8 maart 1980
Wijsheid en inwijding
Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar, denk dus zelf na. Ons onderwerp draagt als titel: Wijsheid en inwijding
Mogelijk reageert u nu dat iemand die wijs is niet over inwijding zal spreken. U hebt daarin volkomen gelijk. Wijsheid is nl. het vermogen, de dingen te doorzien. En wanneer je het woord inwijding leert doorzien, zo kom je tot de conclusie dat dit een woord is dat alleen gebruikt wordt door degenen die het nog niet zover gebracht hebben. Wanneer ik dus hierop ondanks alles inga, zo komt dit, omdat u het onderwerp nu gesteld hebt en mij zo de plicht hebt opgelegd, u over zowel de wijsheid als de inwijding althans enige gegevens te verschaffen.
Wijsheid betekent een doordringen tot de kern van de zaak. Je kunt je natuurlijk steeds weer bezighouden met randverschijnselen, maar dat is niet wijs en kan hoogstens voortkomen uit geleerdheid. Laat mij een voorbeeld geven: Iemand heeft niet veel geld en moet kleding kopen. De wijze vraagt zich dan af of de stof stevig is, terwijl alleen de dwaas zich bezig houdt met de vragen als kleur en modieuze snit. Er zijn veel dwazen op deze wereld, zoals u weet. Maar soms lijkt er enige wijsheid door de dwaasheid heen te lopen. Wanneer bv. het modebeeld jeans voorstelt, want, deze stof is nogal stevig en geeft dus ook degenen met wat minder geld een goed stuk beschutting voor in verhouding niet te veel geld.
Om wijs te zijn is het niet nodig erg ingewikkeld te praten, al zijn er nogal wat mensen die denken dat iets, zodra het maar ingewikkeld wordt, mooi moet zijn en vol van wijsheid. Anderen schijnen te veronderstellen dat wijsheid pas tot uiting kan komen, wanneer men in de aanvoegende wijs spreekt. Ook dit heeft met wijsheid niet veel te maken. Wijsheid kan bv. het volgende zijn: de mens die geestelijk streeft, moet er eerst voor zorgen dat hij lichamelijk in staat is alle concentratie die hij nodig heeft, op te brengen. Dat is eenvoudig en toch wijs. Want zonder concentratievermogen en een lichaam waarop je kunt rekenen, kan je zelfs op de meeste esoterische paden niet al te veel beginnen. En wanneer u het begrip inwijding bij dit alles probeert te betrekken, dan moet ik u het oude lied maar weer eens herhalen en duidelijk stellen dat inwijding niet betekent dat je opeens geheel anders zult worden.
Inwijding betekent slechts een beseffen dat je eigen visie op de wereld en daarmee ook je eigen mogelijkheden in die wereld langzaamaan dermate veranderd zijn, dat je tot je verbazing beseft dat je niet meer zo bent als eens. Het is dus een groeiproces. Wanneer een mens geestelijk volwassen wordt, zal hij volgens de normen van de wereld tevens wijs zijn. Want hij zal zich niet meer laten afleiden door de dingen, die buiten hem gebeuren en zal alleen wanneer dit voor hem zin heeft nog trachten de betekenis daarvan voor hem en eventueel voor de wereld – en dit nog in directe zin – te bepalen. Daarnaast zal hij veel minder oordelen uitspreken en in zich zal hij ook de kwaliteiten ontwikkeld hebben die nodig zijn om de kern van een zaak werkelijk en snel te overzien. Dat is niet zo eenvoudig als u denkt.
Ofschoon dit mogelijk niet erg wijs is, wil ik als een voorbeeld uitgaan van de krakers in Amsterdam. Wie had er hier gelijk? De krakers of de gemeente? Een wijs man zegt – indien hij zich daarbij hoe dan ook betrokken voelt – beiden hadden ten dele ongelijk. Want de wijze beseft dat je niemand gelijk kunt geven, tenzij hij dit werkelijk geheel heeft. In dit geval hebben beide partijen echter ten dele gelijk. De krakers vanuit hun actie, omdat er inderdaad met de woningbouw en het milieu – althans de leefbaarheid daarvan – in Amsterdam nogal wat gerommeld wordt. Maar ook het gezag had gelijk, zij het ten dele, omdat het zich nu eenmaal niet onbeperkt de les kan laten lezen door mensen die zelf geen gezag bezitten, maar zich dit zonder kennelijke basis gewoonweg aanmatigen. Aan de andere kant zal een wijze ook niet over het hoofd zien, dat indien de gemeente maar juister en slagvaardiger aan de verplichtingen die zij heeft tegenover haar bewoners tegemoet was gekomen, er geen reden bestaan zou hebben voor de krakers om te kraken. En voor die krakers geldt dat het beter zou zijn geweest om geen al te demonstratieve actie op te zetten, daar zij hierdoor immers voornamelijk relschoppers aantrekken. Hun grootste fout is dan ook geweest dat zij een beroep deden op hulp van eenieder en zo een overheerst worden door die rellenzoekers niet meer konden voorkomen.
U ziet dat de wijze met alle factoren rekening houdt en daarom niet zonder meer tot een keuze zal komen, tenzij hijzelf daarbij direct betrokken is. O, u wilde weten, wat die wijze dan wel voor een oplossing voor dit Amsterdamse probleem zou vinden? Dat is nogal eenvoudig: er moet minder gekraakt, met stilzwijgende dulding, worden en er moet meer direct gevorderd en volgens de regels verdeeld worden. Dat is de oplossing.
Men zal zich afvragen of dit dan ook al wijsheid is. Want de meeste mensen veronderstellen kennelijk dat wijsheid eerst daar begint waar men filosofeert in termen als bv. Rousseau en Descartes er gebruikten of een latere grootheid als Sartre of desnoods Jung.
Wijsheid is juist een praktisch inschatten van gebruiken en verwerken van alle gegevens en mogelijkheden waarover je beschikt. En dat behoeft heus niet te geschieden in duistere termen als: “Wanneer wij bezig zijn met het onderzoeken van de menselijke geest zo ontdekken wij dat er een basismoraliteit bestaat in de mens, die mede bepaald wordt door zijn gerichtheid in de gemeenschap en zijn kwaliteiten en mogelijkheden als persoonlijkheid.” Wat trouwens zo en zonder meer gesteld niet eens wijsheid is, maar kolder. Moraliteit kan nl. alleen daar bestaan, waar een gemeenschap bestaat. Er kan geen persoonlijke moraliteit bestaan.
Elke mens is per se – en u behoeft dit van mij niet aan te nemen, maar desondanks is het een vonkje van wijsheid – immoreel en de moraliteit wordt hem alleen opgelegd door de gemeenschap waartoe hij behoort. Mogelijk roept men mij nu toe dat er toch heel wat dingen zijn, die een mens niet zal doen, ook wanneer hij geen deel van een gemeenschap uitmaakt. En men zal daaraan de vraag verbinden of dan dit geen moraal genoemd kan worden. Mijn antwoord is dan: het volgen van bepaalde in de mens ingelegde regels is geen kwestie van moraal, maar een kwestie van instinct en zelfbehoud. Het voorgaande zal u al duidelijk gemaakt hebben dat het zoeken van wijsheid in woorden en het hanteren van begrippen zonder meer in feite eerder een spel dan een werkelijk bereiken betekent.
De ingewijde erkent dit, kijkt door al die zaken eenvoudig heen. Ik heb iemand die in verhouding tot mij wel als een soort ingewijde mag worden aangeduid, eens horen stellen: Van wat Jung beweerd heeft, is er maar één punt van wezenlijk en blijvend belang: Zijn constatering dat er in het innerlijk van de mens een onbekend gebied ligt, dat met menselijk rationele middelen kennelijk niet benaderbaar is. Dit is het enig belangrijke van meer praktische aard in zijn werk. Al het andere voert in de richting van deze vaststelling of vloeit hieruit mede ten dele voort.
De ingewijde zal de wereld dus op een geheel eigen wijze bezien. Maar daar dit voor hem een natuurlijke benadering is van alle zijn en gebeuren, zal hij zichzelf daarbij nog niet als ingewijde beschouwen. Een ingewijde zal niet over inwijdingen spreken, maar zal bovendien eerst beseffen hoezeer hij aan de mensen ontgroeid is, wanneer hij bij een beschouwen van zichzelf ontdekt hoeveel meer hij in feite kan en vermag dan anderen. Zelfs dan, zal hij zich afvragen – omdat hij beter beseft dan alle anderen hoeveel onbeheersbare factoren een rol spelen bij een bereiken van een gesteld doel – of zijn presteren en inzicht niet het gevolg van een reeks toevalligheden zal zijn.
Dus zo bezien kun je zeggen dat wij, wanneer wij al over wijsheid en inwijding moeten spreken, er maar beter aan doen te stellen dat de inwijding waarover mensen plegen te spreken in wezen een ritueel is waardoor een mens de mogelijkheid verwerft zich hoger dan anderen te achten zonder dat dit ook feitelijk het geval behoeft te zijn. En voor wijsheid kunnen wij dan zeggen: dit is het vermogen van de mens om het gebrek aan vaste betekenis in vele menselijke definities en woorden voor zich te erkennen en op grond daarvan tot de essentie van feiten en de mensheid door te dringen, wetende dat de werkelijke belangrijkheid van feit en mens niet is gelegen in uiterlijkheden, maar in de kern, waaruit al dit andere voortkomt. En daarmee is het voornaamste werkelijk wel gezegd. O, ik besef wel dat ik nog langere tijd aan het woord dien te blijven en zal dus niet reeds nu overgaan tot de vraag welke opmerkingen of problemen er in dit verband voor u mogelijk zijn of bestaan.
