Sterven

uit de cursus ‘Geestelijke ontwikkeling’ 1956

Er staat geschreven: Wanneer de mens geboren wordt, zet hij zijn eerste schrede op het pad naar de dood. En dit is in feite waar. Op het ogenblik dat de mens geboren wordt op aarde, begint hij tevens de beëindiging van zijn leven tegemoet te zien. Aan het proces sterven zelf zijn vele bijzonderheden verbonden, die ik zal trachten zoveel mogelijk afzonderlijk nog toe te lichten. In de eerste plaats echter zou ik graag willen wijzen op de betekenis die de dood heeft in het menselijk leven.

Elke mens voelt in zich een behoefte voort te bestaan. Zijn geloof, zijn streven, zijn denken kunnen niet een eindigheid aanvaarden, Deze eindigheid bestaat echter ‑ althans voor onze persoonlijkheid ‑ op stoffelijk terrein wel degelijk. Zo is een van de grote angsten die de mens jaagt, de angst om te sterven. Gelukkig degene die deze kan overwinnen. Want waar het gehele leven gebaseerd wordt op een steeds krampachtiger ontwijken van de dood, zal het sterven zelf hiervan zware invloeden ondergaan.

Het is niet gemakkelijk om het leven achter te laten. Er zijn zovele banden, die u juist in het stoffelijke binden. Er zijn zoveel verplichtingen die u nog heeft. Er zijn nog zoveel dingen te genieten, al is het alleen maar de zon die schijnt. Het resultaat is dat de doorsneemens niets zozeer vreest als de gedachte te sterven.

Dat dit sterven gepaard gaat met een herleven in een andere wereld, neemt hij graag aan. Het is voor hem een soort zekerheid dat het leven niet afgelopen is. Desondanks wil hij dit leven niet beëindigen voor het komende leven. De gehele psychologische instelling van de mens is dan ook een voortdurend ontvluchten van het bewustzijn “dood”. Dit bewustzijn kan zo ver doorgaan dat kort voor het sterven de mens met alle kracht van zijn denken en willen de dood nog tracht af te wenden.

Een doodsaanvaarding zonder meer, zoals die in sommige landen voorkomt, is echter evenmin aanvaardbaar. Aanvaarden dat je sterven moet, is goed. Maar het sterven aanvaarden als een bevrijding is niet goed wanneer je nog leven moet. Het stoffelijk leven is een voorbereiding op het sterven. Het sterven zelf is de geboorte in een nieuwe wereld. Wie zich dit realiseert, zal zeker de wereld niet voortijdig willen verlaten. Want de voorbereidingen voor een goede dood zijn: intens leven, intens zoeken. Niet alleen naar de waarden die op dit ogenblik aanvaardbaar zijn, maar ook naar de waarden in het leven die ‑ ondanks het wegvallen van materie als onmiddellijk voertuig – bruikbaar zullen blijven om het eigen leven voort te zetten in nieuwe vorm en andere omstandigheden.

Wanneer de dood zich gaat aankondigen, zijn de eerste verschijnselen: ziekte of de voortijdige dood van delen van het lichaam. In tegenstelling tot wat men veelal denkt, is sterven niet een plotseling proces. Het wordt niet bepaald door het stilstaan van het hart, ook al wordt wettelijk dit moment als het ogenblik van dood, van sterven, aangenomen. Het lichaam sterft langzaam. Het is geen pijnlijk proces. Het pijnlijke van het sterven is gelegen in de geestelijke aanvaarding daarvan. De geestelijke afweer vooral. Afweer tegen het onbekende dat men vreest.

Lichamelijk gezien zouden wij kunnen zeggen dat de dood begint met een verval van de omzettingsprocessen in het lichaam. Eerst weigert het lichaam verder voedingsstoffen op de juiste en gebruikelijke wijze om te zetten. Zelfs wanneer een gewelddadige dood plaats vindt, treedt deze conditie eerst in, voordat de feitelijke dood plaats vindt. Het kan zeer kort zijn, maar wanneer het hart stilstaat, dan is levensmogelijkheid nog aanwezig.

De stofwisseling, de spijsverteringsorganen, zijn de eerste, die hun normale functie staken. Daarna komen de hersenen aan de beurt. De hersenen die een langzaam verval vertonen waarbij de associatieprocessen die het lichaam tot nog toe hebben geleid en gevoerd, die een stoffelijk denken mogelijk hebben gemaakt, langzaam maar zeker worden verbroken. Na de hersenen komen de organen in het onderlichaam aan de beurt, die ook langzaam maar zeker beginnen te vervallen. Eerst dan de longen, het hart, daarna de verdere weefsels. Het zenuwstelsel blijft veelal langer intact dan de gevoeliger organen. Is eenmaal een absolute ontbinding bereikt van het denkvermogen, dan wordt ook geestelijk gezien van dood gesproken. Want waar geen stoffelijke beheersing of levensmogelijkheid meer aanwezig is, zal gelijktijdig een directe scheiding plaats vinden tussen die delen die voortbestaan en het achterblijvende lichaam.

Naarmate men zich meer verzet tegen dit proces, worden de gevolgen van de omschreven fasen erger. Iemand die de dood aanvaardt, die het sterven dus niet als iets ergs maar als iets onvermijdelijks ‑ misschien zelfs als een prettige oplossing ‑ beschouwt, zal overgaan in een soort van slaap. Meer en meer verzinkt de buitenwereld, minder en minder kunnen indrukken uit die buitenwereld nog tot hem doorklinken. Elk contact met de buitenwereld vraagt een bijzondere wilsinspanning en een bijzondere kracht. Er treedt wel een soort kilte op in het lichaam, maar deze is aanvaardbaar, ja, wordt op de duur een aangename koelte. Een koelte, die een onmiddellijke tegenstelling, een soort helende kracht vormt t.o.v. het innerlijk vuur, dat ‑ naarmate de dood naderbij komt sterker begint op te laaien in bepaalde delen van het zenuwstelsel o.a. de ruggengraat.

