukking in woorden. En wanneer er een sfeer wordt gebruikt, dan zal de mens dat wel onbewust ondergaan, maar hij zal toch ook weer heel gauw proberen dat weer in te passen in zijn eigen schema van waan of van schijn. Daarom geloof, dat het werken van deze meesters in de sferen in wezen vruchtbaarder is, terwijl het dat op de wereld alleen op lange termijn kan zijn, omdat daar een beïnvloeding van het onderbewustzijn tot stand moet komen, daardoor een beïnvloeding van komende generaties en via die komende generaties er een werkelijkheidsbegrip kan ontstaan, dat misschien minder onjuistheden inhoudt.
Ten laatste kunnen wij dan nog wijzen op de Godsverbondenheid. Nu is Godsverbondenheid voor ons nog iets anders dan voor u. Voor u is het een gevoel. Voor ons is het een kracht, iets wat je direct beroert. Wanneer ik mij in mijn sfeer met God verbonden voel, dan is het voor mij, alsof ik een vitaliserende energie onderga. Het is iets tintelends. Ik weet dus onmiddellijk wanneer ik reëel contact heb met God. Is het niet reëel, dan kan ik nooit diezelfde felle impressie hebben. Daarom is de zuivere relatie van geest tot God dus gemakkelijker te vinden dan van mens tot God.
God is verder voor ons eigenlijk niet een beeld. Ik wil niet zeggen, dat wij geen voorstelling ervan hebben, maar het is niet meer met een vorm te omschrijven. Voor een mens is God altijd ergens een beeld of een Niets. Voor ons kan Hij een kracht zijn en gelijktijdig een Niets, waarvan wij toch iets begrijpen.
Het resultaat is dus, dat de Godsverbondenheid in de geest grote kracht kan geven, wanneer je op de wereld wilt werken. Maar dat de mens zelf deze dingen eigenlijk niet kan aanvaarden. Een heel moeilijk probleem, waarmee wij o.m. op de Ster-avond wel eens worstelen. Want op een Ster-avond proberen wij de hoogste krachten en ook het goddelijke Licht zelf actief te voelen en dan dit in ons tintelende geheel aan de mens door te geven. Daarvoor scheppen wij dan een vorm en een sfeer, die dat volgens ons mogelijk moet maken. Maar de mens kan dat niet direct ondergaan. Hij moet zichzelf als het ware daarop gaan afstemmen. Hij moet innerlijk eerst een harmonie daarmee scheppen, voordat het voor hem actief wordt en dan alleen nog maar voor zover hij dat voor zichzelf accepteert. Het resultaat is, dat we soms zeer grote krachten de wereld inslingeren en dat de resultaten toch betrekkelijk gering zijn. Doch wij hopen er nu maar op, dat de Godsverbondenheid, die in onze sferen de laatste tijd bijzonder sterk begint te worden, ook op uw wereld haar stempel zal gaan drukken.
Schijn bestaat er in onze, wereld zo goed als in de uwe. Onze werkelijkheid is tenslotte dezelfde als de uwe. Wij echter zullen ofwel in de schijn volledig vastroesten en dan worden we duistere geesten, dan wel wij zullen die schijn niet kunnen handhaven en dan moeten we bv. mens worden of naar een andere sfeer overgaan, of zolang werken totdat wij vrij worden. Wij werken dan voor onze bevrijding. Voor u is de schijn een uiterlijkheid, die wij niet volledig kunnen beseffen. En daarom is voor u de werkelijkheid ook aan veel moeilijker probleem. Wat voor ons volledig waar in werkelijk is, is voor u iets, wat achter alle uiterlijkheden verborgen ligt. Iets wat u eigenlijk niet kunt zien.
Wij proberen u er toch over voor te lichten en ik hoop, dat ook dit kleine betoogje over schijn en werkelijkheid in de sferen ertoe heeft bijgedragen.
De drempel
Wanneer je opstijgt tot de hoogste grens van eigen wereld en andere werelden wilt binnengaan, dan moet je jezelf erkennen. Dan blijf je aarzelend staan voor de drempel, die het “ik” nu zelf vormt.