Maar wanneer ik dit alles zo bezie, dan ziet u waarschijnlijk een groeiende chaos, zeker wanneer u zich met de wereld bezighoudt. Dit lijkt mij vanuit uw standpunt bijna niet te vermijden. Maar wanneer u zich realiseert dat een geboorte ook pijnlijk is, gevaren omvat en voor degene die geboren wordt ook het plotselinge en krampachtig optreden van een tot dan toe nooit besefte chaos, dan wordt het u mogelijk gemakkelijker dit te aanvaarden. U zult die chaos dan eerder en niet zonder redenen gaan beschouwen als de groei en geboortepijnen van de mensheid die moet proberen een nieuwe volwassenheid te bereiken, een nieuwe wereld van het menszijn te betreden.
De wijze zal dan ook zeker nooit stellen, dat alles wat er nu op de wereld gebeurt verwerpelijk is. Maar hij zal zich ook niet laten overbluffen door allerhande filosofieën en systemen. Iets wat hem door anderen zelden in dank wordt afgenomen overigens, ofschoon hij evenveel gelijk heeft als iemand die nu stelt dat de mensen die weigeren de Zuid-Afrikanen deel te laten nemen aan de paralympics natuurlijk er ook niet over mogen denken onder welke omstandigheden dan ook zelf met een ploeg, naar de olympiade in Moskou te gaan. Want de mensen gaan uit van de betekenis die zoiets voor henzelf zou hebben en dan is het eerste geval hoogstens een teleurstelling voor een aantal invaliden, terwijl zij in het tweede geval zelf het een en ander zouden moeten missen. Toch zijn in bepaalde opzichten beide landen even erg.
Waaruit blijkt dat wijsheid ook het gebruiken van je gezonde verstand betekent. Op gelijksoortige gronden zult u een wijze nooit horen stellen dat een fascist beter is dan een communist of omgekeerd. Hij beseft immers dat in wezen beide groeperingen er op uit zijn, de vrijheid van de mens dermate te beperken dat de mens genormaliseerd wordt binnen een denksysteem dat niet uitgaat van de wezenlijke feiten, maar slechts uitgaat van veronderstellingen, die men hoopt te bevestigen. Mogelijk zal deze verklaring sommige mensen pijn doen. Maar wijsheid betekent, dan ook een besef voor de werkelijkheid, voor datgene, wat voor anderen eerder de achtergrond vormt.
Zo kan ik mij voorstellen dat er nogal wat mensen bang zijn voor anarchie. Er zijn zelfs mensen die beweren dat hetgeen uw vakbonden op het ogenblik doen al een vorm van anarchie is. Dit laatste kunt u maar beter niet geloven. Het is eerder een spel van follow de leider dat men speelt om anderen iets van hun macht te ontnemen, zelfs indien men zelf niet wezenlijk in staat is daarvoor iets anders en beters in de plaats te brengen. Werkelijke anarchie is namelijk de bereidheid om alles af te breken opdat de mogelijkheid iets beters op te bouwen eindelijk zal ontstaan. Een anarchistische samenleving is dan ook een samenleving, waarin alle samenwerking alleen op basis van een geheel vrijwillig aanvaarden van taken, plichten en verantwoordelijkheden gegrondvest kan zijn. En dat betekent wel, dat een ware anarchistische samenleving dus alleen denkbaar is wanneer de mens zich volledig bewust zal zijn van zijn eigen werkelijke noden en behoeften plus de wezenlijke noden en behoeften van zijn medemensen en gelijktijdig zich nog voor zijn medemensen zich verantwoordelijk wil voelen.
Op deze wijze prik je door heel wat dingen heen. Mensen vinden een dergelijke volgens hen te pragmatische instelling en denkwijze vaak onaanvaardbaar en mompelen dan ook: maar wij hebben toch de wijsbegeerte? Goed, zij hebben gelijk. Maar het woord zegt het zelf reeds: dit is een begeren naar wijsheid. En dit begeren wordt, gezien de inhouden, lang niet altijd vervuld.
Wanneer ik bezig ben sprookjes te vertellen over Roodkapje zegt iedereen zonder meer: leuk, maar dat bestaat niet echt. Wanneer ik een dergelijk verhaal vertel over een profeet die beledigd wordt, waarop opeens beren uit het woud komen om de dader te verslinden, dan zegt iedereen dat dit geen sprookje kan zijn, want het is het woord van God. En men is boos wanneer ik hen dan zeg dat volgens mij dit verhaal even dicht bij de werkelijkheid staat als de avonturen van Klein Duimpje.
Toch is werkelijke wijsheid juist dit: een door allerhande pretenties heen prikken, inzien dat verhalen alleen maar verhalen zijn. Je behoeft niet te beweren dat de gebeurtenis met de profeet nooit plaats gevonden heeft, maar eenieder die iets weet van mensen en beren kan nagaan dat het, zoals het beschreven staat, nooit kan hebben plaatsgevonden. Zoals de wijze altijd zal beseffen dat iets, wat in het verleden werd neergeschreven niet alleen stamt uit een andere tijd, maar ook uit een geheel ander wereldbeeld dan u in deze tijd bezit.
Laat mij maar weer een voorbeeld geven. Wanneer wij ons bezig houden met de christelijke leer, dan mogen wij nooit vergeten dat alle beelden in de oude geschriften mede uit een geocentrisch denken stamden. Voor de schrijvers en denkers van die dagen was de aarde het middelpunt van het heelal. De kosmos draaide om haar heen, ook de zon deed ditzelfde. De aarde was als het ware het enige rustpunt. Maar wanneer wij beseffen wat een dergelijk uitgangspunt betekent voor de juistheid van denken, zo moeten wij ook toegeven dat vele veronderstellingen die vanuit dit standpunt geheel juist en aanvaardbaar konden zijn, nu voor de moderne mens deze aanvaardbaarheid niet meer kunnen bezitten. Indien wij aannemen dat de Bijbel de werkelijke leer bevat ven God, zo is zij nog steeds door mensen geschreven, die op een dergelijke beperkte wijze dachten en later vertaald door mensen die nog niet veel verder waren. Wij zullen dan eerst alles, wat uit deze denkwijze zonder meer te verklaren is, moeten elimineren voor wij mogelijk de werkelijke leer, zoals die voor ons van belang kan zijn, daarin nog terug kunnen vinden. Voor u is dit een moeilijk en langdurig proces. Een ingewijde behoeft zich zoveel moeite niet meer te geven. Vanuit het door hem bereikte besef omtrent ik en wereld doorziet hij zonder meer en onmiddellijk dergelijke afwijkingen van het mogelijke en wezenlijke.
Voor de ingewijde is dit alles zonder meer evident, ook wanneer een ander een lange en moeizame weg zal moeten volgen om net rationele middelen uiteindelijk een zelfde conclusie te bereiken. Want ook degene die de rede vooropstelt, zal nog heel wat moeite hebben om door alle illusies heen iets van de waarheid te vinden die voor de ingewijde als het ware zijn natuurlijke wereld is geworden.
Een wijsgeer is iemand, die enigszins kan relativeren. Een wijze echter zal dit beseffen van de betrekkelijkheden nog veel verder doortrekken. De wijze zal bv. stellen dat de hel niets anders is dan het angstbeeld dat de mens in zich draagt, een beeld waaraan hij niet kan ontkomen dan door zijn werkelijkheid te beseffen. Dan komt de ingewijde. Hij zegt eveneens: de hel bestaat niet, behalve in onszelf. Waarmee hij nog korter en juister is. Bovendien brengt hij het geheel in een redelijker verband. Vraag je een ingewijde wat het hiernamaals is, dan zal zijn antwoord luiden: er is geen hiernamaals, alleen een eeuwigdurend nu. Maar vraag dit nu eens aan een filosoof. Hij zal ontstellend veel zeggen over de samenhang tussen verdienste, incarnaties en eventuele reïncarnaties en alles, wat als gevolg daarvan kan ontstaan. Hij beziet alles als een oorzaak en gevolgwerking. En oorzaak en gevolg bestaan inderdaad, maar alleen vanuit een bepaald standpunt. De ingewijde kijkt er echter overheen en stelt: je kunt mij nog veel meer vertellen. Het klinkt alles heel erg leuk, maar bestaat niet als zodanig. Een hel en een hemel zijn de illusies, waarin de mens zichzelf begraaft tot hij eindelijk ontwaakt tot de werkelijkheid. En met dit laatste heeft hij volledig gelijk. De wereld van de verschijnselen is maar betrekkelijk waar.
