De schepping in de tijd

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 4) – januari 1957

Bij het beschouwen van de schepping zullen wij – ongeacht ons kennen of niet‑kennen van de verschillende krachten, die in die schepping actief optreden – voor onszelf de indruk krijgen, dat zich een evolutionair proces afspeelt. Wij zien een reeks van momenten opeenvolgende vormen baren en in deze vormen ook bewustzijnsontwikkelingen zich afspelen. Voor onszelf moeten wij dus een evolutionair bestel aannemen, beperkt of onbeperkt, willen wij in staat zijn ons eigen beeld van de schepping uit te drukken in een realiteit die voor ons kenbaar is.

Daarnaast staat natuurlijk – en naar ik meen voor de meesten van u ook bekend – de theorie van de onmiddellijke schepping, die – volmaakt zijnde – in zich alle waarden draagt, die door ons eerst achtereenvolgens bewust ervaren worden. Het is deze maal zeker niet onze taak een vergelijk te trekken tussen deze volmaakte scheppingstheorie en de theorieën der evolutie. Maar wel moeten we trachten het proces der schepping in de tijd, nader te de beschouwen en daaruit althans enig inzicht opdoen omtrent de levensprocessen, waarvan wijzelf deel uitmaken.

Allereerst moeten wij ons wijden aan de gedachte “tijd”. Tijd kan worden uitgedrukt als een effect van versnelling in ruimte. Dat wil zeggen dat de tijdsbelevingen, zoals de mens die doormaakt, en zoals door ons in lagere sferen ook nog gedeeltelijk worden ervaren, resulteren in een vaststellen van een beweging. Onze enige waardemeter is een verplaatsing te midden van het Al. Hierover zullen wij zo mogelijk later nog uitgebreider spreken. Thans wil ik u verzoeken deze stelling als een grondstelling, voorlopig, te aanvaarden.

Wanneer ik tijd stel als een verschijnsel, dat door beweging in ruimte wordt veroorzaakt, dan moet als gevolg hiervan het verloop der tijd veranderen naarmate het Al uitdijt. En wij kunnen vaststellen, aan de hand van ook stoffelijk controleerbare waarnemingen, dat het Al in een groot gedeelte van zijn bestaansperiode inderdaad een uitdijing heeft vertoond. Een middelpuntvliedend Al is inderdaad een fase, waarvan op het ogenblik nog kan worden gesproken.

Voor de wereld misschien niet zo gemakkelijk vaststelbaar, maar voor ons evenzeer vaststaande is het feit, dat de oorspronkelijke versnelling van de delen van het Al groter was dan de ogenblikkelijke. Hier zijn inderdaad zeer grote verschillen in snelheid te zien. Uitgedrukt in tijdsmomenten zou dit betekenen, dat in het begin de tijd meer gecomprimeerd was, dus dat het bestel der tijden dat u nu kent, zich in een veel snellere volgorde afspeelde. Het is belangrijk dat we ook dit een ogenblik onthouden. Een tweede punt is, dat met een vertraging der beweging een ver­andering van tijdsinhoud en tijdservaring moet optreden. Wanneer n.l. de beweging vermindert, dan zal de tijdservaring rechtlijnig met de vertraging vergroot worden. Per ogenblik kan dus meer begrepen en ervaren worden. Het aantal ogenblikken daarentegen vermindert binnen een vaste maat, die aangelegd wordt over het hele bestaan van het Al.

Misschien doe ik er goed aan hierbij tevens nog aan te stippen, dat een terugvallen van het Al op zijn middelpunt, ons inziens, zeker niet tot de onwaarschijnlijkheden behoort. Velen van onze vrienden, die zich met de studie hiervan hebben beziggehouden, evenals esoterici, spreken dan ook niet van een vliedend of een terugvallend Al, maar van een ademend Al. Hiermee aangevende dat een cyclische beweging de materie in het Al nu uitwaarts doet snellen, dan weer  terug doet keren tot dicht bij het middelpunt.

