Genesis

uit de cursus ‘Kosmogonie’  1962

1. Het ontstaan.

In den beginne was God. Dat is een mooi woord. Maar wat is God?

Als wij God in zijn werken naspeuren, dan komen wij tot een aantal conclusies, die ons in staat stellen dit wezen althans enigszins te omschrijven.

  • U kunt in de eerste plaats zeggen: God is bewustzijn.
  • In de tweede plaats: God uit Zijn wezen door Zijn eigenschappen in de schepping te leggen.
  • In de derde plaats: God is in het totaal van die schepping als levende kracht aanwezig.

Dan zouden wij dus over God ook mogen denken als de ziel van de kosmos, als de kern, een persoonlijkheid die a.h.w. in de kosmos intreedt, zoals een mens in een lichaam.

Nu rijst de vraag, waar die God vandaan is gekomen. En dan blijkt ons al onmiddellijk dat er ergens een grote kloof bestaat. Wij kunnen daar niet overheen zien. Wij komen te staan voor een afgrond die ons wezen niet kan overbruggen. Ten hoogste kunnen wij aan de wijze waarop die grens zich voordoet, aan de manier dus waarop wij God gemanifesteerd zien, proberen ook daaromtrent iets voor te stellen.

Dan stellen wij ten eerste: Buiten de kosmos ligt ergens iets, wat tijdloos is, geen plaats kent en toch bestaat.

Ten tweede: In deze kracht kan leven ontstaan; en het is heel goed mogelijk dat deze grote kracht niets anders is dan een brein. Wanneer dit brein een voldragen en afgeronde gedachte uitzendt, kan daardoor het proces van genesis, van ontstaan aanvangen.

De gedachte is de bezielende kracht. Ze moet echter een grote hoeveelheid kracht zijn, want anders kunnen wij niet verklaren hoe de processen die alleen al voor het stoffelijk Al noodzakelijk zijn, tot stand komen. Laat ons dan nagaan op welke wijze dit ontstaan ongeveer is geschied.

Er is iets. Wederom ook aan deze kant van de grote kloof: iets. Iets wat tijdloos en ruimteloos is, wat absolute rust is en niet geuit. Maar het is er.

Dit iets wordt bezield; daarin wordt de gedachte werkzaam. Er ontstaat dus beweging. Beweging is het eerste verschijnsel dat geconstateerd kan worden, wanneer men teruggaat naar het ontstaan van het Al.

Deze beweging blijkt zich om te zetten in wat men zou kunnen noemen chaotische materiedeeltjes; en het geheel is misschien te vergelijken met een soort gaswolk. De beweging plant zich voort tot een grens. Men zou dus kunnen zeggen dat ‑ al lijkt onze kosmos oneindig ‑ hij ergens begrensd is. Waardoor en hoe? Misschien wel door de gedachte van God Zelf of van de onbekende kracht. In ieder geval, eerst ontstaat de beweging.

Op het ogenblik dat de beweging en de daarin ontstane kleine partikels terugkeren naar het middelpunt, ontstaat voor het eerst in die materie een vorm van energie, die naast beweging zeer bekend is, nl. warmte. Warmte plus beweging die in twee richtingen gaat (botsingsverschijnselen dus), beginnen een omzetting van al de kracht in andere vormen van kracht. Wij krijgen te maken met een enorme gaswolk die uiteenbarst. Dat is waarschijnlijk heel snel gebeurd. Het zou aan te nemen zijn dat het feitelijke moment, waarin die chaos zich in bepaalde delen splitst, volgens uw maatstaven een duizendste seconde zou hebben geduurd. Het is wel zeker dat daarna perioden van jaren nodig zijn, voordat een voldoende afstand is ontstaan tussen die verschillende delen, welke op zichzelf nog niet verder gevormd zijn. Ze beïnvloeden elkaar wederkerig, doordat ze alle kracht uitstralen.

Die uitstralingen van kracht blijken onderling aan wetten gebonden te zijn. Deze veroorzaken een werveling. De werveling veroorzaakt een beginnende sterrennevel. Deze ontwikkelt zich langzaam tot een sterreneiland, waarin dus steeds weer nieuwe sterren kunnen ontstaan, zolang daarin nog voldoende niet‑gevormde, chaotische materie aanwezig is.

Zodra er voldoende sterren aanwezig zijn, zien wij drie vormen optreden. De eerste is de lens. Er zijn enkele wolken, die zuiver een lensvorm hebben, dus concaaf. Er zijn discusachtige vormen die zich onderscheiden, doordat zij takken hebben. Zij schijnen dus een deel van hun massa wat verder naar buiten gedreven te hebben en die massa schijnt in het begin wat trager te zijn geweest dan de eigen wenteling van de hoofdmassa. Zo krijgen wij dus een heelal of een sterrennevel met draaiende armen, die op zichzelf qua rotatie en ontwikkeling verschillen van de kern. De laatste is niet zoals u misschien denkt een bolvorm, maar een trechtervorm.

In de trechtervorm ontstaat een heel eigenaardig verschijnsel. Daar ontstaat in de kern steeds weer een nieuwe ster. Die ster bereikt de buitenkant en wordt omhooggedreven. Wanneer ze de uiterste rand bereikt, valt ze terug naar het midden en ontbindt zich weer.

De goddelijke Kracht zelf, het wezen Gods dat wij dus menen te mogen omschrijven, heeft klaarblijkelijk behoefte aan drie verschillende uitingen. De eerste, de lensvorm, blijkt hoofdzakelijk geestelijk georiënteerd te zijn. Er is hier sprake van bewustzijn op niet materieel niveau. De tweede vorm, de discus met eventueel afbuigende zijtakken, blijkt hoofdzakelijk het bewustzijn in zich te dragen (vergelijkenderwijze een microkosmos, dus mensen e.d.). De derde vorm heeft hoofdzakelijk een sterrenbelichaming. Hier is de ster zelf het levende wezen. Haar gang langs de trechter is de levensloop; de terugkeer is de dood.

In al deze gevallen blijkt verder dat energie niet teloorgaat. Een deel van de energie verdwijnt. Dit deel schijnt zich om te zetten in kracht ergens in een parallel of tegengericht heelal. Daarover behoeven wij ons niet al te druk te maken. Want op het ogenblik dat wij hier tot rust zijn gekomen, zou dus elders ‑ als een soort perpetuum mobile eigenlijk ‑ weer voldoende kracht en materie aanwezig moeten zijn om daar weer een schepping mogelijk te maken.

Het bewustzijn van de godheid, die wij vinden, is naar het inzicht van zijn schepselen (dus mens en geest) volmaakt. Dit is echter niet noodzakelijk eeuwig waar. Waar er een god bestaat die voor ons kenbaar is aan deze kant van de grote kloof, waarover ik spreek en er aan de andere kant toch weer iets bestaat wat niet kenbaar is, zouden wij de conclusie moeten trekken: onze God is niets anders dan één klein deel van het Grote; een enkele gedachte, een enkele kracht van het Onbekende.

Hiermee hebben wij dan eigenlijk het ontstaan ‑ zover het de kosmos betreft ‑ bezien voor de materiële waarden.

We hebben in de kosmos bovendien te maken met een groot aantal sferen.

In die sferen leven wezens van minder stoffelijke geaardheid. En nu blijkt het eigenaardige verschijnsel zich voor te doen dat de eerste ordening zich altijd afspeelt op het hoogste vlak. Godsaanvaarding of geloof is de eerste vorm van ordening. Dat kunt u ook nog nalezen in de Bijbel. Want God schiep de engelen. De engelen zijn dus niet wezens die geheel zelfstandig denken. Neen zij leven uit Godsaanvaarding. Wanneer zij eenmaal God verwerpen of God niet meer aanvaarden, dan vallen ze. Vandaar de gevallen engelen; dan zijn ze dus geen engel meer, geen deel meer van het geheel van die wereld.

