God in de daad

uit de cursus ‘Filosofieën over het Goddelijke’ 1955-1956

Heel het leven is goddelijk, want alles is uit God voortgekomen. Voor ons echter is en blijft dit leven onze eigen zijnsvorm. En zelfs als wij de God buiten ons leren zien, is het vaak nog zeer moeilijk ons in elke daad en elke handeling met het Goddelijke te associëren. Toch is voor ons de daad de beste uitdrukking van ons wezen. Zij moet dus ook de beste uitdrukking zijn van het Goddelijke dat in ons is. De daad moet het best geschikt zijn om de harmonie van de eeuwigheid ook in ons wezen tot uitdrukking te brengen. Daarom zullen wij thans trachten God te vinden in de beweging, in het leven, in de handeling. Ik stel een daad. Wat heb ik dan eigenlijk gedaan? Ik heb iets gedacht, bewust of onbewust. Ik heb dat omgezet in handelingen, zo een beeld in mij scheppend en dat buiten mij verwerkelijkt. Ik heb dus een deel van de in mij levende waarden in de buitenwereld tot uiting gebracht; iets wat bijna gelijk komt aan het goddelijk scheppen. Want ook God brengt door de daad uit Zich de schepping voort, ook als de daad wordt aangeduid met “Het Woord”, omdat de trilling van het Goddelijke haast geen andere vergelijking verdraagt.

Elke daad die wordt gesteld is dus bewust of onbewust tevens een deel van de scheppende handeling Gods. Het is niet een willekeurig gebeuren. Het is niet slechts een door ons bestemde handeling, maar zij draagt in verband met de kosmos in zich een geheel aparte en bijzondere betekenis, waardoor zij de goddelijke waarde in ons, in de wereld tot uiting brengt. God spreekt tot God. De daad is de uitdrukking van het geestelijk bewustzijn dat zich in de gevormde schepping openbaart.

God erkent Zichzelf. De kracht in ons (het onbewust‑Goddelijke) realiseert door de daad plotseling een deel van het wezen waarin het zichzelf weerkaatst vindt, in de wereld buiten zich.

Hoe kunnen wij ‑ geest en mens, mens en geest ‑ dan de daad maken tot onze weg, tot onze benadering? De gedachteloze volbrenging van een arbeid, het onverschillig aanvaarden van een taak, de instinctieve handeling zijn zeker niet geschikt om God nader tot ons te brengen. Zij gebeuren zonder een volledige realisatie en zonder een intens beleven. Ook een zelfbevrediging zonder meer, een zichzelf tevreden stellen of voldoen aan eigen begeren zal meestal de aandacht eerder op het “ik” richten dan op kosmische waarden. Met het resultaat dat ook deze daden voor ons niet bruikbaar zijn.

Het best geschikt blijkt de altruïstische daad. Wij zijn niet gericht op onszelf, maar op een deel van de schepping. In deze concentratie brengen we uit ons wezen waarden voort, die in het buiten ons geschapene de volmaaktheid helpen bevorderen. Vandaar de leer der naastenliefde. Het is de eenvoudigste en gemakkelijkst te begrijpen weg.

Maar is daarmee alles gezegd over de daad? Ik meen van niet. Want op het ogenblik dat ik een handeling verricht, onverschillig welke, en deze handeling ‑ zoals men dat noemt ‑ “ter ere Gods” volbreng, ben ik gericht en op de handeling en op God. Ik zal dan heel vaak een leiding ervaren steun en hulp verkrijgen die mij doen denken dat God in mij werkt. Daaruit kunnen we dan de conclusie trekken dat wij op dat ogenblik God nader staan dan anders.

God is er altijd. De goddelijke Kracht is er eveneens altijd. Het enige dat er niet altijd is, is ons bewustzijn ervan. Al wat wij doen ‑ of dit nu in de wereld goed of kwaad heet ‑ al hetgeen wij met volle intentie om hierdoor het Goddelijke te erkennen, handelend tot stand brengen, is voor ons een projectie van ons wezen in de buitenwereld. Maar het is tevens door de leidende kracht en de innerlijke verheffing, die wij daarbij kunnen ondergaan een realisatie van Gods waarden. Een realisatie van Gods waarden betekent voor ons reeds een benaderen van God, een duidelijker ervaren. Je kunt God niet begrijpen. Dit heb ik al zo vaak in deze lezingen moeten zeggen. Het is dan ook het punt waar alles om draait.