Begrijpelijkerwijze zal iemand die zo sterft, gelukkig sterven en in het sterven een reeks geestelijke mogelijkheden verwerven, die voor anderen vaak nog lange tijd vragen. Degene die zich tegen de dood verzet, zal zich bewust worden niet van het langzaam insluimeren, maar van een weigering van het lichaam om aan zijn wensen en verlangens tegemoet te komen. Allereerst: kilte. Een kilte die overgaat in een verstenende kou. Wordt deze kou aanvaard, dan zal ze zich op het bewustzijn niet sterk afdrukken. Wordt zij echter bestreden, dan wordt zij op zichzelf tot een soort pijn, waaruit een steeds grotere nood ontstaat. Op de duur kunnen daaruit panische gedachten voortkomen met als resultaat een verlies van realiteit, overgaande in een fel verzet dat gericht kan zijn tegen God en alle krachten die men in geest en stof meent te erkennen. Een dergelijke dood kan soms in de laatste ogenblikken lijken op een waanzin die in zichzelf de laatste levenskrachten verteert.

Deze stoffelijke processen op zichzelf zijn van weinig belang. Tenminste voor degenen die in de geest leven. Want in dit stoffelijk proces zullen wij het sterven slechts zien als een vervallen van een voertuig dat niet meer bruikbaar was, dan wel om andere redenen verlaten moest worden. Kan de menselijke geest en het menselijk bewustzijn een dergelijke instelling bereiken, dan zal ook voor de mens het lichaam onbelangrijk worden.

Geestelijk gezien spelen zich natuurlijk ook zekere processen af, die ‑ waar zij vooral op bewustzijnswaarden berusten ‑ een buitengewoon interessant beeld geven. In de eerste plaats: een dood, waartegen verzet bestaat.

Een verzet betekent een inspanning van alle geestelijke krachten. Ik noemde u zo-even reeds een panisch denken, waarbij de chaotische gang van gedachten uiterste wilspogingen tot stand brengen om voort te bestaan en de kentekenen van de naderende dood eenvoudig te verdrijven. Ook wanneer het lichaam bewusteloos ‑ dus niet meer in contact met de buitenwereld – zijn verzet heeft gestaakt, kan de geest dit voortzetten. Naarmate de reactie van het lichaam of de wil van de geest minder wordt, wordt dan de verstoordheid, ja, soms de angstige woede van de geest, groter. Het resultaat is dat zij zich uitput in een nutteloos verbruik van al haar krachten en vermogens op dit lichaam. Zij is dan absoluut ledig, terneergeslagen op het ogenblik dat de dood onvermijdelijk blijkt. Zij komt zo niet tot een afstand doen van het lichaam. En toch is dit afstand doen een zeer belangrijk iets. Want naarmate men minder geneigd is afstand te doen, zal men langer met het lichaam verenigd blijven en zo gebonden zijn aan stoffelijke waarden, die ‑ ofschoon voor het ik niet reëel ‑ toch als een realiteit aan den lijve worden ervaren. Dergelijke geesten kunnen zo lang blijven kleven aan de stof, dat zij als een soort geestelijk geraamte, een schijnbeeld, door het astrale gebied wandelen, voortdurend nog trachtend op aarde invloed uit te oefenen en zuiver stoffelijk zich kenbaar te maken

Een dergelijk proces maakt het verder mogelijk, dat krachten uit het duister een beroep doen op deze geest, om haar slechtste eigenschappen uit te leven. Waar nu juist de slechtere kwaliteiten van het geestelijk bewustzijn gemakkelijk weerklank vinden op aarde, zal een dergelijke geest een lange tijd gebonden kunnen blijven aan stoffelijke waarden, maar gelijktijdig in de stof steeds sterker demonische krachten wekken, die zij juist daardoor ‑ ook in zichzelf – voortdurend versterkt. Voor haar is het resultaat dan ondergang in het duister, waarin zij ‑ haar invloed ook in de stoffelijke wereld verliezende ‑ uiteindelijk gevangen blijkt te zijn in waanvoorstellingen die een voortdurende kwelling kunnen betekenen.

De geest, die dit proces niet zo lang volhoudt, zal in haar uitputting voor een moeilijke keus komen te staan. Want op het ogenblik dat zij het lichaam prijsgeeft en voor het eerst van haar nieuwe mogelijkheden ge­bruik maakt door rond zich te zien, door dus waar te nemen wat in haar omgeving is, zal zij komen tot de ontdekking van meerdere krachten, die haar evenzeer trachten te benaderen. Sommige van deze krachten stammen uit het duister. De krachten nl. die het diepst in het duister geban­nen zijn, kunnen niet zonder meer altijd de stoffelijke wereld bereiken. Maar wel kunnen zij een geest gebruiken, die pas is overgegaan, als een soort voertuig, om zo ‑ dicht bij de aarde zijnde ‑ toch hernieuwd contact daarmee op te nemen en op deze wijze een ogenblik aan hun eigen waan en waanzin te ontsnappen.