Daarnaast blijkt dus een wereld te ontstaan, waarin bewustzijn en een zekere handelingsmogelijkheid bestaat. Wij krijgen te maken met de grote krachten die de kosmos manipuleren. En daarin vinden wij als laagste tak dus de vormers van planeten en sterren. Deze krachten blijken hoofdzakelijk planeten te vormen of te helpen vormen (bezielen doen zij zelden of nooit, dat geschiedt vanuit een hogere sfeer) en daarnaast kunnen zij optreden als eerste rassengeesten. Zij ontwikkelen het leven.

Daar onder begint wat men zou kunnen noemen een verstandelijk niveau. En daar weer onder vinden wij een sfeer, die eigenlijk een verzamelplaats is van wat micro‑kosmisch of menselijk heeft geleefd en entiteiten uit hogere sferen. Er zijn daar nl. krachten aanwezig die nog nooit een menselijke vorm hebben gezien; maar er zijn ook krachten die ‑ zij het misschien op een andere wereld of in een verleden ‑ hebben geleefd in een vorm die aan de mens gelijk is qua verstandelijke vermogens, denken, samenleving, zelferkenning. Het blijkt nu dat deze wezens voor een groot gedeelte bij eenmaal ontstaan leven weer de verschillende rassenkenmerken, de ontwikkeling van soorten enz. bevorderen. Zij zijn het ook die zich klaarblijkelijk bezighouden met het doen ontstaan en het leiden van bv. natuurgeesten.

Gaan we nog een stapje naar beneden dan komen wij typisch genoeg aan de meest perfecte ordening; nl. daar, waar geest en stof samenwerken.

Want hier wordt een zo groot mogelijk deel van het Al omvat. Wanneer geest en stof harmonisch zijn, ontstaat de perfecte levensvorm. Schiet men in een van beide opzichten tekort, dan ontstaat onevenwichtigheid en terugkeer tot chaos.

Met deze sferen, die wij nu wel gemakkelijk even beschrijven, zitten wij toch wel een klein beetje in de knoop. Want hoe ontstaan zij?

Bewustzijn blijkt voort te komen uit voortdurende beïnvloeding van buitenaf, plus de bezielende kracht van het Goddelijke. Zonder deze beide factoren kan geen bewustzijn ontstaan. Waar iets dicht bij het Goddelijke staat, maar gelijktijdig door het Goddelijke als actieve kracht wordt uitgezonden en gebruikt, zal door de erkenning van eigen arbeid een zeker bewustzijn worden gevormd. Dit bewustzijn kan nooit het hoogste of het meest volmaakte zijn. Dit bewustzijn zal ook zelden gebonden zijn aan iets anders dan alleen die geloofsaanvaarding. De energie, die op deze wijze wordt vastgelegd, is voornamelijk bestemd om weer orde te brengen, dus een wet op te leggen aan andere vormen van energie.

De daaronder liggende sferen kunnen wij eigenlijk wel samenvatten met een paar korte woorden. Telkenmale wanneer een ordening in de kosmos zover is voltooid, dat daarin weer een beïnvloeding van buitenaf merkbaar wordt, treedt de bezielende werking op. En dan blijkt weer dat de bovenliggende sfeer zich a.h.w. deelt in een reeks invloeden die weer een lager liggende sfeer doet ontstaan.

Wanneer men dit alles omschrijft, dan komt men tot een heel eigenaardige vergelijking die u mij wel niet euvel zult duiden. Wanneer er een bevruchting heeft plaatsgehad, dan is het eerst ontstane, een framboosje; d.w.z. een aantal cellen die elk op zichzelf speciale eigenschappen hebben en van elkaar verschillen. Die cellen gaan zich delen en bij die deling worden de eigenschappen steeds verder van elkaar gescheiden. Er ontstaat specialisatie. Door die specialisatie ontstaat een weefsel met zeer speciale functies dat zichzelf in stand kan houden. En zo wordt ten slotte een mens geboren.

Als wij nagaan in welke volgorde de kosmos, die we kennen, tot stand is gekomen, is de analogie praktisch onmiskenbaar. Er blijft ons dus de vraag: Is dan misschien onze hele kosmos niets ander dan het lichaam, waarin hetgeen wij God noemen, leeft?

2. De bron van het ontstaan.

Dan kom ik weer aan het volgende chapiter. Wij hebben dus het ontstaan gezien. Nu moeten wij ons gaan afvragen: Wat is dan eigenlijk de bron van het ontstaan? En omdat ik zoveel parallellen heb gevonden met bv. de menselijke reproductie, ben ik geneigd aan te nemen dat voor de schepping er was (let wel, vóór de schepping was) er een dualiteit bestond.

Wij mogen zeggen dat God één is; Maar dat ligt dan ver achter die kloof, ver achter dat punt dat wij niet meer kunnen bereiken. Er was klaarblijkelijk tenminste een passief en een actief mechanisme, een passief deel van bestaan of potentie en een actief deel. Op het ogenblik dat deze beide elkaar beroeren, ontstaat schepping.

Het is onmogelijk ons voor te stellen dat er materie is. Want uit het gehele ontstaan van uw eigen heelal bv. blijkt dat materie eerst ontstaat, nadat de eerste uiting er is. Materie valt dus uit. Dan kan ik slechts stellen dat het bewustzijn van de Grote Kracht, waaruit onze God dus als een product a.h.w. voortkomt, zou kunnen zijn: ruimte (potentieel desnoods of imaginair) plus kracht. Wanneer gedachte potentiële ruimte beroert, geeft zij daaraan vorm. In die vorm ontstaat het wezen dat wij God noemen.

Het zal u opvallen dat ik hierbij een stelling ontwikkel, die dus sterk doet denken aan de Brahmaanse beschouwingen omtrent wereldziel, scheppende kracht en geuite godheid. Ik geloof dan ook, dat men daarin gelijk heeft.

Nu blijkt ook nog wat anders. Het heelal dooft regelmatig. Dat wil zeggen: een stoffelijk heelal zal zich uitbreiden tot het ogenblik dat het van zijn middelpunt zo ver verwijderd is dat het oorspronkelijke momentum is teloorgegaan. Dus om het nu eens heel eenvoudig te zeggen: Op een gegeven ogenblik zal uw eigen zon en daarmee ook de aarde en de andere planeten, zich trager van het middelpunt van het Melkwegstelsel verwijderen dan sterren, die in het middelpunt zitten. Daardoor ontstaat een andere massa‑verdeling en deze houdt in dat er een ledig is. Dat ledig trekt aan en door deze aantrekkingskracht zullen de traagste elementen dus ook weer teruggaan. Naarmate hun beweging in de richting van het middelpunt sterker wordt, zal die invloed zich echter voornamelijk aan de zonnen in het middelpunt mededelen. Er ontstaat een reactie naar de kern toe, waarbij alle energie wordt afgereageerd. Zover wij kunnen nagaan, heeft dat een effect van zeer sterke gloed, waarin ontbinding van de materie volgt en daarna een toestand van absolute rust, stasis. De Brahmaan noemt dat dan “de nacht van Brahma”.

Maar waar bewustzijn is, is schepping. Er blijk nu de mogelijkheid te bestaan dat een gedachte, ‑ die dus niet meer materieel is en die zozeer aan het wezen van de schepping gelijk is, dat ze ook niet afhankelijk is van de waarde en waardering van een bepaalde sfeer – blijft voortbestaan. Op het ogenblik dat deze blijft voortbestaan, is zij in de tot rust gekomen materie, ruimte, kracht, hoe wilt u het noemen, dus weer de bezielende factor. Het potentiële Al ontstaat hernieuwd en wel aan de hand van de gedachten-beelden die de ondergang van het gevormde overleefden.