Je kunt God niet begrijpen, determineren of verstandelijk verklaren. Je kunt God niet overzien, maar je kunt God ervaren. En dat ervaren is een punt dat het meest belangrijke wordt voor ons, zodra wij eenmaal deze kracht in ons werkzaam hebben gevoeld. Eén keer de eenheid met het Goddelijke, het gedragen worden a.h.w. door bovennatuurlijke machten in jezelf voelen, betekent vanaf dat ogenblik voortdurend weer deze kracht in jezelf terugzoeken. Het betekent altijd weer streven naar deze toestand, omdat daarin de perfecte harmonie van het “ik” een ogenblik tot uiting kwam.

Nu is de daad voor u, mensen op aarde, stoffelijk. Het grootste bewustzijn van het Goddelijke daarentegen is geestelijk. De band tussen stof en geest wordt het sterkst uitgedrukt in de emotie, die het stoffelijk ervaren praktisch onvervormd kan overbrengen aan de geest, terwijl zij omgekeerd de geestelijke invloed, gedachtegang en bewustwording zonder redelijk denkproces onmiddellijk in de stof kan uitdrukken. Is het dan een wonder dat wij bij voorkeur zullen grijpen naar de emotionele daad, indien wij God willen erkennen in de daad?

Ik word door medelijden bewogen. Geheel mijn wezen is in oproer door het leed van een ander, dat ik niet kan overzien of begrijpen, maar dat ik aanvoel. Ik handel. Maar het totaal van mijn stoffelijke indrukken is dan in zo’n ogenblik onmiddellijk opgestegen tot mijn geest, die in haar wereld de daaraan parallel lopende waarden erkent. Stof en geest: één in uitdrukking, één in bewustzijn.

Dan stel ik de daad. Impulsief, zoals men dat noemt, want ik overweeg niet verder; ik handel. In die handeling leg ik mijn hele wezen. Ik heb dan stoffelijk en geestelijk mijn bewustzijn plus mijn streven tot uitdrukking gebracht. Ik heb daarnaast de geest tijdelijk als eenheid met de stof handelend doen optreden. Dan ontbreekt mij nog maar één ding nl. de realisatie, dat ik ‑ zo handelend ‑ niet slechts mijzelf ben, maar tevens het voertuig van de goddelijke Wil.

Een ander voorbeeld: Ik leef. Ik zie dat een ander mens het sterven nabij is. Deze mens vreest de dood. Geheel mijn wezen gaat uit naar deze arme sidderende geest, begrijpt de moeilijkheden van het stoffelijk afscheid en tracht te troosten. Mijn gedachten en ervaringen, mijn emoties vermengen zich met deze mens. En in mij vraag ik God om kracht om deze overgang lichter te maken. Ik vind deze kracht. God is in mij werkzaam. Ik voel deze God. Ik mag niet zeggen dat ik deze God ervaar in de zin van kenbaar ervaren. Ik voel het alleen maar. Iets als een gewijde stilte, een plotselinge bezieling, een kracht die ik anders niet bezit. Dan erken ik op dat ogenblik “God in de daad” zeer duidelijk.

Het geeft niet wat een mens doet. Het maakt niets uit of u nu aan huishoudelijke arbeid of aan een kosmisch wonderwerk bezig bent. Wanneer de mensen dit kunnen doen: zich een instrument weten te zijn van de goddelijke Wil, zich realiserend dat deze handeling noodzakelijk is niet alleen voor het “ik” maar vooral voor anderen, dan erkennen zij God in de daad beter dan zij het anders ooit zouden kunnen doen.

In de loop der tijd heeft de mensheid op vele wijzen God gezocht. In de oude tempels, op zuiver lichamelijke manier. In de eenzaamheid vastend en wachtend. In kerken en kathedralen. Ja, zelfs in laboratoria en fabrieken.