U vraagt zich nog steeds af wat inwijding feitelijk is? Wel, wij hebben er ondertussen meer dan 500 malen over gesproken en dus kan ik wel aannemen dat de vaste toehoorders daaromtrent wel enige kennis bezitten en de anderen kunnen dan misschien in de pauze eens even informeren bij anderen. Opvallend is echter dat het bij alle inwijdingsverhalen gaat om een grote verandering. In feite een soort geestelijk sterven. Daarbij is de uitdrukking hiervan minder belangrijk. Of je nu gaat door het duister en beproefd wordt door de elementen dan wel een droom moet doorstaan, waarin je vele vijanden en beproevingen meester moet worden of desnoods alleen een begraven worden in absolute eenzaamheid gedurende een aantal dagen in een piramide. De werkelijkheid die achter dit alles schuilgaat, heeft niet te maken met de proeven of de aard daarvan, zij zijn de verhalen, de symbolen. De zin is iets anders.
U lacht er toch ook niet om, wanneer u een maçonnieke inwijding meemaakt en er ligt een plastic doodshoofd op de tafel? Waarom zou het ding echt moeten zijn? Het is een symbool en waaruit het bestaat, is niet van belang. Wanneer u eerlijk bent, gaat het om het besef van vergankelijkheid, afstand doen van leven. En wanneer de mensen dit als zodanig zouden aanvaarden, zou u er met evenveel zin en succes het afgekloven karkas van een kip neer kunnen gooien. Belangrijk is het begrip dat de mens ermee associeert. Het gaat niet om het symbool, het gaat om de mens. Wanneer u met inwijding begint, is het dan ook niet van belang wat u wel of niet hebt doorgemaakt, hebt doorstaan en geleerd. Het gaat er doodgewoon om of u wel afstand kunt doen van uw eigen beperktheid. En in dit verband moet ik helaas toch een wijsgeer citeren om u met woorden duidelijk te maken, wat inwijding ongeveer zou kunnen zijn.
Hij zegt nl.: de ingewijde is iemand, die een nieuwe dimensie heeft gevonden in zijn bestaan. Wanneer hij nu ziet hoe mensen zich laten omsluiten door muren, vraagt hij zich af hoe dit nog mogelijk is. Want, zo vraagt hij zich af, weet men dan niet dat men gelijktijdig aan de binnen- en aan de buitenkant leeft? Waarmee u duidelijk zal zijn geworden dat het werkelijke beeld van het ingewijd zijn moeilijk over te brengen is. De werkelijke ingewijde gaat immers zozeer terug tot de kern van alle dingen dat het voor hem geen verschil meer uitmaakt of iets uiterlijk nu steen is of brood. Blijkt dat een ander niet in staat is dit te beseffen, dan geeft hij de stenen het uiterlijk van brood en de ander kan het eten. Zo geeft hij de ander dan stenen en in feite brood in de plaats van die stenen. Hij verschilt dus in dit opzicht veel van vele andere mensen die hun naaste het liefste nog stenen voor brood geven.
Let wel, de gewone mens ziet dit als buitengewoon, maar voor de ingewijde is er geen sprake van een essentiële verandering. Voor hem is iets dergelijks geen wonder, maar het overbrengen van een denkbeeld. De wijze die begint dit te beseffen, stelt daarom dat de ingewijde in feite geheel geen ingewijde is, maar alleen iemand, die meer gebruik weet te maken van zijn eigen werkelijkheid dan de doorsnee mens. Daar dit een eerste stap is tot een zelf bereiken van iets dergelijks zal juist dit punt u duidelijk maken dat er toch wel degelijk enige relatie bestaat tussen de inwijding en de wijsheid.
De wijze die steeds verder doordringt in de zin en essentie van de dingen, zal immers op de duur samenhangen gaan beseffen, die voor de doorsnee mens niet bepaald duidelijk kenbaar zijn. Hiermee verandert langzaam maar onophoudelijk zijn wereldbeeld. Het wonderlijke is echter dat op het ogenblik van verandering van uw wereldbeeld gelijktijdig zich een wijziging toont in uw prestatievermogen. Zelfs in uw lichamelijkheid spelen zich veranderingen af. Misschien een krankzinnig voorbeeld, maar mogelijk verhelderend: er zijn mensen die het een wonderlijke prestatie noemen dat een mens de kans ziet om de 100 m in een bepaalde tijd – enkele seconden – te lopen. Kennelijk hebben die mensen nog nooit de snelheid opgenomen van een angstig kind dat wegloopt met een blaffende hond er achter. Zou dit wel het geval zijn, dan zouden zij ook beseffen dat onder bepaalde omstandigheden, ook door niet-sportlieden bepaalde prestatienormen gemakkelijk overschreden kunnen worden. Je prestatie is afhankelijk van de situatie waarin je verkeert, het besef dat je hebt en de impulsen die je drijven. Dit eenmaal beseffende, wordt het steeds gemakkelijker, je eigen prestaties ook bewust aan te passen aan de situatie, waarin je verkeert. Bovendien stel je geen grenzen van mogelijkheid meer, maar slechts wenselijkheden waaraan je probeert tegemoet te komen. Een wijze die steeds weer probeert aan de eisen van een geheel besefte werkelijkheid te voldoen, zal hierdoor niet alleen zijn vermogens, maar ook zijn beeld van de wereld aanpassen. Dit is een proces dat zichzelf voortdurend regenereert. De genese van het eerste besef wordt door de praxis versterkt, waardoor de praxis minder beperkt zal zijn en dus weer een nieuw besef wordt veroorzaakt. Het gevolg is het bereiken van een hoger niveau.
Indien de vraag is, wat een wijze dan wel is, zo zou ik persoonlijk zeggen: een wijze is iemand die weinig spreekt over zijn gedachten, maar datgene wat hij innerlijk als juist erkent steeds weer omzet in feiten. Er kan geen scheiding bestaan tussen een innerlijke wijsheid en het uiterlijke gedrag. Zolang je die scheiding probeert te handhaven ben je volgens mij nog maar een dwaas. Mensen die de vrede prediken en de oorlog voorbereiden zijn dwazen, want hun woorden worden gelogenstraft door hun daden, maar gelijktijdig zullen zij door hun eigen woorden steeds minder weten, wat zijzelf in feite juist en wetenswaard achten. Wanneer je denkt dat een medemens slecht is, maak je hem in feite slecht. Wanneer je denkt dat een medemens goed is, zo maak je hem in ieder geval iets beter dan hij tot dan toe was. Zo sterk is de invloed die men door denken en gedrag op anderen heeft. Het zal zonder meer duidelijk zijn dat de invloed die je op jezelf hebt nog veel groter is. Samenhangen begrijpen, betekent ook niet op uiterlijkheden alleen, maar op de werkelijke samenhangen reageren. Dit nu is het grote verschil tussen de velen, die zich als wijzen en geleerden willen beschouwen en degenen die werkelijk wijs zijn.
Er is een Duitse professor die een boek heeft geschreven. De totale titel zal ik u niet noemen, daartoe is er geen tijd voldoende. Het handelt over: “das unbewuste wissen des menschen aus welches wissen er seine neue möglichkeiten immer wieder… und so weiter. De boventitel luidde: “Der menschliche geist”. Volgens mij is inderdaad eenieder, die aan het merendeel van het gestelde kan beantwoorden een soort spook.
De man heeft inderdaad in zijn werk echter enkele gedachten ontwikkeld die hem tot wijze zouden kunnen stempelen, ware het niet dat de man het eerste deel van zijn leven besteed heeft aan het neerschrijven van bizarre overbodigheden. Een volgend deel heeft hij doorgebracht met een zich laten fêteren door vakgenoten omdat iemand zo stom was geweest zijn werken in grote oplage te drukken. Hij schreef niet meer nadien. Daarna bracht hij zijn tijd voornamelijk door met het geven van goed betaalde lezingen, waardoor het hem steeds meer onmogelijk werd nog eens na te denken. Toen hij er in feite al te oud voor was, schafte hij zich wein, weib und gesang aan van dc revuen die zijn werken brachten en zijn lezingen opbrachten. Zodat hij de werkelijk wijze punten van zijn werk nooit zelf geheel in de praktijk heeft gebracht.
Zeer vrij vertaald, heeft hij o.m. geschreven: het toeval bestaat niet. Er bestaan slechts een beperkte reeks van mogelijkheden en deze mogelijkheden op zich zijn allen overzienbaar. Door te kiezen uit deze overzienbare hoeveelheid van mogelijkheden, zijn wij wel degelijk in staat ons eigen geheel te bepalen en het toeval uit te schakelen. En iets verder merkt hij op: de menselijke geest, inbegrepen het onderbewustzijn, verschaft de mens voortdurend impulsen waardoor hij de meest juiste keuze kan maken, mits hij de keuzemogelijkheid overziet en een vooropgezet beeld heeft of een omschreven doel nastreeft. Daarin had de man volkomen gelijk. Maar indien hij geleefd had volgens hetgeen hij predikte, was hij waarschijnlijk al op zijn 30ste jaar aan wein, weib und gesang toe geweest.
U lacht hierom. Toch is alles wat ik naar voren bracht werkelijk zo gebeurd. Het is dus wel een enigszins wrange humor, die u hierin ontdekt. Ik probeer u duidelijk te maken dat ook de wijze geen behoefte heeft zijn wijsheden voor anderen te etaleren. Bedenk maar dat alles wat in de etalage te vinden is, gemeenlijk voor de handel bestemd is en geen kostbaar eigendom van de verkoper vormt, maar “waar” is.