Indien een reversie van de huidige beweging plaats zou vinden, zou dit evenzeer moeten betekenen een reversie van het tijdservaren. Het is goed ook dit punt een ogenblik te onthouden. Want op grond van deze stellingen wil ik dan de schepping in de tijd met u beschouwen.

De eerste scheppingsdaad stellen wij ons voor als uitgaande van een centraal punt. De bewustwordingen, die zich in deze periode afspe­len, zijn betrekkelijk weinige. Anders gezegd: het tijdservaren is traag vergeleken met het huidige. Hierdoor kunnen stoffelijke processen van grote tijdsduur zich afspelen in een voor de geest praktisch niet merk­bare tijdseenheid.

Het persoonlijk tijdservaren van de geest speelt in het begin van deze schepping voor die geest een zeer geringe rol. Gezien de snelle ontwikkeling der materie is de geest in zijn ervaren praktisch tijdloos. Elke realisatie zal dus in de eerste plaats spruiten uit de geest zelf omtrent zichzelf.

Hieruit volgt dat de zich bewustwordende geest – dus nog niet gevormd vóór die tijd – geen actief deel, kan hebben in de vorming gedurende de eerste scheppingsperiode. Er moet worden aangenomen, dat gedurende de periode van eerste wording, wanneer nog geen sprake is van sterren, van planeten, van een redelijk ruimtelijke verdeling der kosmische materie, alleen de reeds bestaande en gevormde geesten – mogelijkerwijs de grote goden – in ieder geval de Instigator, de Schepper en Instandhouder, de Alkracht Zelve ‑ de vormgeving hebben beïnvloed en leiding hebben gegeven aan de ontwikkeling van het Al. In de eerste periode van het wordingsproces spreken wij dus over een volkomen beheerste en geleide schepping.

Het is begrijpelijk, dat op de duur het geestelijk bewustzijn bij een vertraging van het stoffelijk tijdsmoment zich meer en meer gaat inleven en invoelen in de materie. Maar deze materie is reeds van vormen en eigenschappen – zij het misschien beperkt – voorzien. Logischerwijze kan dus het werken van de geest als bezielende en scheppende kracht in de materie pas stammen uit het moment, dat het Goddelijk scheppingsplan gerealiseerd was tot op zeer hoge graad.

Wij nemen dan ook aan, dat de voornaamste elementen alle gevormd waren. Verder, dat vóór er sprake was van enige bewust-geestelijke ontwikkeling binnen de schepping, reeds een grote reeks van sterrennevels gevormd was en reeds de eerste sterren hun werveling begonnen aan de uiterste grens daarvan.

Wanneer wij op het ogenblik het Al beschouwen en daarbij uitgrijpen naar de sterrennevels, die nog kenbaar zijn, dan valt ons op, dat uit hun haast kurkentrekkerachtige wervelingen in het centrum een ster ontstaat, en deze ster bij het groeien der tijd langzaam maar zeker zich naar de buitenzijde verplaatst, waar zij door haar verandering van plaatsing t.o.v. oude en nieuwe sterren, mogelijkerwijs planeten kan baren. Een groeiproces dus.

Wij kunnen ons voorstellen, dat op dit ogenblik de ster – wanneer zij vorm begint aan te nemen – reeds een intellect draagt dat in staat is haar te bezielen. In het begin van de schepping kan dit niet het geval zijn geweest. Wanneer hier dus de eerste sterren bezield waren, moeten zij bezield zijn geweest door kosmische intellecten, die reeds voordat deze scheppingsfase ontstond aanwezig waren.

Dit wijst ons op een continuïteit van schepping, die voor ons onvoorstelbaar is. Niet één heelal, dat tot een einde komt. Niet zelfs één heelal, dat oneindig en onbeperkt zich voortdurend uitbreidt in het grote Niet, dat we ruimte noemen. Maar een heelal, dat sterk begrensd en geregeld in het totaal van zijn bewegingen de in voortdurend nieuwe fasen uit het Goddelijke bewustzijnsvormen uitstoot, die zich tot intelligenten, uiteindelijk tot mensen en goden zullen kunnen ontwikkelen.Anderzijds een overblijven van bepaalde intellecten en intelligenten uit een vorige fase, die in staat zijn de nieuwe ontwikkelingsfase mede te leiden en te beïnvloeden.