Aan de andere kant bestaan er de geesten die wij lichtere krachten noemen. Ik zeg: “lichtere krachten” noemen. Want licht is een symbool voor een toestand van deze geest, waarbij eerder over een innerlijke verlichtheid dan over een lichtend zijn gesproken mag worden. Over het algemeen zullen alle geesten, dus duister, chaotisch en licht, bewust zich in ongeveer dezelfde vorm voordoen. Zij moeten nl. allen een vorm‑projectie kiezen, die aangepast is aan de wereld, waaruit de overgegane geest zojuist zich heeft bevrijd. De keuze wordt zoveel te moeilijker, waar de verlichte geest niet in staat is om aardse genietingen te beleven. Zij kan slechts rust, vrede en op de duur geluk beloven. De geest uit het duister daarentegen belooft een mogelijkheid om zelfs nu nog te voldoen aan stoffelijke lusten. Kiest de geest hier ten goede, dan zal zij een rustperiode ondergaan, waarbij het eigen leven opnieuw wordt doorgemaakt.

Geheel anders is het voor de geest, die volkomen gerust en zich niet in krachten uitputtende overgaat. In de eerste plaats is zij in het volle bezit van al haar vermogens, wat in het vorige geval niet gezegd zou kunnen worden. Hierdoor kan zij scherper en duidelijker de kern onderscheiden van degenen die rond haar zijn. In de tweede plaats is zij door de krachten die zij bezit, in staat zich te onttrekken aan te demonische invloeden of schrikbeelden, die haar zouden benauwen. Waar zij door haar eigen kracht zich hiervan kan verwijderen, zal ook hier nooit een paniek ontstaan zoals in het andere geval mogelijk blijkt. Bij een keuze van het licht en het goede zal deze geest verder in staat zijn bewust door te maken, wat de andere geest een lange tijd eerst onbewust moet ondergaan, tot zij haar eigen krachten heeft herwonnen. Zo is het proces van sterven voor de geest, die de dood in de stof kon aanvaarden, niet slechts aannemelijker en minder smartelijk, maar bovendien ook een vrijer en een geestelijk aangenamer gebeuren. Echter zult u zich realiseren dat bij dood en overgang meer te pas komt dan alleen het hiervoor genoemde.

Geestelijk gezien is elke wisseling van sfeer, dood of sterven. Het is een verbleken van de ene wereld en een opleven van de andere. Dit te omschrijven is betrekkelijk moeilijk. Wanneer ik echter teruggrijp naar het stoffelijk stervensproces, zult u misschien begrijpen, wat ik bedoel. wanneer ik zeg dat een wisselen van sferen een soort sterven is.

Wanneer alle invloeden die het lichaam ondergaat, uitgeschakeld worden, zodat het niet meer reageert op de wereld buiten het ik, blijft dat lichaam nog in staat om ‑ gedreven door de wilskracht van de geest – een ogenblik in die wereld terug te keren. De geest die overgaat naar een andere sfeer, ziet rond zich alles verbleken.

Haar waarneming wordt beperkt tot het ‘ik’. Echter kan zij door uiterste krachtsinspanningen ook dan nog contact opnemen met degenen die in haar sfeer verkeren. Gaat zij echter dood, d.w.z. verliest zij de beheersing over haar voertuig van die sfeer, dan rust zij.

Dit proces van rusten zien wij weer voorkomen bij de geest die de stof verlaat. Zij kan dit bewust of minder bewust doormaken. Maar haar activiteit valt tot praktisch nul terug. Een eigen activiteit blijft altijd in dergelijke gevallen ten hoogste beperkt tot processen in het ik. En zoals de geest, die de stof verlaat, in staat is het gehele leven te waarderen en wel ‑ wat vroeger niet mogelijk was ‑ onpartijdig, zo zal ook de geest, die een sfeer verlaat, alle aspecten van die sfeer, alle werkzaamheden daarin en alle belevingen hernieuwd waarderen. En nu van uit een standpunt dat bevrijd is van de beperkingen die zo’n sfeer of wereld met zich meebrengen. Het zal u duidelijk zijn dat de parallel: overgang van sfeer tot sfeer en sterven op aarde verder kan worden doorgevoerd. Ik wil dit echter op het ogenblik niet doen, om terug te keren naar mijn eigenlijk onderwerp.

De ervaringen die de geest doormaakt wanneer ze het lichaam verlaat, zijn op z’n minst genomen curieus te noemen. Aan de hand van de ervaring van zeer velen die wij hierover ondervraagd hebben, aan de hand ook van onze eigen belevingen en hetgeen wij hebben kunnen waarnemen, helpende bij de overgang van anderen, menen wij het volgende beeld als ongeveer juist voor praktisch alle mensen te kunnen gevent

Het ogenblik van de dood zelf betekent een scheiding van stof en geest. Deze wordt uitgedrukt door een gevoel van explosie, zoals reeds eerder meerdere malen is uiteengezet. Deze explosie resulteert in een zich boven en op een afstand bevinden van het lichaam. Het gevoel zelf veel groter te zijn dan het lichaam doet ons neerschouwen op de wereld en vooral op een betrekkelijk klein stuk daarvan met het gevoel of we een soort marionettentheater beschouwen. Het kost vaak enige moeite ons te realiseren dat wij dit zelf zijn. “Hier lig ik.” Die gedachte dringt soms pas na langere tijd door. Het kan zelfs gebeuren dat een geest zich pas realiseert dat het lichaam dat ten grave wordt gedragen, het zijne is op het ogenblik dat de eerste aarde op de kist valt. In dergelijke gevallen is de reactie volledig afhankelijk van de eigen instelling t.o.v. de dood. Zal bij deze realisatie een verzet aanwezig zijn, dan begint op dat ogenblik een intens lijden. Zal echter de geest afstand kunnen doen van haar lichaam en haar stoffelijk bestaan, dan wordt zij hierdoor juist gedwongen scherper waar te nemen in haar omgeving.