Met de wijsheid is het evenzo. Wanneer wij proberen voortdurend te etaleren hoe erudiet wij zijn, hoeveel wij wel weten enz. kunnen wij er indruk op anderen mee maken. Het is nu eenmaal een soort pasmunt in het sociale verkeer en ook economisch kun je er voordeel van hebben, maar aan onze waarde en mogelijkheden doet het eerder af dan toe. Het is beter niet zoveel aan anderen te tonen en zich eerder bezig te houden met een overzien van de eigen mogelijkheden en het wekken van een juister besef van eigen krachten, zodat men die beter kan gebruiken. Zeker, ook dan komt steeds weer het ogenblik waarop je kiezen moet. Vaak kiest men echter voor het beïnvloeden van anderen en niet in de eerste plaats voor een zelf onmiddellijk en volledig bereiken.
U kent allen de romanfiguur Svengali, die een vrouw zo wist te hypnotiseren, dat zij een ster werd, en er wel gelijktijdig aan ten onder ging. Wanneer deze figuur dezelfde inspanningen had gebruikt, om zelf bv. te leren zingen of een instrument te bespelen, zou hijzelf meer roem vergaard hebben en minder moeilijkheden gehad hebben. Bovendien zou hij ook dan zijn suggestieve uitstraling hebben kunnen gebruiken en mede hierdoor zelf een grote beroemdheid zijn geworden. Nogmaals, het is een romanfiguur. Echte Svengalis bestaan in het normale leven niet. Zij worden nog het dichtst benaderd door de fondsenverschaffers op politiek en ander terrein. Hun neiging om hun wil aan anderen op te leggen en daarvan nut te hebben is even groot, maar zij treden nog minder op de voorgrond. Kort samengevat kan je dus stellen: de wijze beseft en handelt, de dwaas beseft en handelt niet of beseft niet en handelt.
Wanneer je al wijs bent en steeds meer bewust doet, ervaar je ook steeds juister en intenser. Waar men als wijze vanuit zich leert leven, zal men zo ook in steeds grotere mate geconfronteerde worden met alle krachten, mogelijkheden en zwakten die in dit ik bestaan. Het is duidelijk dat dc wijze niet alleen zijn wereld en ook zichzelf op die wijze steeds beter leert beheersen, maar dat hij bovendien zichzelf en de wereld ook steeds beter leert kennen en zo het geheel van zijn mogelijkheden steeds juister zal leren hanteren. Dat betekent dat het besef niet meer begrensd zal worden door de algemeen levende voorstellingen en normen. Het betekent dat je niet meer geketend blijft aan bepaalde denkwijzen en systemen van anderen en al evenmin nog worstelt met een ik-begrip en een ik-uitdrukking zoals dit algemeen voorkomt.
De wijze kan zeggen: ik leef van uit het diepste van mijn eigen wezen en breng van daaruit mijn kracht en beseffen over op de wereld, waarin ik volgens mijn eigen besef nog besta. Maar dat kan inhouden dat de verschillende “werelden” waarin de verschillende delen van het ik leven, steeds beter worden gekend en voor het ego steeds meer versmelten tot één geheel.
Een ingewijde is dus in feite alleen maar iemand die een grotere wereld gevonden heeft, meer niet. De wijze is iemand die op weg is om die grotere wereld te ontdekken. De wijze zal daarin ongetwijfeld steeds meer slagen, mits hij maar bereid blijft zijn weten en kunnen voortdurend te toetsen aan en om te zetten in de praktijk.
Ik kan mij voorstellen dat er hier nu mensen zitten die zich afvragen wat voor een inleiding over wijsheid en inwijding dit nu wel is en mogelijk stil daaraan toevoegen: de man is half wijs, dus de inwijding zullen wij maar helemaal vergeten. Misschien hebt u wel gelijk. Maar onthoud wel één ding: wanneer u op weg bent naar de wijsheid is het eerste wat u moet leren een steeds weer relativerend denken. Op elk ogenblik is de werkelijkheid anders, omdat de verhoudingen in die werkelijkheid bij voortduring veranderen. Alleen door deze gestage wijzigingen in en buiten uzelf te erkennen en gade te slaan zonder fictieve normen te stellen – die schijnbaar gelijk blijven ofschoon natuurlijk de interpretatie daarvan steeds zal veranderen – kunt u komen tot een juiste hantering van uw gehele eigen persoonlijkheid.
Nog een voorbeeld van wijsheid: wijsheid is de boer die het land opgaat, naar de lucht kijkt en zegt tegen de arbeiders: doe maar kalm aan want wij hebben tijd genoeg om te hooien – en dit ondanks het feit dat deskundigen beweren dat donder, regen en sneeuw neer zullen gaan dalen over Nederland. De boer heeft luchtvochtigheid gevoeld, de wolken gezien, de sterkte van de wind gevoeld en heeft daarmee veel ervaring. De man houdt zich echter niet bij dit eenmaal gegeven oordeel. Zodra de wind iets verandert, roept hij opeens dat iedereen door moet werken omdat men anders alles wat op het veld ligt niet meer droog onder de kap krijgt.
Dit is wijsheid, vooral omdat men zich aan elke verandering weer wil aanpassen. Noem het geen boerenwijsheid, want deze is in vele gevallen mede een vorm van dwaasheid; je ziet vaak dat de boer als volgt redeneert: Ik verdien maar weinig, want ik heb een bedrijf en daarin vernieuw en investeer ik voortdurend. Het geld dat daarvoor noodzakelijk is, kan ik dus niet voor mijzelf besteden en het is dus geen deel van mijn werkelijke inkomen. Wat voor mij overblijft, is dus veel te weinig, zeker wanneer ik zie wat anderen voor zich kunnen uitgeven. Waarbij hij vergeet dat hij door zijn investering rijker wordt en kapitaal vormt. Een dergelijke benadering is begrijpelijk maar dwaas. Zij is het gevolg van een niet kunnen of willen overzien, wat er inderdaad gebeurt en welke keuzemogelijkheden men steeds weer heeft.
Trouwens, de boer in het veld toont heel vaak hoe hij, zonder bewust na te denken, beslissingen neemt op grond van gevoel, ervaring en een kennis die slechts zelden naar buiten komt. Een boer kan door het veld lopen, handen in de zak, alleen maar kijkende en opeens beslissen: over 10 dagen gaan de aardappelen er uit. Of, het is tijd de bonen te trekken, want over een paar dagen slaat het weer om Dan zijn zij voordien winddroog en kunnen wij ze nog tollen. Niemand die weet wat bonentollen is? Goed dan. Men plukt de bonen – trekt ze in feite uit – en zet ze in kleine bosjes neer, tot zij door de wind voldoende gedroogd zijn. Het is dan belangrijk dat de bonen nog verder drogen, maar zij mogen niet nat meer worden. Daarom slaat men een staak in de grond en legt de bosjes daarlangs en wel zo dat de stelen van het ene bosje steeds langs de staak over het andere bosje vallen. Zo tolt men en gaat dus in de rondte steeds verder omhoog tot men de begeerde hoogte bereikt heeft. Daarna worden een aantal bosjes met de stelen aan de staak gebonden zodat zij een dakje vormen over de tol. Het gevolg is, dat de zo getolde bonen langere tijd op het veld kunnen staan en door de wind gedroogd worden, zonder dat er gevaar is dat zij te nat worden en gaan rotten. De uitdrukking stamt uit Zuid Nederland. Zo, dit was dan ons ogenblikje landbouwkundige voorlichting. Het heeft wel niets met inwijding of wijsheid te maken, maar het is misschien leuk voor u, dit dan ook nog even te weten.
Ik verbaas mij er overigens telkens weer over dat stadsmensen zo weinig weten van het plattelandsleven en omgekeerd, zelfs nog in deze tijd. Zoals men de mogelijkheden, voor- en nadelen van een stads- en een plattelandsbestaan gemeenlijk ook niet beseft, waarschijnlijk gewoon omdat men de ogen niet voldoende open heeft voor dergelijke zaken. Misschien had ik beter een ander voorbeeld kunnen geven. Maar het leek mij juist en wanneer je iets niet weet, kun je nog altijd de verklaring er voor zoeken. Ik ben zo vriende1ijk geweest dit voor u nu eens even op te knappen, maar zelf had u dit alles ook te weten kunnen komen.
En een goede stap op de weg naar wijsheid is nieuwsgierigheid. Maar wees geen al te grote perfectionist. Hebt u wel eens in een vreemde taal gelezen? Je kunt dan natuurlijk elk woord dat u niet kent of niet thuis kunt brengen in een woordenboek gaan opzoeken. Ik garandeer u echter, dat u niet hard opschiet en niet veel plezier hebt van hetgeen u leest. Dit vergt te veel van uw uithoudingsvermogen en concentratie. Stel dat u een basiskennis hebt van 200 tot 500 woorden. Wanneer u nu woorden tegenkomt die u niet kent, leest u gewoon door. De betekenis wordt uit de zinsbouw duidelijk.
Wanneer je te maken hebt met het leven zijn er samenhangen, die je gemakkelijk kunt omzetten in een persoonlijke interpretatie, maar gelijktijdig treden vele onbekende factoren op.