3. Hoe ontstaat nu leven?

Zeer duidelijk is het eerste leven dat ontstaat een bewustzijn dat behoort tot wat u noemt “de sferen”. Het is dus niet materieel. Het is een energieveld dat t.o.v. zijn omgeving begrensd is en de inwerking van die omgeving kan ondergaan.

Nu blijkt verder dat zo’n primitief ego op een gegeven ogenblik wordt afgestemd. Het krijgt wat men noemt een eigen vibratie of trilling. De energie is in beweging en dit bewegingspatroon is de omschrijving van de persoonlijkheid. (Wie dit niet begrijpt, moet er maar eens over nadenken; belangrijk is het misschien niet eens.)

Wanneer echter het patroon complexer wordt (dus het aantal gelijktijdig optredende trillingen) en de mogelijkheid er is verschillende trillin­gen in het “ik” te doen ontstaan door combinatie van de grondtrillingen, zal er sprake zijn van een bewustzijn dat zich naar buiten toe kan uiten. Het is heel eenvoudig. Om een vergelijking te maken: Op het ogenblik dat je denkt: “ik ben”, dan besta je. Maar als je daarbij de vraag kunt voegen “wat ben ik? Waarom ben ik?”, dan ontstaan er dus drie verschillende factoren. Wanneer je die met elkaar op verschillende wijzen combineert, dan vloeien daaruit verschillende besluiten voort, die op zichzelf weer een trilling zijn. Motivering in deze primitieve geest komt voort uit de drang tot zelferkenning.

Naarmate zij echter complexer wordt, zal zij haar omgeving sterker beïnvloeden. Degenen, die het sterkst zijn geworden, zullen dus ook het snelst op materie invloed uitoefenen. Het eerste leven dat ontstaat (zelfs op een planeet als de aarde), is het resultaat van een samenwerking van verschillende materiële krachten onder stimulans van de geestelijke energieën. Kleine veranderingen in trilling van de aarde of van de zon en er ontstaat de harde straling, welke nodig is om de eerste primitieve cel te wekken. Zijn de primitieve cellen geschapen, dan is daarmede ook een ervaringsmogelijkheid in een zuiver materieel en aan vaste normen gebonden omgeving tot stand gebracht.

Voor de geesten, die zich daaraan binden, betekent dit een vergroting van ervaring. Het wezen wordt wederom complexer. Hoe complexer het wordt, hoe meer het geneigd zal zijn ter vereenvoudiging een vaste vorm voor zichzelf te zoeken. En zo ontstaat dus de eerste bezieling.

Nu zult u begrijpen dat in een heelal zo’n bezieling op zeer verschillende niveaus kan plaatsvinden. Maar wanneer er bij de ontstane geest eenmaal een neiging bestaat om in de materie te leven, dan moet er noodzakelijk een stoffelijk leven, dat in vorm maar niet in wezen van het menselijke kan verschillen, uit voortkomen. Dan kan hieruit dus worden afgeleid dat degenen, die de snelste bewustwording doormaken, het eerst belichaamd waren. Dat de samenwerking van geest en stof het summum summarum was van bereiking, ook al lijkt dit op het ogenblik een neergang.

Zo’n ras, levend misschien ergens op een verre planeet (we behoeven niet te zeggen dat het Aarde is), ontwikkelt zich verder. Het ontwikkelt voor zichzelf denkbeelden. Die denkbeelden geven gestalte en vorm aan de sferen en worden zo een invloed voor nog niet tot de stof gekomen bewustzijn dat zich daar ophoudt. Men zou kunnen zeggen: Het is een soort VVV dat foldertjes uitdeelt voor het leven in de stof door de geïdealiseerde vormen daarvan in de sferen te projecteren, wanneer die weer worden bereikt.

Het resultaat zal zijn dat de eerste pioniers een versnelling veroorzaken van de neiging in de stof te incarneren en dat zij gelijktijdig op de vormgeving van bepaalde sferen en op de verschillen daartussen, hun eigen stempel zullen drukken. Zij zijn dus in zekere mate verantwoordelijk voor die anderen.

In het begin was dat een heel moeilijke zaak, want men kon dus niet terugkeren tot de algemeenheid van Godserkenning en Godsaanvaarding.

Men was gebonden aan de reeks incarnaties die men zelf had veroorzaakt.

Daardoor ontstonden nabootsingen van de stoffelijke omstandigheden en werelden, waarin men a.h.w. experimenteerde en van waaruit men probeerde de in de stof levende geest zo te beïnvloeden dat een ideale situatie tot stand kwam. We zouden degenen die dit doen (en die op het ogenblik in de religieuze hiërarchie zo hoog staan, dat men hen rustig engelen mag noemen), eigenlijk kunnen beschouwen als de eerste vormgevers. En naarmate zij zich meer bewust worden, zullen zij dus vrijer worden, zij bereiken weer een hogere sfeer. Ze zijn uit het dieptepunt van verantwoordelijkheid voor vormgeving in de stof en de stofbeleving teruggekeerd.

Het is duidelijk dat de meesten van hen niet zullen kunnen komen tot een absoluut verwerken van alle stellingen, die zij hebben opgebouwd tijdens het dragen van hun verantwoordelijkheid, voordat zijzelf wederom een stoffelijke vorm hebben aangenomen. Men mag daarom concluderen dat in de volheid van een zekere evolutie altijd bepaalde entiteiten zullen incarneren en wel in toenemend aantal, die in staat zijn hun eigen leven ‑ en voor een deel dat van de omgeving ‑ te beheersen en daarin a.h.w. ideale verhoudingen te scheppen; ideaal vooral vanuit een geestelijk standpunt.

Hebben zij dit laatste bereikt, dan gaan zij over naar de sferen en zijn bevrijd van een bestaan in de materie.

Wanneer dus een dergelijke groep is teruggekeerd naar hogere sferen, zal zij enerzijds uit zichzelf terugverlangen naar de absolute Godsaanvaarding.

Maar anderzijds zal zij beseffen hoe sterk de Godserkenning, het Godservaren, de juiste harmonie, noodzakelijk is op lager vlak. De opgaande geest (nu een gevormde entiteit met bijzondere eigenschappen en persoonlijkheid werkt gelijktijdig vanuit zichzelf naar de stof en erkent gelijktijdig in zich steeds sterker de bron, de grondgedachte, het Goddelijke.

Zo ontstaan op den duur een aantal groepen of rassen die als leiders voor het nieuwe leven gaan optreden. De primitieve invloeden, die in het begin onnoemelijk veel hebben geëxperimenteerd, zijn niet meer nodig. Er is immers in een totale materiële evolutie voldoende geestelijke ervaring opgedaan om op de juiste wijze te gaan selecteren. Vormen die in de totale samenhang niet aan de verwachtingen voldoen, worden snel uitgeroeid. Vormen die moeten worden aangepast, zullen zeer snel muteren en de niet‑aanvaardbare vorm gaat snel te gronde. Wanneer een ideale of bijna ideale vorm is ontstaan, dan wordt deze om haar op houdbaarheid a.h.w. te beproeven zeer sterk onder druk gezet en krijgt zij heel veel strijd en ellende te verwerken, want alleen zo kan worden uitgemaakt of de vorm houdbaar en bruikbaar is.

Er wordt dus steeds weer gewerkt naar een ideaal type. Maar ook daarin leeft geest. Dus ontstaat er weer een tweede cyclus, want ook die evolutie raakt voltooid. Ook daar neemt men a.h.w. afscheid van het stoffelijk leven, maar begint men gelijktijdig verantwoordelijkheid te dragen voor jongere levensvormen. Ook daar komt men van die verantwoordelijkheid tot een terugkeer naar de materie, het scheppen van een voltooiing. En dan hebben wij al twee groepen.