Hierbij stellen wij dus in de eerste plaats vast: voordat sprake was van het begin van de voor ons kenbare stoffelijke schepping, de nieuwe periode van uitdijend Al, moeten er reeds een aantal persoonlijkheden aanwezig zijn geweest. Misschien zouden we kunnen zeggen: Voordat onze werelden geschapen werden, was er een hemelrijk, een wereld die in vele dingen verschilde van al wat wij kennen. Een Al, dat misschien geheel andere condities en voorwaarden kende dan onze werelden, maar iets, waarin reeds het bewustzijn kon groeien.

Hoe aannemelijk wordt ons nu de slag in het koninkrijk der hemelen. Aannemelijk wordt ons thans, dat er engelen waren lang voordat er een mens bestond.

De Scheppende krachten, die het Al helpen vormen, zullen – zoals alle dingen in de schepping – tweeledig zijn, positief en negatief. In deze tweeledigheid zullen zij ongetwijfeld tot uitdrukking brengen de elementen, die wij noemen: goed en kwaad. Dus: engelen en demonen zijn er vanaf het eerste ogenblik der schepping. Zij zijn de restanten van een vorige fase van het Al, die we ons misschien vaag kunnen voorstellen, maar die wij met ons bewustzijn niet kunnen nazoeken.

Nu dienen wij ons te realiseren, hoe dan deze schepping binnen de tijd kan plaatsvinden. In de eerste plaats ontdekken wij bepaalde wetten en voor een fase – dus één dijing van het Al – een vaststaande regel van snelheid, snelheidsvergroting en snelheidsvertraging. Deze waarden zijn klaarblijkelijk vaststaand en berekenbaar. De conclusie is, dat hier een patroon, een wetmatig patroon, ten uitvoer wordt gebracht.

Nu blijkt ons dat de toestand der materie inherent is aan een bepaalde bewegingsenergie binnen deze materie; en ook binnen de kosmos. De eenheid van deze waarden doet ons dan ook aannemen, dat het scheppingsplan met zijn mogelijkheden in de tijd is uitgestippeld als een logisch groeiproces. Wanneer de scheppende krachten, de grote of de kleine goden, daarbij hun eigen wezen tot uitdrukking brengen, doen zij dit binnen de tijd, dus ook binnen de door de Schepper oorspronkelijk gegeven mogelijkheden.

Nu moeten we een ogenblik zien naar onze wereld, uw wereld. Deze wereld ‑ in een kosmische explosie in de ruimte geboren – begint vormen van leven te vertonen. Dit gebeurt zeer langzaam. En de bewustzijnsvormen, die op aarde leven, bestaan reeds voordat er sprake is van water en van land, ja, zelfs van een gedefinieerde atmosfeer. Wij vinden in het volksgeloof soms nog flauwe schaduwen ervan terug als zijnde salamanders en vuurgeesten.

Er heeft intellect bestaan, groeiend intellect, vanaf het begin dezer wereld. Maar wanneer dit op deze wereld waar is, hoe zou het dan niet waar zijn op andere werelden? Overal in de schepping bestaan de gelijke voorwaarden. Overal in de schepping bestaan de gelijke mogelijkheden. Overal in de schepping kan dus het groot scheppend Intellect het groeiend bewustzijn helpen en steeds meer vorm geven, tot het in staat is voor ons eigen bewustzijn een nieuwe vormenwereld te doen groeien.