Wanneer je nu probeert eerst in te gaan op alles wat je nog niet kent, blijf je achter bij het gebeuren. Wanneer je echter leert het onbekende eenvoudig te interpreteren in de zin van alle bekende gebeurtenissen en feiten, blijkt op deze wijze de mogelijkheid te bestaan toch het geheel redelijk ver te overzien. Wanneer een onbekende factor meerdere malen optreedt, zal de betekenis daarvan u steeds meer duidelijk worden; zelfs indien u niet in staat bent haar zonder meer in redelijke termen weer te geven. Je komt tot resultaten, waarbij een ander zich afvraagt, hoe dit toch mogelijk is.
Voorbeeld: je hebt 10 malen iemand gezien met een bepaalde kwaal. De trekken van die personen zijn je opgevallen, zij hadden allen een gelijksoortige afwijking van de norm. Wanneer je nu weer iemand tegenkomt die deze afwijking vertoont en bovendien klachten heeft, zo zal je zonder meer kunnen aannemen dat dezelfde kwaal hierbij een rol speelt, ook al is deze misschien door u of met de middelen waarover u beschikt niet redelijk te constateren.
Analogieën gebruiken als interpretatiemogelijkheid is een beginsel van wijsheid. Want de wijsheid berust niet op een alles weten en begrijpen, maar is mede een gevolg van herkenningen en een steeds intenser wordende waarneming. De mogelijkheid je te vergissen, is natuurlijk aanwezig, maar wanneer je werkt vanuit de gekende en constateerbare feiten zal je door deze intense waarneming toch weer komen tot een juister en beter gebruik van je mogelijkheden. Wat dan weer voert tot een juistere kennis omtrent jezelf, een juister beseffen van de wereld buiten je en zo een juister hanteren van jezelf in die wereld.
Wijsheid? Ach, wanneer ik zie naar al de wijze hoofden die zich bv. rond het binnenhof buigen over alle problemen die voor uw land feitelijk niet zo erg belangrijk zijn, daar men met de werkelijk belangrijke problemen kennelijk nog geen raad weet, dan denk ik: zijn jullie nu wel zo wijs? De ware wijze zou erkennen: er zijn zaken, die nu werkelijk urgent zijn. Misschien kan ik daarvoor nu nog geen perfecte oplossing vinden, maar toch zal ik daaraan eerst moeten beginnen, desnoods kan ik later mijn beleid en maatregelen altijd nog “bijstellen”. Een heerlijke term. De termen die men in die professie gebruikt, zijn op zich vaak al onwijs. Maar goed. Je moet je altijd weer kunnen aanpassen. Wanneer je een probleem dat nu speelt nu ook onmiddellijk aanpakt, kun je het wel blijven beheersen. Maar op het ogenblik dat je eerst de meest perfecte oplossing daarvoor zoekt, is het probleem al zoveel verder geëvolueerd dat de gevonden oplossing toch niet de meest juiste is.
Aan dit besef komen die zgn. wijzen niet zo snel toe. Die denken te zeer aan een verre toekomst en redeneren dat men in het jaar 2000 wel eens 16-baans autowegen nodig zou kunnen hebben. Maar het zou beter zijn na te gaan, wat de werkelijke problemen nu zijn en wat de middelen zijn, die nu voor een oplossing ter beschikking staan. Dan zou men op korte termijn zoveel voorzieningen kunnen treffen, dat voorlopig de ergste knelpunten worden opgelost. En in het jaar 2000 zouden er wel eens geen auto’s meer kunnen rijden ook, nietwaar?
Om een voorbeeld te geven: uitgaande van de simpelste oplossingen is het wegennet in uw land zonder meer geschikt te maken voor de komende tien jaren zonder extra wegenbouw e.d. Een wijze beseft onmiddellijk dat een dergelijke verbetering bereikt kan worden met betrekkelijk kleine ingrepen en naar verhouding geringe middelen. De vakidioot daarentegen neemt hiermee natuurlijk nooit genoegen. Er zullen mensen zijn die stellen dat je dan nu een tijdelijke oplossing en daardoor later weer extra kosten zult moeten maken. Dat zal vaak zelfs zo zijn. Maar wanneer je beseft, hoeveel je nu spaart door het probleem voorlopig op te lossen, wordt ook duidelijk dat men zich eventuele extra kosten later best zal kunnen permitteren.
De kern van dit alles is in feite de eenvoud. En dat is ook de kern voor alle verwerving van wijsheid. Wanneer u ooit geconfronteerd wordt met een probleem e.d. of met zeer moeilijke verklaringen voor de één of andere noodzaak, zo geef ik u de raad, deze te herleiden tot de meest eenvoudige termen en alle bijkomstigheden voorlopig geheel te verwaarlozen. Wanneer men u confronteert met plannen die gebaseerd zijn op hetgeen zich in een bepaald volk afspeelt en de ontwikkelingen die men daar verwacht, opgeeft als reden voor eigen gedrag, dan dient u te vragen wat nu de feitelijke toestand is en wat daaraan gedaan kan worden. Laat verwachtingen van anderen zoveel mogelijk buiten beschouwing. U hebt te maken met de dingen die nu een feit zijn, niet met de angsten van de een of de wensen van een ander. U zult dan al snel ontdekken dat uw wereld en zelfs uw maatschappij in feite veel eenvoudiger in elkaar zitten dan u ooit had gedacht. Door de vereenvoudigingen zult u dan zeker niet alle argumenten van anderen kunnen beantwoorden, maar dit is ook voor u niet noodzakelijk. U weet voor uzelf wat de meest juiste wijze van handelen voor u zal zijn in het nabije heden. Omdat u inspeelt op de werkelijkheid, op de feiten, en niet op alles wat daar gemeenlijk omheen gebreid wordt, ervaart u. Door die ervaringen wordt u zich steeds meer bewust van de dingen, die u zelf kunt doen of beter kunt laten.
Het eindresultaat is dan een nieuw besef, iets wat men in vele kringen inwijding belieft te noemen en in andere kringen zelfs kan voeren tot uw heiligverklaring, wanneer u eerst gestorven bent. Want zoals u weet, is een heilige een mens die door dood te gaan, bereikt heeft dat zijn zonden ook verder begraven blijven. En een ingewijde in menselijke termen is iemand waarvan men niets snapt, maar die te verstandig schijnt te reageren of te machtig schijnt te zijn om vatbaar te zijn voor uw suggesties of uw kritiek. Heiligen en ingewijden zijn de afgodsbeelden die de mensen oprichten voor datgene, wat zij niet begrijpen.
De werkelijkheid is: er is één waarheid. Door het vereenvoudigen van alle dingen kunnen wij ondanks alles zien, wat nu deel is van die waarheid en daardoor mogelijk en essentieel is. Tevens ontstaat in ons een soort drang, waardoor wij in staat zijn nu te presteren, wat nu noodzakelijk is. Wanneer je de menselijke werkelijkheid herleidt hebt tot de werkelijke essentie, een deel van de altijd geldende waarheid, zo heeft zij vaak de uitwerking van een nijdige hond op een angstig kind en maakt het u mogelijk, weer een record te verbeteren bij het sprinten op korte of langere afstand.
U wordt dan gedreven tot een ageren, dat zeer eenzijdig en doelbewust pleegt te zijn, maar u gelijktijdig in staat stelt datgene te overwinnen wat u bedreigt. Het brengt u tot een streven waarbij u over veel meer energie blijkt te kunnen beschikken dan u ooit vermoedde, maar u het begeerde waar doet maken. En dat is de essentie van inwijding. Al het andere vloeit daaruit voort.
Beste vrienden, ik heb deze inleiding nuchterder gehouden dan enkelen van u lief is, dit besef ik. Ik heb geprobeerd om hier en daar mogelijk zelfs breedsprakig, enkele volgens mij saillante punten zeer duidelijk te stellen. Ik hoop hierin geslaagd te zijn. Al datgene wat u omtrent wijsheid en inwijding zou willen weten, kunt u na de pauze vragen, bij voorkeur schriftelijk. Ik zal trachten daarop ernstig en eerlijk in te gaan. Vergeet één ding echter niet: Eenvoud is het eerste begin van de wijsheid en de wijsheid is het werktuig waarmee je dat kunt bereiken, wat men volgens mij wel eens verkeerdelijk inwijding pleegt te noemen.
Deel 2
Vragen
Wij zijn nog allen aanwezig, wat mij tot dankbaarheid stemt. Wij zullen nu zien wat u aan vragen en opmerkingen in te brengen hebt en wat daar eventueel nog verder uit voortvloeit.
De jeugd gebruikt nogal eens de uitdrukking “onwijs goed”. Wat is de gedachteassociatie die hierbij een rol spelt?
Iets is “onwijs goed” wanneer redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat het zo goed zou zijn. Maar iets kan goed onwijs zijn, wanneer de dwaasheid ervan zo goed uit de verf komt, dat het kenbaar is. Je kunt zo het verschil tussen twee beslissingen bv. mooi aanduiden: de een is onwijs goed en de ander kan heel goed onwijs zijn.