Het verhaal dat menige geest de eigen begrafenis bijwoont, is niet uit de lucht gegrepen. Velen van degenen die overgaan blijven bij het lichaam, totdat het uit de gemeenschap der mensen is gescheiden. Dit komt niet altijd voor, maar wel zeer vaak. Is eenmaal het lichaam uit de gemeenschap weg, hetzij door crematie, begraving of andere wijze van ter‑aarde bestelling, dan zal de geest in sommige gevallen trachten om de personen die haar bijzonder dierbaar en lief zijn, nog te volgen. In andere gevallen zal zij trachten haar eigen aardse streven alsnog duidelijk te maken in de hoop dat iemand anders dat zal voortzetten. Dit leidt ertoe dat vooral de minder bewuste geest die van de aarde scheidt, soms 7 tot 8 dagen, in enkele gevallen zelfs maanden, op aarde kan blijven en kan trachten daar bepaalde dingen te openbaren en te uiten. Na deze periode is haar dit niet meer mogelijk.

Nu wordt er heel vaak op aarde gesproken over een verliezen van het astraal lichaam. Ik moet vooropstellen, dat het astrale lichaam inderdaad fijn‑materieel is, maar dat de vorming van dit lichaam grotendeels afhankelijk is van het voorstellingsvermogen van de geest en dat het zeer veel voorkomt dat deze vorm bepaald blijft langere tijd, nadat het wilsvermogen dat deze vorm heeft gebouwd, zich heeft teruggetrokken,

Een astraal voertuig mag nooit en te nimmer beschouwd worden als een werkelijke entiteit. Elk voertuig en elke astrale vormgeving is het resultaat van de wil van een wezen, dat ook elders op een ander plan of in een andere wereld bestaat. Die wereld kan hoger of lager liggen dan het astrale vlak. Het astrale vlak zelf kent geen entiteiten die daar alléén hun woon hebben.

Toch zal de geest op het astrale vlak vaak werkzaam blijven. Wanneer zij bewust is, zal zij vaak na haar eigen leven overwogen te hebben en ofwel de grensgebieden van Zomerland of Zomerland zelf bereikt te hebben, terugkeren op dit astraal gebied en zich daar een voertuig bouwen, dat zij incidenteel gebruikt, ofschoon het voortdurend blijft voortbestaan. Dit impliceert voor degenen die op aarde wonen, dat de openbaring van een astraal voertuig in een bepaalde vorm niet te allen tijde tevens betekent dat de persoonlijkheid zelf geheel aanwezig is. In enkele gevallen is het alleen maar een schim of schil die niet bezield kan worden door anderen, zolang de wil van iemand in een hogere sfeer deze vormt, maar die alleen bezield is met de eigenschappen die daarin zijn achter gelaten; dus de voorstelling die de geest had omtrent haar eigen vorm, haar eigen leven en bewustzijn.

Wanneer de geest in het astraal gebied gaat werken, blijkt haar verder dat ze kwetsbaar is. Is zij zich bewust, dan zal zij zich hieraan zoveel mogelijk onttrekken. Vergelijkenderwijze kan dan worden gezegd dat het astraal voertuig voor een dergelijke geest niet veel anders is dan een auto die u gebruikt om u van de ene stad naar de andere te verplaatsen. Op gelijke wijze verplaatst via het astraal voertuig de geest zich uit haar eigen lichtere sfeer naar duistere gebieden, of duisterder gebieden.

De conclusie is eenvoudig: Bij het sterven mag geen overmatige aandacht worden besteed aan het astraal gebied, noch mogen de verschijnselen van het astrale gebied als beslissend worden gezien omtrent het lot van degene die is overgegaan. Ik zeg dit hier met nadruk, omdat veelal waarnemingen juist van astrale voertuigen of ook wel schillen op aarde worden gebruikt om mededelingen te doen omtrent het lot van overgeganen. Dit is aan de hand hiervan alleen niet mogelijk.

Verder bezit de geest nog een ander voertuig, dat eigenlijk niet zo materieel meer is. Want ik heb u gesproken over een vormbewustzijn. Bij het sterven is dit vormbewustzijn op aarde geboren. Dit vormbewustzijn betekent dus, dat de geest ‑ zich denkend als mens ‑ nog onderhevig is aan vele belemmeringen die nu eenmaal het menselijk bestaan eigen zijn. Deze belemmeringen worden uit haarzelf geboren en zullen dus tenietgaan op het ogenblik dat zij dit bewustzijn leert prijsgeven. Daarmee is dan haar zgn. mentale voertuig eveneens vernietigd.

De mentale vorm is wel altijd bezield. Zij is niet een afdruk in een andere materie, maar zij is inderdaad geestelijk. Dezelfde uitdrukking en vorm, die wij op mentaal vlak vinden, vinden wij nl. op elke nog vorm-kennende geestelijke sfeer en wereld. Dit mentale lichaam heeft nu bijzondere bezwaren voor degenen, die bv. een gewelddadige dood sterven. Bij een gewelddadige dood is het vasthouden aan het laatste levensmoment de oorzaak, dat ‑ ondanks het bevrijd zijn van alle materie ‑ het lijden, dat men in deze laatste momenten heeft doorgemaakt, blijft voortduren. Het is noodzakelijk hier maatregelen tegen te treffen.