Ons inziens is dit met de aarde wel degelijk het geval geweest. Ook in deze wereld echter zien wij bepaalde, zeer nauw omschreven perioden optreden. En elk dezer perioden kentekent zich door een speciale plantengroei, een speciale dierenwereld, kortom door vormen en normen beantwoordend aan de gemiddelde conditie. Willen wij aannemen dat deze conditie willekeurig ontstaat, dan kunnen wij verder zwijgen. Dan kan er niet over een scheppingswerk worden gesproken. Maar – zoals ik zo even reeds opmerkte – zeer zeker is er een ogenblik geweest, dat een wet werd gesteld, volgens welke dit ademend Al zich voortdurend uitstrekt in de ledigheid en zich terugtrekt in zichzelf. Dan moeten ook de voorwaarden voor deze ontwikkeling en groei vastliggen binnen het Al. Ja, wat meer is, elke periode die op aarde kenbaar wordt, moet een periode zijn, die gevormd wordt door veranderingen in tijdswaarde en daardoor veranderingen van materiële activiteit, zowel in de zon als in de aarde zelf.

Het zou ons te ver voeren hier de werking van de zon zelf, de eigen activiteit en de mogelijkheden van de aarde volledig te ontleden. Genoeg zij het hier te memoreren, dat deze waarden dus beïnvloed worden van buitenaf en wel in directe samenhang met de eigen versnelling van het Al, speciaal van dit gedeelte van het Al binnen het ledige. Ook hier erken ik dus een uiteindelijke leidende Macht, die deze ontwikkeling van tevoren heeft gedefinieerd, omschreven en mogelijk gemaakt.

Binnen de vorming echter ontdek ik het kleinere intellect, dat op zijn eigen wijze binnen de gegeven mogelijkheden zijn begeren uit naar bewustzijn, zijn denkbeeld omtrent volmaaktheid.

Dit denkbeeld omtrent volmaaktheid is zeer belangrijk. Want indien dit Al eens tot stilstand komt, wanneer het leven in deze vorm dooft, dan zal alle bewustzijn, dat hierin leeft, aanwezig blijven. Maar een reversie van beweging brengt – denkt u aan onze eerste stellingen – een reversie der tijd met zich mede. Zodat het totaal der bestaande ontwikkelingen in omgekeerde volgorde nogmaals beleefd wordt.

En hier ligt o.i. het grote criterium. De geest, die in staat is deze ontwikkeling geheel mee te maken en dus alle tijdsmomenten terug te vinden en zichzelf in deze tijdsmomenten het totaal van eigen leven te realiseren, zal – dit nemen wij eerlijk en overtuigd aan – opgaan in de grote Kernkracht. Deze zal dus geen aparte persoonlijkheid meer zijn. Degenen, die onderweg blijven staan en niet in staat zijn het totale teruglopen van de tijd te volgen met een bewuste realisatie van het “ik” daarbinnen, zullen overblijven om de nieuwe scheppende elementen te zijn in een volgende periode van dijing van het Al.

Na deze beschouwingen omtrent tijd en tijdservaren wordt het voor ons raadzaam om het evolutionair principe, dat we in de schepping menen te erkennen, wat nader onder de loupe te nemen. Een evolutie wil zeggen: een voortdurende veruiterlijking van innerlijke waarden, waarbij deze veruiterlijking wordt geleid door buiten ons liggende omstandigheden. Ik meen dat tegen deze formulering weinig of geen bezwaar kan worden gemaakt.

Dit houdt in, dat de gedachte aan een zuiver evolutionair Al voor ons tevens betekent een voortdurende leiding en conditionering van buiten dit Al; en in ieder geval van buiten ons wezen en onze wereld op ons wezen en onze wereld. Dit principe is voor ons natuurlijk niet geheel aanvaardbaar. Onze groep heeft getracht een oplossing hiervoor te vinden en kwam tot een involutionair principe. Hierbij werd aangenomen, dat uiterlijke waarden een voortdurend besef omtrent eigen waarden in de mens – en wat dat betreft in al het geschapene – wekken zou, zodat men zich steeds meer van het eigen wezen bewust wordende, zich aan dit bewustzijn aanpast.

In onze scheppingstheorie lijkt me deze vraag zeer belangrijk. Want een conditionering van buitenaf zonder meer, zou betekenen een voortdurende onderwerping aan krachten buiten ons, waar wij slechts slaafs hebben te volgen. Geheel ons leven en streven zou dan het resultaat zijn van buiten ons werkende invloeden. Onze vrije wil – een waan. Ons leven – een paskwil. Daarom denken wij aan een involutionair vormingsprincipe. Een aanpassing van de vorm – niet aan de uiterlijke omstandigheden – maar aan het bewustzijn.