Want altijd weer zijn er mensen die zich bewust worden van deze dragende en leidende kracht in hun leven. Zij leren deze kracht aanvaarden. Zij leren deze kracht deel te maken van hun zijn. En het vreemde is dat deze mensen altijd God hebben gevonden. Zij zoeken niet langer, omdat voor hen God een realiteit is geworden, die zij niet kunnen omschrijven. Maar een werkelijkheid die in hun hele wezen tot uitdrukking komt. Die zij telkenmale weer voelen als de stuwende kracht bij hun daden. Die zij voelen als het licht dat hun gedachten scherp en helder maakt.

Aan de daad, waarin het Goddelijke wordt gevonden, kan eigenlijk geen beperking worden gesteld. Er is niets in uw hele leven, niets van al hetgeen u doet ‑ onverschillig wanneer en hoe en waarom ‑ dat niet onmiddellijk voor u een uiting kan worden van God. Maar dan moet u in al die dingen ook God zoeken en niet uzelf.

Vele oude wijsgeren, profeten en leraren trokken zich terug in de woestijn, aan de rand van een krater of diep in het woud. Ook nu kennen primitieve volkeren deze gebruiken nog. De jonge negers worden ingewijd, terwijl zij eenzaam in het woud vertoeven, onbeschut en onbeschermd. De Indianen, die vroeger Noord‑Amerika bevolkten, kenden dit gebruik ook. Zes weken (let wel, dat zijn 42 dagen) bevonden zij zich in het woud, waar zij de laatste week vastend besteedden om zo hun totem te vinden; hun eigen beeld van goddelijke kracht.

Ook hier weer: het bewust stellen van een daad. De afzondering van 40 dagen is niet slechts een negatief iets; een niet eten en niet drinken. Het is wel degelijk een daad. Het is een voortdurende zelfoverwinning. Ook daar heeft men God gevonden.

Naarmate de wereld verder is gegaan, heeft men God gezocht in de gezangen van een kerk, het dreunende orgel, de licht verdovende reuk van wierook. Men heeft Hem gezocht in de massale suggestie die door een eenheid van gedachten werd geschapen. En ook daar wordt God gevonden in een nieuwe extase.

Er zijn mensen geweest die wapens maakten, omdat ‑ vreemde dwaasheid van het menselijk denken ‑ zij hiermee Gods recht op aarde wilden doen zegevieren.

Er zijn mensen, die zichzelf en hun gezondheid offeren om de mensheid te kunnen helpen. Zij voelen zich door God gezondenen. En in het voortdurend handelen om Gods volmaaktheid op aarde te uiten vinden zij de kracht tot prestaties, die geen enkele andere mens kan volbrengen. 0 zeker, ook in Lambarene. Ook daar heeft een mens God gevonden in de daad, in het werk. Er worden spijkers geslagen in het hout omwille van God. En Gods volmaaktheid openbaart zich door de mens aan de mens, aan de wereld en aan Zichzelf.

Ik geloof niet dat er een daad bestaat, die ons God niet kan doen vinden. De enige belemmering om dit te bereiken zijn wijzelf, want we zijn zo vaak geneigd om alleen maar van ons standpunt uit, alleen maar voor of tenminste mede onszelf iets te volbrengen.

Wij kunnen onszelf zo moeilijk verliezen in het grote geheel der schepping. En als wij steeds meer bij onze daden de intentie van het goddelijk werk vervolmaken, a.h.w. inleggen, zullen wij ook steeds meer de Kracht in ons gevoelen en steeds meer tot stand brengen. Dan zal elke handeling, elk resultaat van onze daden voor ons een sprekende stem zijn geworden, die onmiddellijk het Goddelijke tot uiting brengt. Maar al hetgeen, waarin men God kan vinden, is tevens een weg naar de duivel, naar de voorstelling die uitdrukking geeft aan alle samengekoppeld kwaad, aan alle ontkenning van het Goddelijke, aan alle verwerping van de eenheid van het Al en alle zoeken naar de zuiver persoonlijke uitdrukking met negatie van het ware bestaan.