Ofschoon het op deze avond niet mijn allereerste taak is u te leren hoe te sterven, zou ik deze raad willen geven: Op het ogenblijk dat u sterft ‑ onverschillig hoe ‑ en u weet dat u niet meer kunt blijven leven, neem de gedachte in u:” Alles is voorbij”. Dit “Alles is voorbij” betekent een verdringen van elke invloed die u mentaal zou dwingen voort te bestaan in een bepaalde vorm. Het betekent gelijktijdig een bevrijding voor uw eigen bewustzijn. Uw eigen geestelijk bewustzijn dan, van alle conventies en opvattingen, die met het menselijke gebonden zijn. De bewuste verloochening van de aarde, terwijl men op aarde nog leeft en bewust is, het lichaam nog een ogenblik blijft voortbestaan als levende eenheid, is een van de meest belangrijke dingen die gedaan kunnen worden voor een vrij en gelukkig ontwaken in een andere wereld van de geest, gelijktijdig

De volgende fase brengt ons direct in contact met Nevelland en Zomerland. De uitdrukkingen “Nevelland en Zomerland” kunnen wij wel degelijk beschouwen als onmiddellijk verwant aan sterven, waar de oplossing van de dood gelijktijdig een ontwaken is in een van deze gebieden.

Er bestaat helaas hierover veel misverstand. Velen zien Nevelland als een plaats en Zomerland als een andere plaats. Ik zou de vergelijking willen gebruiken: Wie in Nevelland leeft, heeft geestelijk een soort zware zonnebril op, waardoor het licht hem niet kan bereiken, de wereld kleurloos wordt, terwijl ze in zich vol van kleur en leven is. Naarmate wij de belemmering voor het werkelijk zien groter maken, zal de wereld somberder, duisterder zijn en minder nauw‑omschreven vormen kennen. Het bewustzijn van de geest zelf zal bepalen of deze belemmering inderdaad optreedt of niet.

De geest, die de overgang niet of slechts ten dele aanvaardt, belemmert zichzelf daardoor in de erkenning van de lichtende wereld. De geest, die de leiding van degenen die komen om bij de overgang te helpen, niet aanvaardt, vergroot de mogelijkheid dat hierdoor het licht zal worden afgewezen en evenzeer een nevelsfeer of Nevelland optreedt.

Een van de eigenaardigste kwaliteiten van dit Nevelland is de illusie van eenzaamheid. Een illusie, omdat rond u het gehele wezen der geestelijke sferen met alle entiteiten daarin vertoevend, voortdurend actief en werkzaam zich openbaart. Maar degene die in Nevelland denkt te dolen, is hiervoor blind. Elke benadering door de geest middels een afdalen tot deze bewustzijnstrap, brengt de illusie van een schim die zich vertoont. Angst voor deze schimmen vergroot vaak de eenzaamheid en brengt een vlucht in het absolute duister, een volledige wereld‑afgeslotenheid teweeg. Wie zich realiseert dat alleen de eigen instelling bepaalt of men in duister, in nevel of in een lichtende sfeer zich bewust is, zal te allen tijde trachten elke beperking die het ik wordt opgelegd t.o.v. waarneming, elk gevoel van schuld, van onwaardigheid en dergelijke, van zich te zetten. In de plaats daarvan dient te staan een absolute aanvaarding van de reële wereld die dan rond u is. Deze aanvaarding impliceert vaak de pijnlijke ontdekking dat men zelf daar nog niet geheel in past. Maar men kan dan altijd ‑ mits men dit wil doen ‑ hulp krijgen om zichzelf aan te passen aan die wereld en daarin verder bewust te worden.

De moeilijkheid van deze fase van de overgang ligt vooral in het bewustzijn dat wij als geest bezitten. Wanneer een mens geboren wordt op deze wereld, dan gedraagt hij zich ook niet alsof hij schoon en groot ware en zal hij vele dingen doen die voor een volwassen mens niet meer pas­sen. Dit wordt gedaan zonder enige inhibitie, omdat het bewustzijn “Vol­wassen mens” eenvoudig niet aanwezig is. Maar de geest die overgaat uit de wereld brengt daarmee haar voorstellingen van volwassen mens‑zijn veel­al mee. Het zijn juist deze voorstellingen die haar beletten zich als een soort pasgeboren kind te gedragen in de nieuwe wereld. Wie echter deze laatste houding kan aannemen, zal juist daardoor snel en volledig in een lichte sfeer ontwaken.

Zo-even stipte ik een punt aan dat ook enige nadere toelichting verdient, nl. het feit dat de geest ontvangen wordt door andere entiteiten, zodra zij is overgegaan en het lichaam heeft verlaten. Er bestaan hieromtrent op aarde vele misvattingen. Een daarvan is, dat degenen die u afhalen, een groep van familieleden zijn, of van entiteiten die aan u gebonden zijn. Dit laatste kan voorkomen, maar is niet noodzakelijkerwijze altijd waar. Het is heel goed mogelijk dat u niet in staat bent degenen die nauw met u verwant zijn, te herkennen op dat ogenblik. Slechts uw eigen verlangen met een absoluut prijsgeven van alle wereldgedachten, zal het hun mogelijk maken uit hun hogere sfeer zich tijdelijk en vliedend aan u te openbaren. Degenen die u afhalen en in uw onmiddellijke nabijheid zijn, behoren over het algemeen tot degenen die ‑ ofschoon zij reeds in een lichtende sfeer vertoeven ‑ nog zeer dicht bij de aarde staan en daar ofwel voortdurend werkzaam zijn, waardoor zij dus over de voertuigen kunnen beschikken, die daarvoor nodig zijn, dan wel de aarde nog eerst zo kortelings verlaten hebben, dat zij evenzeer nog de beschikking hebben over de mogelijkheden van astraal gebied en dergelijke, die een zich openbaren aan de pas overgegane geesten zeer vergemakkelijken.