Zo kan dus in het Al een hiërarchie ontstaan, die hoofdzakelijk is gebaseerd ‑ ik zou haast willen zeggen ‑ op ouderdom van bereiking ‑ ofschoon de bron en het beginpunt voor allen dezelfde waren, hebben niet allen hun mogelijkheden gelijk gebruikt. Er ontstaan dus diverse groepen, die volgens ons standpunt ten opzichte van elkaar elke keer iets hoger staan.

Er is een trap van rassen of wereldrassen, die elk op zichzelf weer de verantwoordelijkheid dragen voor elke evolutie van jongere rassen.

Dan mag hierbij verder worden gesteld dat wanneer zo’n geest terugkeert om die verantwoordelijkheid op zich te nemen, zij niet altijd op haar eigen planeet incarneert, maar dat heel vaak doet op een andere planeet, waarop haar taak dus gemakkelijker kan worden vervuld, waarop zij dus de perfecte uitdrukking eenvoudiger kan geven.

Dit zijn t.o.v. een geheel ras natuurlijk enkelingen. Deze enkelingen zijn de vormgevers of profeten, de gezondenen, die ‑ zoals ook op uw wereld dus ‑ aan jongere volkeren geven wat noodzakelijk is om een juist geestelijke evenwicht te bereiken en ‑ niet slechts levende in met hun eigen wereldverbonden sferen, maar vrij en geestelijk bewust en verantwoordelijkheid aanvaardend, hun taak aanvaardend, tot een Godserkenning te komen.

4. Ontwikkeling.

Wanneer er dus vele vormen van leven bestaan en vele klassen van bewustzijn, wordt voor ons de vraag belangrijk, hoe de ontwikkeling van die rassen naar boven toe is. En nu blijkt, dat al die verschillende persoonlijke trillingen op den duur een aaneensluitend geheel worden. Op het ogenblik dat een ras zelfs materieel een bepaald dieptepunt is gepasseerd, ontstaat de noodzaak tot harmonie, een steeds meer intense harmonie.

Het zal u duidelijk zijn dat dit ook voor de geest geldt. Zo zullen geesten, die eerst als afzonderlijke lichamen bestonden, langzaam maar zeker zich gaan samenvoegen en worden tot één bewustzijn en één lichaam. Dan mogen wij dus ook nog stellen dat wij juist in de hogere sferen, grote en machtige wezens vinden, die in zich een groeiend aantal oorspronkelijke ego’s bevatten, maar naar buiten toe als één volkomen harmonisch geheel optreden.

Dit zou een verklaring kunnen zijn voor vele grootmachten, die wij op onze weg kunnen ontmoeten. Wanneer wij alleen al te maken krijgen met alle Heren van Kracht en Wijsheid, met de Tronen, de Hiërarchieën, dan behoeven wij dus niet aan te nemen dat die uit God voortkomen. Wij kunnen ook aannemen dat zij groepen van tot harmonie gekomen kleinere individuen zijn, die gezamenlijk weer één grootmacht in het Goddelijke zijn geworden.

Nu hebben wij getracht om met behulp van onze hoogste leermeesters zo goed mogelijk een studie te maken juist aangaande dit punt. En wat blijkt ons nu? De krachten, die oorspronkelijk als engelen en soms ook als duivelen leefden, blijken op den duur ook tot een materiële levensvorm over te gaan. Ook zij gaan diezelfde weg. Er zal dus een ogenblik komen dat al wat oorspronkelijk laag en in de stof was, zal zijn gerezen tot grootheid, tot eenheid en perfecte harmonie; terwijl de krachten, die eens engelen waren, direct Godgebonden (dus krachten, die alléén in het geloof leven), eveneens de perfectie gaan zoeken in de materie. Het resultaat van dit alles kan m.i. als volgt worden uitgedrukt:

Wanneer de laatste engel zijn onsterfelijkheid heeft verworven door de erkenning van de juiste en harmonische uiting, de volledige samenwerking met en in de materie, kan ook deze opgaan. Er ontstaat dan een versmelting van alle bewustzijn en krachten tot één geheel. Het “ik” blijft daarin wel bestaan, maar het heeft a.h.w. zijn eigen vaste plaats gekregen, waarop het zich het best voelt en het meest bereikt en presteert.

Hoe meer grote krachten gaan samensmelten, hoe meer het bewustzijn dat uit de schepping komt, identiek wordt met de originerende Kracht of Gedachte. En dan lijkt het ons toe ‑ wij zijn er dus niet zeker van ‑ dat er een ogen­blik zal komen dat alle bewustzijn dat in het Al is ontstaan, is samengevloeid tot één harmonisch geheel. Dit harmonisch geheel wordt uitgedrukt in de materie.

Perfecte harmonie is ophouden van beweging. Ophouden van beweging is uitblussing; van het menselijk standpunt gezien houdt dan alle bestaan op.

Degene, die in de belichaming van deze materie, van deze kosmos, heeft geleefd, keert terug naar de andere kant van de grens (belichaamd nu en verwerkelijkte gedachte geworden) en kan zo misschien zijn ‑ en dat is dus maar een vermoeden ‑ de zelferkenning van de Levenskracht, die uit Zichzelf de eerste gedachte voortbracht, maar nu ‑ in alle gedachten Zichzelf belevend en erkennend ‑ eigen wezen volledig erkent en herschept.

Hoe het verdergaat weten wij ook niet. Maar zo is het Al ontstaan naar ons beste weten. Er zijn natuurlijk voldoende studies mogelijk over de golven, waarin dat is gebeurd. Wij kunnen gaan spreken over het 1e, 2e tot het 7e ras toe. Maar dat heeft weinig zin, want al die indelingen zijn tenslotte maar imaginair; die zijn niet overal gelijk. De door mij genoemde feiten, voor zover mij bekend wel. En binnen dit geheel dat ik thans heb getracht u te schetsen, rijst dan weer de vraag, die een volgende maal ons onderwerp kan worden: Welke plaats nemen wijzelf in t.o.v. God en de grootkrachten in de kosmos; en op welke wijze staat ons wezen en onze ontwikkeling ‑ nu alleen vanuit ons standpunt beschouwd in verband met een eventuele bereiking van de volmaaktheid en de voltooiing van de schepping?

Sterrensymboliek in de magie

Wanneer wij ons bezighouden met de symbolen, die in de loop der tijd gebruikt zijn door magiërs en esoterici, dan ontdekken wij tot onze verbazing dat de ster daarbij een grote rol speelt. Wij kennen bv. een vierpuntige ster, die bijna een kruisvorm heeft, een vijfpuntige, u wel bekend van de Orde, een zespuntige, u het best bekend als Davidsster of Salomonszegel, een zevenpuntige en zelfs een achtpuntige.

Nu is hierbij natuurlijk de vorm van de ster op zichzelf niet zo uitermate belangrijk. Maar de magiër is uitgegaan van de gedachte dat sommige hoofdkrachten in het Al met elkaar verbonden zijn.

Wanneer hij een vierpuntige ster gebruikt, dan geeft hij daarmede a.h.w. de samenwerking aan van wat Paulus al noemt: de breedte, de diepte, de hoogte en de lengte. Hij tracht duidelijk te maken dat in het kleine vlak van het menselijk leven kosmische krachten samenkomen; en ‑ dit erkennende ‑ leeft hij dus a.h.w. in een kosmische spreiding, waarbij vele werelden en krachten buiten het menselijke om in zijn eigen wezen kunnen samenkomen.

In de vijfpuntige ster is het lijnenspel al heel wat ingewikkelder geworden. Hier komen wij tot de ontdekking dat de lijn eigenlijk doorloopt.