Ik sprak over wapenfabrieken, waarin de mens tot God kan komen, waarbij de daad hem een bewustwording en een kracht wordt. In diezelfde fabrieken werken ook mensen om gewin. Het werk wordt hen bitter als gal. Zij leren de wereld haten. En de vernietiging door de wapenen die zij scheppen tot stand gebracht, is tenslotte hun werkelijk loon. Want hierin alleen vinden zij vrede en vreugde: de vernedering van anderen en de verheffing van henzelf. Er zijn mensen die in laboratoria vorsen om zich een naam en aanzien te verschaffen, om hun ijdelheid te bevredigen, om invloed te krijgen of groot gewin. Het zijn deze mensen die, wetenschap zowel als bewustzijn prostituerend, de vernietiging van de wereld voorbereiden en met een ware hunkerende vreugde reeds uitzien naar de volgende gelegenheid dat een groter wapen grotere schade zal kunnen aanrichten.

Alle dingen hebben twee zijden. Ook het zoeken naar God in het Al. Je kunt niet en God en jezelf zoeken in de daad. Dat gaat niet. Op het ogenblik dat je je voelt als voertuig van het Goddelijke, de directe uitdrukking van de goddelijke Wil, kun je alles doen en God zal altijd met je zijn. Op het ogenblik echter dat je jezelf zoekt, geheel en al, zal dit misschien demonisch zijn, maar het zal je toch nog een zekere bevrediging geven. Als je echter God en jezelf tracht te dienen, daarbij aan de ene kant je zelfzuchtige belangen in het oog houdend, aan de andere kant trachtend om God toch ook nog het Zijne te geven, dan kom je in tweestrijd en ga je daar aan ten onder. God vinden is eenvoudig, omdat het eigenlijk zo weinig vraagt. God vinden is moeilijk, omdat wij van het weinige dat hiervoor wordt gevraagd geen afstand willen doen. Afstand van jezelf, afstand van je eigenbelang en daarvoor de volheid van het Goddelijke accepteren.

God in de daad. Wat klinkt dat eigenlijk fantastisch. Het eeuwig zijnde in de vluchtige handeling. Het alomvattende teruggebracht tot een paar bewegingen. En toch is het waar. Wat wij al te vaak vergeten, is dat God niet slechts buiten ons maar ook in ons bestaat. Dat er niets is – geen stofje en geen atoom, geen plaats kleiner dan een speldeknop waar God niet is en wat in de kern van zijn bestaan niet onmiddellijk goddelijke uiting is; dus deel van God. Daarom kan de daad ‑ klein en vluchtig als ze is ‑ voor ons, kleine en vluchtige wezens, de bevestiging betekenen van de eeuwige Kracht. Daarom kan dit voor ons zijn het meest belangrijke, het meest onontbeerlijke dat er in sfeer of in aards bestaan te vinden is.

Men heeft mij eens gezegd dat het vinden van God eigenlijk een fictie is. Men toonde mij hoe alle mensen zijn opgebouwd uit drijfveren en complexen. Men toonde mij hoe alle geest door dit stoffelijke bewustzijn nog steeds wordt gericht en gestimuleerd. Men toonde mij de ledige ruimte en de duisternis die heerst waar de sterren hun baan niet meer trekken. Toen heeft men mij gezegd: “Ziet, al deze dingen zijn, maar de God kun je daarin niet vinden.”

Ik heb getwijfeld. Ik heb mij afgevraagd: Is dit redelijk? Mijn verstand zei “Ja”. Mijn hele wezen zei “Neen”. En toen stelde ik één daad die mij tot God heeft gebracht. Ik zei tot mijzelf: God of geen God, ik wil het licht in de duisternis zijn. Ik wil de kracht zijn van het leven van hen, die zelf niet verder kunnen gaan. Ik wil niet aarzelen om mijzelf op te offeren voor een ander. Want dan, meen ik, zal mijn leven doel hebben, zelfs als de ruimte ledig is.