Degenen die bij u aanwezig zijn, zouden ‑ volgens de aardse voorstelling ‑ daartoe geroepen worden op het ogenblik van de dood. Ook dit is niet waar. Degenen die u ontvangen na de overgang, zijn meestal reeds enige tijd vóór de overgang bij u aanwezig. Het begint over het algemeen met een of meer geleide-geesten, die het naderende ogenblik van geboorte in de geestelijke wereld zien aankomen. Zoals men op aarde bij een geboorte reeds tijdig zijn maatregelen neemt, opdat alle hulp aanwezig zal zijn, zo nemen ook deze geleide-geesten hun maatregelen. Zij trachten in de eerste plaats volgens het eigen geestelijk bewustzijn en eigen geestelijk verlangen van de persoon, die zal overgaan, een aantal persoonlijkheden samen te brengen die een geruststelling betekenen, een afweer van mogelijke schrikbeelden en die gelijktijdig door hun eigen instelling en gedachtestroming in staat zijn mogelijke schrikbeelden, mogelijke panische gevoelens te doorbreken. Dat degenen die zich met een persoon op aarde veel hebben beziggehouden en die met zo iemand verbonden zijn, zeer vaak in dergelijke groepen zijn inbegrepen, is duidelijk. Dit is echter geen voorwaarde voor een tot deze groep behoren.

De geesten die overgaan, worden dus reeds enige tijd vóór de overgang omringd door een aantal zorgzame helpers en helpsters. Deze zijn voortdurend in de nabijheid en zullen heel vaak ‑ vooral wanneer enige aanvaarding van de dood aanwezig is ‑ zich reeds kenbaar maken, voordat de scheiding stof en geest zich werkelijk heeft voltrokken. Door de geest voortdurend te beroeren en te wijzen op nieuwe wereld en nieuw ontstaan, krijgen wij dan de symbolische beelden, die soms een stervende nog uitspreekt en weergeeft aan degenen, die met hem zijn. U hoort dan vaak “Het is zo mooi. ” Of: “Ik hoor muziek.” Of: “Daar is die en die” waarbij dan een overgegane wordt genoemd. Al deze gevallen kunnen worden teruggebracht tot de pogingen van de helpers om de overgang te vergemakkelijken. Naarmate het eerder gelukt de geest reeds tot een aanvaarden van deze nieuwe verschijnselen te brengen, zal de overgang op aarde geleidelijker, met meer vreugde en minder moeilijkheden kunnen geschieden.

Naast deze onmiddellijke bezigheid worden heel vaak ook middellijk ‑ d.w.z. door anderen, die op het ogenblik van de overgang vaak zelf niet aanwezig zijn ‑ maatregelen getroffen om een geest die overgaat enigszins gerust te stellen omtrent het verder verloop van de stoffelijke zaken, waarin hij nog gemoeid is geweest. In enkele gevallen gaat men daarbij zelfs zo ver, dat een prognose wordt gegeven, waarbij het de geest blijkt, dat ‑ mits zij zichzelf wil overgeven aan betere leiding en zo tot een snelle geestelijke ontwikkeling komen, een ontwaken in de lichtende wereld ‑ zijzelf nog aanwezig zal zijn, wanneer gevolgen van bepaalde stoffelijke handelingen op aarde gerealiseerd worden. De overgegane geest maakt hiervan vaak gebruik en zal juist hierdoor in staat worden gesteld inspiratief of anderszins mee te werken tot het voorkomen van resultaten die niet gewenst zijn.

Na dit beschreven te hebben en hopelijk hiermede geen illusies te hebben verbroken, maar wel een inzicht in de waarheid te hebben verschaft, moet ik verder wijzen op het herleven van het eigen bestaan. Het herleven van het eigen bestaan is een soort afrekening met het mentaal lichaam. Zolang niet het gehele leven gerealiseerd is, is het wel mogelijk om het astrale gebied te verlaten, maar het is niet mogelijk vrij te zijn in de geest. Eerst een volledig kennen van het stoffelijk ik met alle consequenties van alle daden daarin, maakt het mogelijk om het vormbewustzijn prijs te geven en daarvoor in de nieuwe vorm volledig op te gaan.

Die herleving zal voor sommigen fragmentarisch zijn. Want bij die herleving is alleen belangrijk wat voor het ik vormend was. Voor het stoffelijk ik. Daarom worden vele schijnbaar onbelangrijke elementen hier vaak herleefd, terwijl volgens de wereld zeer belangrijke fragmenten van het leven eenvoudig voorbijgaan. Een voorbeeld: Een onbetekenend standje uit de kinderjaren zal volledig worden herleefd met een overzicht omtrent alle oorzaken die hiertoe leiden, een volkomen realisatie van eigen schuld, alle invloeden van de buitenwereld e.d. Een bekroning van het leven, als bv. een jubileum, zal eenvoudig worden voorbijgegaan, tenzij hier opnieuw invloeden zich deden gelden, die voor het verdere leven beslissend waren.