Welke associatie hierbij ten grondslag ligt, is uit het voorgaande reeds duidelijk geworden. Het is een modeterm. Dit betekent dat zij ook oneigenlijk gebruikt kan worden. Iemand komt associatief op de term; spreekt haar uit en anderen vinden het zo mooi, dat zij de uitdrukking waar maar mogelijk is gebruiken, waardoor zij steeds meer ook in oneigenlijke betekenissen wordt gehanteerd.
Onwijs goed lijkt mij overigens ook een heel goede aanduiding voor het werkelijk goede, daar de mens wijsheid in deze tijd gemeenlijk verwart met kennis en geleerdheid. En de ervaring heeft ons en hopelijk ook u geleerd dat kennis en geleerdheid zonder wijsheid maar zelden resulteren in iets goeds. Wanneer er dan toch eens iets goeds uit voortkomt, kun je volgens mij ook van onwijs goed spreken.
Kan de weg naar inwijding ook op de wijze die Rudolf Steiner in zijn boek bewustwording beschreven heeft, bewandeld worden?
De weg naar de inwijding bestaat niet. Er bestaan vele wegen die wij plegen te volgen in de hoop tot inwijding te komen. Elk van die wegen is dan in feite even goed, mits zij maar voert tot een langzaam maar zeken vergeten van de eigen veronderstelde beperkingen en gelijktijdig een steeds juister beseffen van de waarheid in en rond eigen ik. Men kan dit nastreven langs zuiver geestelijke wegen, men kan trachten dit te bereiken door kennis te vergaren. Je kunt allerhande mentale disciplines en lichamelijke disciplines aanvaarden met dit doel. Elke weg is in feite even goed of even slecht. Want het gaat niet om de weg, maar om het proces dat zich in je afspoelt. Op welke wijze dit proces op gang komt en onder welke uiterlijke vormen het verder verloopt, is minder belangrijk.
Laat mij het zo stellen: wanneer u koffie wilt drinken, is het niet zo belangrijk hoe deze gezet werd, wanneer zij u maar smaakt. Of men grof of fijn gemalen koffie gebruikt, filtreer of de pruttel pot gebruikt, is van weinig belang. U kunt filtreren met kokend water, heet water, koud water. Maar dit alles speelt in feite geen rol zolang de koffie maar goed is.
Benader alle inwijdingswegen dan maar op deze wijze. Wanneer u deze kunt volgen en er goede resultaten mee kunt behalen, kunt u rustig verdergaan, zolang u maar niet vergeet dat u, welke weg u ook volgt daaraan eisen dient te stellen. Die eisen zijn dan: ik moet na een periode van inspanning daar ook resultaten van bemerken. De resultaten moeten niet alleen in mij bestaan, maar dienen ook door mij buiten mij gebracht of gebruikt te kunnen worden. Wanner ik eenmaal iets bereikt heb langs een speciale weg, dan zal mijn volgende bereiking altijd zowel naar buiten toe als naar binnen toe verder moeten reiken, dan ik reeds was gekomen. Wanneer aan die eisen wordt beantwoord, is de door u gekozen weg van inwijding voor u de juiste. En denk dan maar meteen aan de betrekkelijkheid van de term inwijding en al hetgeen ik u omtrent de ingewijden hebt verteld.
Simpel gezegd: iemand die sterft van de zeeziekte zodra de boot loskomt van de kade moet je geen zeereis aanbevelen voor zijn gezondheid. Stuur die de bergen in. En iemand die al snel last heeft van hoogtevrees kun je altijd nog beter de zee op sturen dan de bergen in. En wanneer je avonturen zoekt, moet je toch wel beginnen met die zaken, waarvoor je de nodige vaardigheid of geschiktheid blijkt te bezitten. Ik wil niet zeggen dat de bewustwording die men inwijding noemt een avontuur is. Het is eerder een tot jezelf komen en de kern van eigen ik leren kennen. De een heeft misschien de beste resultaten met een mede lichamelijke weg, een ander zal het vinden in esoterische scholen, nog anderen bereiken het doel het eenvoudigst door gewoonweg zo bewust mogelijk te leven. Nogmaals de weg is niet zo belangrijk mits het doel maar bereikt kan worden. En de juiste weg is voor het ik altijd weer na redelijk korte tijd kenbaar, omdat er in het ik resultaten ontstaan. Wanneer je innerlijk en in mogelijkheden echter niet verandert terwijl je al enige tijd een bepaalde weg volgt, dan doe je er beter aan een andere weg te zoeken. Want de procedure die je tot nu toe volgt, is dan kennelijk voor jou niet de meest juiste.
Komen mensen uit verschillende culturen die ingewijd zijn met elkaar in contact in de sferen? Is er sprake van een treffen, iets gemeenschappelijks?
Tja, dat kun je wel ongeveer zo zeggen. Wanneer ik ingewijd ben, kom ik tot de kern van mijzelf. Dat is wel duidelijk. Maar de kern van mijn wezen is gelijktijdig een deel van de essentie van het totaal zijnde. Ben ik zover en maakt een ander een soortgelijke bereiking door, dan wordt ook hij zich bewust van de essentie van het totaal zijnde en komt daardoor ook met mij in contact. Wanneer het besef uitgaat boven dat van de norm, is de mogelijkheid dat men geestelijk met elkaar in contact zal komen dus zeer veel groter dan normaal. Bereiken wij het punt, waarop wij de essentie van het zijn gaan beleven, dan is het onvermijdelijk dat wij elkaar leren kennen als een soort deel van onszelf dat wij ook daar buiten in de wereld zullen kunnen bereiken en ontmoeten, mits onze uitingen enz. een minimale mate van harmonie mogelijk maken. Op grond van dit alles mag gezegd worden dat een werkelijke ingewijde iemand is die altijd, ongeacht achtergronden, cultuur of geloof een directe relatie kent met anderen die hetzelfde geestelijke stadium bereikt hebben en dat allen dus samen uiting geven aan een streven dat zij gemeenschappelijk hebben. Ofschoon zij op grond van hun cultuur, religie e.d. uiterlijk dit streven zullen aanpassen aan hetgeen zijzelf op aarde zijn of waar kunnen maken.
Je hoort wel eens dat de geleide-geesten van mediums voornamelijk indianen waren, die in hun cultuur een soort inwijding hadden meegemaakt. Wat is in dat geval de band tussen een medium en de geleide-geest precies?
U brengt mij wat moeilijkheden. Er bestond een tijdlang een spel op aarde, dat cowboys en indianen heette. Maar wanneer je nu stelt dat de geleide-geest een indiaan is, betekent dit nog niet, dat je het medium dan ook maar een cowboy kunt noemen. Alle harmonie tussen medium en geleide-geest omvat mede aard, eventueel vorige incarnaties en daarnaast vaak een taak die de geleider zich heeft gesteld. In ernst dus: er zijn perioden, waarin entiteiten behorende tot een bepaald ras of een bepaalde cultuur in de sferen een geestelijke top bereiken. Daarna zullen zij gemeenlijk weer op aarde incarneren dan wel opgaan in een geestelijk leerproces. Een periode lang wanneer zij die top bijna of geheel bereikt hebben, pleegt men actief te zijn en die actie voert vaak naar de lagere werelden waaronder wij, vergeef mij, ook uw aarde rekenen.
Wanneer dus indianen op een gegeven ogenblik die top bereiken is er de kans dat degenen onder hen die het magisch of geestelijk op aarde reeds ver gebracht hadden, een taak zoeken die meer mogelijkheden biedt. Zij komen dan inderdaad vaak als geleide-geest of beschermer van paranormaal begaafden op aarde terecht. Maar let wel, dit is een tijdelijk situatie, geen blijvende. Nu kun je natuurlijk er indianenromantiek doorheen gaan vlechten en zelfs beweren dat de hoogste topambtenaar een geleide-geest heeft die John Sittingbull heet. Waarschijnlijk is het niet, ook al zit er een sitting in de naam en past die bij het beroep. De praktijk pakt anders uit, er zijn heel wat verschillende beschermgeesten werkzaam ook voor mediums, waaronder zelfs Romeinen en Egyptenaren een rol spelen, ofschoon de meesten uit de laatste tijd zullen stammen.
Dat men zovelen ten onrechte voor indiaan uitmaakt, heeft echter een andere oorzaak. Een tijdlang speelde het spiritisme zich voornamelijk af in Engeland en een deel van Amerika. Er is hier sprake van een taalgebied en een mentaliteit die mogelijk enige tijd aantrekkelijk is geweest voor indianen, die op aarde nog iets uit te boeten hebben gehad. Want de blanken waren niet de enige schurken in de strijd tegen de indianen en in de far west. In een dergelijk geval is het begrijpelijk dat men vooral contact zoekt met groepen die qua mentaliteit gemakkelijk te benaderen zijn. Er waren dus inderdaad indianen zoals White Feather, die zich gidsen noemden en als geleide-geesten optraden. Typisch is daarbij het woord gids, door henzelf vaak gebruikt, waarmee zij willen aangeven dat zij ook nu nog een begeleidende en verkennende functie uitoefenen.