De ruimte vulde zich niet plotseling met licht of sterren. Ze bleef zwart, ledig. Er is geen enkele lichtstip van haar vastgestelde baan afgeweken. En geen enkele mens had plotseling andere drijfveren. Geen enkele geest vond plotseling een nieuw bewustzijn. Toch was het mij of geheel de wereld veranderde. Ik voelde mij getrokken tot een handeling, een daad. Ik ben teruggegaan, geest als ik was, naar mijn sfeer. Ik heb geworsteld met het duister. Ik heb getracht anderen het licht te geven. Toen werd het licht in mijzelf. En daardoor weet ik dat God bestaat. Die weg is lang en soms zeer moeilijk. Maar er is een ogenblik gekomen dat ik het licht Gods mocht brengen aan anderen. Anderen in de sferen zowel als op deze wereld. Ik heb mij een naam gekozen toen ik deze cursus begon. Ik heb toen gezegd: Noem mij Theodotus. Niet ik schenk u wijsheid, gedachten of woorden. Niet ik kan u kracht geven. Dat kan alleen God.

Op het ogenblik ben ik de daad, meer niet. De Goddelijke Daad, gedragen door mijn wezen voor een kort ogenblik, uitgevoerd zo goed als mijn bewustzijn dit tot stand kan brengen. Deel van de eeuwige schepping. Deel ook van de eeuwige Schepper. Ja, ik ben een geschenk Gods, ook voor mijzelf. Het licht dat in mij leeft, kan ik niet het mijne noemen. Toch is het voortdurend met mij; is het mijn kracht en mijn vreugde. U zult u afvragen of deze woorden thuishoren in een filosofisch betoog. Ik meen dat ik mij dit voor een enkele keer kan en mag permitteren. Er zijn vele wegen tot God, dat weten wij allen. Maar ik heb mijn God gevonden in de daad. Op de avond dat ik dit onderwerp met u bespreek, wil ik dan ook deze persoonlijke belijdenis voegen bij de woorden die ik u zeg.

Als de handeling is gebaseerd op de goddelijke Kracht, als heel het wezen tracht de volmaaktheid van de Schepper door eigen daad en han­deling tot uiting te brengen, dan komt het verblindende moment dat Kracht ‑ niet van jezelf ‑ en Licht, waarvan je niet wist waar het was, uit je stromen en de God in je, volmaakt één wil worden met de wereld buiten je. Dat is de grootste erkenning die een mens of een geest kan ondervinden. Dan is het niet meer nodig te filosoferen over het Godde­lijke en of God nu wel of niet bestaat. Dan vraag je niet meer naar ver­schillen tussen goed en kwaad, tussen licht en duister. Dan vraag je helemaal niet meer. Dan redeneer je niet meer. Dan aanvaard je. Maar de weg tot die aanvaarding is ‑ zoals reeds gezegd ‑ lang. Hij begint als wij God buiten ons zien, als wij God vinden in de wereld rond ons en steeds weer elk deel der schepping van elke wereld en van elke sfeer zien als een facet van Zijn groots en onsterfelijk Wezen, als wij elke gebeurtenis ‑ hetzij vreugde of verschrikking ‑ zien als een vliedende gedachte Gods. Dan leren wij aanvaarden. En in die aanvaarding zullen wij metterdaad moeten bewijzen dat wij God beschouwen als ons ware leven, onze enige kracht, onze enige steun. Hebben wij dat volbracht, dan leren wij de God in ons kennen. Over die God in ons hoop ik een volgende maal enkele woorden tot u te kunnen spreken.

 

  • In de Menselijke Psyche staat: Het stoffelijk karakter kan voor de geest absoluut onaanvaardbaar zijn of omgekeerd. Is het dan niet zo, dat het gelijke het gelijke aantrekt?