Dit laatste maakt het begrijpelijk dat men heel verschillend spreekt over het voortbestaan op mentaal gebied. Sommigen menen dat dit in enkele dagen voorbij is en er dan geen mogelijkheid meer bestaat. Anderen daarentegen menen dat een onbeperkt bestaan daar mogelijk is. Ik kan geen van beide stellingen bevestigen of ontkennen. Zolang men niet in staat is de objectieve waarde van de ‘het ik‑vormende’ belevenissen te accepteren, zal men op het mentaal gebied blijven voort worstelen. Treedt een onmiddellijke aanvaarding hiervan op, dan zal een mentaal lichaam opgelost worden, d.w.z. dus de vorm (denkt u aan wat ik zo-even gezegd heb) binnen enkele uren soms. Er bestaat hiervoor geen enkele vaste norm.

Hier komt dan de laatste belangrijke fase van de overgang. Nadat het sterven voltooid is ‑ zeggen wij ‑ begint de geboorte. Wij bedoelen hiermee dat zodra de stof verlaten is, een ontwaken in een nieuwe wereld begint. Ook deze stelling is slechts ten dele waar. Voor vele mensen kan het ontwaken in een andere wereld reeds beginnen, voordat het stoffelijk leven beëindigd is. De fasen stoffelijk leven en leven in de geestelijke vormsferen overlappen elkaar vaak voor een belangrijk deel. Naarmate dit leven in beide werelden belangrijker wordt, zal het stoffelijk leven sterker de vormen en de mogelijkheden in het geestelijk leven beïnvloeden.

Hierop te wijzen lijkt mij niet overbodig. Want het houdt in dat naarmate u geestelijke actiever bent en u dus reeds bewust bent in geestelijke sferen, terwijl u op aarde leeft, u sterker ‑ zoals men hier zegt ‑ bouwt aan de woning, die u daar later zult vinden. Deze woning moet niet al te letterlijk worden opgevat. Maar wanneer u ontwaakt in een geestelijke sfeer, vóór het stoffelijk leven ten einde is, dan zult u zeer zeker met elke stoffelijke handeling invloed uitoefenen op het geestelijk ik, dat zich begint te vormen,

Dit geestelijk ik is met het lichaam verbonden, tijdelijk daarmee één, tijdelijk daarvan los. Het resultaat is, dat het voorstellingsvermogen van een persoonlijkheid, die reeds geestelijk ontwaakt is, dan veel sterker be­ïnvloed wordt door alle stoffelijke gebeurtenissen, dan anders mogelijk zou zijn. Een objectief beschouwen kan dan niet al hetgeen in deze tijd ge­schied is, opheffen, waardoor een volledig hernieuwd bestaan in de sferen niet direct mogelijk is. Het sterven zelf is in dergelijk geval als een soort blending in een film. Dat wil zeggen dat het ene beeld vervaagt, terwijl het andere ‑ daar doorheen opkomend ‑ steeds sterker wordt, een ogenblik beide beelden gelijktijdig bestaan, waarna ten slotte het laatste beeld overheerst en het eerste beeld sterft, dus wegvalt. Een dergelijke blending zien we heel vaak bij degenen die een ontwikkeld geestelijk leven hebben gevoerd.

Dan wil ik nog enige opmerkingen maken omtrent vorm. Geestelijk gezien is alle vorm afhankelijk, niet van eigen verlangen, maar van eigen omschrijving van het ik. De ervaring heeft ons geleerd dat velen lichamelijke gebreken ook blijven behouden in de eerste periode die zij in de geestelijke sferen doorbrengen. Naarmate deze vorm sterker vergroeid was met hun persoonlijke uitingen zal zij lang blijven voortbestaan. Indien men echter een vormverandering wil doormaken of zich van dergelijke fouten wil bevrijden, is het goed zich vóór het sterven zoveel mogelijk te realiseren dat ook dit voorbij is.

De mens, die overgaat, kan zich in de geest realiseren in elke vorm, die met het ik verknoopt kan worden of is en voor het ‘ik’ aanvaardbaar blijft. Dit wil zeggen dat velen terugkeren tot een stoffelijke vormgeving, echter de vormgeving uit hun prettigste tijd op aarde. Dit gebeurt ongetwijfeld door associaties binnen de persoonlijkheid die deze vorm doet zien als een uitdrukking van het geluk dat men thans ervaart. Op grond hiervan kan worden aangenomen, dat degenen die zich na de overgang oud tonen en daar niet een verjonging in doen zien, nog niet zijn gekomen tot een volledige aanvaarding van de lichtende werelden. Wanneer ouderdom wordt weergegeven als eigenschap van de persoonlijkheid, zal deze ouderdom slechts ten dele zijn. Dat wil zeggen: alleen tot uitdrukking komen op die punten, die noodzakelijk zijn om de persoonlijkheid zijn bijzondere en bepalende eigenschappen te bezorgen.

Elk sterven, elke overgang, betekent een verliezen van bepaalde kwaliteiten. Elk verliezen van kwaliteiten bij een overgang wordt gecompenseerd door het zich realiseren van andere in het ik sluimerende kwaliteiten. Het is goed dat men ook dit zich voortdurend bewust is. In elk wezen ‑ mens of hogere geest of lagere geest ‑ sluimeren zeer vele mogelijkheden. Het totaal der mogelijkheden tezamen vormt het facet van het Goddelijke, zoals het geopenbaard is in de ziel. De wijze waarop wij deze eigenschappen realiseren en tot uiting brengen, is gedeeltelijk aan onszelf overgelaten. Een beperking geldt hierbij. Vele eigenschappen zijn zozeer verwant aan bepaalde gebieden van bestaan, dat zij eerst daar geheel en volledig geuit kunnen worden.