Zoals u bekend zal zijn waren de meeste publicaties in de Engelse taal in de beginperiode van het spiritisme en waren Engelse en soms Amerikaanse mediums wel de meest beroemde, daar zij het meest op de voorgrond traden. Maar in diezelfde periode vinden wij in bv. Frankrijk een medium met een geleide-geest die uit de Karolingische tijd stamt. Ook elders in Europa vinden wij geleide-geesten, die niets met indianen, maar vaak alles met het verleden van het betreffende land te maken hebben. Waaruit men de conclusie kan trekken dat geleide-geesten een sterke voorkeur plegen te vertonen voor de landen en taalgebieden waarmee zij reeds sterke banden hebben. Indien u de zaak nog verder nagaat, blijkt alras dat de tijd van de Indian guides al lang voorbij is. Er zijn er mogelijk nog wel enige actief, maar zoveel van dergelijke beschermgeesten, zijn er niet meer actief. Ofschoon zij in de literatuur nog wel een rol spelen, vormen de geleiders van Indiaanse oorsprong in deze dagen reeds langer een wel zeer kleine minderheid. Uit dit alles kunt u nu zelf reeds afleiden dat de indianen op dit gebied dus zeker geen bijzondere plaats innemen.
Verder stelt u dat deze indianen een inwijdingsprocedure zouden hebben doorgemaakt. Ook hier een kleine correctie: Het bereiken van de volwassenheid ging bij praktisch alle indianenstammen gepaard met een inwijdingsritueel, waarbij men onder andere zijn totem moest zoeken – dus zijn eigen beschermgeesten moest ontdekken en wel in algehele eenzaamheid. Daarna kwam men weer thuis en moest o.m. zijn beheersing van pijnimpulsen e.d. tonen en zijn vaardigheid demonstreren. Deze gebruiken, die zeker niet zo beestachtig waren als men die in deze dagen wel soms schijnt te vinden, waren de opname van een jongen of meisje in de stam. Dit is de enige werkelijke “inwijding” die bekend is. Verder waren er geen inwijdingen meer. Wat wel bestond was scholing, daar alle stammen een Manitou geloof kenden, een geloof in de grote geest en in de verbondenheid van die grote geest en de mens met de natuur. Op de scholen kon men inderdaad die rituelen en gezangen, die hierbij een rol spelen, leren kennen. Enkelingen werden uitgekozen en trokken enige tijd met een medicijnman door het land om zijn kennis en magische praktijken over te nemen. Daarna werden zij zijn helpers en konden uiteindelijk zelfstandig medicijnman worden. Maar ook hier was geen sprake van een inwijding in de door u bedoelde zin. Wel was mogelijk het beleven van dit geloof op zich een inwijdingsweg, daar de mens hierdoor steeds weer werd verwezen naar een simpele werkelijkheid, waarin de relatie met de natuur en de godheid voortdurend een zeer belangrijke rol speelden. En dit betekent weer dat in de zin van de door u bedoelde inwijding een eenvoudige krijger die vroom was en innerlijk veel beleefde vaak verder kwam dan menige beroemde medicijnman, die zich voornamelijk bezig had gehouden met de macht die hij door zijn functie kon uitoefenen. Hopelijk acht u dit antwoord duidelijk genoeg en voldoende.
Op vele Griekse beelden treft men de zgn. archaïsche glimlach aan. Was dit nu een teken van levensvreugde of wilde men hiermee het bezit van een soort kennis of wijsheid weergeven?
De glimlach is een masker, waarachter de werkelijkheid zich pleegt te verbergen. Dat is nu zo en was zo in de oudheid. De glimlach werd overigens een tijdlang voornamelijk gebruikt omdat zij de mogelijkheid gaf, een uitdrukking weer te geven zonder dat men het innerlijk van een mens behoefde uit te drukken. Want weergave van andere dan van uiterlijke kwaliteiten was iets dat door de klanten van de beeldhouwers gemeenlijk minder gewenst werd.
Trouwens, u kunt zelf nagaan dat men in die tijd weliswaar naturalistisch werkte, maar dat men wel degelijk altijd weer uitging van vaste verhoudingen, vaste poses e.d. Ook de attributen blijken gemeenlijk volgens een vaste norm te worden afgebeeld. Men kan dus zelfs stellen dat gewerkt werd met een reeks vaste regels en dat deze allen ten doel hadden de nadruk te leggen op uiterlijkheden.
Vooral wanneer het ging om gedenk of grafbeelden was de vorm in de eerste plaats belangrijk. In deze gevallen werd de glimlach soms gebruikt om aan te geven dat de dode vrijelijk genoot op de Elysische velden.
Overigens komt het weergeven van het innerlijk van de mens en niet alleen van uiterlijkheden eerst veel later in zwang. Eens, in de tijd van Achnaton was het weergeven van persoonlijke en karaktereigenschappen nogal populair Egypte. Daarna duurt het tot de middeleeuwen, voor men afstand doet van het stileren en werken met uiterlijkheden en attributen.
Rond 1600 komt in zowel Frankrijk als Italië de nadruk meer en meer te liggen op een mede uitdrukken van het innerlijk van de mens. Wij kunnen dus rustig aannemen dat deze glimlach niet een teken is van een inwijding of geestelijke bereiking, maar dat zij eenvoudig de vormelijke gelaatstrek is, die bij vele afbeeldingen gewoon de voorkeur had en vooral een rol speelt bij afbeeldingen van gewone mensen. Bij godenfiguren, ook wanneer mensen als zodanig worden afgebeeld, bestaan andere, eveneens traditionele gelaatsuitdrukkingen. Wat ook begrijpelijk is. Want om het wezen en de persoon van een godheid voor te stellen, is vaak een masker nodig dat de functie van de godheid mede uitdrukt.
Waardoor en wanneer ontstaat in de westerse cultuur een verlangen naar inwijding?
Een verlangen naar inwijding, kennis en bereikingen ontstaat overal en dus ook in het Westen, wanneer de mens zeer wordt geconfronteerd met eigen onvermogen en de tijd krijgt daarover na te denken. Het wanneer is dus in feite: zolang er mensen zijn. De reden is iets moeilijker duidelijk te maken. In de mens bestaat een onbewuste kennis die vaak in strijd is met zijn van buitenaf aan hem opgedrongen wereldbeeld. De behoefte om de strijdigheid tussen het ik en de wereld te begrijpen, veroorzaakt volgens mij een eerste streven naar kennis en inwijding, die in het verleden immers identiek waren in de ogen der mensen. De mens verwerft enige kennis en wat wijsheid. Daardoor komt hij tot de conclusie dat er een andere werkelijkheid moet bestaan, die voor hem door zijn streven steeds meer benaderbaar wordt. Dan zoekt men de geheimen te leren kennen en komt men samen om dit eenvoudiger te bereiken. De basis is gemeenlijk de godsdienst of vakkennis. Hier kan men volgens mij spreken van een werkelijk streven naar inwijding, dat zolang voortgaat tot men beseft dat er geen geheim is, maar dat alleen een juiste benadering van het leven een rol speelt. En dan is men in feite ingewijd.
Schuilt er waarheid in het Chinees gezegde “hij die denkt dat hij wijs is, is niet wijs”?
Ik hoop dat u deze mooie spreuk wilt aanplakken bij de verschillende ministeries. In de spreuk schuilt inderdaad waarheid. Want hij die denkt dat hij wijs is, heeft onvoldoende zelfkennis om eigen onvolmaaktheid en onvolledigheid te beseffen. Dientengevolge is hij niet wijs genoeg om zichzelf te kennen. Wie zichzelf niet kent, kan de wereld niet in waarheid kennen en zal dus nooit waarlijk wijs kunnen zijn. Ik zou het volgende willen opmerken: de Chinese wijsgeren, die tegenwoordig in het westen erg in zijn en waarvan sommigen nu ook weer meer erkend worden in rood China, zijn in wezen denkers die uitgaan van een vastgelegd wereldpatroon.
Wanneer u begrippen als Tao beter leert kennen, zult u beseffen waarom het hen gaat: Het juiste functioneren. De mens die denkt dat hij wijs is, meent dat hij zijn eigen plaats in het geheel en mogelijk zelfs de plaats van vele anderen in dit geheel mag bepalen. Dit echter kan alleen de Grote Ordenende Macht. Degene, die zich wijs waant, is dus in feite een dwaas, daar hij niet meer beantwoordt aan de werkelijke eisen en beperkingen die hem door Tao werden opgelegd. Dit is de oorsprong van dergelijke spreuken.
Overigens betekent dit alles niet dat ik het met de uitspraak niet eens ben. Verkondig dus deze wijsheid rustig verder.
Vreemd dat het begrip inwijding in de gehele christelijke godsdienst niet voorkomt, zeker gezien de definitie die u daarvan zojuist hebt gegeven.
Het begrip komt wel degelijk in het christendom voor, maar is dan ontdaan van een lettergreep “in” en aangevuld met een functie. In het christendom is – vooral in het begin – de wijding vergelijkbaar met inwijding.
De wijding bestaat in vele verschillende vormen, vanaf een zeer beperkte, waarin een gehoorzaamheidsregel is opgenomen die ook voor elke burger toegankelijk is – de derde ordes zijn daarvan nu de exponenten – een reeks van lagere wijdingen, waarbij men wordt toegelaten tot bepaalde functies, maar ook bepaalde geheimen en riten dient te beheersen. Vroeger deed men vooral gedurende die lagere wijdingen kennis op omtrent de kerk, de Bijbel en de mysteriën.