Het gelijke trekt het gelijke aan. Bij incarnatie is de geestelijke uitstraling bepalend en niet de stoffelijke eigenschappen, waaruit ze voortkwam. Dit betekent dus dat de gedachtesfeer wordt gekozen en niet de stoffelijke capaciteiten. De erfelijke eigenschappen die het karakter voor een groot gedeelte bepalen, vloeien voort uit erfelijke toestanden die vaak niet in de ouders aanwezig zijn, daar sommige eigenschappen soms verscheidene geslachten kunnen overslaan. Zo kan men geboren worden in een lichaam dat juist door de keuze van deze ouders plus de tijd van paring gekomen is aan een aantal ei­genschappen die een terugval betekenen naar een geslacht in het ver­re verleden met alle nadelige capaciteiten en kwaliteiten daarvan. De geest die de uiting van de ouders heeft gezocht en niet de eigenschappen van het karakter van dit lichaam waarin zij nu leeft en woont, zal vaak deze eigenschappen verwerpen. Zij heeft echter dit le­ven aanvaard en moet dus verder gaan. Indien de geest domineert, zal zij de karaktereigenschappen van het lichaam bestrijden. Stellen wij echter dat de geest zwak is en haar richting niet ge­heel kent en als een zekerheid in zich draagt, dan zal het lichaam vaak proberen de impulsen van geest zo te beteugelen dat het geeste­lijk streven in overeenstemming is met de lichamelijke karaktereigenschap­pen. Beide strijdvormen zijn het resultaat van een streven dat in stof en geest gelijktijdig heerst: nl. het zoeken naar volledige en volmaak­te innerlijke harmonie.

  • Is het altijd noodzakelijk om weer te incarneren?

Het is niet altijd noodzakelijk. De noodzaak tot reïncarnatie be­staat alleen dan, indien men niet uit de eenmaal bereikte geestelijke sfeer tot een verdere ontwikkeling en bewustwording kan komen. U kunt in een bepaalde sfeer zeer lang vertoeven en zeer lang geluk­kig zijn. Maar dan komt er toch het ogenblik dat die sfeer niets nieuws meer heeft te bieden. Er treedt dan een soort verveling op. De sfeer verliest haar kleur, ze wordt doods. Dan moet je of naar een nieuw geestelijk gebied gaan dat hoger ligt (wat beneden u ligt is voor u duister en dus nog somberder), dan wel, je moet op een andere wijze trach­ten voldoende bewustzijn te verwerven om althans een volgende maal een geestelijk hoger gelegen sfeer te kunnen betreden. In een dergelijk ge­val zult u incarneren. Kunt u zonder dit tot‑de‑stof‑terugkeren onmid­dellijk hoger stijgen, doordat uw begripsvermogen groot genoeg is om de lering uit zo’n sfeer te aanvaarden, dan zult u zeker niet op aarde terugkeren, daar dit voor de doorsnee‑geest niet zo aantrekkelijk is.

  • Kunt u ons een definitie of omschrijving geven van het begrip “Drie‑eenheid?

Drie‑eenheid is een begrip dat alle dingen dekt.

Drie‑eenheid is de goddelijke Kracht plus de twee tegendelen, waarin zij zich aan ons openbaart. Bijvoorbeeld:

Vader: levensbeginsel of levende Kracht.

Zoon: bewustzijn uit de levende Kracht voortgekomen, geuit in vorm.

Geest: bewustzijn uit de Kracht voortgekomen, levend uit de Kracht en in zich vormloos.

Hier heeft u gelijk de tegenstelling, waarover ik sprak. Want de grote tegenstelling die wij in het Al kennen tussen de uitingen van het Goddelijke, is het vorm bezittende en het vormloze. Wij kunnen dus zeggen: Het leven zich uitend in vorm en vormloosheid. Vormloosheid kent in zich begrippen, die vorm begrijpen, omschrijven en bevatten, zonder dat ze op zichzelf vormgevend of vormbepalend zijn voor het we­zen van het ongevormde. Dit is nog een vrij eenvoudige definitie. De meer ingewikkelde maar tevens de meest juiste definitie is deze: De Drie‑eenheid bestaat uit drie krachten, die in zichzelf gelijk zijn, waarbij deze kracht, zichzelf tot bron zijnde, zich uit in gestorte en begrensde kracht. De gestorte kracht baart uit kracht krachtbehouden vormen, die in zich langere tijd de kracht op dezelfde wijze gestabiliseerd kunnen uiten. Terwijl de begrensde kracht in zich een voortdurende eigen krachtwerveling veroorzaakt, waardoor zij uitdrukking geeft aan het eigen “ik” binnen het totaal van de veroorzaker en de in zich zijnde kracht.