Zij vormt één geheel. Zoals de mens één geheel kan vormen. En de mens is in zijn eigen wezen gebaseerd op de tegenstellingen in de stof. Hij kent daarbij twee hoofdwaarden. (Dat is dus in strijd met bv. de kabbalistische levensboom.) De eerste noemt hij die van het lichtend besef; de tweede die van het duister besef. Ofwel als u het anders wilt uitdrukken ‑ de mogelijkheid tot erkenning naar buiten toe wat uiting betreft; en innerlijk de erkenning van het “ik”, de esoterische kracht. Dat zijn de twee punten, waarvan men uitgaat en deze beide voeren onmiddellijk naar het Goddelijke.

Maar in het Goddelijke is geen erkenning mogelijk, indien wij ook niet weer de krachten vinden om die te omschrijven. En zo blijken van uit dezelfde dieptepunten een paar lijnen te gaan, die gezamenlijk het vlak van de bewustwording omvatten. Hier is dan een grote lijn tot stand gekomen, die het ik‑bewustzijn aangeeft omdat die de verbindingen aantoont naar de materie toe. En uitgaande van diezelfde punten in het lagere of het materiële, gaan echter ook lijnen naar het hoogste, het Gods-erkennen, dat alles overheerst.

De zespuntige ster, die ‑ al is het niet als draagteken ‑ de laatste tijd ook door onze Orde wordt gehanteerd, geeft de twee werelden aan waarin de mens kan leven. Want uit de eenheid van het bestaan, uit de materie groeit men op een gegeven ogenblik naar het bestaan in besef van de twee gescheiden waarden van het “ik”.

In je eigen wezen bestaat de materie. De materie vraagt haar rechten; en deze materie is dan gebaseerd op de onderste driehoek, die naar boven gaat en ons een uitingsmogelijkheid geeft op materieel vlak. Van bovenaf? Van uit het goddelijk erkennen en bereiken, dalen er twee lijnen naar beneden en geven ons een geestelijke erkenningsmogelijkheid. En nu blijkt vreemd genoeg in deze ster dat het redelijk element hoger staat volgens stoffelijk standpunt dan het geestelijk bewustzijn. Het gebied tussen deze twee bewustzijnslijnen in, vertegenwoordigt voor ons dan het begrip van het Eeuwige plus ons eigen wezen.

Wanneer wij de door lijnen omschreven zeshoek zien, die in het midden van de zespuntige ster ontstaat, dan schrijven wij daarin bij voorkeur Aleph, Aidomea, de grote namen Gods. Want dit is ons leven, dit is onze erkenning en hieruit putten wij onze macht. Die macht wordt dan op verschillende vlakken naar buiten gezonden en dan hebben wij te maken met zes stralen.

Gaan wij nog een stap verder, dan blijkt echter dat wij een zevenpuntige ster krijgen, waarbij ‑ als je het goed bekijkt ‑ vier punten neerwaarts en drie opwaarts zijn gericht. Als u de lijntekening maakt, zult u verder tot de conclusie moeten komen dat vanuit het Goddelijke, de Drie-eenheid op ons inwerkt en dat ons materieel leven wordt bepaald door de vier erkenningsmogelijkheden die in de stof bestaan. De macht die hieruit voortvloeit, kan een zeer grote magische zijn, Want ik kan ‑ krachtens deze voorstelling ‑ werken in tijd, werken in ruimte, werken in de innerlijke mens in de sferen en werken in de uiterlijke wereld; daarbij de krachten gebruikend van alle geestelijke uitingen of van de goddelijke Drie‑Eenheid en mij daarin baserend op elk willekeurig punt van de materiële bewustwording.

In de zevenpuntige Ster schrijf ik dan ook geen Godsnaam meer. God is de cirkel die deze ster omsluit. In het middelpunt schrijf ik over het algemeen een egobegrip, ofwel mijn persoonlijke heerser. Want in dit geval is de erkenning mijn beleven, mijn juiste ervaring en erkenning van het kosmische.

Maar wij gaan verder en dan ontstaat een achtpuntige ster, In de achtpuntige ster is de waarde van de uit het Goddelijke en van de uit het stoffelijke komende krachten gelijk. Er ontstaat een zo groot aantal verbindingsmogelijkheden, dat deze een kosmische overheersing aanduidt, zodat men weleens zegt: De achtpuntige ster is het symbool van de zoon Gods.

Dat is natuurlijk niet juist, want dan gaat men dat “christelijk” beschouwen. Bedoeld wordt echter: Degene, die dit bewustzijn bereikt, zal in de stof, en in de geest juist leven, alle krachten van de stof en van de geest gezamenlijk beheersen en elke willekeurige wisselwerking tussen hen tot stand kunnen brengen.

Ook hieromheen trekken wij altijd weer een cirkel, die in dit geval de grens van ons kunnen betekent n.l.: de gekende kosmos. Want in het onbekende zullen wij nooit kunnen werken.

Een magiër, die deze symbolen gebruikt, doet dit natuurlijk niet alleen maar om een mooie symbolische tekening te maken. Neen, hij gebruikt deze dingen als een diagram, als een soort landkaart of schema voor een machine, die uit gedachten moet worden opgebouwd. Het erkennen nl. van de punten, waaruit ik mijn kracht trok, het erkennen van de punten, waarop ik mijzelf baseer, dus het erkennen van de toestand, waarin ik op het ogenblik leef plus de kracht die in mij werkt, maakt het mij mogelijk om elke kracht in elke willekeurige richting te projecteren.

Zo zal de magiër de vierpuntige ster (een ster die overigens zelden in een cirkel wordt gesloten) alleen gebruiken om bewustwording of erkenningen aan te duiden en te verkrijgen.

De vijfpuntige ster echter wordt voor hem een afweermiddel en een bezweringsmiddel. Hij kan de vijfpuntige ster binden aan elk aspect van het Goddelijke dat voor hem bestaat en daardoor bv. planeetgeesten oproepen en bezweren. Hij kan de krachten van de natuur ermee aanroepen en bezweren. Oproepen, het geven van opdrachten, afweren, alles is hiermee mogelijk.

Maar er zijn altijd nog krachten, die in bewustzijn ver boven het menselijke staan; en alleen met het menselijke begrip kan vatten, kan hij met de vijfpuntige ster hanteren. Daarom grijpt hij naar het grootzegel, het zespuntige zegel. Want hierin wordt het totaal van de kosmos uitgedrukt.

En wie zich daarin bewust is en zijn gedachte op de juiste wijze langs alle lijnen laat gaan, weet hoe gedachte en daad samenvloeien; hij weet hoe de kosmische omschrijving mogelijk is en geeft zo een macht weer, die zowel de hogere krachten van de hemels als de krachten van de demonen (de bewuste geesten van een andere richting van streven dus) kan overheersen.

Grijpt hij naar de zevenpuntige ster, dan weet hij dat hij zichzelf tot middel maakt. Hij is niet meer alleenheerser of degene die oproept, bezweert, afweert of een kracht richt, neen, hij is zelf deel van de kracht. Hij kan deze kracht alleen gebruiken, wanneer hij zichzelf daaraan a.h.w. offert. Vanuit zijn wezen, dat het brandpunt is geworden van alle kosmische werkingen uit het Hogere, maar ook van alle stoffelijke belevingen en erkenningen, die men op aarde het lagere pleegt te noemen, brengt hij deze dingen in zich tot eenheid en schept daaruit een macht die hij kan projecteren.