Wanneer dus een overgang een verliezen betekent van bepaalde moge­lijkheden en kwaliteiten, is dit verlies niet absoluut. Wanneer u sterft, verliest u daarmee niet uw vermogen om op aarde te leven en u voort te bewegen. Slechts tijdelijk en krachtens een onvolledige realisatie van uw eigen vermogens, zult u van die aarde verwijderd zijn. Dit gaat zo ver dat de geest die zich werkelijk van zijn kwaliteiten en eigenschappen be­wust is, zich van uit elke sfeer door vrije wil en door voldoende wils­kracht en inspanning een voertuig kan bouwen voor elke wereld of elke sfeer waarop zij zich wenst te uiten.

Er is dus een tijdelijk verlies van mogelijkheid. Dit tijdelijk verlies brengt het grote voordeel met zich mee, dat men eerst in de nieuwe wereld zich bewust moet worden, eerst in deze nieuwe wereld actief deel van het leven moet zijn geworden, voordat men in staat is terug te zien en terug te grijpen naar vroeger leven. Tracht men dit te doen, voordat men in staat is in de eigen wereld zich volledig vrij te bewegen, dan zal dit een afsluiten van de wereld ten gevolge hebben en een absolute stilstand.

Stilstand in het sterven betekent in feite een verlenging (van uit ons standpunt desnoods mogelijk tot het oneindige) van een bepaalde fase die in het sterven optreedt. In elke fase van het sterven nu blijft het denken zelf en het bewustzijn zelf gehandhaafd. Zo zullen denken en bewustzijn gehandhaafd blijven in alle mogelijke fasen, waarin de geest zich terugtrekt uit de wereld of haar wereld. In dergelijke gevallen echter zal het onderling spel der gedachten een zeer moeilijke en pijnlijke situatie scheppen. De eigen gedachten nl. raken op een gegeven ogenblik uitgeput. De geest die haar wereld niet wil aanvaarden, zal dan trachten door een hergroepering van deze gedachten toch een nieuw beleven voor zichzelf mogelijk te maken. Naarmate dit proces zich vaker afspeelt, wordt het beleven dat men doormaakt, irriterender, pijnlijker en hopelozer.

Ik heb dit naar voren gebracht, om u duidelijk te maken, hoe men komt aan de kwellingen van de hel. Want de hel wordt ook heel vaak bij het sterven aangehaald als een der mogelijkheden van voortbestaan. De hel is in feite een voortdurende herhaling van datgene wat de gedachten beheerst op een zodanige wijze dat het op de duur uitputtend, hatelijk en verwerpelijk wordt. Het kan zowel studie als stoffelijke genoegens betreffen, het kan praktisch alles bevatten, wat in het menselijk leven belangrijk kan zijn. Eenzelfde fase kan voorkomen in elke sfeer, wanneer de geest niet geneigd is haar wereld prijs te geven, terwijl het ogenblik voor haar daartoe gekomen is. Zo wordt elk vertoeven op een wereld, nadat het ogenblik tot sterven, tot overgaan, is aangebroken, pijnlijk en op de duur niet meer houdbaar.

Het feit dat de voortdurende herhaling van gedachten een steeds grotere smart betekent, brengt met zich mee dat de geest die hieraan onderhevig is, op de duur bepaalde delen van dit beleven zal gaan uitsluiten van een herbeleving. Hierdoor wordt langzaam maar zeker het eigen bewustzijn tot nil‑bewustzijn teruggebracht. Dit bewustzijn nil, dus deze stilstand van denken, resulteert in een rematerialisatie, waarschijnlijk in de wereld die verlaten werd; in enkele gevallen ook in de wereld, waarin men na de overgang bewust had moeten verder leven.

En dan nog een paar raadgevingen voor het leven zelf. Wanneer de mens in het leven te veel aan de dood denkt, dan brengt hij daardoor de gedachte van uitblussing steeds sterker in zich naar voren. Naarmate men sterker aan de dood denkt als een verlaten van een wereld, zal men de dood zelf moeilijker en pijnlijker ondergaan. Degenen, die zich thans reeds willen voorbereiden op een gelukkige dood, zullen dit zeker niet kunnen doen door te veel aandacht hieraan te besteden. Richt al uw aandacht op het leven. En zo u denkt aan het einde van dit leven, tracht het dan niet te zien als een einde van alle ontwikkelingen en handelingen, maar slechts als een verandering van waarden, niet belangrijker dan een zich verplaatsen van de ene stad naar de andere.

Wie op deze wijze tegenover de dood staat, zal haar normaal en natuurlijk kunnen aanvaarden. Wat nog belangrijker is: In het leven zelf zal die dood niet hebben meegespeeld als het einde, zodat niet de drang bestaat terug te keren, bepaalde zaken af te handelen, enz. maar als een continuatie van het bestaan in nieuwe vorm. Hierdoor zal men na de overgang in staat zijn vlugger en redelijker alle eigen capaciteiten te verwerven, die noodzakelijk zijn voor een eventueel voortzetten van ontwikkelingen die op aarde begonnen zijn. Op de duur zal degene, die op een dergelijke wijze overgaat, leren deel te hebben aan het wereldleven, het leven dus in de stoffelijke wereld, terwijl gelijktijdig het bestaan op eigen vlak volledig, gelukkig en vredig kan worden voortgezet, tot het ogenblik komt dat ook de nieuwe wereld verlaten moet worden voor een volgende.