  • Ik zou graag willen weten wat eigenlijk mediteren is.

Mediteren wil zeggen: zich afsluiten van de wereld en een be­paalde gedachtegang tot het einde toe volgen, zo mogelijk met een kosmische ontwikkeling van deze gedachte. Daarnaast staat het contempleren. Dat bestaat uit het beschou­wen van één onderwerp, waarvan men zich niet laat afbrengen. Dit in tegenstelling tot de meditatie, die van oorzaak tot gevolg, van toe­stand tot toestand, van realisatie tot realisatie verder gaat. De contemplatie beperkt zich tot één onderwerp, één beschouwing, maar tracht de volledige volheid van dit ene op zich te laten inwerken en zo in dit ene ook weer te komen tot een aanvaarding van het geheel, van het Goddelijke.

  • Hoe kunnen we ons bij het mediteren leegmaken?

Leegmaken is zo’n speciale uitdrukking. Laten we het heel een­voudig zeggen: Een mens, die in het leven staat, heeft een onnoemelijke bagage aan gedachten. Die lopen van de prijzen van kleding en levensmiddelen tot een bericht in de krant en het dagelijks verkeer. Het gaat van klei­ne huishoudelijke zorgjes tot religieuze en politieke bemoeiingen toe. Dat is allemaal bagage. Als u die nu eens kunt neerzetten, dan blijft u zelf over. En dan heeft u zich eigenlijk al leeg gemaakt; d.w.z. u ontdaan van de waarden die niet bij u horen. Nu blijven er gedachten over. Dan gaat men proberen die paar ge­dachten te beperken tot één hoofdpunt. En dat is natuurlijk het punt dat wij ook als uitgangspunt voor onze meditatie nemen. Als nu ons denken begint, zijn we steeds weer geneigd teug te gaan tot uiterlijke dingen: de bagage, die we hebben neergezet. Maar dat moe­ten we voorkomen. Wij moeten dus met deze ene gedachte bezig blijven, zonder onmiddellijk een relatie te zoeken tussen het onderwerp van onze meditatie, onszelf en de wereld. Daartussen moet geen relatie worden gezocht. Wij mediteren en gaan een waarde in ons wezen na tot in haar kosmische voltooiing, indien ons dat mogelijk is. Het is echter niet gemakkelijk. Het vraagt enige oefening.

  • Wat is het verschil tussen impuls, intuïtie en inspiratie. Hoe kunnen wij die van elkaar onderscheiden?

De impuls is de onbegrepen drijfveer. De intuïtie is het aanvoelen van waarden (niet het begrijpen, het is niet verstandelijk), waarop het gehele wezen met zijn volledige instelling een bepaalde reactie eist. De inspiratie is het erkennen van hogere wijsheid die tot u komt en het tot uiting brengen daarvan in de daad. Het is gemakkelijk genoeg te herkennen voor degenen, die werkelijk trach­ten deze dingen na te gaan. De impuls is de handeling die u volbrengt, zonder u verder af te vragen: Wat zijn de consequenties?

De intuïtieve handeling is altijd een uitdrukking van uw wezen, Ze blijkt ‑ ook waar ze niet geheel redelijk werd beredeneerd – bij nadere beschouwing in directe samenhang met uw wezen te bestaan. De inspiratie is eigenlijk het mede‑denken op een vlak dat ver boven het uwe ligt, waardoor elke handeling, elke daad, inspiratief gedaan, betekent: een verhoogd bewustzijn uitdrukken op deze wereld.

Men verwart inspiratie wel eens met het inspiratief spreken, waarmee iets wordt bedoeld dat verder gaat dan de normale inspiratie. Dit gebeurt nl. in een zodanige overgave dat het eigen “ik” de erkenningen uit hogere sfeer begeleidt, zonder ze zelf te uiten, te regelen of te beheersen. Bij inspiratief spreken hebben we dus te maken met een uiting, die vaak op een niveau ligt ver boven dat van de persoon zelf, terwijl die persoon dit wel waarneemt, maar niet ingrijpt.