De achtpuntige ster is iets, dat alleen mogelijk is in een samengaan van offer en Godsaanvaarding. Want hier is men niet alleen zelf offer, maar men offert tevens de wereld. Vandaar dat wij in het gebruik van de magische tekening (bv. op een vloervlak) altijd op die punten zelf lampen zullen zien staan: de lichten en de lichtende krachten die ons beroeren; terwijl op de kruispunten (dus de lijnen van de armen, die elkaar snijden) offergaven worden gesteld. In het midden van de ster stelt onze magiër zichzelf. Want hij offert a.h.w. de gehele wereld. Hij bouwt in zichzelf die wereld op, biedt haar inclusief zichzelf aan de hogere kracht aan, die hij oproept of bezweert en zal door deze aanbieding plus zijn wil alles herscheppen. Hij kan dan een kosmische verandering tot stand brengen, die tijdloos of die in zijn eigen tijd ogenblikkelijk is

Het gebruik van dergelijk symbolen is waarschijnlijk toch wel te danken aan de gedachte, die men eens had, dat de sterren de ogen aan de hemel waren van goden of geesten. Later werden de sterren een vingerwijzing, een schrift dat aan de hemel was gesteld en trachtte men de letters af te lezen die in de sterren waren getekend om zo bv. de toekomst en de juiste wijze van handelen te bepalen. Sterren waren nl. goddelijk. En vooral de planeten, de sterren die een levende flonkering hebben, schijnen vaak te stralen.

Het is logisch dat men dus de ster allereerst heeft ontdekt als een eenvoudig middel om het kosmische, het hogere of de wereld van de goden weer te geven. Maar toen men ging beseffen, hoe deze lijnen soms oneindigheid kunnen weergeven, toen men ging beseffen, hoe een hele filosofie kon worden uitgedrukt in een pentagram, toen ging men in de vorm van de geheiligde ster lijnensystemen ontdekken, die in feite niets anders zijn dan kaarten van sferen en hun onderlinge verhouding. En de mens, die zichzelf daarop afstemt, bereikt dus een harmonie, een kracht, een werking, die zijn gehele omgeving kan beïnvloeden, mits hij zich bewust is (en dat is een belangrijke factor!) van hetgeen hij volvoert en daarbij meester blijft over zichzelf, zich slechts overgevende aan de door hem erkende hoogste en goddelijke Kracht en al de andere invloeden ontkent.

In deze korte omschrijving heb ik getracht u iets bij te brengen over de magie en de daarin gebruikte symbolen, vooral de symbolen in stervorm. Ik zou echter dit ‑ meer in het algemeen ‑ eraan willen toevoegen:

Alle symboliek, die door een magiër wordt gebruikt en een groot gedeelte van de zgn. esoterische symboliek duidt niet op feitelijke omstandigheden, maar wordt alleen gebruikt om hetzij innerlijke relaties en verhoudingen, hetzij buiten het “ik” bestaande krachtsverhoudingen en mogelijkheden weer te geven. Het symbool is een kortschrift van de ziel geworden, een kortschrift van de bewuste geest en daarnaast een landkaart, met behulp waarvan men zijn eigen wegen kan leren gaan.

Banden van de harmonie

Harmonie is eenheid, is samenklank. Harmonie betekent a.h.w. het perfecte, het volmaakte, dat kan worden geschapen, wanneer mensen onderling of mensen en geesten of grote krachten en geesten en mensen samenwerken.

Een harmonie kan alleen bestaan uit een wederkerig begrip en een wederkerige erkenning. Iemand, die door de wereld gaat, zeggende: “ik zal iets groots bereiken”, maar daarbij de noodzaak, de behoeften en de werkelijkheden van een ander verwaarloost, zal nooit werkelijke harmonie kunnen bereiken. Want op dat ogenblik is hij te egocentrisch, is hij te zeer tot zichzelf beperkt. En met deze zelfbeperking kun je misschien sommige krachten wekken, maar je kunt nooit het volmaakte, het grote bereiken.

Het grote en het volmaakte is een harmonische band. En nu moet u proberen u zich die harmonische band eens niet voor te stellen als zijnde alleen een stoffelijke of geestelijke regel of wet. Een harmonische band komt voort uit een eigen instelling.

Wanneer ik leef voor de mensheid, dan zal ik met een deel van die mensheid harmonisch zijn, maar nooit met het geheel. Want een deel van de mensheid is anders dan ik ben, denkt anders en streeft anders.

Er moet tussen mij en de ander een bepaalde harmonie mogelijk zijn door gelijkheid van denken en van streven. Is het noodzakelijk dat ik met iemand harmonisch ben en kan ik dat niet bereiken, dan zal ik mijzelf dienen te veranderen, mijn gewoonten desnoods dienen te wijzigen, totdat die harmonie wel bereikt kan worden. Want eenieder heeft in zijn leven te maken met een aantal mensen, die in zijn bestaan een bijzondere betekenis krijgen.

Dat kunnen dus mensen zijn, die samen huwen, dat kunnen kinderen zijn, dat kunnen vrienden, vriendinnen, familieleden zijn; het kunnen zelfs figuren zijn als predikanten of andere publieke figuren, die voor het “ik” een buitengewone betekenis krijgen.

Nu kan ik daarmee samenwerken. Maar die samenwerking is altijd gebaseerd, niet op het aanvaarden van mijn inzicht en mijn wezen door de ander, maar op mijn begrip voor de verschillen die tussen ons beiden bestaan en op het van mij uit zo goed en zo aanvaardbaar mogelijk overbruggen ervan, wanneer ik de harmonie wil bereiken. Opheffen kan ik de verschillen niet.

Wanneer elke mens iets van zichzelf prijsgeeft en daarvoor iets van een ander accepteert, ontstaat er direct al een veel grotere harmonie dan zonder dat mogelijk is. Wanneer een geest een ogenblik haar eigen wereld wat vergeet en daarvoor zich iets beter weet in te leven in de wereld van de mens, ontstaat er een band, een harmonische band, waardoor iets kan worden bereikt, wat geen van beiden afzonderlijk zou kunnen tot stand brengen.

De grote fout die men maakt is vaak dat men een harmonische band te veel in een bepaalde vorm wil uitdrukken. Soms meent men dat de harmonie alleen kan bestaan, wanneer uw eigen wezen bv. geheel wordt aanvaard. Of dat die harmonie alleen kan voortkomen, wanneer men bepaalde stoffelijke verhoudingen heeft geschapen of bepaalde magische rituelen t.o.v. de geest heeft vervuld. Dat is dwaasheid. De harmonische band ontstaat immers uit mijn aanvaarden van anderen, mijn erkennen van hun noodzaken en behoeften en uit mijzelf daaraan tegemoet te komen.

Wanneer u tracht, harmonisch te zijn met de geest en gelijktijdig disharmonisch wordt t.o.v. uw medemens, dan kan er nimmer sprake zijn van een werkelijk harmonische band, want de helft van hetgeen u zelf bereikt, wordt geëlimineerd door de disharmonie, die u elders schept. Zo gelden o.m. de volgende regels:

Een groot gedeelte van de mensen, waarmee u in contact komt, is aan uw wezen gebonden door vroegere incarnatie, gezamenlijke geestelijke belevingen, hetzij door grote overeenkomst van noodzaak tot beleving en innerlijk bestaan. Er is dus in allen, met wie u samenwerkt, wel degelijk een mogelijkheid om tot harmonie te komen; Maar… ook is ieder daarbij verschillend. Want men heeft ook vroeger t.o.v. elkander een rol gespeeld. De één is heerser geweest en de ander knecht. De één is slaaf geweest en de ander priester. De één is misschien vrouw geweest en de ander man. Die verhoudingen worden ook in het heden uitgedrukt, zelfs wanneer geslachten en rangen geheel door elkaar worden gegooid. Wat eens is gegroeid, blijft bestaan.

 Zolang ik nu uitga van het standpunt dat mijn vrienden in mijn omgeving mij moeten aanvaarden, maar ik niet de moeite neem om hen te begrijpen, is er geen harmonie mogelijk. En omdat ik dus faal in mijn eigen levensbestemming ‑ dat komt er ook bij ‑ zal ik ook met de geest maar zeer beperkt en nimmer tot een duurzaam harmonisch aspect kunnen komen.