Een vage schim in grauw, met dreigingen en met zwart tart je om nu voort te gaan. Het is het “ik”, dat tot op heden de vorm was van het bestaan, dat je voor jezelf hebt erkend. De kracht, waartoe je je hebt gewend en die je nu verwinnen moet, of zo je dit niet kunt, waaraan je tijdelijk moet ondergaan.
De drempel, die ons allen steeds in een wereld bant en het onmogelijk maakt om eigen zijn voor hoger zijn — zij het tijdelijk — te ontvlieden, is het “ik”-besef. Ik wil mijzelf zijn. Ik twijfel aan de waarde, die ik onderga.
Ik wil niet meer erkennen: Dit is zo en ik besta toch werkelijk. Ik heb toch macht en kracht en in mijzelf weet ik misschien: Ik heb verkeerd gedaan, maar dat wil ik niet erkennen.
En dat is dan de drempel. Het wezen van de angst, de vuurproef die men telkens weer moet ondergaan, wanneer men door de poort wil schrijden.
Soms heet die drempel Dood. En dan moet je verdergaan. Maar zelfs dan zal de wachter nog aan de drempel staan.
En wil je naar de lichte wereld uitgaan, nadat je op aard b.v. eens moest overlijden, dan zul je eerst erkennen: Dit is de waarheid van mijzelf, dit vrees ik nu niet meer, voordat je wegen leiden tot licht.
Maar vrees je telkens weer de waarheid, het “ik” wordt op een duisternis, een vlucht voor alle lichte kracht gericht en lijdt.
Zo is het hele leven strijd met het “ik” om de waarheid van het “ik”, diep in het “ik” eens te verstaan.
De drempel, waarvan ge spreekt, de drempel die steeds weer breekt de band tussen wereld en wereld, is de waan. De waan van ons wezen. De waan van ons begrip en ons besef. Het beeld, dat wij van onszelf hebben geschapen. Het wapen, dat wij het duister hebben gegeven door in strijd met onszelf een beeld te bouwen en niet naar onszelf te leven.
Maar wilt ge de drempel overschrijden, onthoudt: Dat er nooit een grens bestaat, wanneer het “ik” zichzelf aanvaardt, zoals het is en alle waan en zelfmisleiding achterlaat, aanvaardend zelfs gemis voor het licht, dat rijkdom wordt, waar het “ik” in nieuw bestaan en nieuwe wereld ondergaat.
De wereld moet in de tijd die komt een drempel overschrijden. Ook zij zal aan dezelfde kwaal, hetzelfde euvel lijden. Ook hier zal de mensheid moeten erkennen: Het is onjuist, zoals ik heb gedacht. En het beeld, dat ik van mijzelf en mijn macht heb gemaakt, het is waan. Want eerst wanneer men eigen fout erkent en eigen waan verwerpt, kan men ook verdergaan.
De drempel is in feite de begrenzing van ons leven, die wij maar al te gaarne aanvaarden, omdat wij onszelf daarin geborgen en zeker voelen. En een ieder, die wil uitgrijpen naar een grotere wereld, naar krachten (zoals de occulte), die in zijn wereld misschien niet worden erkend of nog niet volledig bestaan, zal die drempel moeten overschrijden. Hij zal vorder moeten gaan dan zijn eigen normen en eigen wereld het eigenlijk toelaten. Hij zal vorder moeten gaan met zijn denken dan menselijke rede, aanvaardbaar acht, dan geestelijke rede in de wereld heeft uitgedrukt.
Het verdergaan op zichzelf doet ons telkenmale opnieuw de drempel ontmoeten, totdat wij deel na deel van onze zelfmisleiding, van onze begoocheling, van onze waan hebben prijsgegeven en alleen de werkelijkheid van ons wezen blijft, die dan vreemd genoeg het hele Al blijft te omvat.
← vorige tekst | overzicht | volgende tekst → |