Dan komen de volle wijdingen, die beginnen met de priesters. De priester is dan vergelijkbaar met de vrijmetselaar in de loge, hij is de ingewijde die de basiskennis heeft. Vanuit die basiskennis zijn dan weer specialisaties mogelijk en kan men zich vervolgens via wijdingen tot bevestigd kanunnik, bisschop en door verkiezing zelfs tot kardinaal en paus laten wijden. Vele priestergraden bestonden in het verleden, maar zijn u nu niet meer als inwijdingen bekend. Maar in de kerk ontstond dan ook al snel een machtsdenken, dat tot gevolg had, dat men edellieden ging benoemen in de hogere graden en de wijdingen dan maar later gaf. Het inwijdingsprincipe ging toen al snel teloor, ofschoon er enkele orden zijn, die het nog intern handhaven.
Zelfs in het begin van het christendom zien wij reeds inwijdingsgebruiken: de eenvoudige gelovigen mogen wel toehoren, maar mogen niet bij de mysteriën tegenwoordig zijn, de oudsten voeren deze samen met de gedoopten. Belangrijke schakel tussen gedoopten en ouderen was reeds toen de diaken, die niet alleen naar buiten toe vaak de gemeente vertegenwoordigde, maar tevens onderricht gaf aan degenen, die in aanmerking kwamen om opgenomen te worden bij de oudsten, de wetkenners en priesters.
De diaken had bovendien een belangrijke dienende rol bij het offerspel. Wat ik aanhaal om u ervan te overtuigen dat er in het christendom wel degelijk van een inwijdinqsopzet in zelfs zeer algemene zin sprake is geweest, terwijl ook belevings- en persoonlijke eisen worden gesteld aan eenieder, die de priesterwijding ontving.
Je kon dus geen priester worden alleen naar door te slagen in een seminarium. Je kon deze rang alleen verkrijgen na een retraite, waarin je werd geconfronteerd met bepaalde problemen in een afzondering die gemeenlijk drie dagen en drie nachten duurde, ofschoon deze herdenking van Jezus dood en herrijzenis, – zo werd het voorgesteld – later werd teruggebracht tot een enkele nacht, gaande van 6 tot 7 uur s ’avonds tot 7 uur in de ochtend. Deze laatste procedure werd in bepaalde Duitse kloosters zelfs nog gevolgd rond 1500 n. Chr. Daarna is dit alles meer en meer verwaterd. De oorzaak hiervan was dat de kerk een wereldlijke macht was geworden. Wie begrijpt dat elke esoterische school die naar buiten toe als machtslichaam optreedt, ook steeds meer haar wijdings- en inwijdingskarakter zal verliezen, zal dit beseffen als een nadeel.
In de plaats voor het geestelijk beleven komt dan een theoretisch logische opzet met een ambtelijke structuur. En de macht van deze laatste delen van de structuur maakt zonder meer duidelijk waarom de kerk ingewijden, zo die er al zijn in haar gemeenschap, het liefst op de achtergrond schuift, want dezen passen nu eenmaal niet in het ambtelijke systeem.
Ik denk aan het dogmatische zwelgen in stellingen, waardoor de innerlijke stem…
U redeneert vanuit het huidige denken en vanuit de huidige situatie. Sta mij toe u een beeld te geven dat vanaf rond 900 na Chr. binnen het christendom bestaat. Hierbij werd gezegd, dat de dogmatisch strakke structuur noodzakelijk is, want heeft de strijder niet zijn kuras nodig? Toch is het niet het kuras dat de strijd voert, maar de strijder die zich daardoor beveiligt.
Ik geloof dat dit nog niet zo dwaas als argument is, omdat het dogma in zeer vele gevallen bij inwijdingsscholen en procedures een rol heeft gespeeld, zoals bv. bij de Isis-inwijding, in de eredienst en inwijding van Naboe bij de Bel-verering enz. Deze inwijdingsscholen waren eveneens naar buiten toe gebaseerd op zeer rigide structuren en een fel verdedigde dogmatiek. De ingewijden meenden dat dit een goede verdediging betekende voor het werkelijk innerlijk gebeuren van de scholen tegen allen, die nog niet rijp waren om daaraan deel te hebben en toch het gezag van het ingewijd zijn anders met alle geweld zouden nastreven.
In deze zin kun je dus zeggen dat men door het instellen van een strakke leer en vele dogma’s nog niet zo dwaas heeft gehandeld. De ellende is alleen maar dat nu het kuras nog wel ongeschonden bestaat, maar dat de strijder meer dan halfdood is. Of, om een benadering van onze vriend Henri te citeren: het is eigenaardig dat sinds de paus zich nadrukkelijk tegen de pil heeft verklaard, de kerk onvruchtbaar dreigt te worden. Ik hoop hiermee voor u de zaak enigszins recht te hebben getrokken.
Is het streven naar inwijding een absolute voorwaarde?
Wanneer je streeft naar inwijding is het de vraag of je het ook werkelijk wilt bereiken. Wanneer je er naar streeft steeds weer de waarheid omtrent jezelf en de wereld te zien en volgens je innerlijk zo juist mogelijk te handelen, is de inwijding bijna een zekerheid, of je nu die inwijding nastreeft of niet.
Het streven naar de inwijding op zich is dus geen garantie voor een werkelijke inwijding en zonder dit streven kon men, op grond van innerlijke processen plus het trekken van consequenties uit het innerlijk gevonden besef, ingewijd worden zonder dit na te streven of zelfs in de eerste tijd ook maar te beseffen.
Wij zijn, beste vrienden, bezig geweest met enkele wijsheden en hebben wat gebabbeld over inwijding. Zelfs hebben wij enkele cultuurhistorische en ook landbouwkundige opmerkingen er in verweven. Een avond als deze doet mij altijd weer denken aan carnaval, er is een werkelijke figuur, maar deze wordt door vele aanhangsels tot een bijna onherkenbaar zijn herleid.
Ons onderwerp was wijsheid en inwijding. Ik heb in mijn inleiding getracht u de relatie tussen beiden zo duidelijk mogelijk voor ogen te stellen en heb zowel ten aanzien van wijsheid als inwijding enige omschrijvingen willen geven zover dit mij binnen de beperking van de menselijke taal mogelijk was. En nu gaan wij afsluiten.
Ik geloof niet dat u vanavond hier aanwezig zou zijn geweest, wanneer u geen belangstelling bezat voor inwijding en mogelijk zelfs een behoefte kende aan wat meer wijsheid. Zo dit niet het geval is, moet u mij het volgende maar vergeven.
Zoek niet naar de inwijding, zoek naar uzelf en de God in uzelf en zoek die God te erkennen in de wereld. God is het onbestemde. Het onbestemde, dat echter toch altijd aanwezig is en zich uitdrukt voor ons als een vaste waarde,
Wanneer u deze leidsnoer weet te vinden in uzelf en in de wereld zo ontstaat de wijsheid in u als vanzelf. Wat zodra de waarheid voor u slechts een gehele waarheid is en niet een samenspel van een groot aantal zogenaamde waarheden, zal deze als een regel van toepassing blijken te zijn voor u en alle mensen, dingen en werelden, alle gebeuren. Dan kent u de grondslag van het gebeuren en kunt u ook alle gebeuren tot zijn grondslagen herleiden. Mede zult u dan beseffen dat dit eenvoudige benaderen van waarheid en werkelijkheid nooit mogelijk zal zijn zonder dat uzelf daaraan deel hebt. Door dit deelhebben aan, zult u de krachten die bestaan leren gebruiken volgens de mogelijkheden van uw persoonlijke bestaansuiting. En dat is dan de inwijding. Wees dus niet bang voor de inwijding en denk niet dat het iets heel bijzonders is. Het is het uitzicht dat je bereikt, wanneer je bijna ongemerkt stap voor stap verdergaande op een heuveltje komt te staan en opeens een heel deel van het land kunt overzien. Maar het voorwaarts gaan is noodzakolijk om ooit zover te komen. Geef nooit de moed op. Je leeft en moet leven, daaraan kan je niets veranderen of verhelpen. Je moet hier leven tot de dood komt en dan moet je elders verder leven.
Aanvaard dan het leven. Begin daarmee. Probeer niet het leven te beoordelen aan de hand van enkele verschijnselen zonder meer. Tracht uit de kern van hetgeen leven voor u betekent, die waarden te vinden, die zich ook overal rond u manifesteren. Wees niet zwartgallig, doe niet zwaarwichtig. Want de loden ernst geeft niet de lichtvoetigheid die noodzakelijk is om de hogere paden van het geestelijke weten te kunnen betreden. Durf te lachen, durf blij te zijn en neem uw dagelijkse zorgen en problemen zoals zij komen. Zoek vooral ook naar de vereenvoudiging van alles, zoek de essentie van alles steeds weer te erkennen. Dan zult u wijzer worden en wijzer wordende, zult u een steeds grotere werkelijkheid leren ervaren en gebruiken.
Nog een raad: Hij die tot u komt en roept: “ik ben een ingewijde” is het zeker niet. Hij die tot u komt en zegt u te willen inwijden is het waarschijnlijk niet. Degene die niets zegt, maar u helpt uzelf beter te begrijpen, is het.