Maar wanneer ik nu begrip ga krijgen voor alles wat in mijn medemensen leeft en ik begin daarbij in de eerste plaats bij al diegenen, met wie ik direct in aanraking kom, die in mijn leven een belangrijke rol spelen, dan zal het daar ontstane begrip, de poging om daar een overbrugging, van verschillen te vinden en een eenheid van denken en samenwerking, een gezonde basis zijn. Want er staat dan een zekere vrede, een samenwerking in eenheid, die voor de geest a.h.w. een landingsplatform wordt. En dan kan de geest dus, omdat zoveel verschillende waarden hier tot eenheid zijn gekomen, veel grotere krachten openbaren dan anders. Zij kan véél intenser samenwerken en zal ook gemakkelijker een deel van haar eigen wereld kunnen verlaten en vergeten, zonder daar zelf leed of schade uit te moeten ondergaan.

Zo kunnen dus ook geestelijke banden worden ingeschakeld. En op den duur ontstaat dus een aantal mensen, die in de stof harmonisch zijn, op harmonische wijze verbonden zijn met een aantal geesten, die in hun eigen ‑ vaak ook nog weer verschillende ‑ sferen een harmonische kring vormen, maar die gelijktijdig zich ook weer in die stoffelijke eenheid manifesteren. En dan is er daarmee een krachtverbinding gevormd van buitengewoon groot belang. Want het innerlijk bewustzijn is ‑ gezien de bestaande harmonische band ‑ verbonden met vaak zeer hoge geestelijke krachten. Het “ik” herkent zichzelf gemakkelijker. Het vindt op eenvoudiger wijze zijn verhoudingen. Het zal erkennen wat wel en wat niet belangrijk is. Het zal a.h.w. op zijn intuïtie afgaande vaak een juiste weg kiezen en geen behoefte hebben aan al te ingewikkelde theorieën.

De eenheid met de geest maakt het mogelijk om de krachten uit de hogere geest in de stof te manifesteren en omgekeerd om de problemen en de vragen die in de stof bestaan, via de harmonische band in de stof te projecteren in een zeer hoge wereld.

Op den duur kan zo het Goddelijke zich openbaren. Want er ontstaat a.h.w. een kern van vrede, die ‑ zoals in het middelpunt van een cycloon ‑ windstil is. Er is vrede te midden van de beroering, vrede te midden van de onrust en de disharmonie. En daardoor kan het groot‑Goddelijke Zich openbaren, zoals men ‑ staande te midden van een tornado of een cycloon ‑ de vrije blauwe hemel een ogenblik boven zich kan zien, terwijl rondom alles zwarte bewolking is, duister en zonder zonlicht.

Denk niet, vrienden, dat een harmonische alleen maar moet worden gevonden langs geestelijke weg. Want de geestelijke weg is pas bruikbaar wanneer er een goede materiele basis is. Denk niet dat u zich voor die harmonie in de eerste plaats op de geest moet beroepen. Want de geest kan zich niet op harmonische wijze in en rond u handhaven, tenzij ook de materie daaraan voldoende uiting geeft.

Zoals aan alle hoge en belangrijke stellingen zitten er ook aan deze harmonische band een paar zeer eenvoudige regels vast.

Mens, zorg dat je in de stof niet tekortschiet. En zorg dat je in de stof vooral niet tekortschiet tegenover hen die je naasten zijn.

Gebruik in de eerste plaats je kracht en vermogen om vrede te scheppen. Wees niet egocentrisch. Denk niet alleen vanuit jezelf en aan jezelf. Tracht in de plaats van je zorgen en problemen, de zorgen en problemen van een ander te beleven. Denk niet aan je eigen behoeften en noden, maar beleef die van een ander eens een keer.

Op deze wijze zul je ‑ zuiver materieel ‑ de eerste basis leggen. Een tweede regel, die ook op menig terrein is toe te passen, zegt dan: Leer daarbij je geest goed in te stellen. Houd je nimmer bezig met het duister. Laat je niet bewegen door wraakzucht of door angst. Probeer steeds in alle dingen dat ene goede, dat erin is, nog te zien. En waar je het niet kunt zien, laat het even buiten beschouwing. Denk er niet aan. Zoek het goede, het vreugdige in je hele leven. Doe het eerst materieel, want dan ontstaat die innerlijke kracht, die veerkracht en blijheid, waaruit je de hogere krachten kunt ontvangen. En uit hetgeen je materieel hebt opgebouwd, ontstaat op den duur vanzelf de harmonische band met het hogere.

Wij in de geest kunnen zo harmonisch zijn als we willen, maar wij kunnen u op aarde nimmer een harmonie opleggen. Wij zouden een harmonische band met de wereld wel wensen. Het is echter niet mogelijk, het is niet bereikbaar om de doodeenvoudige reden dat de harmonie op aarde niet mag worden opgelegd aan mensen die een vrije wil hebben, die een zekere keuzemogelijkheid in het leven bezitten. Al onze goedwillendheid moet steeds weer stranden, wanneer wij geen antwoord vinden, wanneer er geen werkelijke harmonie mogelijk is. En die mogen wij niet afdwingen.

Dat geldt zelfs voor het Goddelijke, want alle wetten zijn gelijk. Of u nu bent in de hoogste en meest lichtende sfeer of op uw aarde, de wetten van harmonie zijn precies dezelfde. En zij bestaan steeds uit een aanvaarden en erkennen van anderen met hun problemen. Maar zij eisen ook steeds een wederkerigheid.

Misschien kan ik dit nu besluiten door het volgende eraan toe te voegen:

Harmonie is de grootste macht, die er in de kosmos bestaat. Een zuivere en goede harmonische band betekent de directe openbaring van voor u goddelijke krachten in uw eigen materie. Een zuiver harmonische band betekent bescherming tegen disharmonieën. Zij betekent kracht en sterkte. Zij betekent de mogelijkheid anderen te helpen harmonie te gewinnen, mits zij deze zelf willen aanvaarden.

Het is het meest belangrijke. Want ook de sterren moeten harmonisch zijn. En de geesten in de hoogste sferen kunnen niet, in het lichtende leven, dat haast verblindend witte licht, tenzij zij onderling en met hun God harmonisch zijn. En eenieder moet zijn harmonie baseren op zijn eigen wereld. Niets is belangrijker dan dit.

Een harmonie is vreugdig en vredig tegelijk. Zij is gebaseerd op uw eigen wezen, natuurlijk. Want slechts met datgene wat ge bezit, kunt ge harmonie vinden; niet met hetgeen ge zou willen bezitten. Slechts met datgeen wat ge feitelijk zijt, kunt ge iets bereiken; nimmer met datgene wat ge tegenover anderen voorgeeft te zijn. Maar harmonie kunt ge bereiken.

Er is geen mens zo arm, zo ongelukkig, zo verlaten of zo verward, of ergens is ook voor die mens de mogelijkheid een zekere harmonie met de wereld of met een deel daarvan te bereiken.

Elke harmonie is dan gebonden aan de regel dat men niet harmonisch kan zijn met dat wat veraf ligt, indien niet eerst een harmonie is gevonden met dat wat nabij is.

Wanneer u dus harmonisch kunt zijn met mensen, waarmee u eigenlijk niets te maken hebt en met uw eigen omgeving disharmonisch bent, dan zult u eerst de harmonie in uw eigen omgeving moeten vinden, voordat er een feitelijk harmonische band bestaat.

Harmonie is de belangrijkste kracht van de kosmos. Ze is binnen het bereik van eenieder die daar bewust naar streeft. Zij is niet gebaseerd op zonderlinge gebruiken of gewoonten. Zij is niet gebaseerd op uitzonderingen. Zij is gebaseerd op uw wezen, op uw wereld en het antwoord dat u daar weet te geven op uw medemens in de eerste plaats.

Ik hoop, dat ik met deze korte, verhandeling ook weer een bepaald punt voor sommigen van u heb kunnen verduidelijken.

Kracht (Meditatie)

Kracht is iets dat we alleen in haar uitingen ervaren. De kracht die bestaat zien we eerst dan, wanneer ze ons aangrijpt of in onze omgeving veranderingen brengt.