Een steun daarvoor vinden wij wel degelijk in bepaalde stoffelijke processen. Het is nl. bekend, dat sommige planten en ook dieren plotseling varianten voortbrengen, zonder dat er een kennelijke reden voor bestaat. Dus zonder beïnvloeding van buitenaf. Men heeft getracht dit te verklaren door een terugval tot vroegere vormen. Maar gezien de aanpassing aan de moderne wereld kan dit nooit geheel juist zijn. Ik meen, dat wij in deze gevallen mogen spreken over een nieuwe vorm, die – zich houdende aan de oude vormen van het ras – een innerlijk bewustzijn uitdrukt en als zodanig een noodzaak was voor de continuering van het ras, van de soort.

Deze stelling zal ongetwijfeld door velen bestreden worden. Toch lijkt zij voor mij de enig aannemelijke. Want slechts een Al, waarin wijzelf mede scheppend zijn, binnen de beperkingen ons gesteld door de grote regelen van het ademend Al, is voor mij aanvaardbaar. Slechts als medescheppend de kleinere vormen kan ik immers mijn eigen wezen ontwikkelen en uiten volgens mijn eigen wil en bewustzijn. Slechts op deze wijze kan ik een vrij en denkend wezen zijn dat bewust streeft naar een doel.

Het streven naar een doel zal zeker worden beïnvloed door mijn eigen tijdservaren. Dit tijdservaren zal afhankelijk zijn van buiten mij bestaande condities. Maar in mijzelf zal ik steeds meer leren het tijdsmoment buiten mij in mijzelf tot een intenser beleven te maken. En dit is wel mijn vrijheid. Hierdoor kan ik mijn bewustwording voltrekken volgens eigen impulsen.

Mijn oorsprong binnen dit Al kan ik niet bepalen. Ik weet dat ik uit een grote Kracht voortkom. Maar het proces, dat zich na mijn eerste bewustwordingen heeft afgespeeld, doet mij denken dat hierbij toch mijn eigen wijze van leven en denken beslissend is geweest voor de vormen die ik heb aangenomen, voor de ervaringen die ik heb opgedaan. Van een voordien geconditioneerd zijn om een bepaald deel van de schepping mede te zoeken, is – voor zover ik kan nagaan – geen sprake.

Daarom zijn wij ook slaven van de tijd en is de tijd een meester, die onberekenbaar en onbetrouwbaar is, waar zijn waarden voortdurend wijzigen zonder dat wij ons dit kunnen realiseren in de gelijke beïnvloeding van heel onze omgeving door diezelfde tijd, dat wij als slaven van de tijd gelijkelijk de vrijen van geest zijn.

Want het in‑ons‑levende wordt niet meer door tijd beïnvloed. Het is voor zover wij kunnen nagaan onvergankelijk. En eerst bij een tot zijn beginpunt teruggaand Al, zou mogelijk een absolute realisatie kunnen ontstaan, van alle fasen die hiertoe hebben geleid.

Zo wil ik mijn beschouwing over de schepping in de tijd niet besluiten zonder te zeggen: Moge het zijn, dat engelen en demonen bestaan hebben, voordat mijn bewustzijn in deze wereld was, moge het zijn, dat een Kracht – voor mij onbegrijpelijk, ver en groot ‑ reeds Zijn wetten had gesteld, vóór dit Al geboren was, toch ben ik binnen dit Al vrij. En involuerend, steeds sterker doordringend in mijn eigen wezen en zijn, bereik ik uiteindelijk het bewustzijn, dat voor mij een oplossing betekent van alle problemen. In de schepping ben ik medescheppend. Niet zozeer misschien voor de wereld der schepping, als wel voor de wereld in mij. Een wereld in mij, waarin ik creator ben en waarin ikzelf de tijdser­varing mede help bepalen. Een wereld, die mij tenslotte zal kunnen leiden tot de realisatie van die grote wereld, waarvan ik deel ben.