Wij geloven heel vaak alleen in de krachten, die wij zien en gaan af op uiterlijkheden. Wij binden ons vaak aan zeer intricate systemen om die kracht te ontwikkelen en vergeten daarbij steeds, dat we kracht alleen kunnen bezitten, als we er zelf deel van zijn. Zoals de judoka ‑ door de wijze, waarop hij zelf reageert ‑ een kracht bezit, die hem de meerdere maakt van een ander, die meer lichaamskracht heeft, zo kan degene, die zich geestelijk op de juiste wijze aanpast aan de omstandigheden, een grotere kracht bezitten dan ieder ander.

En alle kracht is tenslotte deel van de Oerkracht, deel van het Goddelijke.

Ik kan nimmer een kracht gebruiken, die niet de mijne is. En ik kan nimmer een kracht gebruiken, die alleen uit mij voortkomt. Want altijd weer ontmoet ik het Goddelijke. Daar is het goed, dat ik leer om in leven en in werken, in streven en in bidden, in mediteren en in beschouwen steeds weer mijn kracht te zoeken in de waarheid, die leeft in mij en rond mij, in de band tussen mij en mijn God. Dat ik mij nimmer laat herleiden om uit te gaan van het standpunt: Ergens is de Grote Kracht. Maar dat ik steeds zeg: In mij is de Grote Kracht. Want in mij leeft God.

De band, die je weet te scheppen tussen jezelf en de werkelijke krachten rond je, de erkenning van eenheid, die ligt in de kracht Gods, zoals ze in jou leeft en jouw leven vormt, is het meesterschap waarmee je alles kunt beheersen.

Wij kunnen natuurlijk niets beheersen tegen de wetten Gods in, dat is duidelijk. Onze kracht reikt niet ver genoeg om sferen open te breken, die ons bewustzijn nog niet kan omvatten. Maar wij bezitten de Oerkracht in onszelf. En als we haar kunnen aanvaarden, dan is de goddelijke Kracht de onze. Want het enige verschil dat er bestaat tussen het Goddelijke met de goddelijke krachtsuiting en onze eigen beperkingen is onze gedachte die in onszelf een tekort schieten veronderstelt.

Wanneer ik, deel van de oneindige zee van kracht, mijzelf bewust ben van de kracht die in mij is en weet “ik ben niet een afzonderlijk deel ervan, op zichzelf staand en gescheiden; maar ik ben bewust deel van een geheel, uiting van een totale oceaan”, dan is er niets dat mij kan weerstaan.

God is in mij en uit God werk ik. De eeuwige Kracht is in mij en vanuit die Kracht volbreng ik.

Er is geen scheiding tussen die krachten buiten mij en in mij. Alles is hetzelfde, zolang ik mij tenminste niet verzet. Want wanneer ik tegen mijn God, tegen mijn Heer, tegen de krachten die op mij inwerken, tegen de bestemmingen van mijn pad, rebelleer, wanneer ik verwerp en zeg “Dat niet”, wanneer ik ontken en zeg, “Dit ‑ uit God voortgekomen ‑ is voor mij niet aanvaardbaar”, dan scheid ik mijzelf af; dan maak ik mijzelf krachteloos. Is immers niet de Grote Kracht, de werkelijke Kracht, gelegen in de band ‑ of, beter gezegd‑ de eenheid tussen ons en God?

Wanneer ik kracht wil, dan zal ik die kracht niet alleen moeten willen, omdat ze in mij zal zijn. Ik zou de kracht als manifestatie zonder meer moeten verlangen, onverschillig door wie en waar en hoe zij zich uit.

Wanneer ik Gods kracht laat werken, dan is het niet belangrijk met welke middelen zij werkt of hoe. Dan is het alleen belangrijk, dat zij is.

En ik ben deel van die Kracht en die Kracht is deel van mij. En dat wat in mij leeft, leeft in die Kracht. En wat in mij naar vervulling hunkert en hongert, dat kan uit die Kracht worden vervuld ‑ tenzij ik mijn eigen beperkingen, mijn eigen wezen, mijn eigen maatregelen eraan opleg.

Overpeinzing (Meditatie)

Wanneer ik alle dingen heb maar de liefde niet, dan ben ik niets. Nu denken de mensen heel vaak, dat die liefde beperkt moet worden gezien. Maar als ik niets liefheb, noch het werk dat mij wordt gegeven, noch zelfs de God, Die ik dien, de mensen rond mij, de wereld, de bloemen, niets van dat alles, dan is het leven niets waar. Eén te zijn met de dingen door ze in jezelf te ervaren, door deel te zijn van een wereld en jezelf daarin ook steeds weer te herkennen, dat is leven.

Nu is er op deze avonden veel gesproken over de stromingen in de kosmos en de geestelijke aanpassing. Maar, lieve vrienden, deze dingen hebben alleen zin, als ons hart ook meespreekt. Wanneer ik alles weet omtrent de Schepper en ik heb de Schepper en de schepping niet lief, dan leef ik in een wereld, die erger en duisterder is dan de meest wrede voorstelling, die een mens zich kan maken van een hel. Doch wanneer ik maar weinig weet omtrent de Schepper, maar ik heb Hem lief, ik voel in de verwantschap a.h.w., ik aanvaard het leven en al wat erbij hoort, dan lééf ik. En dan mag mijn hemel misschien niet zo groot en zo hoog zijn, maar het is een hemel. Een hemel met vreugde, met licht, met geluk, met mogelijkheden om te leren en steeds meer geluk en vreugde en licht te kennen.

Laten we niet in de nuchterheid van het logische of althans logisch opgezette betoog vergeten, hoe belangrijk het is dat wij liefhebben, dat wij deel zijn van het leven. Wij mogen geen eisen stellen, zegt men. Och, laten we dan maar één eis stellen: dat wij ons steeds bewust kunnen zijn van een hogere kracht die met ons is en die wij kunnen aanvaarden.

Er is altijd iets voor ons, waardoor wij verbonden zijn met het leven. Niet als met ketenen, maar omdat wij het liefhebben. Er is altijd iets, wat inhoud geeft aan het bestaan, al zijn wij misschien nog zo eenzaam en verlaten. Mag ik dan van mijn kant deze avond besluiten door u, mijn vrienden, te zeggen: Bedenk wel, dat geen enkele poort der inwijding waarlijk doorschreden kan worden, geen enkele nieuwe wereld betreden, zonder harmonie en eenheid. En weet, dat wat gij noemt harmonie in feite is de liefde, de aanvaarding van het leven en van al, wat daarin is, de aanvaarding van alle kracht en alle, werkelijkheid.

Begin het leven te aanvaarden, het lief te hebben. Want wie waarlijk zijn God liefheeft en omwille van die God al wat hij kent in het leven, die wordt de wijsheid en de lering gegeven. Hem is het mogelijk snel te gaan door de tijden en zelfs door de inwijding.

Begin niet aan het verkeerde eind. Want wie begint met de rede, trapt soms de liefde dood. Maar wie uit de liefde voor al het Zijnde leeft en zo komt tot de rede als uiting van die liefde, die wint vele dingen. En die vindt altijd naast zich Gods kracht, of u die nu noemt hoge geestelijke krachten uit het verleden of Jezus of wat anders. Samen met de kracht die ons helpt, komen we tot een steeds intenser en juister leven, waarbij wij niet vragen voor onszelf, maar in aanvaarding het Al erkennen.

Dat lijkt mij de oplossing voor Aquarius en voor alle tijden. Vrienden, probeer het eens. Begin eens dat, wat je doet in je leven, niet te doen omdat het moet of omdat het hoort, maar uit genegenheid voor het leven. En dan zult u ontdekken, dat alles wat die anderen hebben gezegd eenvoudiger wordt.